Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:3842

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-10-2014
Datum publicatie
29-10-2014
Zaaknummer
201309478/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 4 juli 2013, kenmerk PDN/2013-045, heeft de staatssecretaris krachtens artikel 10a van de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: Nbw 1998) het gebied Springendal & Dal van de Mosbeek aangewezen als speciale beschermingszone in de zin van artikel 4, vierde lid, van Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (PB 1992 L 206), zoals laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2006/105/EG van de Raad van 20 november 2006 (PB 2006 L 363) (hierna: Habitatrichtlijn).

Wetsverwijzingen
Natuurbeschermingswet 1998
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Milieurecht Totaal 2014/5906
Milieurecht Totaal 2014/5911
JOM 2014/1123
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201309478/1/R2.

Datum uitspraak: 29 oktober 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak onderscheidenlijk tussenuitspraak met toepassing van artikel 8:51d van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) in het geding tussen:

1. LTO Noord (hierna: LTO), gevestigd te Zwolle, gemeente Berkelland,

2. [appellante sub 2], gevestigd te [plaats],

3. [appellante sub 3], gevestigd te [plaats],

4. [appellant sub 4], wonend te [woonplaats],

5. [appellant sub 5], wonend te [woonplaats],

6. [appellant sub 6], wonend te [woonplaats],

7. [appellant sub 7], wonend te [woonplaats],

8. [appellant sub 8], wonend te [woonplaats],

9. [appellant sub 9] en anderen, allen wonend te [woonplaats],

en

de staatssecretaris van Economische Zaken,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 4 juli 2013, kenmerk PDN/2013-045, heeft de staatssecretaris krachtens artikel 10a van de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: Nbw 1998) het gebied Springendal & Dal van de Mosbeek aangewezen als speciale beschermingszone in de zin van artikel 4, vierde lid, van Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (PB 1992 L 206), zoals laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2006/105/EG van de Raad van 20 november 2006 (PB 2006 L 363) (hierna: Habitatrichtlijn).

Tegen dit besluit hebben LTO, [appellante sub 2], [appellante sub 3], [appellant sub 4], [appellant sub 5], [appellant sub 6], [appellant sub 7], [appellant sub 8] en [appellant sub 9] en anderen beroep ingesteld.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant sub 4] heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 juli 2014, waar LTO, vertegenwoordigd door ir. I.W. Hageman, bijgestaan door mr. J.T.A.M. van Mierlo, advocaat te Zwolle, [appellante sub 2], vertegenwoordigd door [gemachtigden], bijgestaan door mr. R. de Kamper, [appellante sub 3], vertegenwoordigd door [gemachtigden], [appellant sub 4], vertegenwoordigd door [gemachtigde], [appellant sub 7], [appellant sub 9] en anderen, in de persoon van [appellant sub 9a], en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. J. den Haan, drs. E.R. Osieck en ir. D. Bal, allen werkzaam bij het ministerie van Economische Zaken, zijn verschenen.

Buiten bezwaren van partijen zijn door de staatssecretaris ter zitting nadere stukken in het geding gebracht.

Overwegingen

Bestuurlijke lus

1. Ingevolge artikel 8:51d van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), voor zover hier van belang, kan de Afdeling het bestuursorgaan opdragen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen.

Ontvankelijkheid

2. Ingevolge artikel 11, eerste en tweede lid, van de Nbw 1998, gelezen in samenhang met de artikelen 3:11, 3:15 en 3:16 van de Awb wordt het ontwerp van het te nemen besluit ter inzage gelegd voor de duur van zes weken en kunnen gedurende deze termijn zienswijzen over het ontwerp naar voren worden gebracht.

[appellante sub 9b], [appellante sub 9c] en [appellante sub 9d] hebben geen zienswijze over het ontwerpaanwijzingsbesluit naar voren gebracht.

Ingevolge artikel 8:1, in samenhang gelezen met artikel 8:6 en artikel 2 van bijlage 2 alsmede met artikel 6:13, kan geen beroep worden ingesteld tegen het besluit tot aanwijzing van een gebied als speciale beschermingszone in de zin de Habitatrichtlijn door een belanghebbende die over het ontwerpaanwijzingsbesluit niet tijdig een zienswijze naar voren heeft gebracht, tenzij hem redelijkerwijs niet kan worden verweten dit te hebben nagelaten. Deze omstandigheid doet zich niet voor. Daarbij betrekt de Afdeling dat uit de zienswijze, die is ingediend door [appellant sub 9a], niet kan worden afgeleid dat deze mede zou zijn ingediend namens diens gezinsleden.

Het beroep van [appellant sub 9] en anderen, voor zover ingediend door [appellante sub 9b], [appellante sub 9c] en [appellante sub 9d], is niet-ontvankelijk. Het beroep van [appellant sub 9] en anderen is derhalve alleen ontvankelijk voor zover het is ingediend door [appellant sub 9] (hierna: [appellant sub 9]).

Wettelijk kader

3. Ingevolge artikel 10a, eerste lid, van de Nbw 1998, voor zover hier van belang, wijst Onze Minister gebieden aan ter uitvoering van de Habitatrichtlijn.

Feitelijke situatie

4. Maatschap Bouhuis, Maatschap Scholten, [appellant sub 4], Veldschoten, [appellant sub 6], [appellant sub 8] en [appellant sub 9] hebben elk een veehouderij in de nabijheid van het aangewezen gebied. Tevens ligt een deel van de gronden behorende bij de veehouderijen van Maatschap Bouhuis, Maatschap Scholten, [appellant sub 4], [appellant sub 6], [appellant sub 8] en [appellant sub 9] binnen het aangewezen gebied. De gronden van [appellant sub 5] en [appellant sub 7] liggen buiten het aangewezen gebied.

Algemene bezwaren

5. [appellant sub 8] acht het bezwaarlijk dat eigenaren van gronden binnen het gebied Springendal & Dal van de Mosbeek niet persoonlijk zijn betrokken of geïnformeerd gedurende de procedure. [appellant sub 9] acht het bezwaarlijk dat de aanwijzing van gronden niet op vrijwillige basis geschiedt.

5.1. Het aanwijzingsbesluit is tot stand gekomen met toepassing van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 van de Awb. Niet in geschil is dat is voldaan aan de wettelijke vereisten van deze procedure en van die ter zake van de kennisgeving van de terinzagelegging.

De Afdeling ziet geen grond voor het oordeel dat de staatssecretaris, los van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure, uit een oogpunt van zorgvuldige voorbereiding gehouden was eigenaren van gronden in het aangewezen gebied persoonlijk te betrekken of te informeren gedurende de procedure.

Het betoog faalt.

5.2. Het gebied Springendal & Dal van de Mosbeek is door de Europese Commissie bij beschikking van 7 december 2004 op de lijst van gebieden van communautair belang geplaatst. Op grond van artikel 4, vierde lid, van de Habitatrichtlijn bestaat derhalve de verplichting tot aanwijzing van het gebied als speciale beschermingszone in de zin van de Habitatrichtlijn, waartoe het bestreden besluit strekt. Weliswaar is de aanwijzing van bepaalde gronden zoals [appellant sub 9] stelt niet op vrijwillige basis geschied, maar deze enkele omstandigheid geeft op zichzelf bezien gelet op het vorenstaande geen grond voor het oordeel dat het bestreden besluit niet had mogen worden vastgesteld. Evenmin geeft deze omstandigheid aanleiding voor het oordeel dat bij de voorbereiding daarvan niet de vereiste zorgvuldigheid zou zijn betracht.

Het betoog faalt.

6. [appellant sub 4] betoogt dat de aanwijzing van zijn gronden in strijd is met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: Eerste Protocol bij het EVRM). Hij voert hiertoe aan dat niet kan worden gesteld dat het algemeen belang is gebaat bij de aanwijzing, nu geen rekening is gehouden met individuele sociaaleconomische belangen. [appellant sub 4] betoogt dat hem gelet hierop het recht op een eerlijk proces is ontnomen.

6.1. Ingevolge artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM heeft iedere natuurlijke of rechtspersoon het recht op het ongestoorde genot van zijn eigendom. Aan niemand zal zijn eigendom worden ontnomen behalve in het algemeen belang en onder de voorwaarden voorzien in de wet en de algemene beginselen van internationaal recht. De voorgaande bepalingen tasten echter op geen enkele wijze het recht aan, dat een Staat heeft om die wetten toe te passen, die hij noodzakelijk oordeelt om het gebruik van eigendom te reguleren in overeenstemming met het algemeen belang of om de betaling van belastingen of andere heffingen of boeten te verzekeren.

6.2. De aanwijzing van een gebied krachtens artikel 10a van de Nbw 1998 betreft niet ontneming van eigendom. Zoals de Afdeling eerder in haar uitspraak van 14 april 2010, zaaknummer 200907391/1/H2, heeft overwogen, laat artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM voorts onverlet de toepassing van wetten die noodzakelijk kunnen worden geacht om het gebruik van de eigendom te reguleren in overeenstemming met het algemeen belang. Zoals de Afdeling voorts eerder heeft overwogen (uitspraak van de Afdeling van en van 18 juni 2014 in zaak nr. 201306174/1/R2) is een aanwijzing krachtens artikel 10a van de Nbw 1998 een zodanige regulering.

