Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:3766

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22-10-2014
Datum publicatie
22-10-2014
Zaaknummer
201308403/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 4 juli 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Oude Stad" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Wet ruimtelijke ordening
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2015/105
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201308403/1/R1.

Datum uitspraak: 22 oktober 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te [woonplaats],

2. [appellante sub 2], gevestigd te Haarlem, waarvan de vennoten zijn [vennoot A] en [vennoot B], beiden wonend te Haarlem,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid LCG Real Estate 15 B.V., gevestigd te Vught, en andere,

4. de vereniging Vereniging van Eigenaren Nassaulaan 68, gevestigd te Heemstede,

en

de raad van de gemeente Haarlem,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 4 juli 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Oude Stad" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1], [appellante sub 2], LCG Real Estate 15 en andere en de vereniging, beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 augustus 2014, waar [appellant sub 1], bijgestaan door mr. P.I.M. Houniet, werkzaam bij DAS Rechtsbijstand, [appellante sub 2], vertegenwoordigd door mr. M.A. de Boer, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand, LCG Real Estate 15 en andere, vertegenwoordigd door mr. R.J.G. Bäcker en mr. A.J.G. Vegt, beiden advocaat te Rotterdam, en de raad, vertegenwoordigd door K. Glas en R.T. Tjerkstra, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

Toetsingskader

1. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het plan

2. Het plan voorziet in een actueel juridisch planologisch kader voor het deel van de binnenstad van Haarlem dat aan de westzijde wordt begrensd door het water van de Leidsevaart/Kinderhuissingel, aan de noordzijde door de Nieuwe Gracht, aan de oostzijde door de Jansstraat, Klokhuisplein, Damstraat, het water Spaarne en aan de zuidzijde door de Gedempte Oude Gracht, Verwulft, Botermarkt, Barrevoetestraat, Keizerstraat en Prins Hendrikstraat.

Het beroep van [appellant sub 1]

3. Het beroep van [appellant sub 1] is gericht tegen het plandeel met de bestemming "Gemengd - 2" voor het perceel [locatie 1], voor zover niet de functieaanduiding "horeca van categorie 2" is toegekend.

3.1. Vaststaat dat [appellant sub 1] bij brief van 14 mei 2013 aan de raad heeft verzocht de in het ontwerpplan toegekende functieaanduiding "horeca van categorie 5" te wijzigen in "horeca van categorie 1". Vaststaat voorts dat de raad hieraan gehoor heeft gegeven, zodat het plan overeenkomstig het schriftelijke verzoek van [appellant sub 1] gewijzigd is vastgesteld. Het voorgaande in aanmerking genomen is de Afdeling van oordeel dat de raad in redelijkheid de functieaanduiding "horeca van categorie 1" heeft kunnen toekennen. Ter zitting heeft [appellant sub 1] toegelicht dat hij thans wenst dat de functieaanduiding "horeca van categorie 2" wordt toegekend, omdat na de vaststelling van het plan is gebleken dat het pand op zijn perceel moeilijk verhuurbaar is door toekenning van de functieaanduiding "horeca van categorie 1". Dit betreft evenwel een omstandigheid van na de datum van het bestreden besluit die reeds hierom de rechtmatigheid van het besluit niet kan aantasten.

3.2. Het beroep van [appellant sub 1] is ongegrond.

Het beroep van LCG Real Estate 15 en andere

4. LCG Real Estate 15 en andere richten zich tegen het plandeel met de bestemming "Centrum - 1" voor de percelen Barteljorisstraat 35 en Brinkmannpassage 101 (hierna: Brinkmannpassage) waar een maximale bouwhoogte geldt van 20 m. Zij betogen dat ten onrechte geen wijzigingsbevoegdheid is opgenomen voor de verhoging van de maximale bouwhoogte tot 37 m. Zij stellen dat dit noodzakelijk is voor de verwezenlijking van hun bouwplan voor woningen en/of een hotel. Volgens LCG Real Estate 15 en andere is sprake van een concreet bouwplan waarover enkel nog privaatrechtelijke overeenstemming moet worden bereikt. Volgens hen valt, gelet hierop, niet in te zien dat de door haar gewenste wijzigingsbevoegdheid niet kan worden opgenomen.

