Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:3850

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-10-2014
Datum publicatie
29-10-2014
Zaaknummer
201401091/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2013:10153, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 11 oktober 2011 heeft het college aan de [vergunninghoudster] omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van een nieuw kantoorgebouw op het perceel [locatie] te Sliedrecht (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2015/6469
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201401091/1/A1.

Datum uitspraak: 29 oktober 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

het college van burgemeester en wethouders van Sliedrecht,

appellant,

tegen de uitspraken van de rechtbank Rotterdam van 27 juni 2013 en 24 december 2013 in zaak nr. 12/675 in het geding tussen:

[wederpartij], wonend te Sliedrecht,

en

het college.

Procesverloop

Bij besluit van 11 oktober 2011 heeft het college aan de [vergunninghoudster] omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van een nieuw kantoorgebouw op het perceel [locatie] te Sliedrecht (hierna: het perceel).

Bij besluit van 1 mei 2012 heeft het college het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij tussenuitspraak van 27 juni 2013 heeft de rechtbank een motiveringsgebrek geconstateerd in het besluit van 1 mei 2012 en het college in de gelegenheid gesteld dat gebrek te herstellen.

Bij uitspraak van 24 december 2013 heeft de rechtbank het door [wederpartij] tegen het besluit van 1 mei 2012 ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, het door [wederpartij] tegen het besluit van 11 oktober 2011 gemaakte bezwaar gegrond verklaard, dat besluit herroepen en bepaald dat de uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft het college hoger beroep ingesteld.

[wederpartij] heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 september 2014, waar het college, vertegenwoordigd door H.W.J. Visser, werkzaam bij de gemeente, en [wederpartij], bijgestaan door mr. H.A. Gooskens, werkzaam bij Achmea rechtsbijstand, zijn verschenen. Voorts is [vergunninghoudster], vertegenwoordigd door [gemachtigden], ter zitting gehoord.

Overwegingen

1. Om medewerking aan het bouwplan te verlenen heeft het college met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onderdeel a, onder 2o, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo) omgevingsvergunning verleend voor het gebruik van gronden in strijd met het bestemmingsplan "Uitwerkingsplan in onderdelen Westwijk I - 1964".

2. RBOI Groep heeft in opdracht van het college een bezonningsstudie uitgevoerd naar, onder andere, de schaduwwerking van het bouwplan op het naastgelegen perceel [locatie a] van [wederpartij]. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 16 april 2012. Dit rapport is aan het besluit op bezwaar ten grondslag gelegd. Agro Expertisebureau heeft in opdracht van [wederpartij] onderzoek verricht naar de te verwachten schaduwhinder op het perceel [locatie a]. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 12 juli 2012. De rechtbank heeft in haar tussenuitspraak van 27 juni 2013 vastgesteld dat de resultaten van deze onderzoeken, met name voor het voorjaar en de zomer, aanzienlijk verschillen. Volgens de rechtbank heeft Agro Expertisebureau terecht rekening gehouden met de reeds bestaande schaduwwerking in de tuin van [wederpartij], omdat een vergelijking moet worden gemaakt tussen de situatie bij benutting van de bestaande juridische bouwmogelijkheden voorafgaand aan de realisatie van het bouwplan en de situatie die ontstaat na realisatie van het bouwplan. De rechtbank is tot de conclusie gekomen dat het rapport van Agro Expertisebureau overtuigender is dan dat van RBOI Groep. Hieruit volgt volgens de rechtbank dat het besluit van 1 mei 2012 niet in stand kan blijven.

Het college stelt zich in een reactie van 3 september 2013 op de tussenuitspraak op het standpunt dat het bouwplan geen significante wijziging van de bezonning in de tuin van [wederpartij] met zich brengt. Volgens het college nemen de bezonningsmogelijkheden in de tuin van [wederpartij] in februari af van 23,8 procent tot nihil, in maart met ongeveer 52 procent, in april met ongeveer 73 procent, in mei met ongeveer 47 procent, in juni met ongeveer 49 procent, in juli met ongeveer 50 procent, in augustus met ongeveer 46 procent, in september met ongeveer 49 procent en in oktober van 23,8 procent tot nihil. In de einduitspraak heeft de rechtbank overwogen dat het college deze percentages zonder deugdelijke toelichting niet in redelijkheid als niet significant kan aanmerken.

3. Het college betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het, gelet op de in het rapport van 16 april 2012 neergelegde resultaten van het door RBOI Groep uitgevoerde onderzoek naar schaduwhinder, met inachtneming van de in het geding aan de orde zijnde belangen in redelijkheid omgevingsvergunning heeft kunnen verlenen. Blijkens de resultaten van dat onderzoek zal de schaduwwerking op het perceel [locatie a] toenemen, maar zal het bouwplan niet leiden tot een toename van schaduw op de gevel van de woning op dat perceel, aldus het college. Volgens het college is de rechtbank ten onrechte overgegaan tot een onderlinge vergelijking van de voormelde rapporten en heeft het de resultaten van het rapport van Agro Expertisebureau van 12 juli 2012 ten onrechte overtuigender geacht en daarbij geen rekening gehouden met het beoordelingskader voor bezonningseffecten, zoals dat af te leiden valt uit jurisprudentie van de Afdeling.

