Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:3785

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22-10-2014
Datum publicatie
22-10-2014
Zaaknummer
201311250/1/R4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 30 oktober 2013 heeft de raad besloten het ontwerpplan "Woonboulevard, Winschoten" niet vast te stellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201311250/1/R4.

Datum uitspraak: 22 oktober 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellante], gevestigd te [plaats],

en

de raad van de gemeente Oldambt,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 30 oktober 2013 heeft de raad besloten het ontwerpplan "Woonboulevard, Winschoten" niet vast te stellen.

Tegen dit besluit heeft [appellante] beroep ingesteld.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

[appellante] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 september 2014, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. S. Grasboer, advocaat te Alkmaar, vergezeld door A. van Buuren, en de raad, vertegenwoordigd door J.H. Samberg, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Bij het besluit omtrent de vaststelling van een bestemmingsplan komt de raad beleidsvrijheid toe. De Afdeling toetst dit besluit terughoudend. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of de raad in redelijkheid heeft kunnen afzien van de vaststelling van het plan en voorts of bij het nemen van dat besluit anderszins niet is gehandeld in strijd met het recht.

2. [appellante] wenst een woonboulevard met een oppervlakte van 16.000 m2 te realiseren aan de Transportbaan in Winschoten en betoogt dat de raad geen ruimtelijke motieven ten grondslag heeft gelegd aan zijn besluit om het daartoe strekkende ontwerpplan niet vast te stellen. Zij voert hiertoe aan dat de door het gemeentebestuur gestelde eis van totaalontwikkeling van de gehele woonboulevard binnen een periode van twee jaar een kennelijk economisch motief betreft, waarmee de raad eraan voorbij is gegaan dat een bestemmingsplan wordt vastgesteld voor de duur van een periode van in beginsel tien jaar.

Voorts betoogt [appellante] dat het besluit geen blijk geeft van een afweging waarin ook haar belangen zijn betrokken. Zij voert hiertoe aan dat zij in de periode 2002-2012 aanzienlijke investeringen heeft gedaan met het oog op de ontwikkeling van het plangebied. Zo heeft zij diverse onderzoeken laten verrichten en heeft zij op grond van een daartoe verleende vergunning bomen laten kappen. Daarnaast heeft het college van burgemeester en wethouders van Winschoten, thans: Oldambt, bij besluit van 23 februari 2005 al een vrijstelling en bouwvergunning eerste fase verleend voor de door haar gewenste ontwikkeling. Een tegen dit besluit gericht bezwaar is door het college ongegrond verklaard. Het hiertegen gerichte beroep is echter gegrond verklaard, waarbij het besluit op bezwaar is vernietigd. De Afdeling heeft bij uitspraak van 24 juni 2009 in zaak nr. 200806342/1/H1 de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Nu het college geen nieuw besluit op bezwaar heeft genomen, maar een ontwerpplan ter inzage gelegd, mocht zij er gerechtvaardigd op vertrouwen dat de raad met de door haar gewenste ontwikkeling kon instemmen, aldus [appellante]. Daarbij wijst zij erop dat het besluit tot vaststelling steeds op de agenda van de raad heeft gestaan.

2.1. Uit het bestreden besluit in samenhang met het daaraan ten grondslag liggende raadsvoorstel van 20 augustus 2013 volgt dat uit gesprekken tussen het gemeentebestuur en de ontwikkelende partij over de realisatie van het project is gebleken dat de ontwikkelende partij geen garanties heeft willen geven voor de door het gemeentebestuur noodzakelijk geachte totaalontwikkeling van het plangebied. Daarnaast volgt uit het bestreden besluit dat door de economische crisis de centrumfunctie van Winschoten onder druk staat en dat de raad op 26 juni 2013 een programma heeft vastgesteld om de winkelstructuur in het centrum van Winschoten te versterken, onder andere door de detailhandel in het kernwinkelgebied te concentreren.

De raad heeft ter zitting verder toegelicht dat hij de behoefte aan een woonboulevard met een oppervlakte van 16.000 m2 niet acht aangetoond, in welk verband de raad heeft gewezen op de bestaande leegstand van voor detailhandel geschikte gebouwen in het centrum van Winschoten en het ontbreken van concrete interesse, anders dan van Praxis, voor de door [appellante] gewenste ontwikkeling. De ontwikkeling is hierdoor ook niet in overeenstemming met zijn beleid om de winkelstructuur in het centrum van Winschoten te versterken, aldus de raad.

De raad heeft, anders dan [appellante] betoogt, hiermee ruimtelijk relevante motieven ten grondslag gelegd aan zijn besluit om het ontwerpplan niet vast te stellen. De door [appellante] onder verwijzing naar jurisprudentie van de Afdeling gestelde omstandigheid dat de ontwikkeling financieel uitvoerbaar is, doet, wat er ook zij van de financiële uitvoerbaarheid van die ontwikkeling, er niet aan af dat de raad om andere redenen heeft kunnen besluiten het ontwerpplan niet vast te stellen. De overige door [appellante] ter zitting genoemde jurisprudentie van de Afdeling betrof gevallen waarin, anders dan in de onderhavige zaak, het besluit niet deugdelijk was gemotiveerd.

Gelet op de beleidsvrijheid die de raad toekomt bij het besluit om al dan niet een bestemmingsplan vast te stellen, geeft het aangevoerde voorts geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid een zwaarder gewicht heeft kunnen toekennen aan de belangen die zijn gemoeid met de versterking van de detailhandel in het kernwinkelgebied dan aan het belang van [appellante] bij de door haar gewenste ontwikkeling van een woonboulevard. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat de raad bij zijn besluit het plan niet vast te stellen geen doorslaggevend gewicht heeft hoeven toekennen aan de kosten die [appellante] stelt ten behoeve van de ontwikkeling te hebben gemaakt. Dat in 2005 een - nog niet onherroepelijke - vrijstelling en bouwvergunning eerste fase zijn verleend voor de door [appellante] gewenste ontwikkeling, is voorts weliswaar een omstandigheid die de raad bij de besluitvorming over het plan in zijn overwegingen dient te betrekken, maar naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad dat in dit geval gedaan en kan niet worden gezegd dat de raad daaraan in redelijkheid doorslaggevend gewicht had moeten toekennen. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in haar uitspraak van 23 juni 2010 in zaak nr. 200906477/1/R1, kan verder de terinzagelegging van een ontwerpplan niet het gerechtvaardigd vertrouwen doen ontstaan dat de raad dit dienovereenkomstig zal vaststellen.

3. Het beroep is ongegrond.

4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. W.D.M. van Diepenbeek, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W. van Steenbergen, griffier.

w.g. Van Diepenbeek w.g. Van Steenbergen

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 22 oktober 2014

528-745.