Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:3914

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-11-2014
Datum publicatie
05-11-2014
Zaaknummer
201302908/2/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 31 januari 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "[locatie] te Bavel AC" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Wet ruimtelijke ordening 3.1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JG 2015/6 met annotatie van mr. drs. H. Doornhof
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201302908/2/R3.

Datum uitspraak: 5 november 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant A] en [appellant B], beiden wonend te Bavel, gemeente Alphen-Chaam,

en

de raad van de gemeente Alphen-Chaam,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 31 januari 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "[locatie] te Bavel AC" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant A] en [appellant B] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld heeft [belanghebbende] een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant A] en [appellant B] hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 oktober 2013, waar [appellant A] en [appellant B], bijgestaan door mr. R.E. Izeboud, advocaat te Breda, en de raad, vertegenwoordigd door H.A. van Strien, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [belanghebbende], vertegenwoordigd door [gemachtigde] en bijgestaan door mr. C.J. Visser, advocaat te Rotterdam, gehoord.

Bij tussenuitspraak van 15 januari 2014, zaak nr. 201302908/1/R3, heeft de Afdeling de raad opgedragen om binnen 26 weken na de verzending van deze tussenuitspraak de daarin omschreven gebreken in het besluit van 31 januari 2013 te herstellen. Deze tussenuitspraak is aangehecht.

Bij besluit van 27 februari 2014 heeft de raad aangegeven de in de tussenuitspraak omschreven gebreken te hebben hersteld en heeft hij het bestemmingsplan "[locatie] te Bavel AC" gewijzigd vastgesteld.

[appellant A] en [appellant B] zijn in de gelegenheid gesteld een zienswijze over de wijze waarop de gebreken zijn hersteld naar voren te brengen. Zij hebben hiervan gebruik gemaakt.

De Afdeling heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft.

Vervolgens heeft de Afdeling het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. De Afdeling heeft in de tussenuitspraak geoordeeld dat het besluit van 31 januari 2013 in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), artikel 8.3, eerste lid, sub d, van de Verordening ruimte 2012 (hierna: de Verordening 2012) en artikel 3:2 van de Awb is vastgesteld. Daartoe heeft zij overwogen dat de noodzaak voor een omvang van de springweide ten behoeve van een paardenhouderij als in het plan voorzien onvoldoende is gemotiveerd, dat de springweide in strijd met de Verordening 2012 buiten het bouwvlak ligt en dat de raad onvoldoende met onderzoek heeft onderbouwd of plaatsing van lichtmasten niet zal leiden tot onaanvaardbare aantasting van het woon- en leefklimaat van [appellant A] en [appellant B]. Gelet hierop is het beroep van [appellant A] en [appellant B] gegrond, zodat het besluit van 13 januari 2013 wegens strijd met artikel 3:46 van de Awb, artikel 8.3, eerste lid, sub d, van de Verordening 2012 en artikel 3:2 van de Awb dient te worden vernietigd.

2. De raad heeft naar aanleiding van de tussenuitspraak advies gevraagd aan de Adviescommissie Agrarische Bouwaanvragen (hierna: AAB) over de noodzaak van de omvang van de springweide. In het advies van 28 januari 2014 heeft de AAB geconcludeerd dat een springweide in een omvang zoals voorzien in het gewijzigd vastgestelde plan noodzakelijk is voor een doelmatige bedrijfsvoering. Verder heeft de raad de verbeelding aangepast in die zin dat de springweide binnen het bouwvlak ligt, de gronden zijn voorzien van de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - springweide" en heeft hij een daarbij behorende planregeling vastgesteld, waarbij de omvang van de springweide binnen het bouwvlak is gemaximeerd. Voorts is in artikel 3, lid 3.2.6, aanhef en onder b, van de planregels bepaald dat lichtmasten niet zijn toegestaan ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - springweide".

3. Het beroep van [appellant A] en [appellant B] wordt gelet op artikel 6:19, eerste lid, van de Awb geacht mede te zijn gericht tegen het besluit van 27 februari 2014.

4. [appellant A] en [appellant B] hebben in hun zienswijze over het besluit van 27 februari 2014 geen gronden aangevoerd ten aanzien van de gewijzigde planregeling voor lichtmasten, de aanpassing van de verbeelding door vergroting van het bouwvlak en het toekennen van de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - springweide" met de daarbij behorende planregeling. De Afdeling leidt hieruit af dat [appellant A] en [appellant B] in zoverre geen bezwaren hebben tegen dit besluit.