3.1. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de resultaten van de bezonningstudies van RBOI Groep en Agro Expertisebureau voor het voorjaar en de zomer verschillen en dat de afname van bezonning in de tuin een mee te wegen belang is in de besluitvorming. In hetgeen het college heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het rapport van Agro Expertisebureau niet deugdelijk is. De rechtbank heeft het college, gelet daarop, kunnen opdragen een nadere toelichting te geven op de verschillen tussen deze rapporten. In deze nadere toelichting van 3 september 2013 heeft het college zich op het standpunt gesteld dat de totale bezonning op het perceel van [wederpartij] zeer beperkt zal afnemen. De rechtbank heeft, gelet op de conclusie van het rapport van Agro Expertisebureau dat het zonlicht in de tuin van [wederpartij] afneemt in februari van 23,8 procent tot nihil, in maart met ongeveer 52 procent, in april met ongeveer 73 procent, in mei met ongeveer 47 procent, in juni met ongeveer 49 procent, in juli met ongeveer 50 procent, in augustus met ongeveer 46 procent, in september met ongeveer 49 procent en in oktober van 23,8 procent tot nihil en de niet onderbouwde stelling van het college dat deze afname van zonlicht niet-significant is, terecht overwogen dat het college het besluit van 1 mei 2012 niet deugdelijk heeft gemotiveerd. Dat, zoals het college ter zitting van de Afdeling heeft gesteld, de afname van zonlicht in de tuin absoluut gezien gering is, heeft het college niet aan de hand van concrete gegevens en evenmin aan de hand van een bezonningsnorm aannemelijk gemaakt. De rechtbank heeft derhalve terecht overwogen dat het college, gelet op de in het geding aan de orde zijnde belangen, de verlening van de omgevingsvergunning niet deugdelijk heeft gemotiveerd.

Het betoog faalt.

4. Voorts betoogt het college dat de rechtbank ten onrechte het besluit van 11 oktober 2011 heeft herroepen, omdat de rechtbank het geschil niet definitief heeft beslecht, nu nog niet is besloten op de aanvraag om omgevingsvergunning.

4.1. De rechtbank heeft overwogen dat het college niet bereid of in staat is gebleken om de verlening van de omgevingsvergunning te motiveren, hetgeen reden is om zelf voorziend het bezwaar gegrond te verklaren en het primaire besluit van 11 oktober 2011 te herroepen. De rechtbank heeft ten onrechte geoordeeld dat uitgesloten is dat een hernieuwde belangenafweging met een daarop toegesneden motivering plaatsvindt, indien zou worden volstaan met vernietiging van het besluit van 1 mei 2012 waarbij het college het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond heeft verklaard. Onder die omstandigheden heeft de rechtbank het primaire besluit van 11 oktober 2011 ten onrechte herroepen.

Het betoog slaagt.

5. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd voor zover daarbij het tegen het besluit van 11 oktober 2011 gemaakte bezwaar gegrond is verklaard, dat besluit is herroepen, is bepaald dat de uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit van 1 mei 2012, het college is veroordeeld in de door [wederpartij] in bezwaar gemaakte proceskosten voor het indienen van een bezwaarschrift voor een bedrag van € 472,00 en de uitspraak wat betreft de in bezwaar gemaakte proceskosten in de plaats treedt van het vernietigde besluit van 1 mei 2012. De Afdeling bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige. Uit het voren overwogene volgt dat het college opnieuw op het door [wederpartij] gemaakte bezwaar moet besluiten, thans met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen. Met het oog op een efficiënte afdoening van het geschil ziet de Afdeling aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht te bepalen dat tegen het nieuw te nemen besluit slechts bij haar beroep kan worden ingesteld.

6. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld. De Afdeling acht het redelijk dat de door [wederpartij] opgevoerde kosten voor het door Agro Expertisebureau opgestelde deskundigenrapport, voor een bedrag overeenkomend met 1,75 uur arbeid, voor vergoeding in aanmerking komen. Hierbij is uitgegaan van een forfaitair bedrag van € 75,00 per uur.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 24 december 2013 in zaak nr. 12/675, voor zover het bezwaar gegrond is verklaard, het besluit van 11 oktober 2011 is herroepen, is bepaald dat de uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit van 1 mei 2012, het college is veroordeeld in de door [wederpartij] in bezwaar gemaakte proceskosten voor het indienen van een bezwaarschrift en de uitspraak wat betreft de in bezwaar gemaakte proceskosten in de plaats treedt van het vernietigde besluit van 1 mei 2012;

III. bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

IV. bepaalt dat tegen het door het college van burgemeester en wethouders van Sliedrecht te nemen besluit op het bezwaar van [wederpartij] slechts bij de Afdeling beroep kan worden ingesteld;

V. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Sliedrecht tot vergoeding van bij [wederpartij] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.129,24 (zegge: elfhonderdnegenentwintig euro en vierentwintig cent), waarvan € 974,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, voorzitter, en mr. R. Uylenburg en mr. E. Helder, leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Vermeulen, griffier.

w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Vermeulen

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 29 oktober 2014

531-700.