Ten aanzien van het betoog dat geen rekening wordt gehouden met individuele sociaaleconomische belangen, overweegt de Afdeling dat deze belangen niet kunnen worden betrokken bij de selectie en begrenzing van het gebied nu bij de selectie en begrenzing uitsluitend overwegingen van ecologische aard kunnen worden betrokken. Niet valt in te zien dat hierdoor de aanwijzing van een gebied krachtens artikel 10a van de Nbw 1998 geen regulering van gebruik in het algemeen belang als bedoeld in artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM zou zijn.

Het betoog faalt.

6.3. Ingevolge artikel 8:1, in samenhang gelezen met artikel 8:6 en artikel 2 van bijlage 2 alsmede met artikel 6:13, van de Awb staat tegen een besluit omtrent de aanwijzing van een gebied krachtens artikel 10a van de Nbw 1998 beroep open bij de Afdeling. Reeds hierom bestaat geen grond voor het oordeel dat tegen de door [appellant sub 4] aangevoerde schending van zijn eigendomsrechten geen effectief rechtsmiddel open staat. Anders dan [appellant sub 4] betoogt, is derhalve in zoverre geen sprake van schending van artikel 6 van het EVRM.

Het betoog faalt.

7. Volgens [appellant sub 8] is het aanwijzingsbesluit gebaseerd op verouderde gegevens. Ook zijn deze gegevens en de daaruit door onderzoekers getrokken conclusies volgens hem niet gecontroleerd.

7.1. Blijkens het aanwijzingsbesluit is bij de vaststelling hiervan vooral gebruik gemaakt van de bronnen die zijn vermeld in het Natura 2000 Doelendocument uit juni 2006 (hierna: Doelendocument), de Nota van antwoord uit 2007 en het Natura 2000 Profielendocument van 1 september 2008 (hierna: Profielendocument). Voorts heeft de staatssecretaris ter zitting toegelicht dat hij tevens gebruik heeft gemaakt van de zogenoemde habitattypenkaart, waarop de ligging van de habitattypen in het gebied is weergegeven en die doorlopend wordt geactualiseerd. [appellant sub 8] heeft niet aannemelijk gemaakt dat deze door de staatssecretaris aan het aanwijzingsbesluit ten grondslag gelegde gegevens op relevante punten zodanig verouderd zijn dat de staatssecretaris zich niet in redelijkheid daarop heeft kunnen baseren.

De ecologische onderbouwing van het aanwijzingsbesluit, voor zover deze berust op de bevindingen van door de staatssecretaris gekozen deskundigen, behoeft voorts niet te worden verricht of gecontroleerd door een onafhankelijke instantie. Een dergelijke eis is niet neergelegd in de Nbw 1998 en kan ook niet worden afgeleid uit de Habitatrichtlijn.

Het betoog faalt.

8. [appellant sub 4] betoogt dat het besluit onduidelijk is omdat eenzelfde gebiedsdeel zowel wordt aangeduid met de naam Vasserheide als met de naam Vassergrafveld.

8.1. In paragraaf 3.3 van de Nota van toelichting bij het aanwijzingsbesluit is vermeld dat de Zuidelijke Vasserheide deel uitmaakt van het aangewezen gebied. Op de kaart behorende bij het aanwijzingsbesluit is het bos- en heidegebied ten zuiden van Vasse aangeduid als de Zuidelijke Vasserheide. Het zuidoostelijke gedeelte van de Zuidelijke Vasserheide is op deze kaart nader aangeduid als het Vassergrafveld, welke naam ook in de Nota van toelichting wordt gebezigd. Nu het Vassergrafveld gelet op het vorenstaande een nadere aanduiding is binnen de Zuidelijke Vasserheide, hetgeen [appellant sub 4] ter zitting heeft beaamd, valt niet in te zien dat het besluit vanwege deze twee namen tot rechtsonzekerheid leidt.

Het betoog faalt.

Selectie en begrenzing

9. Maatschap Bouhuis, [appellante sub 3], [appellant sub 5], [appellant sub 6], [appellant sub 8] en [appellant sub 9] vrezen dat de aanwijzing van het gebied en de in dat verband te treffen maatregelen negatieve gevolgen met zich brengen voor hun bedrijfsactiviteiten en uitbreidingsmogelijkheden. Maatschap Scholten en [appellant sub 9] vrezen vooral dat koeien niet langer kunnen worden geweid. [appellant sub 9] vreest tevens dat zijn natuurcamping minder aantrekkelijk wordt. [appellant sub 8] wijst erop dat agrariërs met gronden in en nabij het gebied grotere investeringen zullen moeten doen dan agrariërs die elders zijn gevestigd. Ook stelt [appellant sub 8] dat geen rekening is gehouden met eigendomsverhoudingen. Maatschap Bouhuis voert aan dat niet is onderkend dat naar aanleiding van de aanwijzing provinciaal beleid wordt vastgesteld, op grond waarvan zij op een lange en onzekere termijn haar bedrijfsvoering zal moeten staken. De aanwijzing brengt daardoor volgens Maatschap Bouhuis voor haar onevenredig nadelige gevolgen met zich. [appellant sub 9] vreest verder dat het bestaande coulisselandschap minder aantrekkelijk zal worden als agrariërs verdwijnen. [appellant sub 4] acht het onbegrijpelijk dat geen rekening wordt gehouden met andere dan ecologische belangen, nu de aanwijzing van het gebied een aanzienlijke impact heeft op zijn bedrijf. Maatschap Scholten en [appellant sub 7] betogen dat met de aanwijzing van het gebied dient te worden gewacht tot alle consequenties daarvan duidelijk in beeld zijn gebracht. [appellant sub 8] voert aan dat nog geen beheerplan is vastgesteld.

9.1. In het Reactiedocument aanmelding Habitatrichtlijngebieden, dat is opgesteld in het kader van de aanmelding van gebieden voor de lijst van gebieden van communautair belang, en in het aanwijzingsbesluit wordt de aanmeldingssystematiek van Habitatrichtlijngebieden voor de plaatsing op de lijst van gebieden van communautair belang toegelicht. Gebieden dienen op grond van uitsluitend ecologische criteria te worden geselecteerd. Een gebied wordt in beginsel geselecteerd wanneer het voor een habitattype of soort, afhankelijk van de omstandigheid of het een prioritair habitattype of prioritaire soort betreft, tot de vijf of tien belangrijkste gebieden van Nederland behoort. In een tweede stap zijn eventueel nog gebieden toegevoegd met het oog op een landelijke dekking, geografische spreiding en grensoverschrijding.

Zoals reeds vermeld, is het gebied Springendal & Dal van de Mosbeek door de Europese Commissie bij beschikking van 7 december 2004 op de lijst van gebieden van communautair belang geplaatst. Op grond van artikel 4, vierde lid, van de Habitatrichtlijn bestaat derhalve de verplichting tot aanwijzing van het gebied als speciale beschermingszone in de zin van de Habitatrichtlijn, waartoe het bestreden besluit strekt.

9.2. Volgens vaste jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof) kunnen bij een aanwijzingsbesluit voor een Habitatrichtlijngebied uitsluitend overwegingen van ecologische aard betrokken worden bij de begrenzing van het gebied. Hierbij mag geen rekening worden gehouden met vereisten op economisch, sociaal of cultureel gebied en met regionale en lokale bijzonderheden zoals vermeld in artikel 2, derde lid, van de Habitatrichtlijn (arrest First Corporate Shipping, C-371/98, ECLI:EU:C:2000:600, punten 16 en 25). Gelet op dit arrest heeft de staatssecretaris terecht eventuele negatieve gevolgen voor de agrarische activiteiten van Maatschap Bouhuis, Maatschap Scholten, [appellant sub 5], [appellant sub 6], [appellant sub 7], [appellant sub 8] en [appellant sub 9], eigendomsverhoudingen en eventuele negatieve gevolgen voor het bestaande coulisselandschap niet betrokken bij de selectie en begrenzing van het gebied. Dat geldt eveneens voor de eventuele negatieve gevolgen voor de agrarische activiteiten van [appellant sub 4] vanwege de doorwerking van de aanwijzing naar het provinciale beleid en de daarmee samenhangende onzekerheid. De Afdeling volgt gelet op het voormelde arrest voorts niet de betogen van [appellant sub 4] en [appellante sub 2] dat onbegrijpelijk of onjuist zou zijn dat de staatssecretaris uitsluitend overwegingen van ecologische aard heeft betrokken bij de selectie en begrenzing van het gebied.

Deze betogen falen.

9.3. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 5 november 2008 in zaak nr. 200802545/1 en uitspraak van 29 juni 2011 in zaak nr. 201002616/1/R2) kan eerst in een beheerplan een nauwkeuriger vaststelling van de gevolgen van de aanwijzing voor bestaande activiteiten plaatsvinden.

