Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:3866

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-10-2014
Datum publicatie
29-10-2014
Zaaknummer
201307656/1/R4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 mei 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied Tynaarlo" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBO 2014/221 met annotatie van D. van der Meijden
JOM 2014/1118
JOM 2014/1133
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201307656/1/R4.

Datum uitspraak: 29 oktober 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te Eelde, gemeente Tynaarlo,

2. de naamloze vennootschap N.V. Nederlandse Gasunie, thans haar rechtsopvolger de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Gasunie Transport Services B.V., gevestigd te Groningen (hierna: Gasunie),

3. [appellante sub 3], wonend te Bunne, gemeente Tynaarlo,

4. [appellant sub 4],] gevestigd te Zuidlaren, gemeente Tynaarlo,

5. [appellant sub 5], wonend te Eelde, gemeente Tynaarlo,

6. de stichting Natuurplatform Drentsche Aa, gevestigd te Midlaren, gemeente Tynaarlo,

7. [appellanten sub 7], wonend te Midlaren, gemeente Tynaarlo,

en

de raad van de gemeente Tynaarlo,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 28 mei 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied Tynaarlo" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1], Gasunie, [appellante sub 3], [appellant sub 4], [appellant sub 5], Natuurplatform Drentsche Aa en [appellanten sub 7] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant sub 1], [belanghebbende A] en [belanghebbende B] (hierna: [belanghebbende A]) en [belanghebbende C] hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 juli 2014, waar [appellante sub 3], [appellanten sub 7], Natuurplatform Drentsche Aa, vertegenwoordigd door [gemachtigde], en de raad vertegenwoordigd door E.D.F. de Boer en N.Y.D. Schipper-Simonis, zijn verschenen.

Voorts zijn drs. [belanghebbende C], bijgestaan door mr. O.V. Wilkens gehoord en [belanghebbende A], vertegenwoordigd door mr. H.J. Bos en [gemachtigde], gehoord.

Na de zitting hebben [appellanten sub 7] hun beroep ingetrokken.

Overwegingen

Toetsingskader

1. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het plan

2. Het plan voorziet in een actueel juridisch-planologisch kader voor het buitengebied van de gemeente Tynaarlo.

Het beroep van [appellante sub 3]

3. [appellante sub 3] voert aan dat de door haar naar voren gebrachte inspraaknotitie ten onrechte niet is behandeld in de raadsvergadering van 28 mei 2013, terwijl zij deze tijdig heeft ingediend.

3.1. De raad stelt dat tijdens de raadsvergadering weliswaar geen vragen zijn gesteld over de door [appellante sub 3] ingebrachte inspraaknotitie, maar dat de raadsleden daarvan wel kennis hebben genomen.

3.2. De Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) noch de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) voorzien in een verplichting tot het horen van de indieners van zienswijzen voordat de raad beslist omtrent de vaststelling van het bestemmingsplan. Nu [appellante sub 3] de gelegenheid is geboden een inspraaknotitie in te brengen en de raadsleden, zoals door de raad onweersproken naar voren is gebracht, kennis hebben genomen van deze inspraaknotitie, ziet de Afdeling in hetgeen [appellante sub 3] heeft aangevoerd geen grond voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre is voorbereid in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid.

Het betoog faalt.

4. [appellante sub 3] richt zich tegen de planregeling voor haar woonperceel aan [locatie 1] te Bunne en de daaraan grenzende percelen, kadastraal bekend als […] [sectie] [nr.] en […] [sectie] [nr.]. Zij voert aan dat ten onrechte niet aan al deze percelen dan wel een groter gedeelte daarvan de bestemming "Wonen" is toegekend. Zij voert aan dat het hierdoor niet mogelijk is om extra schuren te bouwen op de door haar gewenste locatie wanneer de bestaande boerderij wordt gesplitst voor medebewoning. Volgens haar zijn ten onrechte de in de Nota van Uitgangspunten genoemde uitgangspunten voor wonen niet toegepast op haar percelen. Verder betoogt zij dat de bestemming "Wonen", die is toegekend aan haar woonperceel, veel kleiner is dan het geval is voor het perceel aan de Burchtweg 10, zodat sprake is van ongelijke behandeling. Zij voert voorts aan dat het feitelijk gebruik van de door haar aangekochte percelen bij haar woning […] [sectie] [nrs.], te weten tuin en weide voor pony’s, past binnen een woonbestemming.

4.1. De raad stelt dat voor de begrenzingen van de bestemming "Wonen" in het voortraject een aantal uitgangspunten is gehanteerd. Deze uitgangspunten zijn:

- alle bestaande bebouwing moet binnen de aanduiding "Wonen" vallen;

- zoveel mogelijk moeten de kadastrale perceelsgrenzen worden aangehouden als grens van de aanduiding "Wonen";

- eventueel aangekochte (agrarische) percelen die overduidelijk zijn ingericht als tuin en als zodanig behorend bij de woning krijgen ook de aanduiding "Wonen"; en

- zoveel mogelijk dienen de aangelegde paardenbakken binnen de aanduiding "Wonen" te vallen.

Volgens de raad hoeven niet alle voornoemde uitgangspunten tegelijk van toepassing te zijn. Soms conflicteren de uitgangspunten en dient gemotiveerd een keuze te worden gemaakt, aldus de raad. Bij het bepalen van de begrenzing van de woonbestemming op de percelen van [appellante sub 3] is volgens de raad afgeweken van het voornoemde uitgangspunt dat zoveel mogelijk de kadastrale perceelsgrenzen moeten worden aangehouden. Volgens de raad is voor de bestemmingsbegrenzing voor het perceel aan [locatie 1] te Bunne aangesloten bij de feitelijke situatie. De raad stelt dat het gedeelte van het perceel dat is ingericht als erf/tuin de bestemming "Wonen" heeft gekregen en dat dit wordt gemarkeerd door een haag die als erfgrens dient. Alle bebouwing is volgens de raad binnen de woonbestemming gelegen.

