Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:3802

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22-10-2014
Datum publicatie
22-10-2014
Zaaknummer
201401159/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNNE:2013:7099, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

[appellant] heeft op 1 maart 2013 per e-mail een verzoek om informatie ingediend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201401159/1/A3.

Datum uitspraak: 22 oktober 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 4 februari 2014 in zaak nr. 13/1946 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Ooststellingwerf.

Procesverloop

[appellant] heeft op 1 maart 2013 per e-mail een verzoek om informatie ingediend.

Bij e-mailbericht van 12 maart 2013 heeft een communicatieadviseur van de gemeente Ooststellingwerf op het verzoek gereageerd.

Bij besluit van 4 juni 2013 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 4 februari 2014 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 augustus 2014, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. J.M.C. Niederer, en het college, vertegenwoordigd door mr. H.K. Doedens en R.M. van der Veen, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) wordt onder besluit verstaan een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.

Ingevolge artikel 2:15, eerste lid, kan een bericht elektronisch naar een bestuursorgaan worden verzonden voor zover het bestuursorgaan kenbaar heeft gemaakt dat deze weg is geopend. Het bestuursorgaan kan nadere eisen stellen aan het gebruik van de elektronische weg.

Ingevolge artikel 4:5, eerste lid, kan het bestuursorgaan besluiten de aanvraag niet te behandelen, indien de aanvraag geheel of gedeeltelijk is geweigerd op grond van artikel 2:15, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad de aanvraag binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn aan te vullen.

Ingevolge artikel 7:1, eerste lid, dient degene aan wie het recht is toegekend beroep bij een bestuursrechter in te stellen, alvorens beroep in te stellen bezwaar te maken.

Ingevolge artikel 7:3, aanhef en onder a, kan van het horen van belanghebbenden worden afgezien indien het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk is.

Ingevolge artikel 8:4, eerste lid, aanhef en onder a, (thans: artikel 8:4, aanhef en onder k) kan geen beroep worden ingesteld tegen een besluit inhoudende een weigering op grond van artikel 2:15.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: de Wob) kan een ieder een verzoek om informatie neergelegd in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid richten tot een bestuursorgaan of een onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan werkzame instelling, dienst of bedrijf.

2. Op 1 maart 2013 heeft [appellant] per e-mail met een beroep op de Wob om de volgende informatie verzocht.

"1. Documentatie met betrekking tot de manier waarop wordt gecommuniceerd vanuit het bestuursorgaan richting de burger in correspondentie en op andere schriftelijke wijze waarbij een doel is de burger te informeren. 2. Documentatie met betrekking tot aanpassingen in de afgelopen jaren en in de toekomst van de manier waarop wordt gecommuniceerd vanuit het bestuursorgaan richting de burger in correspondentie en op andere schriftelijke wijze waarbij een doel is de burger te informeren."

Op 12 maart 2013 heeft een communicatieadviseur van de gemeente hier per e-mail op gereageerd. Het bericht heeft de volgende inhoud:

"In de eerste plaats wens ik op te merken dat wij geen e-mailberichten (die niet ondertekend zijn) als aanvraag in behandeling nemen. Als bestuursorganen gebruik willen maken van de ‘digitale weg’ van aanvragen dan dient deze weg expliciet te zijn opengesteld. Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Ooststellingwerf heeft deze weg niet opengesteld. (…)

In de tweede plaats kan ik u in het algemeen wel het volgende meedelen. U vraagt naar documenten waaruit blijkt hoe de gemeente Ooststellingwerf met inwoners communiceert. Nu er in nagenoeg iedere beleidsnotitie aandacht wordt geschonken aan communicatie zult u wellicht begrijpen dat uw verzoek weinig gespecificeerd is. Specifieke documenten over taalgebruik, zinsopbouw e.d. kent onze gemeente niet."

3. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het e-mailbericht van 12 maart 2013 niet kan worden aangemerkt als besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb. Daartoe voert hij aan dat met de betreffende mededeling niet is beoogd hem een hersteltermijn te bieden voor het langs reguliere wijze indienen van zijn verzoek, omdat in het bericht geen termijn is gesteld. Nu toepassing van artikel 4:5, eerste lid, van de Awb aldus is uitgebleven, heeft het college volgens [appellant] met de tweede alinea van het e-mailbericht beoogd inhoudelijk op het verzoek te beslissen. Omdat in het bericht wordt gesteld dat de gemeente de gevraagde documenten niet kent, is het beoogde rechtsgevolg de afwijzing van het verzoek, aldus [appellant]. Dat mogelijk het besluit door een onbevoegd persoon is genomen, doet daar volgens hem niet aan af.

Tot slot betoogt [appellant] dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat mocht worden afgezien van het horen, omdat het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk is verklaard. Hij voert daartoe aan dat een situatie als bedoeld in artikel 7:3 van de Awb zich hier niet voordoet, omdat het bezwaar niet-ontvankelijk is verklaard en niet kennelijk niet-ontvankelijk.

3.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 3 december 2008 in zaak nr. 200801696/1), volgt uit artikel 7:1, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 8:4, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb dat tegen een weigering op grond van artikel 2:15 van die wet geen bezwaar en beroep openstaat. Gelet hierop maakt het betoog van [appellant], dat de mededeling dat de elektronische weg niet is opengesteld voor het indienen van op de Wob gebaseerde verzoeken, een besluit is in de zin artikel 1:3, eerste lid, van de Awb, wat daar ook van zij, niet dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college het bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Dat het college [appellant] niet ingevolge artikel 4:5, eerste lid, van de Awb in de gelegenheid heeft gesteld om zijn aanvraag aan te vullen, maakt, anders dan [appellant] betoogt, niet dat door middel van de tweede alinea van de e-mail is beoogd het verzoek om openbaarmaking af te wijzen. De tweede alinea van de e-mail betreft, gelet op de bewoordingen, een mededeling in algemene zin van louter informatieve aard. Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat het college het bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.

Het betoog faalt.

3.2. Van het horen mag met toepassing van artikel 7:3, aanhef en onder a, van de Awb worden afgezien, indien er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is dat het bezwaar niet-ontvankelijk is. Gelet op hetgeen hiervoor onder 3.1 is overwogen, heeft de rechtbank naar het oordeel van de Afdeling met juistheid overwogen dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel mogelijk was dat het bezwaar niet-ontvankelijk was en dat van horen mocht worden afgezien. Dat het college zich op het standpunt heeft gesteld dat het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk was, blijkt uit de omstandigheid dat het artikel 7:3, aanhef en onder a, van de Awb heeft toegepast.

Het betoog faalt.

4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.M.E.A. Neuwahl, griffier.

w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Neuwahl

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 22 oktober 2014

280-819.