Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:3863

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-10-2014
Datum publicatie
29-10-2014
Zaaknummer
201402595/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2014:808, (Gedeeltelijke) vernietiging met terugwijzen
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 13 februari 2013 heeft de raad een aanvraag van [appellante] om een toevoeging voor rechtsbijstand afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201402595/1/A2.

Datum uitspraak: 29 oktober 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 24 februari 2014 in zaak nr. 13/3003 in het geding tussen:

[appellante]

en

het bestuur van de raad voor rechtsbijstand (hierna: de raad).

Procesverloop

Bij besluit van 13 februari 2013 heeft de raad een aanvraag van [appellante] om een toevoeging voor rechtsbijstand afgewezen.

Bij besluit van 3 april 2013 heeft de raad het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en de aan de afwijzing ten grondslag gelegde motivering gewijzigd.

Bij uitspraak van 24 februari 2014 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak op 5 augustus 2014 ter zitting gevoegd behandeld met zaak nr. 201402597/1/A2, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. P.J.A. van de Laar, advocaat te Eindhoven, en de raad, vertegenwoordigd door mr. C.W. Wijnstra, werkzaam bij de raad, zijn verschenen.

Na de zitting heeft de Afdeling de zaken weer gesplitst.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 12, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wet op de rechtsbijstand (hierna: Wrb) wordt rechtsbijstand niet verleend indien de daartoe strekkende aanvraag kennelijk van elke grond is ontbloot.

Ingevolge het derde lid kunnen bij algemene maatregel van bestuur nadere regels worden gesteld omtrent de overeenkomstig het tweede lid in acht te nemen criteria.

Ingevolge artikel 3, aanhef en onder b, van het Besluit rechtsbijstand- en toevoegcriteria (hierna: Brt) wordt rechtsbijstand als zijnde van elke grond ontbloot niet verleend indien de aanvraag betrekking heeft op een vordering of verweer waarvoor de rechtzoekende geen of een volstrekt ontoereikende grond verschaft.

Ingevolge artikel 17, eerste lid, van de Invorderingswet kan de belastingschuldige tegen de tenuitvoerlegging van een dwangbevel in verzet komen bij de rechtbank van het arrondissement waarbinnen hij woont of is gevestigd.

Ingevolge het tweede lid vangt het verzet aan met dagvaarding door de belastingschuldige als eiser aan de ontvanger die het dwangbevel heeft uitgevaardigd als gedaagde. Het verzet schorst de tenuitvoerlegging van het dwangbevel voor zover deze door het verzet wordt bestreden.

Ingevolge het derde lid kan het verzet niet zijn gegrond op de stelling dat de belastingaanslag ten onrechte of tot een te hoog bedrag is vastgesteld.

2. [appellante] heeft een toevoeging voor rechtsbijstand bij de raad aangevraagd met betrekking tot het indienen van een verzetschrift bij de rechtbank Oost-Brabant tegen twee dwangbevelen die de ontvanger heeft uitgevaardigd voor de invordering van een voorlopige aanslag inkomstenbelasting over 2012 en een voorlopige aanslag Zorgverzekeringswet over 2012 (hierna ook: de belastingaanslagen).

3. Aan het besluit van 13 februari 2013 heeft de raad ten grondslag gelegd dat de aanvraag uitsluitend betrekking heeft op een geschil van feitelijke of rekenkundige aard.

Bij het besluit van 3 april 2013 heeft de raad, overeenkomstig het advies van de Commissie voor bezwaar, onder verwijzing naar artikel 12, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wrb de motivering gewijzigd in die zin dat hij het standpunt heeft ingenomen dat de aanvraag om een toevoeging kennelijk van elke grond is ontbloot. Volgens de raad heeft de in verzet door [appellante] aangevoerde grond, dat zij de door de Belastingdienst gestelde inkomsten niet heeft genoten en de belastingaanslagen daarom ten onrechte zijn opgelegd, geen kans van slagen, gelet op artikel 17, derde lid, van de Invorderingswet.

4. De rechtbank heeft dit standpunt van de raad onderschreven. Daarbij heeft zij overwogen dat de grond in verzet dat de ontvanger met de uitvaardiging van de dwangbevelen in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur en het verbod van willekeur heeft gehandeld, ook geen kans van slagen maakt, omdat de ontvanger op grond van verkregen informatie uit het strafrechtelijk onderzoek heeft gehandeld. Daarbij is het vermoeden gerezen dat grote sommen geld zijn verdiend met de handel in drugs en is op basis van op de persoon gerichte informatie een voorlopige aanslag opgelegd en besloten tot directe invordering over te gaan uit vrees voor verduistering van goederen, aldus de rechtbank.

5. [appellante] betoogt, onder verwijzing naar haar verzetdagvaarding en de conclusie van antwoord van de ontvanger van 4 december 2013, dat haar gronden in verzet verder reiken dan de in artikel 17, derde lid, van de Invorderingswet neergelegde stelling en de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat haar verzet geen kans van slagen had. Ter zitting heeft [appellante] naar voren gebracht dat de raad in een soortgelijke verzetprocedure, te weten de zaak nr. 1GF6657 van [één van de medeverdachten], wel een toevoeging heeft verleend.