Voorts kunnen maatregelen om de instandhoudingsdoelstellingen te bereiken niet in het aanwijzingsbesluit aan de orde komen. Uit artikel 19a, eerste lid, van de Nbw 1998 volgt dat in een beheerplan wordt beschreven welke instandhoudingsmaatregelen getroffen dienen te worden om de instandhoudingsdoelstellingen te bereiken en op welke wijze. Als voor de bescherming of ontwikkeling van bepaalde habitattypen specifieke maatregelen nodig zijn dan behoort dit in een beheerplan te worden geregeld. Voor het gebied Springendal & Dal van de Mosbeek zal nog een beheerplan worden vastgesteld.

Daarnaast brengt artikel 19d, eerste lid, van de Nbw 1998 met zich dat een vergunning op grond van die wet nodig is, indien sprake is van een project dat, of andere handeling die, gelet op de instandhoudingsdoelstelling, de kwaliteit van de natuurlijke habitats en habitats van soorten in een Natura 2000-gebied kan verslechteren of een significant verstorend effect kan hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen. Of bepaalde activiteiten, zoals agrarische activiteiten, in het beheerplan kunnen worden vrijgesteld van de vergunningplicht en of een vergunning, indien vereist, zal kunnen worden verleend, kan niet in een aanwijzingsbesluit worden vastgesteld, maar dient in het beheerplan of in het kader van de aanvraag van een vergunning te worden bepaald. Gelet daarop heeft de staatssecretaris het bestreden besluit kunnen vaststellen zonder dat inzichtelijk is in hoeverre de aanwijzing gevolgen heeft voor bestaande en nieuwe activiteiten, zoals agrarische activiteiten en nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen.

Voor zover Maatschap Scholten, [appellant sub 7] en [appellant sub 8] betogen dat met het nemen van het bestreden besluit ten onrechte niet is gewacht op het vast te stellen beheerplan, wordt overwogen dat uit artikel 19a van de Nbw 1998 noch uit enige andere wettelijke bepaling volgt dat het aanwijzingsbesluit en het beheerplan gelijktijdig hadden moeten worden vastgesteld. De staatssecretaris heeft in redelijkheid reeds voor de totstandkoming van het beheerplan kunnen overgaan tot aanwijzing van het gebied.

Deze betogen falen.

10. [appellant sub 4] betoogt dat een deel van zijn bedrijfsgebouwen en de verharde kuilvoeropslag op de kaart bij het aanwijzingsbesluit ten onrechte zijn aangeduid als Habitatrichtlijngebied.

10.1. Ter zitting is gebleken dat de staatssecretaris niet heeft bedoeld het deel van bedrijfsgebouwen en de verharde kuilvoeropslag van [appellant sub 4] aan te wijzen als Habitatrichtlijngebied, zodat geen reden bestaat deze gronden als zodanig aan te duiden op de kaart. Gelet hierop moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit, voor zover een deel van bedrijfsgebouwen en de verharde kuilvoeropslag van [appellant sub 4] op de kaart zijn aangeduid als Habitatrichtlijngebied, niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid.

Het betoog slaagt.

11. [appellant sub 7] betoogt dat de gronden in de hoek van de Beekzijdeweg en de Lädderken, waaraan zijn landbouwpercelen grenzen, ten onrechte zijn aangewezen. LTO heeft bezwaar tegen de aanwijzing van het landbouwperceel in de hoek van de Beekzijdeweg en de Lädderken, en het landbouwperceel direct ten oosten van de betreffende hoek. Zij voeren aan dat ter plaatse geen beschermde habitats voorkomen en ook geen maatregelen zijn voorzien. [appellant sub 7] stelt dat het aanwezige bos slechts bestaat uit dennen en productiehout.

11.1. Volgens de staatssecretaris fungeren de gronden in de hoek van de Beekzijdeweg en de Lädderken en het landbouwperceel direct ten oosten daarvan als zogenoemd ‘cement tussen de bakstenen’ en maken zij daarom terecht deel uit van het aangewezen gebied.

11.2. Volgens paragraaf 3.2 van de Nota van toelichting bij het aanwijzingsbesluit en paragraaf 3.1 van de daarbij behorende bijlage C is de begrenzing van het aangewezen gebied in het bijzonder bepaald aan de hand van de ligging van de tien habitattypen en de leefgebieden van de vier soorten waarvoor het gebied is aangewezen. Voorts wordt in algemene zin vermeld dat het begrensde gebied ook natuurwaarden omvat die integraal onderdeel uitmaken van de ecosystemen waartoe de betreffende habitattypen en leefgebieden van soorten behoren, alsmede terreindelen die noodzakelijk worden geacht om de betreffende habitattypen en leefgebieden van soorten in stand te houden en te herstellen. Dit wordt aangeduid als ‘cement tussen de bakstenen’. De Nota van toelichting vermeldt voorts dat bij de keuze en de afbakening van de gebieden geen rekening is gehouden met andere vereisten dan die verband houden met de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna.

11.3. Op de kaart bij het aanwijzingsbesluit is het zuidelijke landbouwperceel binnen de gronden in de hoek van de Beekzijdeweg en de Lädderken niet aangeduid als Habitatrichtlijngebied. Voor zover het betoog van [appellant sub 7] betrekking heeft op dit landbouwperceel, mist het derhalve feitelijke grondslag.

11.4. Wat de overige gronden in de hoek van de Beekzijdeweg en de Lädderken, alwaar zich een landbouwperceel en bos bevinden, en het landbouwperceel direct ten oosten daarvan betreft, overweegt de Afdeling dat niet gebleken is dat deze gronden overeenkomstig de in het bestreden besluit vermelde uitgangspunten uit ecologische overwegingen zijn aangewezen als Habitatrichtlijngebied. Uit het aanwijzingsbesluit blijkt niet dat op deze gronden kwalificerende habitattypen of soorten voorkomen. Het bestreden besluit vermeldt evenmin dat deze gronden natuurwaarden bevatten die integraal onderdeel uitmaken van het ecosysteem waartoe één of meer van de tien habitattypen of het leefgebied van één of meer van de vier soorten waarvoor het gebied is aangewezen, behoren. Ook is niet gebleken dat de bedoelde gronden noodzakelijk zijn om de betreffende habitattypen en leefgebieden van soorten in stand te houden en te herstellen. Voor zover de staatssecretaris ter zitting heeft gesteld dat vervuiling en uitwaaiering vanaf de bedoelde landbouwpercelen mogelijk effecten met zich brengt voor de habitattypen droge heiden (H4030) en jeneverbestruwelen (H5130), die op de aangrenzende gronden voorkomen, overweegt de Afdeling dat dit niet draagkrachtig is gemotiveerd. Verder is ter zitting niet gebleken van redenen van hydrologische aard om de bedoelde landbouwpercelen aan te wijzen.

Gelet op het vorenstaande berust het bestreden besluit, voor zover daarbij de gronden in de hoek van de Beekzijdeweg en de Lädderken en het landbouwperceel direct ten oosten daarvan zijn aangewezen als Habitatrichtlijngebied, niet op een deugdelijke motivering.

Het betoog slaagt in zoverre.

12. [appellant sub 4] en LTO betogen dat het landbouwperceel van [appellant sub 4] in het noordelijke gedeelte van de Vasserheide ten onrechte is aangewezen. LTO voert hiertoe aan dat dit perceel geen directe betekenis heeft voor de instandhouding van het gebied en wijst erop dat verscheidene andere landbouwpercelen om die reden buiten de begrenzing zijn gelaten. [appellant sub 4] betoogt dat onvoldoende duidelijk is wat het verschil is tussen zijn gronden en de gronden die niet zijn aangewezen.

12.1. Wat het landbouwperceel van [appellant sub 4] betreft, heeft de staatssecretaris ter zitting onweersproken gesteld dat wordt beoogd dit perceel om te vormen naar natuur vanwege de grote invloed ervan op een nabij gelegen beek. Verder is van belang dat aan de landbouwpercelen in de gebiedsdelen Vasserheide een zogenoemd beheertype is toegekend in het Natuurbeheerplan 2014 Overijssel, dat op 24 september 2013 is vastgesteld door het college van gedeputeerde staten van Overijssel. Daarnaast zijn in het kader van de Programmatische Aanpak Stikstofproblematiek maatregelen voorzien op de landbouwgronden in het gebiedsdeel Vasserheide.

In hetgeen [appellant sub 4] en LTO hebben aangevoerd, ziet de Afdeling mede gelet op de ter zitting van de zijde van de staatssecretaris gegeven nadere toelichting geen aanleiding voor het oordeel, dat het landbouwperceel in het noordelijke gedeelte van Vasserheide niet op goede ecologische gronden is aangewezen als onderdeel van het Habitatrichtlijngebied.

Het betoog faalt.

13. Maatschap Scholten betoogt dat haar zuidoostelijk gelegen landbouwperceel ten onrechte is aangewezen. Zij voert hiertoe aan dat ter plaatse geen beschermde habitattypen voorkomen.

