Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:3760

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22-10-2014
Datum publicatie
22-10-2014
Zaaknummer
201307552/1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 11 juni 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Drachten Drachtstervaart" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Wet ruimtelijke ordening
Wet kinderopvang
Besluit brandveilig gebruik bouwwerken
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2015/90
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201307552/1/R3.

Datum uitspraak: 22 oktober 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellanten sub 1], beiden wonend te [woonplaats], gemeente Smallingerland,

2. [appellant sub 2], wonend te [woonplaats], gemeente Smallingerland,

en

de raad van de gemeente Smallingerland,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 11 juni 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Drachten Drachtstervaart" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellanten sub 1] en [appellant sub 2] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 juni 2014, waar [appellanten sub 1], [appellant sub 2], vertegenwoordigd door mr. E.F.J.A.M. de Wit, en de raad, vertegenwoordigd door W. Dijkstra en mr. E. Ridder, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

2. [appellanten sub 1] richten hun beroep tegen het plandeel met de bestemming "Wonen - 1" op het perceel [locatie a] en de hierop mogelijke gemaakte woning. [appellanten sub 1] wonen op een afstand van ongeveer 150 meter van het perceel. Vanuit hun woning aan de [locatie b] hebben zij geen zicht op het betrokken perceel. Mede gelet op de aard en omvang van de ruimtelijke ontwikkeling die op het door [appellanten sub 1] bestreden plandeel mogelijk wordt gemaakt, is deze afstand naar het oordeel van de Afdeling te groot om een rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken belang te kunnen aannemen.

Voorts hebben [appellanten sub 1] geen feiten of omstandigheden aangevoerd in verband waarmee zou moeten worden geoordeeld dat ondanks deze afstand een objectief en persoonlijk belang van hen rechtstreeks door het besluit zou worden geraakt.

De conclusie is dat [appellanten sub 1] geen belanghebbenden zijn bij het bestreden besluit als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) en dat zij daartegen ingevolge artikel 8:1 van de Awb, in samenhang gelezen met artikel 8:6 van de Awb en artikel 2 van bijlage 2 bij de Awb, geen beroep kunnen instellen. Het beroep is niet-ontvankelijk.

3. Het beroep van [appellant sub 2] heeft betrekking op de gebruiksmogelijkheden van zijn perceel [locatie c] te [plaats] met de bestemming "Wonen - 1" en de aanduiding "specifieke vorm van maatschappelijk - kinderopvang". Hij voert aan dat het aantal kinderen in de kinderopvang op dit perceel ten onrechte wordt beperkt tot maximaal zes, terwijl hij het aantal opvangplaatsen wenst uit te breiden tot twaalf. Hij wijst erop dat in het voorontwerpplan een dergelijke beperking niet was opgenomen. Voorts stelt hij dat het gemeentebestuur eerder een gebruiksvergunning heeft verstrekt ten behoeve van het exploiteren van een kinderopvang van maximaal veertien kinderen en dat hij met het oog hierop de praktijkruimte op zijn perceel heeft uitgebreid. De raad heeft volgens hem ten onrechte niet de hiermee gewekte verwachten gehonoreerd. Verder betwist [appellant sub 2] het standpunt van de raad dat een kinderopvang met twaalf kinderen een bedrijfsmatig karakter heeft. Daarnaast zal de kinderopvang ook niet leiden tot een onevenredige hinder voor omwonenden. Voorts betoogt [appellant sub 2] dat het plan is vastgesteld in strijd met het gelijkheidsbeginsel, nu aan het perceel [locatie d], waar eveneens een kinderopvang is gevestigd, de bestemming "Maatschappelijk" is toegekend.

3.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het huidige gebruik van het perceel voor de opvang van maximaal zes kinderen aansluit op het gebruik van de eigen woning als gastouderopvang en dat dit gebruik past binnen een woonomgeving. Bij een opvang van meer dan zes kinderen wordt de exploitatie afhankelijk van medewerkers dan wel beroepskrachten in de zin van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen, waardoor de kinderopvang volgens hem een bedrijfsmatig karakter krijgt. Een dergelijke kinderopvang acht de raad niet passend in een woonomgeving, omdat deze onevenredig afbreuk zou doen aan de woon- en leefomgeving.

