Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:3881

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-10-2014
Datum publicatie
29-10-2014
Zaaknummer
201308725/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNNE:2013:4857, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluiten van 22 mei 2012 heeft de minister [wederpartij sub 1] en [wederpartij sub 2] vergunningen verleend voor het bereiden ten behoeve van en het ter hand stellen van geneesmiddelen aan patiënten van de huisartsenpraktijk die is gevestigd aan de [locatie 1] te Slochteren. De vergunningen zijn verleend voor Overschild, Siddeburen, Schildwolde en Slochteren en bijbehorende omgeving alsmede Froombosch en Harkstede.

Wetsverwijzingen
Geneesmiddelenwet
Geneesmiddelenwet 61
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JGR 2015/19 met annotatie van Van Wissen
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201308725/1/A3.

Datum uitspraak: 29 oktober 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Apotheek Sappemeer B.V. en [appellant sub 1], gevestigd onderscheidenlijk wonend te [woonplaats],

2. de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 9 augustus 2013 in de zaken nrs. 13/387 en 13/388 in het geding tussen:

1. [wederpartij sub 1], wonend te [woonplaats], en

2. [wederpartij sub 2], wonend te [woonplaats],

en

de minister.

Procesverloop

Bij besluiten van 22 mei 2012 heeft de minister [wederpartij sub 1] en [wederpartij sub 2] vergunningen verleend voor het bereiden ten behoeve van en het ter hand stellen van geneesmiddelen aan patiënten van de huisartsenpraktijk die is gevestigd aan de [locatie 1] te Slochteren. De vergunningen zijn verleend voor Overschild, Siddeburen, Schildwolde en Slochteren en bijbehorende omgeving alsmede Froombosch en Harkstede.

Bij besluiten van 20 februari 2013 heeft de minister het door [appellant sub 1] daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard en de besluiten van 22 mei 2012, voor zover die Froombosch betreffen, met ingang van onderscheidenlijk 20 april en 20 augustus 2013 ingetrokken.

Bij uitspraak van 9 augustus 2013 heeft de rechtbank de door [wederpartij sub 1] en [wederpartij sub 2] daartegen ingestelde beroepen gegrond verklaard, die besluiten vernietigd voor zover die Froombosch betreffen en bepaald dat de minister opnieuw dient te beslissen op de door [appellant sub 1] gemaakte bezwaren tegen de besluiten van 22 mei 2012 voor zover die Froombosch betreffen, met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben Apotheek Sappemeer en [appellant sub 1] en de minister hoger beroep ingesteld.

[wederpartij sub 1] en [wederpartij sub 2] hebben een verweerschrift ingediend.

In navolging van de uitspraak van de rechtbank heeft de minister bij besluiten van 20 september 2013 opnieuw het door [appellant sub 1] gemaakte bezwaar gegrond verklaard en de besluiten van 22 mei 2012 voor zover die Froombosch betreffen per 20 augustus 2013 ingetrokken.

[wederpartij sub 1] en [wederpartij sub 2] hebben bij de Afdeling beroep ingesteld tegen die besluiten.

Apotheek Sappemeer en [appellant sub 1] hebben de Afdeling desgewenst te kennen gegeven zich niet met de besluiten van 20 september 2013 te kunnen verenigen.

Apotheek Sappemeer en [appellant sub 1] en de minister hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 juli 2014, waar [appellant sub 1], mede als vertegenwoordiger van Apotheek Sappemeer, bijgestaan door mr. B.J.W. Walraven, advocaat te Rotterdam, de minister, vertegenwoordigd door mr. R.G.T. van Wissen, mr. C.D.J. van Estrik, D. Hoogeveen en M. Meijer, allen werkzaam bij het ministerie, en [wederpartij sub 1] en [wederpartij sub 2], beiden bijgestaan door mr. M.E.F. Bots, advocaat te Utrecht, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 61, eerste lid, van de Geneesmiddelenwet is het, onverminderd hetgeen elders in deze wet is bepaald, eenieder verboden UR-geneesmiddelen of UA-geneesmiddelen te koop aan te bieden of ter hand te stellen, met uitzondering van:

a. apothekers die hun beroep in een apotheek uitoefenen;

b. huisartsen die in het bezit zijn van een vergunning als bedoeld in het tiende of elfde lid;

c. (…).