Voorts stelt de raad dat geen concrete plannen zijn ingediend omtrent de gewenste woningsplitsing. Volgens de raad biedt echter het bestemmingsvlak voldoende mogelijkheden voor eventuele woningsplitsing. Het uitbreiden van het bestemmingsvlak "Wonen" over het gehele kadastrale perceel S. nr. 973 biedt volgens de raad geen extra bouwmogelijkheden dan wel plaatsingsmogelijkheden voor bijgebouwen, nu op grond van de planregels bijgebouwen op maximaal 25 m van het hoofdgebouw mogen worden gerealiseerd en het maximaal aantal m2 aan bijgebouwen reeds op het perceel aanwezig is.

4.2. Aan het woonperceel en het perceel Vries [sectie] [nr.] van [appellante sub 3] is de bestemming "Wonen" toegekend. Aan het perceel kadastraal aangeduid Vries [sectie] [nr.] en volgens de raad thans aangeduid als Vries [sectie] [nr.] is de bestemming "Agrarisch" toegekend.

4.3. Ingevolge artikel 27, lid 27.1, van de planregels, voor zover hier van belang, zijn de voor "Wonen" aangewezen gronden bestemd voor

a. wonen, al dan niet in combinatie met:

- een aan huis verbonden beroep of aan huis verbonden bedrijfsactiviteiten in de milieucategorieën 1 en 2, die zijn genoemd in de bij deze regels behorende Staat van bedrijven, dan wel naar de aard en de invloed op de omgeving daarmee gelijk te stellen bedrijvigheid;

- een bed and breakfast;

h. tuinen, erven, terreinen, parkeervoorzieningen, water en watergangen, straten en paden;

k. groenvoorzieningen;

Ingevolge artikel 27, lid 27.2.2, voor zover hier van belang, gelden voor het bouwen van gebouwen en overkappingen de volgende regels:

a. het aantal wooneenheden bedraagt ten hoogste het bestaande aantal per bouwperceel;

b. de oppervlakte van het hoofdgebouw bedraagt maximaal 150 m2;

c. de gezamenlijke oppervlakte van het hoofdgebouw en bijgebouwen bedraagt ten hoogste 250 m2, in afwijking hiervan is in het geval dat de oppervlakte van het bestaande hoofdgebouw groter is dan 150 m², maximaal 100 m² aan bijgebouwen toegestaan;

e. bijgebouwen en overkappingen worden op minimaal 3 m achter (het verlengde van) de naar de weg gekeerde voorgevel van het hoofdgebouw gebouwd en de afstand van de dichtstbijzijnde gevel van een vrijstaand bijgebouw tot het hoofdgebouw bedraagt niet meer dan 25 m;

Ingevolge artikel 27, lid 27.4, voor zover hier van belang, kan bij omgevingsvergunning worden afgeweken van het bepaalde in:

a. lid 27.2.2, onder a, voor het realiseren van meerdere woningen in een bestaand hoofdgebouw (woningsplitsing), met dien verstande dat:

1. de oppervlakte van het te splitsen gebouw ten minste 200 m2 dient te bedragen, waarbij in het geval dat de oppervlakte ten minste 300 m2 bedraagt het aantal woningen in het gebouw maximaal drie mag bedragen;

2. per woning ten minste één parkeerplaats op eigen erf worden gerealiseerd;

3. de bouwmassa en karakteristieke hoofdvorm van de oorspronkelijke boerderij of woning na splitsing gehandhaafd blijft;

5. de geluidsbelasting op de nieuwe woning(en) niet meer bedraagt dan de daarvoor geldende voorkeurswaarde of een hoger verkregen grenswaarde zoals bedoeld in de Wet geluidhinder;

6. ter plekke een goed woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd en omliggende bedrijven niet onevenredig worden aangetast in de bedrijfsvoering;

7. de ontsluiting plaatsvindt via de bestaande in-/uitrit;

8. eventueel op het perceel voorkomende landschapsontsierende voormalig agrarische bebouwing geheel wordt gesloopt;

9. de oppervlakte aan vrijstaande bijgebouwen per woning niet meer dan 50 m² mag bedragen, in afwijking hiervan mag de oppervlakte niet meer bedragen dan 75 m2 per woning indien het bestemmingsvlak ten minste 3.000 m2 bedraagt;

10. een verzoek om omgevingsvergunning gepaard gaat met een erfinrichtingsplan.

4.4. De woning aan [locatie 1] te Bunne heeft ten minste een oppervlakte van 200 m2, zodat gelet op voornoemde planregels woningsplitsing op het perceel aan [locatie 1] te Bunne mogelijk is, mits daarbij wordt voldaan aan de overige in artikel 27, lid 27.4, aanhef en onder a, van de planregels opgenomen voorwaarden. In geschil is of de aan de percelen van [appellante sub 3] toegekende woonbestemming voldoende mogelijkheden biedt om bijgebouwen te plaatsen wanneer tot woningsplitsing wordt overgegaan. De raad is voor het bepalen van de begrenzing van de woonbestemming voor deze percelen afgeweken van het uitgangspunt dat zoveel mogelijk de kadastrale grenzen moeten worden aangehouden en heeft het feitelijk gebruik tot uitgangspunt genomen. Gelet op de door de raad gegeven uiteenzetting, acht de Afdeling dit niet onredelijk. Voorts overweegt de Afdeling dat, gelet op het bepaalde in artikel 27, lid 27.2.2, aanhef en onder c en e, van de planregels, een woonbestemming die zich uitstrekt over het perceel Vries [sectie] [nr.], thans Eelde [sectie] [nr.], zoals [appellante sub 3] wenst, geen extra bouw- dan wel plaatsingsmogelijkheden voor bijgebouwen oplevert. De afstand tussen de woning en de agrarische bestemming op het betreffende perceel bedraagt ongeveer 25 m en ter zitting is onweersproken door de raad gesteld dat reeds het maximale oppervlakte aan bijgebouwen op het perceel aanwezig is. Dat het mogelijk is om de bestaande bijgebouwen te slopen en elders op het perceel te herplaatsen, zoals door [appellante sub 3] ter zitting naar voren is gebracht, maakt dit niet anders. Daarbij betrekt de Afdeling dat uit het verhandelde ter zitting is gebleken dat [appellante sub 3] nog geen concrete plannen heeft om tot woningsplitsing op haar perceel over te gaan.

