Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:3840

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-10-2014
Datum publicatie
29-10-2014
Zaaknummer
201400195/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2013:6634, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 3 januari 2013 heeft het college de aan [appellant sub 2] bij besluit van 17 augustus 2010 opgelegde last onder dwangsom ingetrokken.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 5:1
Algemene wet bestuursrecht 8:69a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBO 2014/223 met annotatie van D. van der Meijden
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201400195/1/A1.

Datum uitspraak: 29 oktober 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1. [appellanten sub 1], wonend te [woonplaats],

gemeente Sint-Michielsgestel, (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 1])

2. [appellant sub 2], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 28 november 2013 in zaak nr. 13/3915 in het geding tussen:

[appellant sub 1],

en

het college van burgemeester en wethouders van Sint-Michielsgestel.

Procesverloop

Bij besluit van 3 januari 2013 heeft het college de aan [appellant sub 2] bij besluit van 17 augustus 2010 opgelegde last onder dwangsom ingetrokken.

Bij besluit van 25 juni 2013 heeft het college het door [appellant sub 1] daartegen gemaakte bezwaar onder aanvulling van de motivering ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 28 november 2013 heeft de rechtbank het door [appellant sub 1] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant sub 1] hoger beroep ingesteld.

[appellant sub 2] heeft incidenteel hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant sub 2] en [appellant sub 1] hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 september 2014, waar [appellant sub 1], [twee mede-appellanten], bijgestaan door mr. P.W.G.M. Christophe, [appellant sub 2], bijgestaan door mr. W. Krijger, en het college, vertegenwoordigd door mr. A.A.J. van Dalsen, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Bij besluit van 17 augustus 2010 heeft het college [appellant sub 2] onder meer gelast de op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel) aanwezige verharding binnen één jaar na de verzenddatum van dat besluit te verwijderen tot datgene dat aanwezig mag zijn zoals op de bijlage bij het besluit is aangegeven, onder oplegging van een dwangsom.

2. [appellant sub 1] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat artikel 3.7, in samenhang gelezen met artikel 3.7.2, en artikel 31.4.1 van de planregels van het bestemmingsplan "Buitengebied Sint-Michielsgestel" (hierna: het bestemmingsplan) niet strekken tot de bescherming van haar belangen en de daartegen gerichte beroepsgronden ten onrechte met toepassing van artikel 8:69a van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) buiten beschouwing heeft gelaten. Volgens haar zijn de aanduiding "Archeologische verwachtingswaarde 2" en de dubbelbestemming "Waarde-Archeologie 4" nevengeschikt aan de bestemming "Agrarisch" en is het verharden van het perceel strijdig met de op het perceel rustende bestemming "Agrarisch". De rechtbank heeft miskend dat het belang waarin zij beschermd wenst te worden het behoud van de agrarische functie van het perceel en niet dat van de archeologische waarde is, aldus [appellant sub 1].

2.1. Ingevolge artikel 8:69a van de Awb vernietigt de bestuursrechter een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept.

2.2. Ingevolge artikel 3.1, aanhef en onder b, van de planregels van het bestemmingsplan zijn de voor "Agrarisch" aangewezen gronden bestemd voor agrarisch gebruik.

Ingevolge artikel 3.7, aanhef en onder a, sub 4, kan het college omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden verlenen voor werken en/of werkzaamheden zoals weergegeven in sub 3.7.1 t/m 3.7.12, met dien verstande dat voor werken en/of werkzaamheden binnen het bouwvlak of het verharden van minder dan 100 m² buiten het bouwvlak geen omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden nodig is, indien voldaan is aan de voorwaarde dat indien het werken en/of werkzaamheden betreft binnen de aanduiding "Archeologische verwachtingswaarde 2", waarbij de ingrepen groter zijn dan ter plaatse is toegestaan, door middel van archeologisch onderzoek dient te worden aangetoond dat deze archeologische waarden niet worden aangetast.

Ingevolge artikel 3.7.2 betreft het de volgende werkzaamheden op gronden met de aanduiding "Archeologische verwachtingswaarde 2":

(…);

- leidingen leggen, verharden oppervlakte van meer dan 100 m²;

(…).

Ingevolge artikel 31.4.1, aanhef en onder d, is het verboden op of in de gronden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden van het bevoegd gezag een oppervlakte te verharden van meer dan 100 m² ingeval het gaat om ingrepen buiten het bouwvlak en/of ingrepen binnen het bouwvlak daar waar sprake is van onherroepelijke archeologische resten of als het gaat om een cultuurhistorisch waardevol object of monument en/of ingrepen die gelijk of groter zijn dan 100 m² en dieper dan 0,5 m.

