Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:390

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
06-02-2014
Datum publicatie
12-02-2014
Zaaknummer
201210842/1/V1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSGR:2012:BZ0015, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 2 september 2010 heeft de minister van Justitie een aanvraag van de vreemdeling om krachtens artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) te bepalen dat zijn uitzetting achterwege blijft, afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201210842/1/V1.

Datum uitspraak: 6 februari 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam, van 19 oktober 2012 in zaak nr. 12/15515 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel (hierna: de minister).

Procesverloop

Bij besluit van 2 september 2010 heeft de minister van Justitie een aanvraag van de vreemdeling om krachtens artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) te bepalen dat zijn uitzetting achterwege blijft, afgewezen.

Bij besluit van 25 april 2012 heeft de minister het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar alsnog gegrond verklaard en hem uitstel van vertrek verleend voor de duur van zijn opname, met ingang van 25 april 2012 tot uiterlijk 25 oktober 2012. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 19 oktober 2012 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 oktober 2013, waar de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. C.J. Tromp, werkzaam bij het Ministerie van Veiligheid en Justitie, vergezeld door F. Karabulut, en de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. P.J. Schüller, advocaat te Amsterdam, zijn verschenen.

Na het sluiten van het onderzoek ter zitting heeft de Afdeling het onderzoek heropend.

De staatssecretaris en de vreemdeling hebben nadere stukken ingediend.

Met toestemming van partijen is afgezien van een verdere behandeling van de zaak ter zitting.

Overwegingen

1. Onder de staatssecretaris wordt tevens verstaan: diens rechtsvoorgangers.

2. Ingevolge artikel 64 van de Vw 2000 blijft uitzetting achterwege zolang het gelet op de gezondheidstoestand van de desbetreffende vreemdeling of die van een van zijn gezinsleden niet verantwoord is om te reizen.

Ingevolge artikel 3.46, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: het Vb 2000) kan de staatssecretaris de verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 14 van de Vw 2000, onder een beperking verband houdend met het ondergaan van medische behandeling, verlenen, indien Nederland naar zijn oordeel het meest aangewezen land is voor het ondergaan van een noodzakelijke medische behandeling en de financiering van die medische behandeling naar zijn oordeel deugdelijk is geregeld.

Bij besluit van 23 juni 2010 tot wijziging van het Vb 2000 (Staatsblad 2010, 244), dat op 1 juli 2010 in werking is getreden, is aan artikel 3.46 een derde lid - thans het vierde lid - toegevoegd, waarin, gelezen in samenhang met artikel 8, onder j, van de Vw 2000, is bepaald dat de staatssecretaris de aanvraag niet afwijst op grond van artikel 16, eerste lid, onder a of c, van de Vw 2000 of op de grond dat de financiering van de medische behandeling niet deugdelijk is geregeld, indien ten minste een jaar direct voorafgaande aan de aanvraag tegen de uitzetting beletselen hebben bestaan als bedoeld in artikel 64 van de Vw 2000.

3. Bij besluit van 8 maart 2011 heeft de staatssecretaris het door de vreemdeling tegen het besluit van 2 september 2010 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 9 november 2011 in zaak nr. 11/8343 heeft de rechtbank 's-Gravenhage het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen. Bij brieven van 10 en 17 april 2012 heeft de vreemdeling stukken overgelegd, waaruit blijkt dat hij sinds 2 april 2012 is opgenomen. Op grond hiervan heeft de staatssecretaris de vreemdeling bij besluit van 25 april 2012 alsnog krachtens artikel 64 van de Vw 2000 uitstel van vertrek verleend voor de duur van deze opname met een maximum van zes maanden tot uiterlijk 25 oktober 2012.

4. De enige grief is gericht tegen de overweging van de rechtbank dat de staatssecretaris niet had mogen volstaan met het ongemotiveerd toepassen van artikel 64 van de Vw 2000 met ingang van de datum van het inwilligende besluit, maar dat hij, zoals hem ook was opgedragen in voormelde uitspraak van 9 november 2011, had moeten onderzoeken of de medische omstandigheden van de vreemdeling op een eerder moment tot toepassing van artikel 64 van de Vw 2000 aanleiding hadden moeten geven.