4.5. Over de door [appellante sub 3] gemaakte vergelijking met de woonbestemming die is toegekend aan het perceel Burchtweg 10 te Bunne wordt overwogen dat de raad zich ter zitting op het standpunt heeft gesteld dat deze situatie verschilt van de aan de orde zijnde situatie, omdat op het perceel Burchtweg 10 de oude woning is gesloopt en een omgevingsvergunning is aangevraagd om een nieuwe woning te bouwen die verder naar achteren op het perceel is gelegen. Volgens de raad is de woonbestemming voor dit perceel groter, maar zijn er niet meer bouw- en plaatsingsmogelijkheden voor bijgebouwen op dit perceel, omdat niet voor de voorgevel gebouwd mag worden. In hetgeen [appellante sub 3] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de door [appellante sub 3] genoemde situatie niet overeenkomt met de thans aan de orde zijnde situatie.

4.6. Voor zover [appellante sub 3] stelt dat de raad bij de vaststelling van het plan geen rekening heeft gehouden met de paardenbak op haar perceel, nu deze niet binnen de begrenzing van de woonbestemming ligt, overweegt de Afdeling dat op grond van de planregels, zoals de raad ter zitting heeft bevestigd, een bestaande paardenbak dan wel een paardenbak zonder lichtmasten is toegestaan binnen de bestemming "Agrarisch".

4.7. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling in hetgeen [appellante sub 3] heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid de in het plan opgenomen bestemmingsregeling voor de percelen van [appellante sub 3] heeft kunnen vaststellen.

Het betoog faalt.

5. Het beroep van [appellante sub 3] is ongegrond.

Het beroep van Natuurplatform Drentsche Aa

6. Natuurplatform Drentsche Aa richt zich tegen de in het plan toegekende bouwvlakken aan agrarische bedrijven. Zij voert aan dat de raad in het plan ten onrechte bouwvlakken van 1 tot 1,5 hectare heeft toegekend aan percelen waarop het agrarisch bedrijf reeds jaren is gestopt, er geen zicht is op voortzetting en hooguit nog een paar dieren worden gehouden. Zij wijst erop dat op een eenmaal toegekend bouwvlak een nieuwe veehouderij met varkens gevestigd kan worden. Volgens Natuurplatform Drentsche Aa zou dit gelet op de uitkomsten in het ten behoeve van het plan opgestelde milieueffectrapport (hierna: MER) een ontoelaatbare stikstofbelasting met zich brengen. Het worstcasescenario in het MER wordt door de raad ten onrechte gebagatelliseerd, aldus Natuurplatform Drentsche Aa. Natuurplatform Drentsche Aa wijst verder op het toenemende gebruik van varkensmest en de daarmee gepaard gaande stikstofproblemen. Volgens Natuurplatform Drentsche Aa had de raad bij de vaststelling van het plan de vestiging van nieuwe agrarische bedrijven moeten afremmen en terughoudender moeten omgaan bij de toekenning van agrarische bouwvlakken.

6.1. De raad stelt dat voor de in het plan opgenomen systematiek ten aanzien van het toekennen van agrarische bouwvlakken is aangesloten bij de mogelijkheden die het provinciale Omgevingsplan Drenthe biedt en de in dit plan vervatte beleidslijn. Dit betekent volgens de raad dat in de robuuste gebieden voor grootschalige landbouw de meest ruime uitbreidingsmogelijkheden bestaan, maar dat er bij de natuurfunctie geen uitbreidingsmogelijkheden zijn. De agrarische bouwvlakken in het plan zijn volgens de raad toegekend op basis van een veldinventarisatie, de gemeentelijke milieugegevens en de bestaande rechten in het voorgaande bestemmingsplan. Voorts heeft ieder agrarisch bedrijf een minimale omvang van 1 hectare, aldus de raad. In aanvulling daarop heeft de raad ter zitting naar voren gebracht dat tevens is nagegaan in hoeverre een agrarisch bedrijf zich in een afbouwfase bevindt. Voor agrarische bedrijven die aan het afbouwen zijn, is volgens de raad in het plan nog wel een agrarisch bouwvlak opgenomen om deze bedrijven een afbouwperiode te geven. Dit uitgangspunt van de raad over het toekennen van bouwvlakken acht de Afdeling niet onredelijk.

6.2. Natuurplatform Drentsche Aa heeft ter onderbouwing van haar stelling dat ten onrechte agrarische bouwvlakken zijn toegekend aan agrarische bedrijven die reeds jaren zijn gestopt onder andere gewezen op het agrarisch bouwvlak dat is toegekend aan het perceel [locatie 2] te Midlaren. Volgens Natuurplatform Drentsche Aa wordt op dit perceel nog maar een beperkt aantal dieren gehouden en is geen sprake meer van een agrarisch bedrijf.

6.3. De raad stelt dat op het desbetreffende perceel sprake is van een agrarisch bedrijf dat valt onder de werking van het Activiteitenbesluit milieubeheer. Ter zitting heeft de raad toegelicht dat in 2010 een bedrijfsbezoek heeft plaatsgevonden waarbij onder andere de veestapel is geïnventariseerd en dat nadien het perceel nogmaals is bekeken en is geconstateerd dat ruimtelijk gezien het gebruik op dit perceel hetzelfde is gebleven. [belanghebbende A], eigenaar van het desbetreffende perceel, heeft daarbij toegelicht welke dieren worden gehouden en welke activiteiten plaatsvinden op zijn perceel. De ter zitting gegeven toelichting is door Natuurplatform Drentsche Aa niet gemotiveerd bestreden. Gelet op het verhandelde ter zitting heeft de raad naar het oordeel van de Afdeling ervan mogen uitgaan dat nog steeds sprake is van een agrarisch bedrijf en heeft gelet daarop in redelijkheid een bouwvlak kunnen toekennen aan het desbetreffende perceel. Voor het overige heeft Natuurplatform Drentsche Aa haar betoog over het toekennen van agrarische bouwvlakken aan niet meer bestaande agrarische bedrijven niet nader onderbouwd. In hetgeen Natuurplatform Drentsche Aa heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad ten onrechte bouwvlakken heeft toegekend aan niet meer bestaande agrarische bedrijven.