Ingevolge het tiende lid verleent de minister desgevraagd aan een huisarts die de geneeskundige praktijk uitoefent in een aaneengesloten gebied, een vergunning tot het bereiden en het ter hand stellen van UR- of UA-geneesmiddelen aan patiënten van zijn praktijk, indien de afstand tussen de meest dichtbij dat gebied gevestigde apotheker en de in dat gebied meest dichtbij die apotheek wonende potentiële patiënt ten minste 4,5 kilometer is gemeten over de voor het gemotoriseerde verkeer bestemde weg. Indien de in de eerste volzin bedoelde afstand minder dan 4,5 kilometer is, maar meer dan 3,5 kilometer, verleent de minister de vergunning indien dit in het belang is van de geneesmiddelenvoorziening.

Ingevolge het elfde lid verleent de minister aan de huisarts die de geneeskundige praktijk uitoefent gezamenlijk met een huisarts aan wie een vergunning als bedoeld in het tiende lid is verleend, desgevraagd, een vergunning om UR- of UA-geneesmiddelen ten behoeve van de patiënten die hij behandelt, te bereiden en aan hen ter hand te stellen in de apotheek van de huisarts met wie hij de praktijk uitoefent.

Ingevolge het dertiende lid trekt de minister een vergunning als bedoeld in het tiende lid in indien de grond van de verlening daarvan is vervallen.

2. [wederpartij sub 1] heeft de minister verzocht hem een vergunning te verlenen als bedoeld in artikel 61, tiende lid, van de Geneesmiddelenwet en [wederpartij sub 2] heeft de minister verzocht haar een vergunning te verlenen als bedoeld in het elfde lid, aan welke verzoeken de minister heeft voldaan met de besluiten van 22 mei 2012.

Aan de intrekking van die besluiten, voor zover zij Froombosch betreffen, heeft de minister ten grondslag gelegd dat uit het rapport van 7 december 2012 van een meting die in zijn opdracht is uitgevoerd door Boon-Landmeten de kortste route over de openbare weg van [locatie 2] te Froombosch naar [locatie 3] te Sappemeer 3.425,67 meter bedraagt en daarom niet wordt voldaan aan het afstandscriterium dat is vastgelegd in artikel 61, tiende lid, van de Geneesmiddelenwet. De afstand is gemeten over de voor het gemotoriseerde verkeer toegankelijke openbare weg, van de voordeur van het huis van de eerste potentiële patiënt van de huisarts in kwestie aan het begin van de aaneengesloten bebouwing in de bebouwde kom tot de voordeur van de apotheek die het dichtst is gelegen bij het gebied waarvoor de vergunningen zijn aangevraagd.

Het hoger beroep van de minister

3. De minister betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat [wederpartij sub 1] en [wederpartij sub 2] niet in hun belangen zijn geschaad door zijn nalaten in de besluiten van 20 februari 2013 te motiveren waarom hij bij het bepalen van de tussen de eerste potentiële patiënt en de dichtstbijzijnde apotheek is uitgegaan van [locatie 2] in plaats van [locatie 4], waarvan hij in de besluiten van 22 mei 2012 is uitgegaan. De afstand tussen die twee woningen bedraagt 16 meter. Het verschil in afstand leidt er niet toe dat de afstand tussen de eerste potentiële patiënt aan het begin van de aaneengesloten bebouwing in de bebouwde kom tot de dichtstbijzijnde apotheek boven de 3,5 kilometer komt. Daarnaast zijn [wederpartij sub 1] en [wederpartij sub 2] in hun aanvragen ook uitgegaan van [locatie 2]. Volgens de minister betwistten zij niet dat van dat adres moest worden uitgegaan en ontbrak daarom belang in deze.