13.1. Ter zitting heeft de staatssecretaris onweersproken gesteld dat het zuidoostelijk gelegen landbouwperceel van [appellante sub 3] om hydrologische redenen van belang is voor de instandhouding van de Hazelbekke. Daarnaast heeft de staatssecretaris erop gewezen dat in het kader van de Programmatische Aanpak Stikstofproblematiek als maatregel is voorzien dat het bewuste landbouwperceel zal worden aangekocht en ingericht. In hetgeen [appellante sub 3] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling mede gelet op de ter zitting van de zijde van de staatssecretaris gegeven nadere toelichting geen aanleiding voor het oordeel, dat het bewuste zuidoostelijk gelegen landbouwperceel niet op goede ecologische gronden is aangewezen als onderdeel van het Habitatrichtlijngebied.

Het betoog faalt.

14. LTO betoogt dat de landbouwpercelen in de gebiedsdelen rond de loop van de beek Hazelbekke en de Braamberg, het landbouwperceel tussen de Höllweg en de Brandtorenweg en de landbouwgronden in het gebiedsdeel ten westen van de lijn tussen Haarle en grenspaal 83 ten onrechte zijn aangewezen. LTO voert hiertoe aan dat deze gronden geen directe betekenis hebben voor de instandhouding van het gebied en wijst erop dat verscheidene andere landbouwpercelen om die reden buiten de begrenzing zijn gelaten. Verder wijst LTO erop dat op de betreffende landbouwpercelen geen maatregelen zijn aangekondigd en dat daarop niet de realisatie van uitbreidingsdoelstellingen is voorzien. Met betrekking tot de landbouwgronden in het gebiedsdeel ten westen van de lijn tussen Haarle en grenspaal 83 voert LTO aan dat de enige reden voor de aanwijzing van dit gebiedsdeel de soortbescherming van het vliegend hert (H1083) is. De landbouwgronden hebben volgens LTO echter geen directe betekenis voor deze soort.

14.1. In het aanwijzingsbesluit is vermeld dat het gebied ten opzichte van de aanmelding is uitgebreid met ongeveer 40 hectare aan weilanden, houtwallen en bos vanwege de in en rond de beek Hazelbekke voorkomende waarden en teneinde een meer logische begrenzing te verkrijgen. Dienaangaande is vermeld dat deze uitbreiding van belang is voor het behoud en/of herstel van de habitattypen heischrale graslanden (H6230), blauwgraslanden (H6410), overgangs- en trilvenen (H7140A), kalkmoerassen (H7230) en vochtige alluviale bossen (H91E0), waarvoor het gebied is aangewezen. Ter zitting heeft de staatssecretaris voorts toegelicht dat op de betreffende gronden, die grotendeels in eigendom zijn van Natuurmonumenten, de uitbreiding van het habitattype vochtige alluviale bossen (H91E0) is beoogd ten behoeve van het realiseren van de instandhoudingsdoelstelling voor dit habitattype, in combinatie met maatregelen die verdroging van het gebied tegengaan. LTO heeft dit niet gemotiveerd betwist. Gelet hierop ziet de Afdeling geen aanleiding om de aanwijzing van de landbouwgronden in het gebiedsdeel langs de Hazelbekke als Habitatrichtlijngebied onjuist te achten.

Het betoog faalt.

14.2. Wat de landbouwpercelen in het gebiedsdeel Braamberg betreft, heeft de staatssecretaris ter zitting toegelicht dat aanwijzing van deze landbouwpercelen noodzakelijk is met het oog op de realisatie van de instandhoudingsdoelstellingen voor de waterafhankelijke habitattypen die in dit gebiedsdeel voorkomen. Het betreft in het bijzonder het habitattype blauwgraslanden (H6410), waarvoor in het aanwijzingsbesluit een verbeterdoelstelling is opgenomen. Daartoe zijn op verscheidene percelen maatregelen voorzien die ontwatering tegengaan, aldus de staatssecretaris. LTO heeft het vorenstaande niet gemotiveerd betwist. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de staatssecretaris dan ook in redelijkheid de landbouwpercelen in het gebiedsdeel Braamberg kunnen aanwijzen.

Het betoog faalt.

14.3. Met betrekking tot het perceel tussen de Höllweg en de Brandtorenweg is van belang dat het gebied is aangewezen voor verscheidene waterafhankelijke soorten en habitattypen. De staatssecretaris heeft toegelicht dat het perceel tussen de Höllweg en de Brandtorenweg zich op de waterscheiding van het gebied bevindt en daarmee van belang is voor de retentie van water in het gebied. Daarnaast worden op dit perceel, dat eigendom is van Natuurmonumenten, overeenkomstig de betreffende instandhoudingsdoelstellingen habitattypen tot ontwikkeling gebracht, aldus de staatssecretaris. LTO heeft dit niet gemotiveerd betwist. Gelet hierop bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de staatssecretaris het perceel tussen de Höllweg en de Brandtorenweg niet heeft mogen aanwijzen.

Het betoog faalt.

14.4. Wat betreft de landbouwgronden in het gebiedsdeel ten westen van de lijn tussen Haarle en grenspaal 83 is het volgende van belang. Naar niet in geschil is en zoals volgt uit het Doelendocument, Profielendocument en de Nota van toelichting bij het aanwijzingsbesluit, is het westelijke gedeelte van het gebied Springendal & Dal van de Mosbeek een van de vier belangrijkste leefgebieden van het vliegend hert (H1083), waarvoor het gebied is aangewezen, en komt deze soort ter plaatse voor op allerlei plekken met dode of kwijnende loofbomen, waarbij de inlandse eik een zeer sterke voorkeur heeft.

Het gebiedsdeel ten westen van de lijn tussen Haarle en grenspaal 83 bestaat hoofdzakelijk uit een afwisseling van bos en landbouwpercelen die worden omzoomd door landschapselementen. De staatssecretaris heeft onbetwist gesteld dat zeer verspreid in deze bosranden en landschapselementen eikenbomen en eikenstobben voorkomen. LTO heeft niet gemotiveerd bestreden dat, zoals de staatssecretaris ter zitting heeft toegelicht, het vliegend hert zich verplaatst binnen een straal van ongeveer 10 tot 20 meter langs dergelijke bosranden en lijnvormige landschapselementen waarbinnen zich eikenbomen en eikenstobben bevinden. Afhankelijk van de omvang van een landbouwperceel komt het vliegend hert derhalve niet op het centrale gedeelte daarvan. Nu, zoals de staatssecretaris ter zitting onweersproken heeft gesteld, niet op voorhand kan worden vastgesteld op welke gedeelten van welke landbouwpercelen het vliegend hert niet voorkomt, ziet de Afdeling in hetgeen LTO heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de staatssecretaris niet ervan heeft mogen uitgaan dat het leefgebied van het vliegend hert in beginsel de gehele landbouwpercelen omvat.

De conclusie is dat de staatssecretaris in redelijkheid de landbouwpercelen in het gebiedsdeel ten westen van de lijn tussen Haarle en grenspaal 83 heeft kunnen aanwijzen.

Het betoog faalt.

15. LTO betoogt dat ten onrechte de eiken langs wegen en op erven in het gedeelte van het gebied ten westen van de lijn tussen Haarle en grenspaal 83, inclusief eventueel afstervende bomen en ander in de grond aanwezig dood eikenhout, tot het aangewezen gebied behoren. LTO voert hiertoe aan dat het vliegend hert dode en afgestorven - derhalve geen vitale - eikenbomen prefereert. Dit blijkt volgens LTO temeer nu voor eiken geen instandhoudingsdoelstelling is vastgesteld. Ook is volgens LTO onduidelijk wanneer eiken kunnen worden aangemerkt als ‘oud’.

15.1. Voor zover agrarische erven ten westen van de lijn tussen Haarle en grenspaal 83 niet zijn aangeduid op de kaart als Habitatrichtlijngebied, maken zij, evenals ter plaatse aanwezig eiken, geen deel uit van het Habitatrichtlijngebied.

Zoals hiervoor vermeld is de begrenzing van het aangewezen gebied onder meer in het bijzonder bepaald aan de hand van de ligging van de leefgebieden van de vier soorten waarvoor het gebied is aangewezen, waaronder het vliegend hert. LTO heeft niet gemotiveerd bestreden dat het vliegend hert voorkomt in de verspreid in het westelijke gebiedsdeel aanwezige eikenbomen en eikenstobben, die deel uitmaken van het leefgebied van deze soort. De staatssecretaris heeft daarbij ter zitting onbetwist gesteld dat op de kaart uitsluitend die agrarische erven zijn aangeduid waarop eiken aanwezig kunnen zijn.

Voor de eikenbomen en eikenstobben is niet een instandhoudingsdoelstelling geformuleerd als of dit een zelfstandig habitattype is waarvoor het gebied zou zijn aangewezen. Nu zij echter het leefgebied vormen van het vliegend hert, waarvoor een uitbreidings- en verbeterdoelstelling is gesteld, valt niet in te zien dat het onjuist zou zijn dat de eiken langs wegen en op erven als leefgebied van het vliegend hert deel uitmaken van het aangewezen gebied. Anders dan LTO kennelijk meent behoren alle eiken langs wegen en op erven in het gedeelte van het gebied ten westen van de lijn tussen Haarle en grenspaal 83 tot het aangewezen gebied, en niet uitsluitend die eiken die, wat daar verder ook van zij, kunnen worden aangemerkt als ‘oud’. Reeds hierom bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het aanwijzingsbesluit in zoverre onduidelijk zou zijn en tot rechtsonzekerheid zou leiden.