Het betoog faalt in zoverre.

6.4. Vanwege de mogelijke gevolgen van het plan voor de in en in de nabijheid van het plangebied gelegen Natura 2000-gebieden is een passende beoordeling gemaakt die deel uitmaakt van het aan het plan ten grondslag gelegde MER. Daarin is onderzoek gedaan naar de uitbreidingsmogelijkheden van veehouderijen en de gevolgen daarvan voor de Natura 2000-gebieden. De raad stelt naar aanleiding van de uitkomsten in het MER in artikel 3 en artikel 4 van de planregels een bepaling te hebben opgenomen dat een toename van stallen ten behoeve van landbouwhuisdieren niet is toegestaan, tenzij kan worden aangetoond dat er geen toename is van de stikstofdepositie in Natura 2000-gebieden.

6.5. De Afdeling begrijpt het beroep van Natuurplatform Drentsche Aa aldus dat dit is gericht tegen de bij recht toegestane uitbreidingen van agrarische bedrijven en de gevolgen daarvan voor de stikstofdepositie.

6.6. Ingevolge artikel 3, lid 3.2.2, aanhef en onder en b, van de planregels gelden voor het bouwen van bedrijfsgebouwen en overkappingen bij bedrijfsgebouwen de volgende regels:

a. de bedrijfsgebouwen en overkappingen bij bedrijfsgebouwen dienen binnen het bouwvlak te worden gebouwd. Onder gebouwen zijn kassen begrepen tot een oppervlakte van maximaal 500 m2, dan wel de bestaande oppervlakte indien deze meer bedraagt;

b. de oppervlakte van gebouwen ten behoeve van het houden van landbouwhuisdieren mag per agrarisch bedrijf ten hoogste de bestaande oppervlakte bedragen, met dien verstande dat een grotere oppervlakte is toegestaan indien er geen sprake is van een toename van de ammoniakemissie van het betreffende bedrijf;

Ingevolge artikel 4, lid 4.2.2, aanhef en onder a en b, gelden voor het bouwen van bedrijfsgebouwen en overkappingen bij bedrijfsgebouwen de volgende regels:

a. de bedrijfsgebouwen en overkappingen bij bedrijfsgebouwen dienen binnen het bouwvlak te worden gebouwd. De oppervlakte aan kassen bedraagt niet meer dan de bestaande oppervlakte per bouwperceel;

b. de oppervlakte van gebouwen ten behoeve van het houden van landbouwhuisdieren mag per agrarisch bedrijf ten hoogste de bestaande oppervlakte bedragen, met dien verstande dat een grotere oppervlakte is toegestaan indien er geen sprake is van een toename van de ammoniakemissie van het betreffende bedrijf.

6.7. Uit voormelde planregels volgt dat het plan bij recht uitbreiding van de bebouwing bij een agrarisch bedrijf toestaat onder de voorwaarde dat de uitbreiding niet gepaard gaat met een toename van de ammoniakemissie van het bedrijf. Gelet hierop leidt de in het plan bij recht toegestane uitbreiding van agrarische bebouwing niet tot een toename van de stikstofdepositie in Natura 2000-gebieden. Het worstcasescenario in het MER, waarnaar Natuurplatform Drentsche Aa verwijst, wordt niet bij recht in het plan mogelijk gemaakt. In hetgeen Natuurplatform Drentsche Aa heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid de in het plan opgenomen bouwvlakken heeft kunnen toekennen aan de agrarische bestemmingen.

Het betoog faalt.

7. Natuurplatform Drentsche Aa richt zich verder tegen het plandeel met de bestemming "Horeca" voor zover deze bestemming is toegekend aan het perceel aan [locatie 3] te De Punt. Volgens Natuurplatform Drentsche Aa staat niet vast dat op deze locatie horeca wordt gerealiseerd, aangezien tot nu toe nooit uitvoering is gegeven aan deze bestemming. Verder betoogt Natuurplatform Drentsche Aa dat de bestemming van dit perceel in samenhang had moeten worden bezien met de plannen van de raad voor het realiseren van een transferium bij De Punt, aangezien daarin ook in horeca wordt voorzien en beide ontwikkelingen een hoge verkeersdruk rond het aangrenzende Natura 2000-gebied geven.

7.1. De raad komt beleidsvrijheid toe bij het bepalen van de begrenzingen van een bestemmingsplan. Deze vrijheid strekt echter niet zo ver dat de raad een begrenzing kan vaststellen die in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In hetgeen Natuurplatform Drentsche Aa heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de vastgestelde planbegrenzing strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Niet is gebleken dat tussen deze plannen en het bestreden plandeel zodanige ruimtelijke samenhang bestaat dat gelet daarop een andere planregeling voor het hier aan de orde zijnde perceel had moeten worden vastgesteld. Dat, zoals ter zitting door Natuurplatform Drentsche Aa naar voren is gebracht, inmiddels is besloten een milieueffectrapportage ten behoeve van het Transferium De Punt te starten, maakt deze conclusie niet anders. Ten tijde van de vaststelling van het plan was daarvan nog geen sprake en had evenmin concrete besluitvorming daarover plaatsgevonden.

7.2. Voorts overweegt de Afdeling dat niet in geschil is dat reeds in het voorgaande plan aan het desbetreffende perceel de bestemming "Horeca" was toegekend. Volgens de raad is het handhaven van deze bestemming ruimtelijk aanvaardbaar en heeft de eigenaar van het perceel te kennen gegeven concrete plannen te hebben om uitvoering te geven aan deze bestemming. [belanghebbende C], eigenaar van het desbetreffende perceel, heeft in aanvulling daarop toegelicht voornemens te zijn om in 2017 te starten met de bouw van een hotel. Ter nadere onderbouwing heeft hij zijn ondernemingsplan van 4 juni 2014 overgelegd. Onder deze omstandigheden heeft de raad naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid de bestemming "Horeca" op het betreffende perceel kunnen handhaven.

