Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:3816

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22-10-2014
Datum publicatie
22-10-2014
Zaaknummer
201402517/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2014:1306, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 14 mei 2013 heeft het college een verzoek van [appellant] om nadeelcompensatie afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
OGR-Updates.nl 2014-0250
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201402517/1/A2.

Datum uitspraak: 22 oktober 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Arnhem,

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 27 februari 2014 in zaak nr. 13/6195 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Arnhem.

Procesverloop

Bij besluit van 14 mei 2013 heeft het college een verzoek van [appellant] om nadeelcompensatie afgewezen.

Bij besluit van 5 september 2013 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 27 februari 2014 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 september 2014, waar [appellant], bijgestaan door [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door mr. J. Hindriks, werkzaam bij de gemeente Arnhem, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Verordening nadeelcompensatie Arnhem 2011 kent het college, indien het gemeentebestuur in de rechtmatige uitoefening van zijn publiekrechtelijke bevoegdheid of taak schade veroorzaakt die uitgaat boven het normaal maatschappelijk risico en een benadeelde in vergelijking met anderen onevenredig zwaar treft, de benadeelde op zijn aanvraag een vergoeding toe.

2. [appellant] exploiteert een supermarkt aan de [locatie] te Arnhem. Hij stelt in de periode van oktober 2009 tot juni 2010 een omzetschade van € 3.000,00 te hebben geleden als gevolg van wegwerkzaamheden in verband met de herinrichting van de Klarendalseweg.

3. Aan de afwijzing van het verzoek bij besluit van 14 mei 2013, gehandhaafd bij dat van 5 september 2013, heeft het college ten grondslag gelegd dat de gestelde schade in redelijkheid voor rekening van [appellant] dient te blijven omdat de werkzaamheden tijdig zijn aangekondigd en gefaseerd zijn uitgevoerd, waarbij de winkels, behalve soms voor auto’s, altijd bereikbaar zijn geweest. Daarnaast is de omvang van de schade niet zodanig dat zij boven het normaal maatschappelijk risico uitstijgt. Voorts heeft het college zich op het standpunt gesteld dat het beroep van [appellant] op het gelijkheidsbeginsel niet kan slagen, omdat de collega-ondernemer die volgens [appellant] een schadevergoeding heeft ontvangen zijn schade vergoed heeft gekregen van de aannemer, en niet van het college.

4. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college het verzoek om nadeelcompensatie heeft mogen afwijzen. Volgens [appellant] is de rechtbank voorbij gegaan aan de door hem gestelde bijzondere omstandigheden, op grond waarvan het niet redelijk is de schade voor zijn rekening te laten.

4.1. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling behoort schade ten gevolge van verkeersmaatregelen zoals thans aan de orde, in beginsel tot het normaal maatschappelijk risico of het normaal ondernemersrisico. Daarbij zijn factoren als de duur van de werkzaamheden en het al dan niet volledig onbereikbaar zijn van belang, alsmede met welke frequentie dergelijk onderhoud gepleegd wordt en de aard en omvang van de schade veroorzaakt door die werkzaamheden.

In dit geval zijn de uitgevoerde werkzaamheden als een normale maatschappelijke ontwikkeling aan te merken. Een ondernemer als [appellant] dient er rekening mee te houden dat hij periodiek omzetderving zal lijden doordat de weg waaraan de supermarkt ligt, moet worden onderhouden, vernieuwd of verbeterd. Het college heeft bij brief van 19 december 2008 de herinrichting van de Klarendalseweg en omgeving schriftelijk aangekondigd. Nadien heeft het college bewoners en ondernemers uitgenodigd voor een inloopavond en heeft het hen gaandeweg de werkzaamheden schriftelijk op de hoogte gehouden van de voortgang daarvan. De werkzaamheden hebben niet lang geduurd en zijn gefaseerd uitgevoerd. Gedurende de gehele periode waarin de werkzaamheden plaatsvonden is de winkel van [appellant] voor voetgangers bereikbaar geweest. Met uitzondering van een periode van vijf weken is de winkel ook steeds per auto bereikbaar geweest. Verder doet zich geen boven het normale ondernemersrisico uitstijgend nadeel voor dat leidt tot het oordeel dat [appellant] zodanig zwaar wordt getroffen dat het uit de maatregel voortvloeiende nadeel redelijkerwijs niet ten laste van hem dient te blijven. Daargelaten of het college in redelijkheid een ondergrens van 15% heeft kunnen hanteren, is niet in geschil dat de relatieve omvang van de gestelde schade nog geen 5% bedraagt van de omzet op jaarbasis. Een dergelijk percentage kan niet als bovenmatig worden aangemerkt. Daarbij komt dat [appellant] evenmin de ernst van de als gevolg van de werkzaamheden opgekomen omzetderving heeft aangetoond. Gelet op het voorgaande heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat de schade binnen het normaal ondernemersrisico valt van [appellant]. De stelling van [appellant] dat het college tekort is geschoten in zijn communicatie over de bereikbaarheid van de winkels, doordat het niet met bebording heeft aangegeven dat de winkels bereikbaar bleven, kan - wat daar ook van zij - aan het voorgaande niet afdoen.

Het betoog faalt.

5. [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank heeft miskend dat het college hem op grond van het gelijkheidsbeginsel tegemoet dient te komen in de schade. Daartoe voert [appellant] aan dat een [collega-ondernemer] ten gevolge van de werkzaamheden een schadevergoeding heeft ontvangen.

5.1. Ter zitting is gebleken dat niet in geschil is dat [collega-ondernemer] zijn schade vergoed heeft gekregen van de aannemer die de werkzaamheden uitvoerde. Reeds omdat [appellant] zijn schade vergoed wenst te zien van het college is geen sprake van gelijke gevallen. De rechtbank heeft dan ook terecht en op goede gronden geoordeeld dat een beroep op het gelijkheidsbeginsel niet kan slagen.

Het betoog faalt.

6. Hetgeen [appellant] overigens aanvoert over vervolgschade, immateriële schade en de aanwezigheid van de leden van de bezwaarcommissie bij de hoorzitting in bezwaar, is een herhaling van hetgeen hij in beroep heeft aangevoerd en door de rechtbank gemotiveerd en op goede gronden is verworpen.

7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, voorzitter, en mr. A. Hammerstein en mr. C.M. Wissels, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.H.L. Dallinga, griffier.

w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Dallinga

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 22 oktober 2014

18-799.