3.2. Het perceel [locatie c] heeft de bestemming "Wonen - 1". Verder is aan dit perceel de aanduiding "specifieke vorm van maatschappelijk - kinderopvang" toegekend.

Ingevolge artikel 9, lid 9.1, aanhef en onder b, van de planregels zijn de voor "Wonen - 1" aangewezen gronden bestemd voor wonen in combinatie met kinderopvang, ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van maatschappelijk - kinderopvang".

Ingevolge lid 9.4, aanhef en onder b, wordt tot een gebruik, strijdig met deze bestemming, in ieder geval gerekend het gebruik van de gronden en bouwwerken voor kinderopvangvoorzieningen, behalve ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van maatschappelijk - kinderopvang", in welk geval de volgende voorwaarden gelden:

1. de bedrijfsvloeroppervlakte mag niet meer dan 30% bedragen van de totale gezamenlijke begane grondvloeroppervlakte van de bebouwing op het perceel, met een maximum van 50 m²;

2. het aantal kinderen dat opgevangen wordt is ten hoogste 6;

3. de woonfunctie moet als zelfstandige functie gehandhaafd blijven;

4. de uitstraling van het hoofdgebouw als woonhuis blijft behouden;

5. er dienen 2 parkeerplaatsen op eigen erf aanwezig te zijn.

3.3. De Afdeling overweegt dat een voorontwerp van een bestemmingsplan een ambtelijk stuk is waaraan de raad niet is gebonden. Overigens blijkt uit de stukken dat in het voorontwerp van het voorliggende plan aan het perceel van [appellant sub 2] abusievelijk de bestemming "Maatschappelijk" was toegekend.

Voorts geldt krachtens de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen dat bij een kinderopvang van twaalf kinderen tenminste twee beroepsmatig geschoolde arbeidskrachten zijn vereist. In verband hiermee heeft de door [appellant sub 2] gewenste kinderopvang volgens de raad een bedrijfsmatig karakter, dat hij niet passend acht in een woonomgeving. De Afdeling acht dit standpunt niet onredelijk. Daarnaast kan worden aangenomen dat de door [appellant sub 2] gewenste uitbreiding van de kinderopvang ertoe leidt dat de intensiteit van het verkeer in de omgeving van het perceel zal toenemen. Zoals de Afdeling in haar uitspraak van 25 juni 2014 in zaak nr. 201309570/1/A4 heeft overwogen over de door het college van burgemeester en wethouders geweigerde omgevingsvergunning voor de uitbreiding van de kinderopvang, is op voorhand niet uitgesloten dat deze verkeerstoename zodanig zal zijn dat deze niet meer passend is in een woonomgeving en kan leiden tot hinder voor omwonenden. Verder is de eerder verleende gebruiksvergunning voor de kinderopvang verleend op grond van het Besluit brandveilig gebruik bouwwerken. In de omstandigheid dat deze gebruiksvergunning een uitbreiding van het aantal kinderen in het pand toestaat behoefde de raad geen aanleiding te zien om ook planologisch een groter aantal kinderen dan maximaal zes toe te staan. Het betoog faalt.

3.4. Het perceel [locatie d] te [plaats] maakt deel uit van het plangebied van het bestemmingsplan "Centrum Drachten". Aan het perceel is de bestemming "Maatschappelijk - 1" toegekend. Anders dan [appellant sub 2] stelt is ingevolge artikel 8, lid 8.1, onder d, van de planregels van dat plan kinderopvang niet toegestaan binnen deze bestemming. Gelet hierop ziet de Afdeling in hetgeen [appellant sub 2] heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de regeling in het voorliggende plan voor het perceel [locatie c] is vastgesteld in strijd met het gelijkheidsbeginsel. Het betoog faalt.

3.5. Gelet op het vorenstaande heeft de raad in redelijkheid het aantal kinderen dat op het perceel van [appellant sub 2] mag worden opgevangen, kunnen beperken tot maximaal zes. Het beroep van [appellant sub 2] is ongegrond.

4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep van [appellanten sub 1] niet-ontvankelijk;

II. verklaart het beroep van [appellant sub 2] ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. B.J. van Ettekoven, voorzitter, en drs. W.J. Deetman en mr. R.J.J.M. Pans, leden, in tegenwoordigheid van mr. F.W.M. Kooijman, griffier.

w.g. Van Ettekoven w.g. Kooijman

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 22 oktober 2014

177-656.