4.1. Vaststaat dat in de periode voorafgaand aan de vaststelling van het plan overleg is gevoerd tussen LCG Real Estate 15 en andere en de gemeente over de mogelijkheden voor herontwikkeling van de Brinkmannpassage. De raad heeft ter zitting toegelicht dat dit overleg niet heeft geleid tot een voldoende concreet bouwplan dat in het kader van het voorliggende bestemmingsplan op de haalbaarheid ervan kon worden beoordeeld. Hij heeft ter zitting verklaard dat de door LCG Real Estate 15 en andere gewenste ontwikkeling ook nog onvoldoende concreet was om daarin te voorzien door een wijzigingsbevoegdheid. De raad heeft in dit verband toegelicht dat hij een vergaande mate van concreetheid van een bouwplan voor deze locatie noodzakelijk acht, omdat de herontwikkeling van de bebouwing in de Brinkmannpassage van grote invloed zal zijn op de uitstraling van het historische hart van Haarlem. Ter zitting is vast komen te staan dat LCG Real Estate 15 en anderen ten tijde van de voorbereiding van het plan niet een concreet plan hebben overgelegd van het door hen gewenste bouwinitiatief. Gelet op het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat er een onvoldoende concreet plan was voor de herontwikkeling van de Brinkmannpassage ten tijde van de besluitvorming over het bestemmingsplan, zodat de ruimtelijke aanvaardbaarheid van de verzochte wijzigingsbevoegdheid ook nog niet kon worden beoordeeld. De raad hoefde aldus met het voornemen van LCG Real Estate 15 en andere geen rekening te houden. Het betoog faalt.

5. LCG Real Estate 15 en andere betogen dat artikel 22, lid 22.4, onder 1, sub a, kopje "samenvoegen (parcellering)", van de planregels behorend bij de dubbelbestemming "Waarde - beschermd stadsgezicht", op verschillende manieren kan worden uitgelegd. Zij achten niet duidelijk of de drie laatstgenoemde voorwaarden in dit artikel enkel betrekking hebben op gronden met een andere bestemming dan de bestemmingen "Centrum 1", "Centrum 2" en "Centrum 3" of dat deze ook betrekking hebben op gronden met een centrumbestemming. Verder is volgens hen niet duidelijk wat wordt bedoeld met de voorwaarde dat de samenvoeging omkeerbaar moet zijn.

5.1. Ingevolge artikel 22, lid 22.1, van de planregels zijn de voor "Waarde - beschermd stadsgezicht" aangewezen gronden, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud, herstel en de uitbouw van de in de toelichting aangegeven cultuurhistorische en ruimtelijke waarden van het gebied en zijn bebouwing.

Ingevolge lid 22.2, aanhef en onder c, geldt voor bouwwerken, in aanvulling op het bepaalde bij de andere daar voorkomende bestemming(en), de regel dat gebouwen niet mogen worden samengevoegd.

Ingevolge lid 22.4, onder 1, sub a, kopje "samenvoegen (parcellering)" kan het bevoegd gezag met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 22.2, aanhef en onder c, en toestaan dat gebouwen worden samengevoegd, mits:

- het de bestemmingen "Centrum - 1", "Centrum - 2" en "Centrum - 3" betreft;

- bij de overige bestemmingen niet meer dan twee gebouwen worden samengevoegd, waarbij de totale voorgevelbreedte van twee gebouwen maximaal 15 m is;

- de individuele voorgevels van de gebouwen intact blijven;

- de samenvoeging omkeerbaar is;

- door het samenvoegen van de gebouwen het aantal opgangen naar bovenwoningen niet afneemt.

5.2. De Afdeling is van oordeel dat duidelijk is dat de drie laatstgenoemde voorwaarden in artikel 22, lid 22.4, onder 1, sub a, kopje "samenvoegen (parcellering)", van de planregels, ook van toepassing zijn op gronden met de bestemming "Centrum - 1", "Centrum - 2" en "Centrum - 3". Dit betoog faalt.