5. [appellant A] en [appellant B] voeren in hun zienswijze aan dat de springweide dichter bij de bestaande bebouwing had moeten liggen vanuit het principe zuinig ruimtegebruik uit de Verordening 2012 en dat zij betwijfelen of het bedrijf uit 24 dieren bestaat.

5.1. De Afdeling overweegt dat [appellant A] en [appellant B] zich met deze zienswijzen, voor zover de zienswijze over het aantal dieren moet worden begrepen als gericht tegen de bestemming als zodanig en het gebruik, keren tegen overwegingen van de tussenuitspraak over de ligging van het bouwvlak en de agrarische bedrijfsbestemming. Behoudens zeer uitzonderlijke gevallen kan de Afdeling niet terugkomen van een in de tussenuitspraak gegeven oordeel. Een dergelijk geval is hier niet aan de orde, zodat in zoverre van het in de tussenuitspraak gegeven oordeel moet worden uitgegaan.

6. [appellant A] en [appellant B] voeren verder in hun zienswijze aan dat het AAB-advies onzorgvuldig tot stand is gekomen, aangezien de AAB zich alleen heeft laten informeren door [belanghebbende]. [appellant A] en [appellant B] zijn niet gehoord. Verder betogen zij dat zij op tenminste in de gelegenheid hadden moeten worden gesteld om te kunnen reageren, voordat het advies werd uitgebracht. Voorts kan het advies volgens hen niet zorgvuldig zijn nu het veel sneller dan gebruikelijk is opgesteld.

6.1. De Afdeling stelt vast dat [appellant A] en [appellant B] overeenkomstig artikel 8:51b, derde lid, van de Awb in de gelegenheid zijn gesteld hun zienswijze over het besluit van 27 februari 2014 en het daaraan ten grondslag liggende AAB-advies naar voren te brengen. Daar hebben zij gebruik van gemaakt. Er bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de procedure onzorgvuldig is verlopen. In de enkele stelling dat het AAB-advies sneller dan gebruikelijk is opgesteld ziet de Afdeling geen aanleiding voor een ander oordeel. Het betoog faalt.

7. Volgens [appellant A] en [appellant B] is in het advies van onjuiste feiten uitgegaan. Zo wordt in het advies ten onrechte uitgegaan van een springweide met een oppervlakte van 2.500 m² terwijl dit niet in de planregels is vastgelegd, wordt ten onrechte verondersteld dat [belanghebbende] een hobbymatige paardenhouderij heeft gekocht en staat er ten onrechte dat de springweide geen omheining heeft. Verder is onjuist dat de springweide met een aanlegvergunning is aangelegd.

Voorts zien [appellant A] en [appellant B] met het AAB-advies de noodzaak nog steeds niet aangetoond. Zij hebben een tegenadvies ingebracht van E. Bijl, dat is neergelegd in een brief van 11 juli 2014, waarnaar zij verwijzen. Hieruit is volgens hen af te leiden dat voor het uitzetten van een parcours ook met een normale buitenbak van 20 m x 40 m kan worden volstaan. Deze afmeting wordt ook genoemd in het Disciplinereglement Springen 2013 van de Koninklijke Nederlandse Hippische Sportfederatie. Bovendien beschikt het bedrijf al over voldoende rijbakken. Voorts hebben [appellant A] en [appellant B] aan de Brabantse Milieufederatie (hierna: BMF) verzocht zich uit te laten over de noodzaak. Blijkens de brief van 31 juli 2014 is er volgens de BMF geen aantoonbare noodzaak.

7.1. Over de door [appellant A] en [appellant B] veronderstelde onjuistheden in het AAB-advies overweegt de Afdeling het volgende. In artikel 3, lid 3.1, aanhef en onder m, van de planregels is bepaald dat de voor "Agrarisch - Agrarisch bedrijf" aangewezen gronden zijn bestemd voor een springweide, waarvan de oppervlakte niet meer mag bedragen dan 2.500 m2, ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - springweide". Hiermee is de omvang van de springweide waarvan in het AAB-advies is uitgegaan ook vastgelegd in de planregels. Dat in het besluit van 27 februari 2014 alleen staat vermeld dat de planregeling in verband met de aanduiding is aangepast, laat onverlet dat bij dit besluit het plan, inclusief de daarbij behorende planregels over de omvang van de springweide, gewijzigd is vastgesteld. In het AAB-advies is dan ook op goede gronden van die omvang uitgegaan. Verder oordeelt de Afdeling over de gestelde aankoop van een hobbymatige paardenhouderij, de omheining en de voorgeschiedenis over de aanlegvergunning, wat hier ook van zij, dat deze omstandigheden niet relevant zijn voor de beantwoording van de vraag of de springweide noodzakelijk is, waartoe in de tussenuitspraak van 15 januari 2014 een opdracht is gegeven.