Gelet op het vorenstaande heeft de staatssecretaris in redelijkheid de eiken langs wegen en op erven, inclusief eventueel afstervende bomen en ander in de grond aanwezig dood eikenhout, in het gebiedsdeel ten westen van de lijn tussen Haarle en grenspaal 83 kunnen aanwijzen.

Het betoog faalt.

Habitattypen en soorten

16. Maatschap Scholten betoogt dat de habitattypen en soorten waarvoor het gebied is aangewezen niet allemaal in het gebied voorkomen of niet in alle delen van het gebied. De habitattypen en soorten die wel in het gebied aanwezig zijn, komen ook elders in Nederland voor, aldus Maatschap Scholten.

16.1. De Afdeling heeft eerder overwogen (uitspraak van 9 april 2014 in zaak nr. 201306214/1/R2) dat indien een gebied op basis van de onder 9.1 vermelde selectiecriteria is aangemeld voor plaatsing op de lijst van gebieden van communautair belang en het gebied vervolgens ook op de lijst is geplaatst, de aanmelding en plaatsing op die lijst niet uitsluitend zien op de habitattypen en soorten waarvoor het desbetreffende gebied is geselecteerd, omdat het daarvoor tot de vijf of tien belangrijkste gebieden behoort. De aanmelding en plaatsing op die lijst hebben betrekking op alle habitattypen en soorten die in het bewuste gebied in een meer dan verwaarloosbare oppervlakte dan wel populatie voorkomen. Ook voor die habitattypen en soorten die niet direct tot de selectie van de betreffende gebieden hebben geleid, maar die wel in die gebieden voorkomen, dienen derhalve instandhoudingsdoelstellingen te worden geformuleerd. Voorts staan in het Doelendocument, dat aan het aanwijzingsbesluit ten grondslag is gelegd, en in het aanwijzingsbesluit de systematiek beschreven die de staatssecretaris hanteert bij het aanwijzen van Natura 2000-gebieden. In het kader van deze aanwijzing wijst de staatssecretaris het gebied aan voor de habitattypen en soorten waarvoor het gebied op de communautaire lijst is geplaatst of waarvoor het gebied aan de voormelde criteria is gaan voldoen.

16.2. Blijkens het bestreden besluit is het gebied geselecteerd vanwege de aanwezigheid van de habitattypen kalkmoerassen (H2730) en vochtige alluviale bossen (H91E0, subtype C) en de habitatsoorten beekprik (H1096) en vliegend hert (H1083). Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen onder 16.1 worden, wanneer in een gebied habitattypen voorkomen die voldoen aan de vermelde selectiecriteria, de verder in het gebied voorkomende habitattypen en soorten waarvoor het gebied een bijdrage levert aan de instandhouding op landelijk niveau maar waarvoor het niet is geselecteerd, wel vermeld in de aanmelding. Het betreft de habitattypen vochtige heiden (H4010, subtype A), droge heiden (H4030), jeneverbesstruwelen (H5130), heischrale graslanden (H6230), blauwgraslanden (H6410), overgangs- en trilvenen (H7140, subtype A), pioniersvegetaties met snavelbiezen (H7150) en beuken-eikenbossen met hulst (H9120) en de habitatsoorten kamsalamander (H1096) en drijvende waterweegbree (H1831), waarvoor het gebied tevens is aangewezen. Volgens paragraaf 4.4 van de Nota van toelichting bij het aanwijzingsbesluit zijn de habitattypen en soorten waarvoor het gebied is aangewezen in het gebied aanwezig. In de enkele stelling van Maatschap Scholten dat voormelde habitattypen en habitatsoorten nergens in het gebied voorkomen, ziet de Afdeling geen aanleiding om te twijfelen aan het voorkomen van deze habitattypen en habitatsoorten. Voorts heeft [appellante sub 3] niet aannemelijk gemaakt dat de staatssecretaris de algemene aanwijzingssystematiek onjuist heeft toegepast.

Voor zover Maatschap Scholten betoogt dat niet alle habitattypen en soorten in alle gebiedsdelen voorkomen, is van belang dat, zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 16 maart 2011 in zaak nr. 200902380/1/R2), de begrenzing van een Natura 2000-gebied niet dient te worden beperkt tot die gebiedsdelen of deelgebieden waarin alle habitattypen en habitatsoorten voorkomen waarvoor een gebied is aangewezen. Evenmin dient de aanwijzing van een Natura 2000-gebied voor een bepaald habitattype of een bepaalde habitatsoort te worden beperkt tot een gebiedsdeel of deelgebied van het aangewezen gebied.

Dat, naar Maatschap Scholten stelt, de habitattypen en soorten waarvoor het gebied is aangewezen ook elders voorkomen, staat er ten slotte in zijn algemeenheid niet aan in de weg dat Springendal & Dal van de Mosbeek eveneens voor deze habitattypen en soorten wordt aangewezen.

Het betoog faalt.

Instandhoudingsdoelstellingen

Haalbaar en betaalbaar

17. LTO betoogt dat onenvenredige inspanningen op landbouwgronden nodig zijn om de geformuleerde uitbreidings- en verbeterdoelstellingen te realiseren.

17.1. In het Doelendocument, dat aan het aanwijzingsbesluit ten grondslag is gelegd, en in het aanwijzingsbesluit is de systematiek die de staatssecretaris hanteert bij de vaststelling van de instandhoudingsdoelstellingen op gebiedsniveau beschreven. Nadat de selectie en de vaststelling van de begrenzing van een Natura 2000-gebied heeft plaatsgevonden, wordt de landelijke staat van instandhouding van de verschillende soorten en habitattypen bepaald. Dit gebeurt onder meer door de draagkracht van de Natura 2000-gebieden en de trend van de soorten en habitattypen te bepalen met behulp van een aantal beoordelingscriteria. Op basis van de landelijke staat van instandhouding van de soorten en habitattypen wordt een opgave geformuleerd op grond waarvan de landelijke doelstellingen worden vastgesteld. Indien sprake is van een ongunstige staat van instandhouding wordt volgens het Doelendocument in beginsel een herstelopgave in de landelijke instandhoudingsdoelstelling opgenomen.

Vervolgens worden de instandhoudingsdoelstellingen per gebied vastgesteld. Hierbij staat de landelijke doelstelling en de landelijke staat van instandhouding van de soorten en habitattypen centraal. Bij de vaststelling van de instandhoudingsdoelstellingen op gebiedsniveau houdt de staatssecretaris ook rekening met andere dan ecologische criteria. In dit verband hanteert de staatssecretaris het uitgangspunt 'haalbaar en betaalbaar', hetgeen inhoudt dat ook economische overwegingen een rol mogen spelen bij het bepalen van de instandhoudingsdoelstellingen voor een bepaald Natura 2000-gebied. Zo beziet de staatssecretaris in welke gebieden een eventuele herstelopgave het eenvoudigst kan worden gerealiseerd. Indien blijkt dat de som van de verschillende gebiedsdoelstellingen niet kan leiden tot realisatie van de landelijke doelstelling en derhalve niet kan leiden tot een gunstige staat van instandhouding op landelijk niveau, vindt volgens het Doelendocument een terugkoppeling plaats. Bij deze terugkoppeling wordt nogmaals de haalbaarheid van de verschillende gebiedsdoelen bezien, waarbij in dit stadium ecologische criteria doorslaggevend zijn. Alleen indien op basis van ecologische criteria blijkt dat herstel van het habitattype of de soort, gelet op de feitelijke omstandigheden, niet haalbaar is, wordt de landelijke doelstelling bijgesteld. Indien uitgaande van ecologische criteria blijkt dat herstel wel haalbaar is, vindt een herformulering van de gebiedsdoelen plaats, zodat de landelijke doelstelling en daarmee de landelijke gunstige staat van instandhouding kan worden bereikt, aldus het Doelendocument.

17.2. Ten aanzien van de door LTO gestelde grote inspanningen voor de soorten en habitattypen waarvoor een uitbreidings- of verbeterdoelstelling is geformuleerd, is het volgende van belang. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 12 maart 2014 in zaak nr. 201306275/1/R2) kunnen bij het formuleren van de instandhoudingsdoelstellingen op gebiedsniveau economische overwegingen weliswaar een rol spelen, maar kan de toepassing van het uitgangspunt 'haalbaar en betaalbaar' door de staatssecretaris er niet toe leiden dat hiermee een gunstige staat van instandhouding op landelijk niveau niet zal worden bereikt. Het uitgangspunt 'haalbaar en betaalbaar' betekent onder andere dat wordt bezien in welke gebieden een eventuele herstelopgave op relatief eenvoudige wijze kan worden gerealiseerd, hetgeen niet betekent dat daarmee geen aanzienlijke kosten kunnen zijn gemoeid, maar wel dat onevenredige financiële inspanningen worden voorkomen.