Voorts heeft de raad ter zitting toegelicht dat met de voorwaarde dat een samenvoeging omkeerbaar is een beperkte ingreep wordt bedoeld die relatief eenvoudig kan worden hersteld, hetgeen bijvoorbeeld niet het geval is indien een bouwhistorische muur wordt gesloopt. De Afdeling acht niet aannemelijk dat deze bepaling tot onduidelijkheden zal leiden. Het betoog faalt.

6. Het beroep van LCG Real Estate 15 en andere is ongegrond.

Het beroep van [appellante sub 2]

7. [appellante sub 2] is gevestigd aan de [locatie 2]. Zij richt zich tegen het plandeel met de bestemming "Gemengd - 1" voor het perceel Spaarne 106, voor zover het gedeelte van de bebouwing aan de zijde van de Gravinnesteeg kan worden gebruikt als methadonuitgiftepunt met een gebruikersruimte voor harddrugsverslaafden. Zij betoogt dat dit leidt tot een aantasting van het ondernemersklimaat.

7.1. Blijkens de verbeelding is aan het perceel Spaarne 106 de bestemming "Gemengd - 1" met de aanduiding "maatschappelijk" toegekend.

Ingevolge artikel 8, lid 8.1, aanhef en onder i, van de planregels zijn de voor "Gemengd - 1" aangewezen gronden ter plaatse van de aanduiding "maatschappelijk" tevens bestemd voor maatschappelijk overeenkomstig artikel 14, lid 14.1, onder a en b, van de planregels.

Ingevolge lid 8.3, aanhef en onder c, geldt met betrekking tot het gebruik naast de algemene gebruiksregels genoemd in artikel 24 de regel dat uitsluitend ter plaatse van Spaarne 106 een methadonuitgiftepunt en een gebruikersruimte zijn toegestaan.

Ingevolge artikel 14, lid 14.1, aanhef en onder a, zijn de voor "Maatschappelijk" aangewezen gronden bestemd voor bibliotheek, buitenschoolse opvang, educatieve voorzieningen, gezondheidszorg, levensbeschouwelijke voorzieningen, openbare dienstverlening, (para)medische voorzieningen, peuterspeelzaalwerk, praktijkruimte, welzijnsinstelling en woonzorgvoorzieningen;

7.2. Vast is komen te staan dat de toegekende bestemming vergelijkbaar is met de bestemming in het vorige plan en dat deze met zich brengt dat de bebouwing aan het Spaarne 106, inclusief het gedeelte aan de zijde van de Gravinnesteeg, overeenkomstig de bestaande situatie als een gebruikersruimte en methadonuitgiftepunt in gebruik mag zijn. Met betrekking tot legaal gebruik staat voorop dat dit in beginsel, gelet op de rechtszekerheid, als zodanig dient te worden bestemd. Dit uitgangspunt kan onder meer uitzondering vinden indien een dienovereenkomstige bestemming op basis van nieuwe inzichten niet langer in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening en het belang bij de beoogde nieuwe bestemming zwaarder weegt dan de gevestigde rechten en belangen. De raad stelt zich op het standpunt dat hiervan geen sprake is en dat hij het bestaand gebruik derhalve als zodanig heeft kunnen bestemmen. De Afdeling acht dit niet onredelijk. Hierbij wordt in aanmerking genomen de toelichting van de raad dat de overlast voor het ondernemersklimaat beperkt is, omdat de gebruikersruimte niet ’s avonds geopend is.

8. [appellante sub 2] betoogt dat het perceel [locatie 3] ten onrechte niet is opgenomen in bijlage 3 "Milieuzonering bedrijfsactiviteiten Oude Stad", behorend bij de plantoelichting.

8.1. De raad stelt dat het perceel [locatie 3] niet in bijlage 3 is genoemd, omdat daarin alleen bestaande bedrijven zijn opgenomen. Hij stelt dat de uitbreiding van [appellante sub 2] die is voorzien aan de [locatie 3] op grond van de planregels mogelijk is, maar nog niet is gerealiseerd. Gelet hierop heeft hij dit perceel niet opgenomen in bijlage 3.