Het betoog faalt.

8. Het beroep van Natuurplatform Drentsche Aa is ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 5]

9. [appellant sub 5] richt zich tegen de planregeling voor zijn percelen aan de [locatie 4] te Eelde. Hij betoogt dat de raad bij de vaststelling van het plan er ten onrechte van is uitgegaan dat zijn agrarisch bedrijf is gelegen in een zogenoemd beekdal, waardoor uitbreiding van zijn agrarisch bedrijf niet is toegestaan. Volgens [appellant sub 5] kan niet uit de kaarten van de Omgevingsvisie Drenthe worden afgeleid dat zijn bedrijf in een beekdalgebied ligt en dat de aanduiding robuuste landbouw niet van toepassing is. De raad heeft ook niet met stukken inzichtelijk gemaakt dat zijn perceel ligt in een beekdal, aldus [appellant sub 5]. [appellant sub 5] voert voorts aan dat - wanneer zijn bedrijf ligt in een gebied dat in de Visiekaart als landbouw is aangeduid - een ruimtelijk plan ingevolge artikel 3.21 van de provinciale Omgevingsverordening Drenthe niet mag voorzien in ontwikkelingen die een negatief effect hebben op de agrarische sector. Volgens hem laat ook artikel 3.22 van deze verordening ruimte voor verdere uitbreiding van agrarische bedrijven.

9.1. Ingevolge artikel 3.21 van de provinciale Omgevingsverordening Drenthe voorziet een ruimtelijk plan dat betrekking heeft op locaties die op de bij de Omgevingsvisie Drenthe behorende kaart 1 (Visiekaart 2020) zijn aangeduid als landbouwgebieden niet in ontwikkelingen die een structureel negatief effect op het functioneren van de agrarische sector in het gebied hebben. Randvoorwaarde blijft wel dat waar op de bij de Omgevingsvisie Drenthe behorende kaart 9 (Oppervlaktewater) een locatie als "Beekdal" is aangeduid, ruimte voor water behouden moet blijven en de waterhuishoudkundige inrichting niet mag leiden tot wateroverlast benedenstrooms en tot een vermindering van de grondwatervoorraad.

Ingevolge artikel 3.22, eerste lid, kent een ruimtelijk plan dat betrekking heeft op een gebied dat op de bij de Omgevingsvisie Drenthe behorende kaart 1 (Visiekaart 2020) als "multifunctioneel gebied" is aangeduid, aan een grondgebonden agrarisch bedrijf een bouwvlak van maximaal 1,5 hectare toe, waaronder mede begrepen alle voor de bedrijfsvoering noodzakelijke voorzieningen en de landschappelijke inpassing ervan.

Ingevolge artikel 3.22, tweede lid, kan, in afwijking van het eerste lid, een ruimtelijk plan in een ruimer bouwvlak voorzien, mits:

- een dergelijke ontwikkeling landschappelijk acceptabel wordt ingepast blijkens een landschappelijk inpassingsplan; of

- wanneer blijkens het desbetreffende ruimtelijk plan met de ontwikkeling een aantoonbaar ander provinciaal beleidsdoel is gediend.

9.2. De percelen van [appellant sub 5] zijn, zoals ter zitting is vastgesteld, gelegen binnen het gebied dat op de bij de Omgevingsvisie Drenthe behorende kaart 1 (Visiekaart 2020) als multifunctioneel gebied is aangeduid. Uit de bij de Omgevingsvisie Drenthe behorende kaarten 2b en 9 is op te maken dat de percelen van [appellant sub 5] tevens deels zijn gelegen binnen een zogenoemde beekdallocatie. Artikel 3.21 van de provinciale Omgevingsverordening Drenthe is derhalve, zoals de raad terecht stelt, niet van toepassing op de percelen van [appellant sub 5]. Uit artikel 3.22 van de provinciale Omgevingsvisie Drenthe volgt dat binnen gebieden die als multifunctioneel gebied zijn aangeduid aan grondgebonden agrarische bedrijven een bouwvlak van maximaal 1,5 hectare wordt toegekend.

9.3. Aan de percelen van [appellant sub 5] zijn, voor zover hier van belang, de bestemming "Agrarisch-1", de dubbelstemming "Waarde - Beekdal" en een bouwvlak toegekend.

Ingevolge artikel 4, lid 4.1, van de planregels zijn de voor "Agrarisch - 1" aangewezen gronden bestemd voor:

a. de uitoefening van grondgebonden agrarische bedrijven;

b. de uitoefening van een agrarisch bedrijf met een in hoofdzaak grondgebonden agrarische bedrijfsvoering in combinatie met een bestaande niet-grondgebonden agrarische bedrijfsvoering, uitsluitend overeenkomstig bestaand;

c. cultuurgrond;

Ingevolge artikel 37, lid 37.1 zijn de voor "Waarde - Beekdal" aangewezen gronden, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud van de landschappelijke, natuurlijke en cultuurhistorische waarden van het beekdal.

Hieronder worden het behoud, herstel en ontwikkeling van de volgende essentiële ruimtelijke kenmerken begrepen:

- grote mate van kleinschaligheid;

- vrij meanderende beken;

- samenhangend complex van essen, bossen, heides en moderne ontginningen.

Ingevolge artikel 37, lid 37.3, aanhef en onder a, is het verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de in dit artikellid genoemde werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren.

Ingevolge artikel 37, lid 37.3, aanhef en onder b, is het onder a vervatte verbod niet van toepassing op werken en werkzaamheden, die:

1. het normale onderhoud en/of het normale agrarische gebruik betreffen;

2. reeds in uitvoering zijn of aanwezig zijn op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan;

3. mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende omgevingsvergunning;

4. ter uitvoering van het Inrichtingsplan Groene Buffer Peizermade, basisplan plus, 7 juli 2011 van Arcadis, zoals opgenomen als bijlage bij de toelichting (ruimtelijke onderbouwing Groene Buffer Peizermade), worden uitgevoerd.