3.1. Geen grond bestaat voor het oordeel dat de rechtbank heeft miskend dat [wederpartij sub 1] en [wederpartij sub 2] geen belang hebben bij een beoordeling van het uitgangspunt van de minister dat de eerste potentiële patiënt woont op het adres [locatie 2]. Anders dan de minister betoogt, zijn zij in beroep opgekomen tegen dat uitgangspunt. Dat [wederpartij sub 1] en [wederpartij sub 2] in hun aanvragen ook zijn uitgegaan van [locatie 2] is niet van belang, nu de minister zelf in de besluiten van 22 mei 2012 is uitgegaan van [locatie 4] als plek waar de eerste potentiële patiënt woont en hij in die besluiten niet heeft gemotiveerd waarom hij is afgeweken van de aanvragen. Hij heeft in de in beroep bestreden besluiten evenmin gemotiveerd waarom zijn oorspronkelijke uitgangspunt onjuist is. De rechtbank heeft de in beroep bestreden besluiten dan ook terecht onvoldoende gemotiveerd geacht.

Het betoog faalt in zoverre.

3.2. In verweer in beroep heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat bij nadere bestudering [locatie 2] het begin is van de aaneengesloten bebouwing aan het begin van de bebouwde kom en niet [locatie 4], omdat [locatie 2] aansluit op [locatie 4] en niet wordt gescheiden door een weiland of een openbare weg. Gelet op die motivering en op de omstandigheden ter plaatse, mocht de minister bij het bepalen van de afstand tussen de eerste potentiële patiënt en de dichtstbijzijnde apotheek uitgaan van [locatie 2]. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

Het betoog slaagt in zoverre.

4. Voorts betoogt de minister dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij zich voor het bepalen van de afstand slechts mag baseren op de werkwijze die de minister volgens de rechtbank volgt. Volgens de rechtbank is die werkwijze als volgt: eerst wordt de apotheek vastgesteld die het dichtst is gelegen bij het gebied waarvoor de vergunningen worden aangevraagd, vervolgens wordt het adres vastgesteld van de eerstvolgende potentiële patiënt van de huisarts aan het begin van de aaneengesloten bebouwing in de bebouwde kom, daarna worden bronnen geraadpleegd als Google Maps, Routemaster, ANWB Routeplanner en Routenet om de afstand te berekenen, bij twijfel over de afstand wordt de gemeente benaderd waar de huisarts zijn praktijk houdt, en de meting die de gemeente uitvoert wordt doorslaggevend geacht voor de afstand tussen de meest dichtbij de apotheek wonende potentiële patiënt en de meest dichtbij dat gebied gevestigde apotheker. De minister voert aan dat de rechtbank heeft miskend dat hij weliswaar die werkwijze volgt, maar dat in het verleden de aldus vastgestelde afstand geen onderwerp van geschil meer was. Nu de afstand in deze zaak zo’n grote rol speelt, heeft hij een landmeter benaderd om de precieze afstand te bepalen om definitief uitsluitsel te verkrijgen over de afstand.

4.1. Dit betoog slaagt.

Gelet op de omstandigheid dat de afstand tussen [locatie 2] en [locatie 3], die is bepaald met voornoemde routeplanners en door de gemeente, rond de 3,5 km lag en die afstand onderwerp van geschil bleef tussen partijen, mocht de minister voor het bepalen van die afstand tevens gebruik maken van een landmeter. Het gaat hierbij om het vaststellen van de feiten. Niet valt in te zien waarom de minister daarvoor geen extra middelen mocht inzetten, indien zijn vaste werkwijze niet leidde tot een eenduidige uitkomst. Hier komt bij dat die werkwijze niet is neergelegd in een beleidsregel en ook niet kan worden aangemerkt als vaste gedragslijn, omdat in andere zaken na het volgen van die werkwijze de afstand geen onderwerp van geschil meer was.