Voor deze overweging heeft de rechtbank redengevend geacht dat de vreemdeling, door de wijziging van artikel 3.46 van het Vb 2000 per 1 juli 2010 en het ter uitvoering daarvan vastgestelde beleid, belang heeft gekregen bij een eerdere ingangsdatum van de periode waarvoor de staatssecretaris hem uitstel van vertrek heeft verleend. De rechtbank heeft daartoe, onder verwijzing naar de brief van de staatssecretaris aan de voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal van 7 oktober 2009 (Kamerstukken II 2009/10, 19637, nr. 1305; hierna: de brief van 7 oktober 2009), in aanmerking genomen dat de toepassing van artikel 64 van de Vw 2000 door die wijziging verdergaande gevolgen heeft gekregen dan de loutere opschorting van de uitzetting, die naar haar aard uitsluitend op de toekomst is gericht. In het licht daarvan kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden volgehouden dat de door de staatssecretaris aangehaalde uitspraak van de Afdeling van 17 december 2008 in zaak nr. 200803012/1, die zag op uitstel van vertrek in de oude betekenis, nog onverkort van toepassing is.

4.1. De staatssecretaris klaagt terecht dat het oordeel van de rechtbank, dat hem bij voormelde uitspraak van 9 november 2011 is opgedragen te onderzoeken of de medische omstandigheden van de vreemdeling op een eerder moment tot toepassing van artikel 64 van de Vw 2000 aanleiding hadden moeten geven, op een onjuiste lezing van die uitspraak berust. In die uitspraak is immers uitsluitend geoordeeld dat de staatssecretaris het besluit van 8 maart 2011 niet op de adviezen van het Bureau Medische Advisering (hierna: het BMA) van 17 augustus 2010 en 10 februari 2011 heeft mogen baseren en dat hij het BMA had moeten verzoeken op de aanvullende informatie van de medisch behandelaar van de vreemdeling te reageren en de in voormelde adviezen opgenomen reisvereisten nader toe te lichten.

Dit kan evenwel, gelet op het volgende, niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden.

4.2. De staatssecretaris klaagt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat met voormelde wijziging van artikel 3.46 van het Vb 2000 niet is beoogd artikel 64 van de Vw 2000 van zijn toekomstgerichte karakter te ontdoen. Daartoe voert hij, zoals nader toegelicht ter zitting bij de Afdeling, aan dat hij er bewust voor heeft gekozen het beleid te handhaven om artikel 64 van de Vw 2000 niet met terugwerkende kracht toe te passen. In dit verband verwijst hij naar zijn brief aan de voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal van 26 oktober 2012 (Kamerstukken II 2012/13, 30846, nr. 18; hierna: de brief van 26 oktober 2012). Daarnaast wijst de staatssecretaris er op dat in artikel 26 onderscheidenlijk 44 van de Vw 2000 voor aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier onderscheidenlijk asiel is bepaald dat de staatssecretaris de verblijfsvergunning verleent met ingang van de dag waarop een vreemdeling heeft aangetoond dat hij aan alle voorwaarden voldoet, maar dat een dergelijke wettelijke bepaling niet is opgenomen voor een aanvraag om toepassing van artikel 64 van de Vw 2000.

4.3. Voormelde wijziging van artikel 3.46 van het Vb 2000 is een uitvloeisel van het in de brief van 7 oktober 2009 aangekondigde beleid van de staatssecretaris om de verscheidenheid aan toelatingsvormen op medische gronden te vereenvoudigen. In die brief heeft hij het volgende vermeld.

"De vereenvoudiging houdt in dat een reguliere vergunning onder de beperking «medische behandeling» in de toekomst alleen nog zal worden verleend als aan de daartoe gestelde voorwaarden wordt voldaan (Nederland als meest aangewezen land, noodzakelijke behandeling en deugdelijke financiering). In de overige gevallen is in principe tijdelijkheid het uitgangspunt, hetgeen zich slecht verhoudt met het onmiddellijk verlenen van een verblijfsvergunning. Ik stel voor om in die situaties voortaan verblijf op basis van artikel 64 Vw toe te kennen. Hiermee wordt de huidige toepassing van artikel 64 Vw uitgebreid, en komt de verblijfsvergunning «medische nood» te vervallen."