In het aanwijzingsbesluit is vermeld dat een behouddoelstelling wordt geformuleerd als onevenredige maatregelen nodig zouden zijn om een bepaald gebied een grotere bijdrage te laten leveren. Nu de soorten en habitattypen waarvoor uitbreidings- en verbeterdoelstellingen zijn gesteld landelijk in een ongunstige staat van instandhouding verkeren en LTO niet nader heeft geconcretiseerd in welk opzicht de beoogde maatregelen te ingrijpend zijn of een onevenredige inspanning zouden vergen, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de staatssecretaris het uitgangspunt 'haalbaar en betaalbaar' in zoverre onjuist heeft toegepast.

Het betoog faalt.

Blauwgraslanden (H6410)

18. LTO betoogt dat in het aanwijzingsbesluit ten onrechte een verbeterdoelstelling is opgenomen voor de kwaliteit van het habitattype blauwgraslanden (H6410). LTO voert hiertoe aan dat dit habitattype voorkomt op een groter oppervlakte in veertien andere Natura 2000-gebieden, waarvan twee in dezelfde regio als het onderhavige gebied. Gelet hierop kan worden volstaan met een behouddoelstelling, aldus LTO.

18.1. De staatssecretaris stelt zich, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 2 juli 2014 in zaak nr. 201305234/1/R2 op het standpunt dat het habitattype blauwgraslanden (H6410) in het gebied voorkomt in een meer dan verwaarloosbare omvang en in dergelijke gevallen de Habitatrichtlijn ertoe verplicht om het gebied mede daarvoor aan te wijzen. Omdat de landelijke staat van instandhouding van dit habitattype als zeer ongunstig is gekwalificeerd, wordt in beginsel voor elk gebied dat daarvoor is aangewezen een verbeterdoelstelling geformuleerd. Gelet op landelijke verbeterdoelstelling voor de kwaliteit van het habitattype blauwgraslanden (H6410) kan niet worden volstaan met een behouddoelstelling voor het gebied. Overigens is de mate waarin een gebied bijdraagt aan de landelijke dekking van het habitattype van belang voor de beoordeling van de vraag of een gebied daarvoor moet worden geselecteerd, maar niet voor de vraag welke instandhoudingsdoelstelling dient te worden geformuleerd, aldus de staatssecretaris.

18.2. Voor de kwaliteit van het habitattype blauwgraslanden is in het aanwijzingsbesluit een verbeterdoelstelling vastgesteld. Als toelichting is onder meer vermeld dat de blauwgraslanden (H6410) voor een deel van het gebied kunnen meeliften met de maatregelen die worden getroffen voor de realisering van de instandhoudingsdoelstellingen voor het habitattype kalkmoerassen (H7230). Volgens het aanwijzingsbesluit zijn goede potenties aanwezig voor uitbreiding van de oppervlakte en verbetering van de kwaliteit.

18.3. Niet in geschil is dat het gebied Springendal & Dal van de Mosbeek voor het habitattype blauwgraslanden (H6410) dient te worden aangewezen. De omstandigheid dat het habitattype blauwgraslanden (H6410) in ruimere mate voorkomt in andere Natura 2000-gebieden staat er niet aan in de weg dat het onderhavige gebied eveneens voor dit habitattype wordt aangewezen en dat daarvoor een verbeterdoelstelling wordt opgenomen. Hierbij betrekt de Afdeling dat het habitattype blijkens het Profielendocument landelijk in een zeer ongunstige staat van instandhouding verkeert, met het oog waarop daarvoor op landelijk niveau een verbeterdoelstelling geldt, en dat in bijlage B van het aanwijzingsbesluit is gemotiveerd waarom voor het onderhavige gebied ook een verbeterdoelstelling in plaats van een behouddoelstelling is geformuleerd. Daarbij is in aanmerking genomen dat het gebied Springendal & Dal van de Mosbeek mogelijkheden biedt voor kwaliteitsverbetering van dit habitattype, zoals ook is beschreven in de knelpunten- en kansenanalyse. LTO heeft dit niet gemotiveerd betwist. Dat andere gebieden een relatief grotere bijdrage leveren aan het behalen van de landelijke instandhoudingsdoelstelling, doet voorts niet af aan het feit dat het onderhavige gebied daar ook een bijdrage aan levert. Gelet op het vorenstaande volgt de Afdeling LTO niet in haar betoog dat de staatssecretaris ten onrechte in het aanwijzingsbesluit een verbeterdoelstelling heeft geformuleerd voor de kwaliteit van het habitattype blauwgraslanden (H6410).

Het betoog faalt.

Vochtige heiden (H4010, subtype A)

19. LTO betoogt dat in het aanwijzingsbesluit ten onrechte een verbeterdoelstelling is opgenomen voor de kwaliteit van het habitattype vochtige heiden (H4010A). LTO voert hiertoe aan dat dit habitattype in het gebied voorkomt op een zeer bescheiden oppervlakte van 3 hectare en in twaalf andere Natura 2000-gebieden, waarvan één in dezelfde regio, op een relatief groter oppervlakte met betere potenties. Gelet hierop kan worden volstaan met een behouddoelstelling, aldus LTO.

19.1. De staatssecretaris stelt zich op het standpunt dat het habitattype vochtige heiden (H4010A) in het gebied voorkomt in een meer dan verwaarloosbare omvang en dat, gelet op de ongunstige landelijke staat van instandhouding en de landelijke verbeterdoelstelling voor de kwaliteit van dit habitattype, niet kan worden volstaan met een behouddoelstelling. Daarbij is van belang dat het habitattype vochtige heiden (H4010A) zal profiteren van de maatregelen die zullen worden getroffen ten behoeve van andere habitattypen waarvoor het gebied is aangewezen, aldus de staatssecretaris.

19.2. In het aanwijzingsbesluit is voor de kwaliteit van het habitattype vochtige heiden (H4010A) een verbeterdoelstelling vastgesteld. Als toelichting is vermeld dat het habitattype in het gebied op een bescheiden oppervlakte voorkomt in goed en matig ontwikkelde vorm.

19.3. Niet in geschil is dat het gebied Springendal & Dal van de Mosbeek voor het habitattype vochtige heiden (H4010A) dient te worden aangewezen. De omstandigheid dat het habitattype vochtige heiden (H4010A) in ruimere mate voorkomt in andere Natura 2000-gebieden staat er niet aan in de weg dat het onderhavige gebied eveneens voor dit habitattype wordt aangewezen en dat daarvoor een verbeterdoelstelling wordt opgenomen. Hierbij betrekt de Afdeling dat het habitattype blijkens het Profielendocument landelijk in een matig ongunstige staat van instandhouding verkeert, met het oog waarop daarvoor op landelijk niveau een verbeterdoelstelling geldt, en dat in bijlage B van het aanwijzingsbesluit is gemotiveerd waarom voor het onderhavige gebied ook een verbeterdoelstelling in plaats van een behouddoelstelling is geformuleerd. Daarbij is in aanmerking genomen dat het gebied Springendal & Dal van de Mosbeek mogelijkheden biedt voor kwaliteitsverbetering van dit habitattype, zoals beschreven in de knelpunten- en kansenanalyse. LTO heeft dit niet gemotiveerd betwist. Zoals hiervoor overwogen, doet de omstandigheid dat andere gebieden een relatief grotere bijdrage leveren aan het behalen van de landelijke instandhoudingsdoelstelling, niet af aan het feit dat het onderhavige gebied daar ook een bijdrage aan levert. Gelet op het vorenstaande volgt de Afdeling LTO niet in haar betoog dat de staatssecretaris ten onrechte in het aanwijzingsbesluit een verbeterdoelstelling heeft geformuleerd voor de kwaliteit van het habitattype vochtige heiden (H4010A).

Het betoog faalt.

Heischrale graslanden (H6230)

20. LTO betoogt dat in het aanwijzingsbesluit voor de oppervlakte en de kwaliteit van het habitattype heischrale graslanden (H6230) ten onrechte een uitbreidings- en verbeterdoelstelling is opgenomen. LTO voert hiertoe aan dat van de ongeveer 100 hectare heischrale graslanden (H6230) in Nederland zich slechts 1,1 hectare in Springendal & Dal van de Mosbeek bevindt en dat dit habitattype in negen andere Natura 2000-gebieden voorkomt op een veel groter oppervlakte. Ook is volgens LTO onvoldoende gemotiveerd en onderbouwd dat in het gebied potenties bestaan voor verbetering van de kwaliteit van dit habitattype. Volgens LTO kan worden volstaan met een behouddoelstelling voor de oppervlakte en de kwaliteit.

20.1. De staatssecretaris stelt zich op het standpunt dat het habitattype heischrale graslanden (H6230) in het gebied voorkomt in een meer dan verwaarloosbare omvang en dat, gelet op de ongunstige landelijke staat van instandhouding en de landelijke uitbreidings- en verbeterdoelstelling voor dit habitattype, niet kan worden volstaan met een behouddoelstelling.