2.3. Ter zitting bij de rechtbank heeft [appellant sub 1] zich op het standpunt gesteld dat haar belang is gelegen in het terugdringen van loonwerkactiviteiten op het perceel. De rechtbank is terecht tot het oordeel gekomen dat artikel 3.7, in samenhang gelezen met artikel 3.7.2, en artikel 31.4.1 van de planregels, waarop [appellant sub 1] zich beroept, niet strekken tot de bescherming van haar belangen die zien op het terugdringen van loonwerkactiviteiten op het perceel. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat op

gronden met de bestemming "Agrarisch" zonder omgevingsvergunning verharding mag worden aangelegd. De vraag of ook op gronden met de aanduiding "Archeologische verwachtingswaarde 2" alsmede de dubbelbestemming "Waarde-Archeologie 4" zonder omgevingsvergunning verharding mag worden aangelegd dient te worden beantwoord aan de hand van artikel 3.7 in samenhang gelezen met artikel 3.7.2 en van artikel 31.4.1 van de planregels. De rechtbank heeft terecht overwogen dat die artikelen niet strekken tot de bescherming van de belangen van [appellant sub 1], maar de bescherming van in de grond aanwezige archeologische resten tot doel hebben.

Ter zitting bij de Afdeling heeft [appellant sub 1] zich, onder verwijzing naar het beroepschrift, op het standpunt gesteld dat haar belang ook is gelegen in het behoud van de agrarische functie van het perceel waarop de verharding is aangebracht. Volgens haar staat de verharding op het perceel niet ten dienste van het agrarisch gebruik van het perceel als bedoeld in de doeleindenomschrijving in artikel 3.1, aanhef en onder b, van de planregels. De rechtbank heeft niet onderkend dat deze bepaling wel strekt tot de bescherming van de belangen van [appellant sub 1], namelijk het behoud van de agrarische functie van het perceel, zodat artikel 8:69a van de Awb [appellant sub 1] in zoverre niet kan worden tegengeworpen.

Het betoog slaagt.

3. Nu het bepaalde in artikel 8:69a van de Awb [appellant sub 1] niet kan worden tegengeworpen voor zover het antwoord op de vraag betreft of de aangebrachte verharding in strijd met de doeleindenomschrijving op het perceel aanwezig is, zal de Afdeling alsnog de door [appellant sub 1] bij de rechtbank aangevoerde beroepsgrond beoordelen, nu de rechtbank daaraan niet is toegekomen.

4. [appellant sub 1] betoogt dat het college niet bevoegd was de last onder dwangsom in te trekken omdat de verharding op het perceel in strijd met het bestemmingsplan aanwezig is. Daartoe voert zij aan dat deze verharding niet ten dienste staat van het agrarisch gebruik, als bedoeld in de doeleindenomschrijving in artikel 3.1, eerste lid, aanhef en onder b, van de planregels, van het perceel.

4.1. Het college kan worden gevolgd in zijn ter zitting ingenomen standpunt dat de op het perceel aanwezige verharding ten dienste staat van het agrarisch gebruik van het perceel. Deze verharding is nodig voor het in- en uitrijden van machines uit de op het perceel legaal aanwezige machineberging, welke ten dienste staat van het op het perceel aanwezige akkerbouwbedrijf. [appellant sub 1] heeft niet aannemelijk gemaakt dat de verharding niet ten dienste van het agrarisch gebruik van het perceel staat. Nu de verharding niet in strijd met artikel 3.1, aanhef en onder b, van de planregels op het perceel aanwezig is, was het college bevoegd de bij besluit van 17 augustus 2010 opgelegde last onder dwangsom, voor zover het de verharding betreft, in te trekken.

Het betoog faalt.

5. Het hoger beroep van [appellant sub 1] is gegrond. Nu echter de beslissing van de rechtbank juist is, dient de aangevallen uitspraak, met verbetering van de gronden waarop deze rust, te worden bevestigd.

6. [appellant sub 2] heeft incidenteel hoger beroep ingesteld onder de voorwaarde dat het hoger beroep van [appellant sub 1] gegrond wordt geacht. Blijkens zijn toelichting wil hij hiermee voorkomen dat het besluit van 17 augustus 2010 in hoger beroep alsnog zou worden herroepen. Het hoger beroep van [appellant sub 1] is weliswaar gegrond, maar dat brengt niet met zich dat het besluit van 17 augustus 2010 wordt herroepen. Derhalve wordt niet toegekomen aan een inhoudelijke beoordeling van het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep van [appellant sub 2], zodat dat hoger beroep reeds daarom ongegrond is.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep van [appellant sub 1] en anderen gegrond;

II. bevestigt de aangevallen uitspraak;

III. verklaart het incidenteel hoger beroep van [appellant sub 2] ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.A. Hagen, voorzitter, en mr. R. Uylenburg en mr. D.J.C. van den Broek, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. Fransen, griffier.

w.g. Hagen w.g. Fransen

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 29 oktober 2014

407-776.