7.2. Uit het AAB-advies volgt dat de locatie is bezocht en dat er overleg heeft plaatsgevonden met [belanghebbende], teneinde inzicht te verkrijgen in de bedrijfsvoering. De AAB concludeert dat het gebruik kunnen maken van een oefenparcours dat gelijkenis vertoont met een wedstrijdparcours, een onlosmakelijk onderdeel uitmaakt van de opleiding van springpaarden. Daarom is aangesloten bij de maten uit het Disciplinereglement Springen 2013. De Afdeling stelt vast dat in dat reglement, evenals in de herziene handreiking "Paardenhouderij en ruimtelijke ordening" van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten uit 2009, minimale afmetingen staan aangegeven voor buitenrijbanen. Afwijken van deze afmetingen op grond van een deskundigenadvies is mogelijk. De AAB heeft in dat verband toegelicht dat voor de omvang van een springweide de omvang van het bedrijf, de fysieke beschikbare ruimte, de beschikbare andere trainingsvoorzieningen en de inzichten van de betreffende ondernemer een rol spelen. Gelet op de tekst van artikel 8.3, eerste lid, aanhef en onder c, van de Verordening 2012 ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de AAB deze aspecten niet bij haar beoordeling van de noodzaak van de uitbreiding in aanmerking had mogen nemen. Met het AAB-advies heeft de raad naar het oordeel van de Afdeling, gegeven ook de aan hem toekomende beoordelingsvrijheid met betrekking tot het begrip "noodzaak" in de Verordening 2012, dan ook voldoende gemotiveerd dat de voorziene omvang noodzakelijk is voor een doelmatige bedrijfsvoering van dit bedrijf.

In hetgeen [appellant A] en [appellant B] hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het AAB-advies gebreken vertoont of zodanige leemtes in kennis bevat dat de raad zich hierop niet had mogen baseren. Het tegenadvies van Bijl geeft geen aanleiding voor een ander oordeel, nu daarin alleen wordt ingegaan op de omvang van de springweiden, waarover de cliënten van Bijl beschikken. Daarmee is echter nog niet uitgesloten dat een springweide als in het gewijzigd vastgestelde plan voorzien noodzakelijk kan worden geacht voor de betreffende paardenhouderij. Over de opmerking van Bijl dat met deze springweide de indruk wordt gewekt dat het beoefenen van wedstrijden de overhand kan krijgen, overweegt de Afdeling dat de bestemming een dergelijk gebruik uitsluit. Wat betreft de brief van de BMF oordeelt de Afdeling dat de BMF niet als deskundige kan worden aangemerkt die advies geeft op het gebied van agrarische bedrijfsvoering. Het betoog faalt.

8. Gelet op het voorgaande is het van rechtswege ontstane beroep van [appellant A] en [appellant B] tegen het besluit van 27 februari 2014 ongegrond.

9. De raad dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep tegen het besluit van 31 januari 2013 gegrond;

II. vernietigt het besluit van 31 januari 2013 tot vaststelling van het bestemmingsplan "[locatie] te Bavel AC";

III. verklaart het beroep het besluit van 27 februari 2014 ongegrond;

IV. veroordeelt de raad van de gemeente Alphen-Chaam tot vergoeding van bij [appellant A] en [appellant B] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.847,58 (zegge: achttienhonderdzevenenveertig euro en achtenvijftig cent), waarvan € 1.217,50 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

V. gelast dat de raad van de gemeente Alphen-Chaam aan [appellant A] en [appellant B] het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 160,00 (zegge: honderdzestig euro) vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander.

Aldus vastgesteld door mr. J. Hoekstra, voorzitter, en mr. E. Helder en mr. R.J.J.M. Pans, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.F.N. Pikart-van den Berg, griffier.

w.g. Hoekstra w.g. Pikart-van den Berg

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 5 november 2014

429-661.