5.1. Uit artikel 3, aanhef en onder b, van het Brt volgt dat rechtsbijstand als zijnde van elke grond ontbloot niet wordt verleend, indien de aanvraag betrekking heeft op een vordering of verweer waarvoor de rechtzoekende geen of een volstrekt ontoereikende grond verschaft. Gelet op het gebruik van het woord ‘kennelijk’ in artikel 12, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wrb, mag hierover op voorhand redelijkerwijs geen twijfel mogelijk zijn.

5.2. [appellante] heeft bij de aanvraag om een toevoeging de verzetdagvaarding en de twee dwangbevelen van de ontvanger overgelegd. In de verzetdagvaarding heeft [appellante] betoogd dat de ontvanger onrechtmatig en voorbarig heeft gehandeld door de dwangbevelen uit te vaardigen. [appellante] heeft hiertoe aangevoerd dat de Belastingdienst voorlopige aanslagen heeft opgelegd, die gebaseerd zijn op een ruwe schatting van inkomsten uit vermeende criminele activiteiten, terwijl het onderzoek nog gaande is, dat zij bezwaar heeft gemaakt tegen deze aanslagen en dat na onderzoek zal blijken dat [appellante] deze inkomsten niet heeft genoten en geen redelijke grond bestond hiervan uit te gaan. Onder deze omstandigheden en in aanmerking genomen dat de ontvanger wist dat [appellante] niet in staat was om de belastingaanslagen te voldoen, heeft de ontvanger voorts misbruik van zijn machtspositie gemaakt en gehandeld in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur door tot onmiddellijke invordering over te gaan, aldus de verzetdagvaarding.

5.3. [appellante] voert terecht aan dat deze gronden in verzet verder reiken dan de in artikel 17, derde lid, van de Invorderingswet neergelegde stelling, dat de belastingaanslag ten onrechte of tot een te hoog bedrag is vastgesteld. Voorts volgt uit de verzetdagvaarding en de dwangbevelen dat sprake was van een bijzondere situatie, in die zin dat de ontvanger op grond van artikel 10 van de Invorderingswet 1990 met versnelde invordering, terstond en tot het volle bedrag, de voorlopige belastingaanslagen heeft ingevorderd bij de uitgevaardigde dwangbevelen, dus voordat de belastingschuld in rechte vast stond. Niet kan worden geoordeeld dat er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk was dat de gronden in verzet, die zich richtten tegen deze versnelde invordering, volstrekt ontoereikend waren. Daarbij is van belang dat uit het arrest van de Hoge Raad van 31 januari 1992 (ECLI:NL:HR:1992:ZC0487; NJ 1992, 788) volgt, dat de burgerlijke rechter bij de beoordeling van de rechtmatigheid van maatregelen van de ontvanger als de onderhavige, kan beoordelen of de ontvanger en de inspecteur in strijd met de beginselen van behoorlijk bestuur, en derhalve onrechtmatig, hebben gehandeld. Voorts wordt in aanmerking genomen dat voor beoordeling van de vraag of is voldaan aan de in artikel 10 van de Invorderingswet 1990 gestelde voorwaarden voor versnelde invordering, de relevante feiten en omstandigheden moeten worden betrokken. Niet is gebleken dat de raad hierin voldoende inzicht had ten tijde van het besluit van 3 april 2013. Evenmin is gebleken dat de raad op dat moment beschikte over informatie uit het strafrechtelijk onderzoek. Die informatie volgt weliswaar uit de conclusie van antwoord, maar deze dateert van na het besluit van 3 april 2013. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

De raad heeft de aanvraag derhalve niet in redelijkheid kunnen afwijzen met toepassing van artikel 12, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wrb en artikel 3, aanhef en onder b, van het Brt.

Het betoog slaagt.

6. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 3 april 2013 van de raad alsnog gegrond verklaren. Dat besluit komt wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht voor vernietiging in aanmerking. De raad dient een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen, waarbij hij de in r.o. 5 vermelde toevoeging met nr. 1GF6657 dient te betrekken. De Afdeling zal de raad een termijn stellen voor het nemen van het nieuwe besluit op bezwaar.

7. De raad dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 24 februari 2014 in zaak nr. 13/3003;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van het bestuur van de raad voor rechtsbijstand van 3 april 2013, kenmerk 1GE5146;

V. draagt het bestuur van de raad voor rechtsbijstand op om binnen zes weken na de verzending van deze uitspraak met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen een nieuw besluit te nemen en dit aan mr. P.J.A. van de Laar, de gemachtigde van [appellante], toe te zenden;

VI. veroordeelt het bestuur van de raad voor rechtsbijstand tot vergoeding van bij [appellante] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.948,00 (zegge: negentienhonderdachtenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VII. gelast dat het bestuur van de raad voor rechtsbijstand aan [appellante] het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 240,00 (zegge: tweehonderdveertig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. B.J. van Ettekoven, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A. de Vlieger-Mandour, griffier.

w.g. Van Ettekoven w.g. De Vlieger-Mandour

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 29 oktober 2014

615.