Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:381

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-02-2014
Datum publicatie
12-02-2014
Zaaknummer
201201690/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSHE:2011:11144, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 9 november 2010 heeft het college een aanvraag van [appellant] om een tegemoetkoming in planschade afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201201690/1/A2.

Datum uitspraak: 12 februari 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Herpen, gemeente Oss,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 27 december 2011 in zaak nr. 11/1039 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Oss.

Procesverloop

Bij besluit van 9 november 2010 heeft het college een aanvraag van [appellant] om een tegemoetkoming in planschade afgewezen.

Bij besluit van 17 februari 2011 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 27 december 2011 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 november 2012, waar [appellant], in persoon, en het college, vertegenwoordigd door ir. A. Straathof, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is daar [belanghebbende], bijgestaan door mr. A.P. Loo, advocaat te Utrecht, gehoord.

Bij tussenuitspraak van 28 november 2012 in zaak nr. 201201690/1/T1/A2 heeft de Afdeling het college opgedragen om binnen dertien weken na de verzending van deze tussenuitspraak met inachtneming van de overwegingen ervan de gebreken in het besluit van 17 februari 2011 te herstellen en een nieuw besluit te nemen. Deze tussenuitspraak is aangehecht.

Bij besluit van 21 februari 2013 heeft het college [appellant] een tegemoetkoming in planschade van € 10.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 november 2009, toegekend.

Tegen dit besluit heeft [belanghebbende] beroep ingesteld.

[appellant] heeft een zienswijze naar voren gebracht en desgevraagd nadere inlichtingen verstrekt.

Bij tussenuitspraak van 3 juli 2013 in zaak nr. 201201690/1/T2/A2 heeft de Afdeling het college opgedragen om binnen dertien weken na de verzending van deze tussenuitspraak met inachtneming van de overwegingen ervan de gebreken in het besluit van 21 februari 2013 te herstellen en een nieuw besluit te nemen. Deze tussenuitspraak is aangehecht.

Bij besluit van 27 september 2013 heeft het college [appellant] een tegemoetkoming in planschade van € 7.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 november 2009, toegekend.

Tegen dit besluit heeft [belanghebbende] beroep ingesteld.

[appellant] heeft een zienswijze naar voren gebracht.

Met toepassing van artikel 8:57, tweede lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), gelezen in samenhang met artikel 49, eerste en zesde lid, van de Wet op de Raad van State, zoals deze bepaling ten tijde van belang luidde, heeft de Afdeling bepaald dat een tweede onderzoek ter zitting achterwege blijft en dat het onderzoek wordt gesloten.

Overwegingen

1. In de eerste tussenuitspraak is overwogen dat het besluit van 17 februari 2011 niet zorgvuldig is voorbereid en onvoldoende draagkrachtig is gemotiveerd. Uit die tussenuitspraak volgt dat het hoger beroep gegrond is en dat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het door [appellant] tegen het besluit van 17 februari 2011 ingestelde beroep gegrond verklaren en dat besluit, dat in strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Awb is genomen, vernietigen.

2. Het besluit van 21 februari 2013 wordt, gelet op artikel 6:24 van de Awb, gelezen in verbinding met artikel 6:19 van die wet, geacht eveneens voorwerp te zijn van dit geding.

3. [ appellant] heeft in zijn zienswijze over het besluit van 21 februari 2013 te kennen gegeven dat hij zich met dat besluit kan verenigen. Gelet hierop moet het van rechtswege ontstane beroep van [appellant] geacht worden te zijn ingetrokken.

4. In de tweede tussenuitspraak is overwogen dat het besluit van 21 februari 2013 niet zorgvuldig is voorbereid en onvoldoende draagkrachtig is gemotiveerd. Uit die tussenuitspraak volgt dat het door [belanghebbende] tegen dat besluit ingestelde beroep gegrond is en dat dat besluit, dat in strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Awb is genomen, dient te worden vernietigd.

5. Het college heeft naar aanleiding van de tweede tussenuitspraak nader advies aan de Stichting Adviesbureau Onroerende Zaken (hierna: de SAOZ) gevraagd. In een advies van 11 september 2013 heeft de SAOZ gemotiveerd uiteengezet dat de bouw van een gebouw met een winkelruimte en tien appartementen op het ten zuiden en zuidwesten van de woning van [appellant] aan de [locatie] te Herpen (hierna: de woning) gelegen gebied een in de lijn der verwachting liggende normale maatschappelijke ontwikkeling is, dat dat gebouw niet past in de oorspronkelijke stedenbouwkundige structuur van de omgeving van de woning, dat de planologische ontwikkeling op korte afstand van de woning plaatsvindt, dat die ontwikkeling op de peildatum tot een waardedaling van de woning van € 10.000,00, zijnde ongeveer 2,8 procent van de waarde, heeft geleid en dat die schade in absolute en relatieve zin niet gering is. Volgens de SAOZ is in dit geval op grond van het normale maatschappelijke risico naar redelijkheid en billijkheid een korting van 30 procent op het schadebedrag van toepassing.

