Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:3893

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-10-2014
Datum publicatie
29-10-2014
Zaaknummer
201404488/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2014:2692, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 21 april 2011 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het voorschot kinderopvangtoeslag over 2009 voor [appellante] vastgesteld op nihil en de teveel betaalde voorschotten van haar teruggevorderd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201404488/1/A2.

Datum uitspraak: 29 oktober 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 17 april 2014 in zaak nr. 13/7069 in het geding tussen:

[appellante]

en

Belastingdienst/Toeslagen.

Procesverloop

Bij besluit van 21 april 2011 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het voorschot kinderopvangtoeslag over 2009 voor [appellante] vastgesteld op nihil en de teveel betaalde voorschotten van haar teruggevorderd.

Bij besluit van 18 november 2011 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het door [appellante] op 18 mei 2011 daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij besluit van 26 september 2013 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het door [appellante] op 17 juli 2012 en 26 mei 2013 tegen het besluit van 21 april 2011 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 17 april 2014 heeft de rechtbank het door [appellante] tegen het besluit van 26 september 2013 ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

De Belastingdienst/Toeslagen heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

Met toestemming van partijen is afgezien van een behandeling van de zaak ter zitting.

Overwegingen

1. Op 17 juli 2012 heeft [appellante] de Belastingdienst/Toeslagen een ingevuld formulier "Bezwaar definitieve berekening Toeslag" gezonden. Bovenaan de eerste pagina van dit formulier heeft [appellante] de woorden "Verzoek ambtshalve herziening" geschreven. Bij brief van 26 mei 2013 heeft [appellante] opnieuw verzocht om herziening van de beslissing op het bezwaar tegen het besluit van 21 april 2011. Het besluit van 26 september 2013 is een beslissing op de brieven van 17 juli 2012 en 26 mei 2013. Aan dat besluit heeft de Belastingdienst/Toeslagen ten grondslag gelegd dat niet tweemaal bezwaar kan worden gemaakt tegen dezelfde beslissing. Voorts is daaraan ten grondslag gelegd dat de bij de brieven van 17 juli 2012 en 26 mei 2013 overgelegde stukken niet kunnen dienen als bewijs dat [appellante] kosten heeft gemaakt voor kinderopvang. Nu bij het besluit van 18 november 2011 het bezwaar van [appellante] tegen het besluit van 21 april 2011, waarbij het voorschot is vastgesteld op nihil, ongegrond is verklaard, heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat dit verzoek moet worden opgevat als een verzoek om herziening van het besluit van 18 november 2011. Dit oordeel is in hoger beroep ook niet betwist.

2. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat geen sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden. Voorts betoogt zij dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de Belastingdienst/Toeslagen haar voorafgaand aan het besluit van 26 september 2013 ten onrechte niet heeft gehoord. Zij voert daartoe aan dat uit haar brief van 26 mei 2013 blijkt dat zij alle bewijsstukken heeft overgelegd die zij kon overleggen, te weten: bankafschriften, salarisspecificaties en bewijzen van betalingen aan gastouders. In het besluit van 26 september 2013 is niet meegedeeld dat geen sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden, maar wordt inhoudelijk gesteld dat de overgelegde stukken niet als bewijs voldoen dat [appellante] kosten heeft gemaakt voor kinderopvang. Uit dat besluit blijkt dat de nihilstelling vooral is gelegen in het feit dat een jaaropgave ontbreekt. Zij heeft echter gesteld dat zij in bewijsnood verkeert, omdat gastouderbureau Goed Geregeld deze jaaropgave niet heeft afgegeven en dit gastouderbureau met de noorderzon is vertrokken, aldus [appellante]. In een hoorzitting had zij het vorenstaande aan de orde kunnen stellen en daarbij een beroep kunnen doen op de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 25 maart 2014, ECLI:NL:RBOBR:2014:1874.

2.1. Nu de Belastingdienst/Toeslagen aan zijn besluit van 26 september 2013 ten grondslag heeft gelegd dat [appellante] niet opnieuw bezwaar kon maken tegen het besluit van 21 april 2011, omdat het besluit van 18 november 2011 in rechte onaantastbaar was geworden, ligt daarin besloten dat de Belastingdienst/Toeslagen geen aanleiding zag op dat laatste besluit terug te komen. Anders dan [appellante] aanvoert heeft de Belastingdienst/Toeslagen zich derhalve niet beperkt tot een inhoudelijk oordeel over de alsnog overgelegde stukken.

Aan het besluit van 18 november 2011, waarvan [appellante] herziening heeft verzocht, heeft de Belastingdienst/Toeslagen ten grondslag gelegd dat [appellante], ondanks verzoeken daartoe, geen bewijsstukken heeft overgelegd op grond waarvan kon worden vastgesteld of zij kosten voor kinderopvang heeft gemaakt. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de alsnog bij de brieven van 17 juli 2012 en 26 mei 2013 overgelegde stukken niet als nieuwe feiten en omstandigheden konden worden aangemerkt, nu [appellante] deze ook had kunnen overleggen in de bezwaarprocedure voorafgaand aan het besluit van 18 november 2011. De rechtbank heeft het besluit van 26 september 2013 daarom niet te beperkt getoetst.

Gelet op het vorenoverwogene heeft de Belastingdienst/Toeslagen zich terecht op het standpunt gesteld dat het horen van [appellante] voorafgaand aan het besluit van 26 september 2013 niet kon leiden tot een andere beslissing. De rechtbank heeft daarom terecht geoordeeld dat de Belastingdienst/Toeslagen dat niet hoefde te doen.

Het betoog faalt.

3. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Lodder, griffier.

w.g. Bijloos w.g. Lodder

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 29 oktober 2014

17.