8.2. De Afdeling overweegt dat de plantoelichting, inclusief bijlagen, geen juridisch bindend onderdeel is van het bestemmingsplan. Het betoog van [appellante sub 2] - wat daar ook van zij - faalt reeds hierom.

9. Het beroep van [appellante sub 2] is ongegrond.

Het beroep van de vereniging

10. De vereniging richt zich tegen het plandeel met de bestemming "Wonen" voor de gronden in het binnengebied tussen de woningen aan de Nassaulaan en de bestaande bebouwing aan de Lange Margarethastraat 34, voor zover een woning met een dakopbouw mogelijk wordt gemaakt. Zij betoogt dat het woon- en leefklimaat van de bewoners aan de Nassaulaan 68 hierdoor verslechtert. De vereniging acht de voorziene woning ook in strijd met de richtlijnen in de nota "Nota Ruimtelijke kwaliteit" en de daarin als bijlage opgenomen nota "Nota dak" van de gemeente Haarlem. Zij betoogt dat ten onrechte geen rekening is gehouden met het door haar voorgestelde alternatieve bouwplan van laagbouw met een daktuin. Zij stelt dat zowel omwonenden als de initiatiefnemer zich met dit alternatief zouden kunnen verenigen.

10.1. Blijkens de verbeelding is aan de gronden de bestemming "Wonen" met de dubbelbestemming "Waarde - Beschermd stadsgezicht" en de aanduiding "maximum goothoogte 4 m" toegekend.

Ingevolge artikel 20, lid 20.2, van de planregels gelden voor bouwwerken de bouwregels zoals aangegeven in artikel 22.

Ingevolge artikel 22, lid 22.2, aanhef en onder i, geldt voor bouwwerken de regel dat ter plaatse van de aanduiding "maximale goothoogte" binnen de aangegeven goothoogte dient te worden gebouwd.

Ingevolge die aanhef en onder p, mag ter plaatse van nieuwbouw uitsluitend boven de maximale goothoogte worden gebouwd binnen de contouren van een kap waarvan:

1. de maximale hoogte 4 m bedraagt, verticaal gemeten vanaf de maximale goothoogte, tenzij op de verbeelding anders staat aangegeven;

2. de dakhelling niet minder bedraagt dan 45 en niet meer dan 70 graden. Bij een samengestelde kap dient de dakhelling van de bovenste dakvlakken minimaal 20 graden te bedragen.

10.2. De raad heeft ter zitting toegelicht dat het woon- en leefklimaat van de bewoners aan de Nassaulaan 68 per saldo zal verbeteren als gevolg van het plan. In dit verband wijst hij erop dat een loodgietersbedrijf aanwezig was op de locatie waar thans een woning is voorzien. De bouw van de woning brengt met zich dat veel van de voormalige bebouwing in het binnengebied verdwijnt, aldus de raad. De Afdeling overweegt dat de vereniging niet aannemelijk heeft gemaakt dat dit onjuist is.

Voorts wordt overwogen dat de raad zich terecht op het standpunt stelt dat de realisering van een woning niet in strijd is met de richtlijnen in de nota "Nota Ruimtelijke kwaliteit" en de daarin als bijlage opgenomen nota "Nota dak" van de gemeente Haarlem. Met betrekking tot het betoog dat geen rekening is gehouden met het door de vereniging voorgestelde alternatieve bouwplan van laagbouw met een daktuin, wordt overwogen dat het bestemmingsplan een dergelijk bouwplan niet onmogelijk maakt.

De betogen falen.

10.3. Het beroep van de verenging is ongegrond.

Proceskosten

11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, voorzitter, en mr. J.C. Kranenburg en mr. N.S.J. Koeman, leden, in tegenwoordigheid van mr. M. Priem, griffier.

w.g. Van Buuren w.g. Priem

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 22 oktober 2014

646.