6. Het college heeft het advies van de SAOZ aan het besluit van 27 september 2013 ten grondslag gelegd. Dat besluit wordt, gelet op artikel 6:24 van de Awb, gelezen in verbinding met artikel 6:19 van die wet, geacht eveneens voorwerp te zijn van dit geding.

7. [ appellant] heeft in zijn zienswijze over het besluit van 27 september 2013 te kennen gegeven dat hij zich met dat besluit kan verenigen. Gelet hierop moet het van rechtswege ontstane beroep van [appellant] geacht worden te zijn ingetrokken.

8. [ belanghebbende] betoogt, met verwijzing naar een planschaderapport van Pasmaat Advies (hierna: Pasmaat) van 30 oktober 2013, dat het college, door het advies van de SAOZ over te nemen, heeft miskend dat de schade geheel binnen het normale maatschappelijke risico, als bedoeld in artikel 6.2, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: de Wro), valt en dat het advies van de SAOZ op meerdere punten onjuist en onvolledig is.

8.1. Dat het oprichten van een gebouw met een winkelruimte en tien appartementen een normale maatschappelijke ontwikkeling is, betekent niet dat, naar in het rapport van Pasmaat is aangevoerd, de gevolgen van die ontwikkeling per definitie onder het normale maatschappelijke risico vallen. [belanghebbende] heeft voorts niet aannemelijk gemaakt dat, naar in het rapport van Pasmaat is gesteld, maar in de zienswijze van [appellant] gemotiveerd is betwist, het advies van de SAOZ ten onrechte berust op de veronderstelling dat gestapelde woningen in meerdere lagen in de omgeving van de woning niet voorkomen en het gebouw niet past in de bestaande stedenbouwkundige structuur van de omgeving van de woning. Dat [appellant], gelet op de onder het oude planologische regime bestaande bebouwingsmogelijkheden, geen relevant nadeel heeft bij het binnen de minimumafstand tot de perceelsgrens oprichten van de muur van de bij het gebouw behorende parkeergarage met dakterras, zoals [belanghebbende] aanvoert, laat onverlet dat de geringe afstand van de planologische ontwikkeling tot de woning van betekenis is voor het antwoord op de vraag of de gestelde schade binnen het normale maatschappelijke risico valt. Anders dan [belanghebbende] ten slotte stelt, is in het advies van de SAOZ niet vermeld dat in dit geval een forfaitaire drempel van twee procent van de waarde van de woning op de peildatum, zijnde € 7.100,00, dient te worden toegepast. Dat de SAOZ een kortingspercentage heeft gehanteerd, brengt derhalve niet met zich dat, zoals [belanghebbende] aanvoert, het advies innerlijk tegenstrijdig is.

Het betoog faalt.

9. [ belanghebbende] betoogt voorts, met verwijzing naar het rapport van Pasmaat, dat het besluit van 27 september 2013 niet berust op een juiste vergelijking van de planologische mogelijkheden van het oude en het nieuwe planologische regime.

9.1. Voor zover [belanghebbende] zich keert tegen overwegingen van de tussenuitspraken, overweegt de Afdeling dat zij, behoudens zeer uitzonderlijke gevallen, niet kan terugkomen van een in de tussenuitspraken gegeven oordeel. Een zeer uitzonderlijk geval is hier niet aan de orde, zodat van het in de tussenuitspraken gegeven oordeel moet worden uitgegaan.

10. Het door [belanghebbende] tegen het besluit van 27 september 2013 ingestelde beroep is ongegrond.

11. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten van [appellant] en [belanghebbende] te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 27 december 2011 in zaak nr. 11/1039;

III. verklaart het door [appellant] bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Oss van 17 februari 2011, kenmerk 411579;

V. verklaart het door [belanghebbende] tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Oss van 21 februari 2013 ingestelde beroep gegrond;

VI. vernietigt dat besluit, kenmerk 473424;

VII. verklaart het door [belanghebbende] tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Oss van 27 september 2013 ingestelde beroep ongegrond;

VIII. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Oss tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 158,19 (zegge: honderdachtenvijftig euro en negentien cent);

IX. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Oss tot vergoeding van bij [belanghebbende] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 487,00 (zegge: vierhonderdzevenentachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

X. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Oss aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 384,00 (zegge: driehonderdvierentachtig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, voorzitter, en mr. J.C. Kranenburg en mr. N.S.J. Koeman, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.J.R. Hazen, ambtenaar van staat.

w.g. Van Altena w.g. Hazen

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 februari 2014

452.