4.4. In de brief van 26 oktober 2012 heeft de staatssecretaris het volgende vermeld.

"Na een jaar uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) kan de vreemdeling in aanmerking komen voor een reguliere vergunning op medische gronden. Voorwaarde hiervoor is dat het jaar waarin uitstel van vertrek is verleend aaneengesloten is. Uitstel van vertrek wordt echter niet altijd voor een jaar verleend, maar kan bijvoorbeeld ook voor zes maanden of drie maanden verleend worden. Bovendien wordt het uitstel van vertrek verleend met ingang van de datum van de beschikking en niet met ingang van de datum van de aanvraag. Dit kan tot gevolg hebben dat een vreemdeling die twee keer uitstel van vertrek heeft gekregen voor bijvoorbeeld zes maanden niet een reguliere vergunning op medische gronden wordt verleend.

Hier is bewust voor gekozen om de tijdelijkheid van het uitstel van vertrek te benadrukken. Pas als blijkt dat de medische behandeling langer dan een jaar zal duren en de vreemdeling op Nederland blijft aangewezen, is een bestendiger verblijfsrecht aan de orde. Artikel 64 Vw wordt daarnaast alleen toegepast voor de periode waarin het reisbeletsel zal bestaan. Als uit het BMA-advies blijkt dat de behandeling naar verwachting langer dan een jaar duurt, wordt artikel 64 Vw toegepast voor een jaar. Als het BMA verwacht dat de behandeling korter zal duren wordt artikel 64 Vw alleen voor die periode toegepast. Het beleid is er dus op gericht om tegen te gaan dat vreemdelingen perioden van artikel 64 Vw gaan stapelen teneinde voor een reguliere vergunning op medische gronden in aanmerking te komen."

4.5. De staatssecretaris voert terecht aan dat, anders dan voor een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning, in de wet geen bepaling is opgenomen waarin is voorgeschreven met ingang van welke dag een aanvraag van een vreemdeling om hem krachtens artikel 64 van de Vw 2000 uitstel van vertrek te verlenen, wordt ingewilligd. Dat rechtmatig verblijf op grond van het bestaan van beletselen als bedoeld in artikel 64 van de Vw 2000 niet hetzelfde karakter heeft als rechtmatig verblijf op grond van een verblijfsvergunning, valt voorts af te leiden uit de opzet van artikel 8 van de Vw 2000, aangezien eerstbedoeld verblijf in onderdeel j van deze bepaling afzonderlijk wordt genoemd. Gelet hierop en bezien in het licht van de hiervoor in 4.3. en 4.4. weergegeven toelichting, is het beleid van de staatssecretaris om een aanvraag van een vreemdeling om hem krachtens artikel 64 van de Vw 2000 uitstel van vertrek te verlenen niet eerder in te willigen dan met ingang van de datum van het inwilligende besluit, niet onredelijk.

4.6. Ingevolge artikel 4:82 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) kan ter motivering van een besluit slechts worden volstaan met een verwijzing naar een vaste gedragslijn voor zover deze is neergelegd in een beleidsregel.

Voormeld beleid is niet neergelegd in een beleidsregel als bedoeld in artikel 1:3, vierde lid, van de Awb, nu het niet op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. De staatssecretaris had dan ook moeten motiveren waarom hij in dit concrete geval, na afweging van alle betrokken belangen, ervoor heeft gekozen aan voormeld beleid vast te houden en de vreemdeling met ingang van de datum van het inwilligende besluit krachtens artikel 64 van de Vw 2000 uitstel van vertrek te verlenen. Nu de staatssecretaris dit heeft nagelaten, heeft de rechtbank terecht overwogen dat het besluit van 25 april 2012 ondeugdelijk is gemotiveerd.

De grief faalt.

5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd, zij het met verbetering van de gronden waarop deze rust.

6. De staatssecretaris dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. veroordeelt de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.217,50 (zegge: twaalfhonderdzeventien euro en vijftig cent), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

III. bepaalt dat van de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie een griffierecht van € 466,00 (zegge: vierhonderdzesenzestig euro) wordt geheven.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. M.G.J. Parkins-de Vin en mr. E. Steendijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. Oudeboon-van Rooij, ambtenaar van staat.

w.g. Lubberdink w.g. Oudeboon-van Rooij

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 6 februari 2014

487.