Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:3928

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-11-2014
Datum publicatie
05-11-2014
Zaaknummer
201310489/1/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij brief van 24 juli 2012 heeft de minister [appellant] medegedeeld dat zijn ingebrekestelling van 22 juni 2012 niet in behandeling wordt genomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BA 2014/260

Uitspraak

201310489/1/A3.

Datum uitspraak: 5 november 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 9 oktober 2013 in zaak nr. 13/4089 in het geding tussen:

[appellant]

en

de minister van Veiligheid en Justitie.

Procesverloop

Bij brief van 24 juli 2012 heeft de minister [appellant] medegedeeld dat zijn ingebrekestelling van 22 juni 2012 niet in behandeling wordt genomen.

Bij besluit van 10 april 2013 heeft de minister het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar kennelijk ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 9 oktober 2013 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 10 april 2013 vernietigd, het bezwaar van [appellant] kennelijk niet-ontvankelijk verklaard, bepaald dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit en het verzoek tot vaststelling van de hoogte van de door de minister ingevolge artikel 4:17 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) verbeurde dwangsommen afgewezen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 juni 2014, waar [appellant] en de minister, vertegenwoordigd door mr. H.O. Nieuwpoort, werkzaam bij de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie (hierna: CVOM), zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 1:3, eerste lid, van de Awb wordt onder besluit verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.

Ingevolge het derde lid wordt onder aanvraag verstaan: een verzoek van een belanghebbende, een besluit te nemen.

Ingevolge artikel 4:17, eerste lid, verbeurt het bestuursorgaan aan de aanvrager een dwangsom voor elke dag dat het in gebreke is, doch voor ten hoogste 42 dagen, indien een beschikking op aanvraag niet tijdig wordt gegeven.

Ingevolge het zesde lid, aanhef en onder c, is geen dwangsom verschuldigd indien de aanvraag kennelijk niet-ontvankelijk of kennelijk ongegrond is.

Ingevolge artikel 7:1 dient degene aan wie het recht is toegekend beroep bij een bestuursrechter in te stellen, alvorens beroep in te stellen, bezwaar te maken.

Ingevolge artikel 8:1 kan een belanghebbende tegen een besluit beroep instellen bij de bestuursrechter.

2. Bij faxbericht van 22 juni 2012 heeft [appellant] de minister in gebreke gesteld wegens het niet tijdig beslissen op een door hem, naar hij stelt, ingediend verzoek.

Bij brief van 24 juli 2012 heeft de minister medegedeeld dat voormelde ingebrekestelling buiten behandeling wordt gelaten.

Bij besluit van 10 april 2013 heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat de ingebrekestelling van 22 juni 2012 terecht niet in behandeling is genomen, zodat geen dwangsom is verschuldigd.

3. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard. Volgens hem is geen sprake van kennelijkheid, nu het bezwaarschrift noopte tot een inhoudelijke beoordeling dan wel nader onderzoek. Hij heeft weliswaar bezwaar gemaakt tegen de brief van 24 juli 2012, waarvan hij erkent dat deze niet als een besluit kan worden aangemerkt, maar kon dit destijds niet weten, nu de brief was voorzien van een rechtsmiddelenclausule.

3.1. In de brief van 24 juli 2012 heeft de minister in reactie op de ingebrekestelling van 22 juni 2012 medegedeeld dat deze niet in behandeling wordt genomen. De rechtbank heeft het hiertegen gerichte bezwaar terecht kennelijk niet-ontvankelijk geacht, nu er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel mogelijk was dat het bezwaar niet-ontvankelijk was. Anders dan [appellant] betoogt, noopte het bezwaarschrift niet tot een inhoudelijke beoordeling dan wel nader onderzoek. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat het buiten behandeling laten van een ingebrekestelling niet kan worden aangemerkt als een besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Zoals de Afdeling in de uitspraak van 16 april 2014 in zaak nr. 201302645/1/A3 heeft overwogen, is een ingebrekestelling immers geen aanvraag in de zin van de Awb, zodat de reactie daarop geen besluit inhoudt. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat, nu de brief van 24 juli 2012 geen besluit is als bedoeld in de Awb, gelet op de artikelen 7:1, eerste lid, en 8:1 van de Awb, geen bezwaar en beroep mogelijk is. Ter zitting van de Afdeling heeft [appellant] overigens bevestigd dat hij de niet-ontvankelijkheid niet betwist.

[appellant] betoogt voorts tevergeefs dat hem niet mag worden tegengeworpen dat hij de brief van 24 juli 2012 aanvankelijk als een besluit heeft opgevat, gelet op de daarin opgenomen rechtsmiddelenclausule. Onder verwijzing naar de uitspraak van 13 juni 2012 in zaak nr. 201107185/1/A3 wordt overwogen dat het al dan niet opnemen van een rechtsmiddelenverwijzing voor het antwoord op de vraag of de minister op 24 juli 2012 een besluit in de zin van de Awb heeft genomen niet doorslaggevend is.

Het betoog faalt.

4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S. Langeveld-Mak, griffier.

w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Langeveld-Mak

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 5 november 2014

317-697.