9.4. De raad stelt dat aan de percelen van [appellant sub 5] een bouwvlak is toegekend van nagenoeg 1,5 ha, zodat verdere uitbreiding daar vanwege de ligging in een multifunctioneel gebied niet mogelijk is. Gelet op het bepaalde in artikel 3.22 van de provinciale Omgevingsverordening Drenthe stelt de raad terecht dat voor de uitbreidingsmogelijkheden niet zozeer de ligging van de percelen in een beekdallocatie bepalend is, maar dat vanwege de ligging van de percelen in een multifunctioneel gebied, als bedoeld in de provinciale Omgevingsverordening Drenthe, de uitbreidingsmogelijkheden voor [appellant sub 5] zijn beperkt. Op grond van artikel 37, lid 37.3, aanhef en onder b, van de planregels is normaal agrarisch gebruik toegestaan op percelen waaraan de dubbelbestemming "Waarde - Beekdal" is toegekend.

Voorts heeft de raad zich op het standpunt gesteld dat het toegekende bouwvlak nog voldoende uitbreidingsmogelijkheden biedt en dat geen concrete uitbreidingsplannen bekend zijn. De Afdeling ziet geen aanleiding het standpunt van de raad onjuist te achten.

Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling in hetgeen [appellant sub 5] heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid deze bestemmingsregeling voor de percelen van [appellant sub 5] heeft kunnen vaststellen.

Het betoog faalt.

10. Het beroep van [appellant sub 5] is ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 4]

11. [appellant sub 4] richt zich tegen de situering van het bouwvlak op zijn perceel aan de [locatie 5] te Zuidlaren, aangezien daarin ten onrechte de bestaande tunnelkas van 4 m breed en 20 m lang niet is opgenomen. Het bouwvlak dient volgens [appellant sub 4] aan de zuid- en westkant met 250 m te worden vergroot.

11.1. De raad stelt dat betreffende tunnelkas wel binnen het bouwvlak valt. Daarbij verwijst de raad naar de bij het verweerschrift gevoegde luchtfoto waarop het bouwvlak is weergegeven. Daaruit volgt naar het oordeel van de Afdeling dat de tunnelkas ligt binnen het bouwvlak, zodat het betoog van [appellant sub 4] feitelijke grondslag mist.

Het betoog van [appellant sub 4] faalt.

12. Het beroep van [appellant sub 4] is ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 1]

13. [appellant sub 1] richt zich tegen de archeologische dubbelbestemming voor zover deze bestemming is toegekend aan zijn percelen aan de [locatie 6] te Eelde. [appellant sub 1] voert aan dat op deze percelen zijn kwekerij voor heesters en snijbloemen is gevestigd. Hij betoogt door het plan in zijn bedrijfsvoering te worden beperkt, nu het op grond van het plan niet is toegestaan dieper dan 30 cm te graven en de palen die hij voor het telen van zijn planten nodig heeft ongeveer 50 cm de grond in moeten. Volgens hem is de archeologische bestemming niet nodig, aangezien de grond tot 80 cm is verstoord. Dit wordt volgens [appellant sub 1] bevestigd door de proefboringen die in opdracht van de raad op zijn perceel zijn verricht. [appellant sub 1] stelt voor om de archeologische

bestemming op zijn percelen te handhaven, maar daarbij op zijn percelen boringen toe te staan tot 80 cm diepte.

13.1. Aan de percelen van [appellant sub 1] aan de [locatie 6] te Eelde, kadastraal aangeduid als Eelde [sectie] [nrs.], is de bestemming "Agrarisch - 1" toegekend. Aan het perceel [sectie] [nr.] is daarbij deels de dubbelbestemming "Waarde - Archeologische verwachting 2" toegekend. Aan het perceel [sectie] [nr.] is de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie 2" toegekend.

13.2. De raad stelt naar aanleiding van de zienswijze proefboringen te hebben laten verrichten op de percelen van [appellant sub 1] en dat daaruit volgt dat de grond tot ongeveer 80 cm diepte is verstoord en dat er geen aanwijzingen zijn voor de aanwezigheid van een pingoruïne of bijbehorende randstructuren. Volgens de raad is daarom de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie 2" vanwege de bufferzone van een mogelijke pingoruïne niet nodig voor deze percelen en is deze in het plan ten onrechte toegekend aan het perceel Eelde [sectie] [nr.]. Vanwege de omstandigheid dat zich onder het esdek nog waardevolle archeologische resten kunnen bevinden, is het volgens de raad wel noodzakelijk dat aan beide percelen van [appellant sub 1] de dubbelstemming "Waarde - Archeologische verwachting 2" wordt toegekend. Voorts stelt de raad het onwenselijk te achten dat [appellant sub 1] voor ieder kweekseizoen een omgevingsvergunning zou moeten aanvragen voor het uitvoeren van een werk. Daarom stelt de raad voor om aan artikel 36, lid 36.4, sub b, van de planregels een tiende lid toe te voegen, luidende als volgt: "indien en voor zover op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn".

13.3. Nu de raad zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit wat betreft dit onderdeel niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid.

Het betoog slaagt.

14. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit voor zover dat ziet op de vaststelling van de dubbelbestemmingen "Waarde-Archeologie 2" en "Waarde-Archeologische verwachting 2" voor zover deze bestemmingen zijn toegekend aan de percelen van [appellant sub 1] aan de [locatie 6] te Eelde, is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

Het beroep van [appellant sub 1] is gegrond.

Het beroep van Gasunie

15. Gasunie betoogt dat vanwege veiligheidsaspecten die gelden voor leidingen het van belang is dat de in artikel 29, lid 29.5, sub a, onder 3 en 4, van de planregels opgenomen dieptebeperking wordt geschrapt. Volgens haar heeft de raad haar zienswijze daarover ongemotiveerd afgewezen.

15.1. Ingevolge artikel 29, lid 29.1, van de planregels zijn de voor "Leiding-Gas" aangewezen gronden behalve voor de andere daar geldende bestemming(en), mede bestemd voor de aanleg, het beheer en het onderhoud van de bestaande ondergrondse leiding voor het transport van gas met de daarbij behorende belemmeringenstrook.