5. De minister betoogt verder dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat hij het rapport van Boon-Landmeten niet aan zijn besluiten van 20 februari 2013 ten grondslag mocht leggen, omdat niet inzichtelijk is welke route is gemeten. Volgens de minister is het duidelijk dat Boon-Landmeten voor het bepalen van de afstand tussen [locatie 2] en [locatie 3] door de dr. Aletta Jacobsstraat is gereden, welke de kortste route is tussen de eerste potentiële patiënt en de apotheek. Ten eerste is op de kaart die bij het rapport is gevoegd duidelijk te zien dat door de dr. Aletta Jacobsstraat is gereden. Ten tweede heeft Boon-Landmeten bij e-mail van 20 juli 2013 bevestigd dat bij de meting de opdracht is gevolgd die hij hem bij brief van 13 november 2012 heeft gestuurd, aldus de minister. Volgens die opdracht was het startpunt [locatie 2], diende vervolgens in zuidoostelijke richting naar Langedijk te worden gereden, daarna door de Slochterstraat, de dr. Aletta Jacobsstraat, de Noorderstraat en de Klinker en was het eindpunt [locatie 3]. Ten derde heeft Boon-Landmeten bij voornoemde e-mail bevestigd dat de route die is gemeten de kortste legale route over de voor het gemotoriseerde verkeer bestemde weg is. Het is evident dat die route via de dr. Aletta Jacobsstraat voert, aldus de minister.

5.1. Bij het rapport van Boon-Landmeten is een kaart gevoegd, waarop de route is weergegeven die Boon-Landmeten heeft gevolgd bij het bepalen van de afstand tussen [locatie 2] en [locatie 3]. Uit die kaart volgt dat die route door de dr. Aletta Jacobsstraat voert. Daarnaast heeft Boon-Landmeten, zoals de minister betoogt, bij e-mail van 20 juli 2013 de minister desgevraagd te kennen gegeven dat hij de afstand heeft bepaald over de route waarom hij had verzocht. Die route tussen [locatie 2] en [locatie 3] voert onder meer door de dr. Aletta Jacobsstraat. Gelet op voornoemde omstandigheden, heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat de minister het rapport van Boon-Landmeten niet aan de in beroep bestreden besluiten ten grondslag mocht leggen.

Het betoog slaagt.

6. Tot slot betoogt de minister dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de afstand tussen de meest dichtbij het gebied gevestigde apotheker en de in dat gebied meest dichtbij die apotheek wonende potentiële patiënt moet worden gemeten van voordeur tot voordeur, zodat naast de afstand over de voor het gemotoriseerde verkeer bestemde weg ook de kortste route over het privéterrein van de voordeur naar de openbare weg dient te worden gemeten. Uit artikel 61, tiende lid, van de Geneesmiddelenwet volgt dat uitsluitend de afstand over die weg dient te worden gemeten en niet de afstand over privéterreinen. De te meten afstand begint pas bij het publieke eigendom, waarbij stoepen ook niet meetellen. Daarnaast verhoudt het oordeel van de rechtbank op dit punt zich niet met de overweging van de rechtbank over de werkwijze die hij dient te hanteren, nu de routeplanners van onder meer Google Maps ook de afstand over privéterreinen niet meetellen, aldus de minister.

6.1. Uit artikel 61, tiende lid, volgt dat de afstand tussen de meest dichtbij het gebied gevestigde apotheker en de in dat gebied meest dichtbij die apotheek wonende potentiële patiënt over de openbare weg en van voordeur tot voordeur moet worden gemeten. Het zinsdeel, dat de afstand dient te worden bepaald over de openbare weg, dient ter omschrijving van de wijze waarop dient te worden gemeten en de route die daarbij dient te worden gevolgd. Het meten van de afstand hemelsbreed of over een niet openbare weg is daarmee uitgesloten.

Steun voor dit oordeel wordt gevonden in de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 61 (Kamerstukken II, 2003/04, nr. 29 359, nr. 79). Volgens die geschiedenis wordt de afstand tussen de meest dichtbij de apotheek wonende potentiële patiënt en de meest dichtbij dat gebied gevestigde apotheker gerekend van deur tot deur over de openbare weg.

Het betoog faalt.

7. Gelet op hetgeen hiervoor onder 3.2, 4.1 en 5.1 is overwogen, is het hoger beroep van de minister gegrond. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling de beroepen van [wederpartij sub 1] en [wederpartij sub 2] tegen de besluiten van 20 februari 2013 beoordelen, voor zover die nog bespreking behoeven.