20.2. In het aanwijzingsbesluit is voor de oppervlakte en de kwaliteit van het prioritaire habitattype heischrale graslanden (H6230) een uitbreidings- en verbeteringsdoelstelling gesteld. Als toelichting is vermeld dat het habitattype momenteel in goede vorm alleen voorkomt in het brongebied van de Mosbeek. Elders zijn matig ontwikkelde vormen aanwezig. In samenhang met de doelstellingen van de habitattypen blauwgraslanden (H6410) en kalkmoerassen (H7230) bestaan volgens de toelichting goede potenties voor uitbreiding van de oppervlakte en verbetering van de kwaliteit van het habitattype heischrale graslanden (H6230).

20.3. Niet in geschil is dat het gebied Springendal & Dal van de Mosbeek dient te worden aangewezen voor het habitattype heischrale graslanden (H6230).

De omstandigheid dat het habitattype heischrale graslanden (H6230) in ruimere mate voorkomt in andere Natura 2000-gebieden staat er niet aan in de weg dat het onderhavige gebied eveneens voor dit habitattype wordt aangewezen en dat daarvoor een uitbreidings- en verbeterdoelstelling wordt opgenomen. Hierbij betrekt de Afdeling dat het habitattype blijkens het Profielendocument landelijk in een zeer ongunstige staat van instandhouding verkeert, met het oog waarop daarvoor op landelijk niveau een uitbreidings- en verbeterdoelstelling geldt. Voorts is in bijlage B van het aanwijzingsbesluit gemotiveerd waarom voor het onderhavige gebied ook een uitbreidings- en verbeterdoelstelling in plaats van een behouddoelstelling is geformuleerd. Daarbij is onder meer in aanmerking genomen dat het gebied Springendal & Dal van de Mosbeek mogelijkheden biedt voor kwaliteitsverbetering van dit habitattype. Dienaangaande is in de knelpunten- en kansenanalyse onder meer vermeld dat het habitattype goed ontwikkeld aanwezig is op een zeer klein oppervlak. Op een groter oppervlak zijn rompgemeenschappen aanwezig, die niet tot het habitattype worden gerekend maar die bij goed beheer en deels afhankelijk van herstel van de hydrologie volgens de knelpunten- en kansenanalyse wel daarin zouden kunnen overgaan. Verder brengen maatregelen ten behoeve van de habitattypen blauwgraslanden (6410) en kalkmoerassen (H7230) tevens positieve effecten met zich voor het subtype heischrale graslanden (H6230), zo volgt uit met name tabel 3 van de knelpunten- en kansenanalyse. LTO heeft niet aannemelijk gemaakt dat knelpunten- en kansenanalyse in zoverre zodanige gebreken of leemten in kennis vertoont dat de staatssecretaris zich daarop niet heeft mogen baseren. Gelet hierop ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat onder verwijzing naar de knelpunten- en kansenanalyse onvoldoende zou zijn gemotiveerd dat in het gebied Springendal & Dal van de Mosbeek goede potenties aanwezig zijn voor de verbetering van de kwaliteit van het habitattype heischrale graslanden (H6230).

Zoals hiervoor reeds overwogen doet de omstandigheid dat andere gebieden een relatief grotere bijdrage leveren aan het behalen van de landelijke instandhoudingsdoelstelling, niet af aan het feit dat het onderhavige gebied daar ook een bijdrage aan levert. Gelet op het vorenstaande volgt de Afdeling LTO niet in haar betoog dat de staatssecretaris ten onrechte in het aanwijzingsbesluit een uitbreidings- en verbeterdoelstelling heeft geformuleerd voor de oppervlakte en de kwaliteit van het habitattype heischrale graslanden (H6230).

Het betoog faalt.

Overgangs- en trilvenen, subtype trilvenen (H7140A)

21. LTO betoogt dat in het aanwijzingsbesluit voor de oppervlakte en de kwaliteit van het subtype trilvenen (H7140A) ten onrechte een uitbreidings- en verbeterdoelstelling is opgenomen. LTO voert hiertoe aan dat dit habitattype in het gebied voorkomt op een verwaarloosbaar oppervlakte van 0,6 hectare. Voorts is volgens LTO onvoldoende gemotiveerd dat uitbreiding en verbetering mogelijk zijn. Verder is volgens LTO onduidelijk waarom niet net als in het aanwijzingsbesluit van het Natura 2000-gebied Vecht- en Beneden Regge een behouddoelstelling is geformuleerd.

21.1. De staatssecretaris stelt zich op het standpunt dat het subtype trilvenen (H7140A) in het gebied voorkomt in een meer dan verwaarloosbare oppervlakte en dat, gelet op de ongunstige landelijke staat van instandhouding en de landelijke uitbreidings- verbeterdoelstelling voor dit habitattype, niet kan worden volstaan met een behouddoelstelling.

21.2. In het aanwijzingsbesluit is voor de oppervlakte en de kwaliteit van het subtype trilvenen (H7140A) een uitbreidings- en verbeteringsdoelstelling gesteld. Als toelichting is vermeld dat het habitattype voorkomt in de beekdalen waar grondwater uittreedt en dat goede potenties voor uitbreiding van de oppervlakte en verbetering van de kwaliteit aanwezig zijn van dit landelijk sterk bedreigde subtype.

21.3. Niet in geschil is dat het subtype trilvenen (H7140A) in het gebied voorkomt op een oppervlakte van 0,6 hectare. Deze omstandigheid is naar het oordeel van de Afdeling op zichzelf geen reden om niet tot het formuleren van een instandhoudingsdoelstelling voor dit habitattype over te gaan, aangezien de oppervlakte meer dan de door de staatssecretaris blijkens de Leeswijzer bij het Profielendocument aangehouden minimumoppervlakte van 100 m2 bedraagt en het niet onredelijk voorkomt dat daarom in dit geval geen sprake is van een verwaarloosbare bijdrage (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 13 juli 2011 in zaak nr. 200908107/1/R2).

De omstandigheid dat het subtype trilvenen (H7140A) in ruimere mate voorkomt in andere Natura 2000-gebieden staat er voorts niet aan in de weg dat het onderhavige gebied eveneens voor dit subtype wordt aangewezen en dat daarvoor een uitbreidings- en verbeterdoelstelling wordt opgenomen. Hierbij betrekt de Afdeling dat het subtype trilvenen (H7140A) blijkens het Profielendocument landelijk in een zeer ongunstige staat van instandhouding verkeert, met het oog waarop daarvoor op landelijk niveau een uitbreidings- en verbeterdoelstelling geldt. Voorts is in bijlage B van het aanwijzingsbesluit gemotiveerd waarom voor het onderhavige gebied ook een uitbreidings- en verbeterdoelstelling in plaats van een behouddoelstelling is geformuleerd voor het desbetreffende habitattype. Daarbij is in aanmerking genomen dat het gebied Springendal & Dal van de Mosbeek mogelijkheden biedt voor uitbreiding en kwaliteitsverbetering van dit habitattype. Dienaangaande is in de knelpunten en kansenanalyse vermeld dat kwelafhankelijke habitattypen zoals trilvenen in stand kunnen worden gehouden en dat uitbreiding van oppervlakte en verbetering van kwaliteit kunnen worden gerealiseerd met lokale maatregelen in de waterhuishouding, voor trilvenen met name bestaande uit het verondiepen van beken, en vermindering of beëindiging van de bemesting in intrekgebieden. Daarnaast is op specifieke locaties herstelbeheer noodzakelijk, zoals plaggen en kappen, en natuurontwikkeling in percelen die aan landbouw worden onttrokken. Door de herstelbaarheid van de hydrologie zijn de potenties goed. In het bijzonder wordt gewezen op mogelijkheden voor kwaliteitsverbetering van de trilvenen in de middenloop en lage middenloop van het Springendal en mogelijkheden voor ontwikkeling van basenrijke vormen van trilvenen in het dal van de Hazelbekke. Geconcludeerd wordt dat de trilvenen met een klein oppervlak goed ontwikkeld aanwezig zijn en met een redelijk groot oppervlak matig ontwikkeld en dat mogelijkheden voor herstel bestaan. LTO heeft niet aannemelijk gemaakt dat de knelpunten- en kansenanalyse zodanige gebreken of leemten in kennis vertoont dat de staatssecretaris zich daarop niet heeft mogen baseren. Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de staatssecretaris onder verwijzing naar de knelpunten- en kansenanalyse onvoldoende zou hebben gemotiveerd of onderbouwd dat in het gebied Springendal & Dal van de Mosbeek goede potenties aanwezig zijn voor de uitbreiding van de oppervlakte en verbetering van de kwaliteit van het habitatsubtype trilvenen (H7140A).

Zoals hiervoor reeds overwogen, doet de omstandigheid dat andere gebieden een relatief grotere bijdrage leveren aan het behalen van de landelijke instandhoudingsdoelstelling, niet af aan het feit dat het onderhavige gebied daar ook een bijdrage aan levert. Gelet op het vorenstaande volgt de Afdeling LTO niet in haar betoog dat de staatssecretaris ten onrechte in het aanwijzingsbesluit een uitbreidings- en verbeterdoelstelling heeft geformuleerd voor de oppervlakte en de kwaliteit van het subtype trilvenen (H7140A).

Het betoog faalt.