Ingevolge artikel 29, lid 29.5 sub a, van de planregels is het verboden op of in de gronden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:

1. het aanbrengen van diepwortelende beplantingen en bomen;

2. het aanleggen van wegen of paden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;

3. het indrijven van voorwerpen in de bodem dieper dan 30 cm;

4. het uitvoeren van grondbewerkingen, waartoe worden gerekend afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen, ophogen en aanleggen van drainage, dieper dan 30 cm;

5. het aanleggen, vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren;

6. het permanent opslaan van goederen.

15.2. De raad stelt dat er overleg is geweest met de Gasunie en dat overeenstemming is bereikt om de woorden "dieper dan 30 cm" in genoemde planregels te schrappen. Volgens de raad is dit abusievelijk niet verwerkt in de planregels.

Gelet hierop is het bestreden besluit niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid voor zover het betreft artikel 29, lid 29.5, sub a, onder 3 en 4, van de planregels.

Het betoog slaagt.

16. Gasunie betoogt verder dat de raad ten onrechte artikel 48, lid 48.11.2 en lid 48.11.4, van de planregels heeft vastgesteld. Zij voert aan dat de in het plangebied aanwezige gasontvangststations vallen onder het Activiteitenbesluit milieubeheer. Volgens Gasunie kan op grond van dit besluit niet worden afgeweken van de veiligheidsafstanden in artikel 3.12, zesde lid, van dit besluit, maar maken genoemde planregels het mogelijk om met een omgevingsvergunning beperkt kwetsbare of kwetsbare objecten binnen deze veiligheidsafstanden te realiseren.

16.1. Ingevolge artikel 48, lid 48.11.1, van de planregels mogen in afwijking van het bepaalde in de overige bestemmingsregels ter plaatse van de aanduiding "veiligheidszone - bedrijf" geen kwetsbare objecten of beperkt kwetsbare objecten worden gebouwd.

Ingevolge artikel 48, lid 28.11.2 kan bij een omgevingsvergunning worden afgeweken van het bepaalde in lid 48.11.1 en worden toegestaan dat kwetsbare objecten of beperkt kwetsbare objecten worden gebouwd, mits:

a. de toepasselijke grenswaarden voor het risico en de risicoafstanden ten aanzien van kwetsbare objecten in acht worden genomen;

b. met de toepasselijke richtwaarden en risicoafstanden ten aanzien van beperkt kwetsbare objecten rekening wordt gehouden;

c. het groepsrisico wordt afgewogen.

Ingevolge artikel 48, lid 48.11.3 mogen gronden en opstallen die liggen ter plaatse van de aanduiding "veiligheidszone - bedrijf" niet worden gebruikt als kwetsbaar object of beperkt kwetsbaar object.

Ingevolge artikel 48, lid 48.11.4 kan bij een omgevingsvergunning worden afgeweken van het bepaalde in lid 48.11.3 en worden toegestaan dat gronden en bouwwerken worden gebruikt als kwetsbaar object of beperkt kwetsbaar object, mits:

a. de toepasselijke grenswaarden voor het risico en de risicoafstanden ten aanzien van kwetsbare objecten in acht worden genomen;

b. met de toepasselijke richtwaarden en risicoafstanden ten aanzien van beperkt kwetsbare objecten rekening wordt gehouden;

c. het groepsrisico wordt afgewogen.

16.2. De raad heeft zich in zijn verweerschrift op het standpunt gesteld dat de door Gasunie genoemde planregels ten onrechte niet zijn geschrapt.

Nu de raad zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit wat betreft artikel 48, lid 48.11.2 en lid 48.11.4 van de planregels niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid.

Het betoog slaagt.

17. Gasunie betoogt voorts dat haar zienswijze, voor zover deze door de raad gegrond is geacht, ten onrechte niet juist in het plan is opgenomen. Hierdoor zijn volgens Gasunie in strijd met de rechtszekerheid en het zorgvuldigheidsbeginsel het plan en de verbeelding niet in overeenstemming met het bestreden besluit.

Gasunie voert daartoe aan dat een hoge druk aardgastransportleiding op de verbeelding ontbreekt. In de zienswijze heeft zij naar voren gebracht dat twee hoge druk aardgastransportleidingen de Groningerstraat, de Esweg en De Schutsweg te Zuidlaren kruisen, te weten A-540-14-KR-12 tot en met KR-14 en A-540-KR-017 tot en met KR-020, maar dat slechts een van deze leidingen is weergegeven op de verbeelding. Ter onderbouwing van haar betoog heeft zij de ontbrekende aardgastransportleiding weergegeven in bijlage 7 bij haar beroepschrift.

Daarnaast voert Gasunie aan dat ten onrechte niet de activiteit "rooien" is toegevoegd aan artikel 29, lid 29.5, sub a, onder 1, van de planregels en dat in artikel 29, lid 29.5 sub c, van de planregels ten onrechte niet is opgenomen dat advies bij de leidingbeheerder moet worden ingewonnen, zoals volgens de Nota beantwoording zienswijzen ontwerp bestemmingsplan "Buitengebied Tynaarlo" (hierna: Nota beantwoording zienswijzen) wel aangepast zou worden in de planregels.

17.1. Uit het besluit tot vaststelling van het plan, in samenhang bezien met de Nota beantwoording zienswijzen, volgt dat de raad heeft besloten om de ontbrekende aardgastransportleidingen op de verbeelding weer te geven, de activiteit onder artikel 29, lid 29.5, sub a, onder 1, van de planregels uit te breiden, zodat het rooien van diepwortelende beplantingen en bomen omgevingsvergunningplichtig wordt en dat aan artikel 29, lid 29.5, sub c wordt toegevoegd dat een omgevingsvergunning slechts wordt afgegeven nadat er vooraf schriftelijk advies is ingewonnen bij de leidingbeheerder. De raad erkent dat genoemde wijzigingen ten onrechte niet in de planregels en op de verbeelding zijn aangepast. In hetgeen Gasunie heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit en het plan in onderlinge samenhang bezien in zoverre zijn vastgesteld in strijd met de rechtszekerheid.

Het betoog slaagt.