8. [wederpartij sub 1] en [wederpartij sub 2] betogen dat de minister de aan hen verleende vergunningen niet had mogen intrekken voor zover het Froombosch betreft, omdat de openbaarvervoerverbinding tussen Froombosch en Apotheek Sappemeer slecht is.

8.1. Gelet op artikel 61, tiende lid, van de Geneesmiddelenwet is de minister niet bevoegd een vergunning te verlenen als bedoeld in die bepaling indien de afstand tussen de meest dichtbij de apotheek wonende potentiële patiënt en de meest dichtbij dat gebied gevestigde apotheker minder dan 3,5 km is. In dit geval is die afstand, gelet op het rapport van Boon-Landmeten, minder dan 3,5 km. De minister was dan ook niet bevoegd een vergunning te verlenen, als bedoeld in artikel 61, tiende lid, voor zover het Froombosch betrof. Hij was daarom evenmin bevoegd een vergunning te verlenen als bedoeld in het elfde lid, voor zover het Froombosch betrof.

Het betoog faalt.

9. Verder voeren [wederpartij sub 1] en [wederpartij sub 2] aan dat de intrekking voor het gebied Froombosch in strijd met de rechtszekerheid is. [voormalig eigenaar], die eigenaar was van de huidige huisartsenpraktijk, beschikte al sinds 1976 over een vergunning voor het bereiden ten behoeve van en het ter hand stellen van geneesmiddelen aan patiënten van de huisartsenpraktijk en [wederpartij sub 1] sinds 1988 over een associatievergunning. Beide vergunningen waren verleend krachtens de Wet op de Geneesmiddelenvoorziening. Bij besluit van 8 oktober 2010 is hun een vergunning verleend als bedoeld in artikel 61, tiende respectievelijk elfde lid, van de Geneesmiddelenwet. Omdat [voormalig eigenaar] per 1 april 2012 zou stoppen als praktijkhouder, heeft [wederpartij sub 1] een aanvraag ingediend om hem een vergunning te verlenen als bedoeld in artikel 61, tiende lid, en [wederpartij sub 2] om haar een vergunning te verlenen als bedoeld in het elfde lid. De minister heeft in zijn besluit van 8 oktober 2010 nog vastgesteld dat de potentiële patiënt, die het dichtstbij de apotheek woont die in het gebied Froombosch is gevestigd, woont op meer dan 3,5 kilometer van die apotheek. Er is sinds 1976 niets in de situatie veranderd, zodat het in strijd met de rechtszekerheid is de vergunning in te trekken voor zover die betrekking heeft op Froombosch, aldus [wederpartij sub 1] en [wederpartij sub 2]. Zij mochten er gelet op het besluit van 8 oktober 2010 ook op vertrouwen dat de gevraagde vergunningen ook zouden zien op Froombosch.

9.1. [wederpartij sub 1] heeft een andere vergunning aangevraagd dan waarover hij sinds 1998 beschikte, nu hij thans heeft verzocht om verlening van een vergunning als bedoeld in artikel 61, tiende lid en hij voorheen slechts beschikte over een vergunning als bedoeld in het elfde lid. [wederpartij sub 2] beschikte voor het besluit van 22 mei 2012 in het geheel niet over een vergunning als bedoeld in artikel 61, tiende of elfde lid, voor de huisartsenpraktijk aan de [locatie 1] te Slochteren. Het gaat aldus om nieuwe aanvragen, die de minister ten volle mocht toetsen aan de thans geldende wettelijke vereisten. Dat die toets thans tot een andere uitkomst leidt dan in 1976 of 2010, is niet in strijd met de rechtszekerheid.

Het betoog faalt.

Het hoger beroep van Apotheek Sappemeer en [appellant sub 1]

10. [wederpartij sub 1] en [wederpartij sub 2] betogen dat het hoger beroep van Apotheek Sappemeer niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, omdat Apotheek Sappemeer geen bezwaar heeft gemaakt tegen de besluiten van 22 mei 2012. Uitsluitend [appellant sub 1] heeft bezwaar tegen die besluiten gemaakt.

10.1. Apotheek Sappemeer heeft geen bezwaar gemaakt tegen de besluiten van 22 mei 2012. Zij heeft niet toegelicht waarom zij dat niet heeft gedaan. Het hoger beroep, voor zover ingesteld door Apotheek Sappemeer, dient daarom niet-ontvankelijk te worden verklaard.