21.4. Over de door LTO gemaakte vergelijking met de behouddoelstelling die voor het subtype trilvenen (H7140A) is geformuleerd in het aanwijzingsbesluit van het Natura 2000-gebied Vecht- en Beneden-Reggegebied, wordt overwogen dat de staatssecretaris zich op het standpunt heeft gesteld dat deze situatie verschilt van de aan de orde zijnde situatie omdat, zoals ook staat vermeld in het aanwijzingsbesluit, in het Natura 2000-gebied Vecht- en Beneden-Reggegebied slechts geringe oppervlakten van het subtype trilvenen (H7140A) aanwezig zijn en er weinig zicht is op herstel. In hetgeen LTO heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de door LTO genoemde situatie niet overeenkomt met de thans aan de orde zijnde situatie.

Het betoog faalt.

Schade

22. Maatschap Scholten, [appellant sub 5], [appellant sub 6] en [appellant sub 7] stellen dat zij schade zullen ondervinden als gevolg van de aanwijzing van het gebied. Zij wensen dat deze schade wordt vergoed.

22.1. In bijlage C bij de Nota van toelichting bij het aanwijzingsbesluit wordt, onder verwijzing naar hoofdstuk 5 van de Nota van Antwoord, erop gewezen dat artikel 31, eerste lid, van de Nbw 1998 een regeling bevat voor vergoeding van schade die belanghebbenden lijden of zullen lijden als gevolg van een besluit genomen krachtens hoofdstuk III van die wet. Artikel 10a maakt deel uit van dit hoofdstuk zodat eventuele schade als gevolg van het bestreden besluit valt onder het bereik van de in artikel 31 opgenomen schadevergoedingsregeling. Toepassing van deze schadevergoedingsregeling valt buiten het kader van de onderhavige procedure, zodat vergoeding van schade als gevolg van het bestreden besluit thans niet ter beoordeling staat.

Het betoog faalt.

23. [appellant sub 4] betoogt dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM is geschonden. Hij voert hiertoe aan dat het besluit is genomen ruim 7 jaar nadat het ontwerpbesluit ter inzage is gelegd. Hij wijst erop dat de Nota van zienswijzen in algemene bewoordingen is gesteld en dat het bestreden besluit nauwelijks is gewijzigd ten opzichte van het ontwerpbesluit. [appellant sub 4] verzoekt om deze reden om schadevergoeding.

23.1. Ingevolge artikel 6, eerste lid, van het EVRM, voor zover hier van belang, heeft een ieder bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen of bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde vervolging recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat bij de wet is ingesteld.

23.2. De vraag of de redelijke termijn is overschreden wordt beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij zijn van betekenis, de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van de betrokkene gedurende de hele procesgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van de betrokkene.

Met de vaststelling van het aanwijzingsbesluit is, voor zover het betreft de gronden van [appellant sub 4], tevens een beslissing genomen omtrent zijn burgerlijke rechten en verplichtingen. Hiervan uitgaande begint de in artikel 6 van het EVRM bedoelde termijn in een zaak betreffende een aanwijzingsbesluit dat is voorbereid met toepassing van afdeling 3.4 van de Awb te lopen bij het instellen van beroep tegen het besluit tot vaststelling van het aanwijzingsbesluit door [appellant sub 4]. Anders dan [appellant sub 4] stelt, blijft derhalve de tijdsduur die is gemoeid met de voorbereiding en vaststelling van een aanwijzingsbesluit buiten beschouwing voor het bepalen van de ingangsdatum van de in artikel 6 van het EVRM bedoelde termijn (vergelijk de uitspraak van 7 juli 2010 in zaak nr. 200903026/1/R1, onder 2.24.1).

Nu sinds het instellen van beroep door [appellant sub 4] op 21 november 2013 in de beroepsfase nog geen twee jaar is verstreken, kan niet worden geoordeeld dat daarmee de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM is overschreden. Het verzoek om schadevergoeding dient dan ook reeds om deze reden te worden afgewezen.

Herhalen zienswijze

24. Voor zover [appellant sub 7] in zijn beroepschrift heeft verwezen naar de inhoud van zijn zienswijze, wordt overwogen dat in de overwegingen van het bestreden besluit is ingegaan op deze zienswijze. Voor zover in het beroepschrift noch ter zitting redenen zijn aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende zienswijze in zoverre onjuist zou zijn, kan die enkele verwijzing naar de zienswijzen niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit.

Conclusies

24.1. In hetgeen [appellant sub 4] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling gelet op hetgeen is overwogen onder 10.1 aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover daarbij een deel van bedrijfsgebouwen en de verharde kuilvoeropslag van [appellant sub 4] op de kaart zijn aangeduid als Habitatrichtlijngebied, is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb.

In hetgeen [appellant sub 7] en LTO hebben aangevoerd, ziet de Afdeling voorts gelet op hetgeen is overwogen onder 11.4 aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover daarbij de gronden in de hoek van de Beekzijdeweg en de Lädderken en het landbouwperceel direct ten oosten daarvan, zoals aangegeven op het aangehechte kaartje, als Habitatrichtlijngebied zijn aangewezen, is genomen in strijd met artikel 3:46 van de Awb.

De Afdeling ziet in het belang bij een spoedige beëindiging van het geschil aanleiding de staatssecretaris op grond van artikel 8:51d van de Awb op te dragen het gebrek in het bestreden besluit binnen de hierna te noemen termijn te herstellen. De staatssecretaris dient daartoe met inachtneming van hetgeen onder 10.1 is overwogen het besluit te wijzigen in die zin dat het deel van bedrijfsgebouwen en de verharde kuilvoeropslag van [appellant sub 4] niet langer op de kaart zijn aangeduid als Habitatrichtlijngebied. Voorts dient de staatssecretaris met inachtneming van hetgeen onder 11.4 is overwogen, alsnog toereikend te motiveren op grond waarvan de gronden in de hoek van de Beekzijdeweg en de Lädderken en het landbouwperceel direct ten oosten daarvan als Habitatrichtlijngebied zijn aangewezen, of in plaats daarvan het besluit te wijzigen. In het laatste geval behoeft geen toepassing te worden gegeven aan afdeling 3.4 van de Awb. De Afdeling wijst erop dat in dat geval ingevolge artikel 3:44, eerste lid, onder b, van de Awb de staatssecretaris mededeling van dat besluit moet doen door toezending van een exemplaar van dat gewijzigde besluit aan degenen die over dit onderdeel van het ontwerpbesluit een zienswijze naar voren hebben gebracht.

25. In hetgeen [appellante sub 3], [appellante sub 2], [appellant sub 5], [appellant sub 6], [appellant sub 8] en [appellant sub 9] hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit is voorbereid of vastgesteld in strijd met het recht. De beroepen van [appellante sub 3], [appellante sub 2], [appellant sub 5], [appellant sub 6], [appellant sub 8] en [appellant sub 9] en anderen, voor zover ontvankelijk, zijn ongegrond.

Proceskosten en griffierecht

26. In de einduitspraak zal worden beslist over de proceskosten en vergoeding van het betaalde griffierecht ten aanzien van [appellant sub 4]. [appellant sub 7] en LTO.

Voor een proceskostenveroordeling ten aanzien van [appellante sub 3], [appellante sub 2], [appellant sub 5], [appellant sub 6], [appellant sub 8] en [appellant sub 9] en anderen bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep van [appellant sub 9] en anderen niet-ontvankelijk voor zover het is ingediend door [appellante sub 9b], [appellante sub 9c] en [appellante sub 9d];

II. verklaart de beroepen van [appellante sub 3], maatschap Maatschap G.J.D. Bouhuis en G.G.M. Bouhuis-Nijhuis, [appellant sub 5], [appellant sub 6], [appellant sub 8] en [appellant sub 9] en anderen, voor zover ontvankelijk, ongegrond;

III. draagt de staatssecretaris van Economische Zaken naar aanleiding van de beroepen van [appellant sub 4], [appellant sub 7] en LTO op om binnen zestien weken na de verzending van deze tussenuitspraak met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen het besluit van 4 juli 2013, kenmerk PDN/2013-045, te herstellen door:

1. alsnog toereikend te motiveren op grond waarvan de gronden in de hoek van de Beekzijdeweg en de Lädderken en het landbouwperceel direct ten oosten daarvan, zoals aangegeven op het aangehechte kaartje, zijn aangewezen als Habitatrichtlijngebied of in plaats daarvan een gewijzigd besluit te nemen; in dat laatste geval dient het gewijzigde besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze te worden bekendgemaakt;

2. een gewijzigd besluit te nemen waarbij het deel van bedrijfsgebouwen en de verharde kuilvoeropslag van [appellant sub 4] niet langer op de kaart zijn aangeduid als Habitatrichtlijngebied; het gewijzigde besluit dient op de wettelijk voorgeschreven wijze te worden bekendgemaakt;

3. de uitkomst aan de Afdeling mede te delen.

Aldus vastgesteld door mr. N.S.J. Koeman, voorzitter, en mr. J. Hoekstra en mr. J.W. van de Gronden, leden, in tegenwoordigheid van mr. P.J.A.M. Broekman, griffier.

w.g. Koeman w.g. Broekman

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 29 oktober 2014

12-743.