18. In hetgeen Gasunie heeft aangevoerd, ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid als bedoeld in artikel 3:2 van de Awb, voor zover het betreft artikel 29, lid 29.5, sub a, onder 3 en 4, van de planregels, voor zover het betreft artikel 48, lid 48.11.2 en lid 48.11.4, van de planregels en voor zover het betreft artikel 29, lid 29.5, sub a, onder 1, en lid 29.5, sub c, van de planregels. Het plan dient in zoverre te worden vernietigd. Voorts is de Afdeling van oordeel dat het bestreden besluit, voor zover daarbij de aardgastransportleiding, zoals door Gasunie is weergegeven op de in bijlage 7 bij haar beroepschrift en aan deze uitspraak gehechte uitsnedes van de verbeelding, niet is weergegeven op de verbeelding dient te worden vernietigd wegens strijd met het rechtszekerheidsbeginsel.

Het beroep van Gasunie is gegrond.

Opdracht

19. Voor zover de raad ten aanzien van de beroepen van [appellant sub 1] en Gasunie heeft verzocht toepassing te geven aan artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb gegeven bevoegdheid, ziet de Afdeling geen aanleiding om met toepassing van deze bepaling in dit geval zelf in de zaak te voorzien, nu niet uitgesloten is dat derden daardoor in hun belangen zouden kunnen worden geschaad.

De Afdeling ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb de raad op te dragen om met inachtneming van hetgeen is overwogen in 14 en 18 van deze uitspraak in zoverre een nieuw plan vast te stellen en zal daartoe een termijn stellen. Voorts ziet de Afdeling aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening, als bedoeld in artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb zoals hierna vermeld.

20. Uit een oogpunt van rechtszekerheid en gelet op artikel 1.2.3 van het Besluit ruimtelijke ordening, ziet de Afdeling aanleiding de raad op te dragen het hierna in de

beslissing nader aangeduide onderdeel van deze uitspraak binnen vier weken na verzending van de uitspraak te verwerken op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl.

Proceskostenveroordeling

21. De raad dient ten aanzien van [appellant sub 1] op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld. Voor zover [appellant sub 1] heeft verzocht om vergoeding van de kosten in de bestuurlijke voorprocedure ziet de Afdeling daartoe geen grond.

Wat betreft Gasunie is niet gebleken van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen.

Ten aanzien van [appellante sub 3], Natuurplatform Drentsche Aa, [appellant sub 5] en [appellant sub 4] bestaat voor een proceskostenveroordeling geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart de beroepen van [appellant sub 1] en de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Gasunie Transport Services B.V. gegrond;

II. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Tynaarlo van 28 mei 2013 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Buitengebied Tynaarlo", voor zover:

a. het betreft de plandelen met de dubbelbestemmingen "Waarde-Archeologische verwachting 2" en "Waarde - Archeologie 2", voor zover deze bestemmingen zijn toegekend aan de percelen van [appellant sub 1] aan de [locatie 6] te Eelde;

b. het betreft artikel 29, lid 29.5, sub a, onder 3 en 4, van de planregels;

c. het betreft artikel 48, lid 48.11.2 en lid 48.11.4 van de planregels;

d. de aardgastransportleidingen A-540-14-KR-12 tot en met KR-14 en A-540-KR-017 tot en met KR-020, zoals door de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Gasunie Transport Services B.V is weergegeven op de in bijlage 7 bij haar beroepschrift gevoegde en aan deze uitspraak gehechte uitsnedes van de verbeelding, niet volledig zijn opgenomen op de verbeelding;

e. het betreft artikel 29, lid 29.5, sub a, onder 1, van de planregels;

f. het betreft artikel 29, lid 29.5, sub c, van de planregels;

III. draagt de raad van de gemeente Tynaarlo op om binnen vier weken na verzending van deze uitspraak ervoor zorg te dragen dat het onderdeel genoemd onder II.c wordt verwerkt op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl;

IV. draagt de raad van de gemeente Tynaarlo op om binnen 26 weken na de verzending van deze uitspraak met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen een nieuw besluit te nemen met betrekking tot de planonderdelen genoemd onder II, onder a, b, d, e en f;

V. treft de voorlopige voorziening inhoudende dat totdat de raad van de gemeente Tynaarlo een nieuw plan heeft vastgesteld en dit in werking treedt:

a. de in de verbeelding aangeduide plandelen met de dubbelbestemmingen "Waarde - Archeologische verwachting 2" en "Waarde - Archeologie 2" voor de percelen van [appellant sub 1] aan de Esweg 37a te Eelde herleven;

b. artikel 29, lid 29.5, sub a, onder 1, van de planregels als volgt luidt: "het aanbrengen en rooien van diepwortelende beplantingen en bomen";

c. artikel 29, lid 29.5, sub a, onder 3, van de planregels als volgt luidt: "het indrijven van voorwerpen in de bodem";

d. artikel 29, lid 29.5, sub a, onder 4, van de planregels als volgt luidt: "het uitvoeren van grondbewerkingen, waartoe worden gerekend afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen, ophogen en aanleggen van drainage";

e. artikel 29, lid 29.5, sub c, van de planregels als volgt luidt: "de omgevingsvergunning wordt slechts afgegeven nadat er vooraf schriftelijk advies is ingewonnen bij de leidingbeheerder".

VI. verklaart de beroepen van [appellante sub 3], stichting Natuurplatform Drentsche Aa, [appellant sub 5] en [appellant sub 4], ongegrond;

VII. veroordeelt de raad van de gemeente Tynaarlo tot vergoeding van bij [appellant sub 1] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 487,00 (zegge: vierhonderdzevenentachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VIII. gelast dat de raad van de gemeente Tynaarlo aan appellanten het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht ten bedrage van € 160,00 (zegge: honderdzestig euro) voor [appellant sub 1] en € 318,00 (zegge: driehonderdachttien euro) voor de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Gasunie Transport Services B.V. vergoedt;

Aldus vastgesteld door mr. Th.C. van Sloten, voorzitter, en mr. F.C.M.A. Michiels en mr. D.J.C. van den Broek, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.G. Alderlieste, griffier.

w.g. Van Sloten w.g. Alderlieste

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 29 oktober 2014

590.