11. [appellant sub 1] betoogt dat de rechtbank ten onrechte de rechtsgevolgen van de vernietigde besluiten van 20 februari 2013 niet in stand heeft gelaten. De minister heeft in zijn verweerschrift een aanvullende motivering gegeven waarom hij in die besluiten [locatie 2] in plaats van [locatie 4] heeft genomen als de woning van de eerste potentiële patiënt van de apotheek. Verder heeft de minister inzichtelijk gemaakt over welke route de afstand van de eerste potentiële patiënt tot de dichtstbijzijnde apotheek is gemeten.

11.1. Gelet op hetgeen hiervoor onder 3.2, 5.1, 8.1 en 9.1 is overwogen, slaagt dit betoog. Het hoger beroep van [appellant sub 1] behoeft voor het overige geen bespreking.

12. Het hoger beroep van de minister is gegrond. Het hoger beroep van Apotheek Sappemeer en [appellant sub 1] is niet-ontvankelijk, voor zover dat is ingesteld door Apotheek Sappemeer, en voor het overige gegrond. Gelet op hetgeen hiervoor onder 3.1 is overwogen, heeft de rechtbank de in beroep bestreden besluiten terecht vernietigd, voor zover die Froombosch betreffen, wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. Zij had, gelet op diezelfde overweging en gelet op hetgeen hiervoor onder 3.2, 4,1, 5.1, 8.1 en 9.1 is overwogen, de rechtsgevolgen van die besluiten evenwel in stand dienen te laten. De aangevallen uitspraak dient dan ook te worden vernietigd, voor zover daarbij de rechtsgevolgen van de vernietigde besluiten niet in stand zijn gelaten en is bepaald dat de minister opnieuw dient te beslissen op de door [appellant sub 1] gemaakte bezwaren tegen de besluiten van 22 mei 2012, voor zover het Froombosch betreft. De Afdeling zal bepalen dat de rechtsgevolgen van die besluiten in stand blijven, voor zover die besluiten zijn vernietigd.

13. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is de grondslag aan de besluiten van 20 september 2013 komen te ontvallen. Die besluiten dienen dan ook te worden vernietigd.

14. De minister dient ten aanzien van [wederpartij sub 1] en [wederpartij sub 2] op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

15. Redelijke toepassing van artikel 8:114, tweede lid, van de Awb brengt met zich dat de griffier van de Raad van State aan [appellant sub 1] het door hem betaalde griffierecht voor het hoger beroep terugbetaalt.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep van de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport gegrond;

II. verklaart het hoger beroep van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Apotheek Sappemeer B.V. en [appellant sub 1], voor zover ingesteld door de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Apotheek Sappemeer B.V, niet-ontvankelijk;

III. verklaart dat hoger beroep voor het overige gegrond;

IV. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 9 augustus 2013 in de zaken nrs. 13/387 en 13/388, voor zover daarbij de rechtsgevolgen van de vernietigde besluiten van 20 februari 2013 niet in stand zijn gelaten en is bepaald dat de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport opnieuw dient te beslissen op de door [appellant sub 1] gemaakte bezwaren tegen de besluiten van 22 mei 2012, voor zover die Froombosch betreffen;

V. bepaalt dat de rechtsgevolgen van die besluiten in stand blijven voor zover die besluiten zijn vernietigd;

VI. bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

VII. vernietigt de besluiten van de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 20 september 2013, beide met kenmerk Farmatec 12385;

VIII. veroordeelt de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport tot vergoeding van bij [wederpartij sub 1] en [wederpartij sub 2] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 974,00 (zegge: negenhonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

IX. verstaat dat de griffier van de Raad van State aan [appellant sub 1] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 239,00 (zegge: tweehonderdnegenendertig euro) voor de behandeling van het hoger beroep terugbetaalt.

Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, voorzitter, en mr. A.B.M. Hent en mr. E. Steendijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.J. Reuveny, griffier.

w.g. Borman w.g. Reuveny

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 29 oktober 2014

622.