Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:3758

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22-10-2014
Datum publicatie
22-10-2014
Zaaknummer
201302234/1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 18 december 2012 heeft de raad het bestemmingsplan "Heusden Buitengebied" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Wet ruimtelijke ordening
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2015/6502
JBO 2014/220 met annotatie van D. van der Meijden
JOM 2014/1082
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201302234/1/R3.

Datum uitspraak: 22 oktober 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. de vereniging Natuur- en Milieuvereniging gemeente Heusden, gevestigd te Heusden,

2. [appellant sub 2], wonend te Haarsteeg, gemeente Heusden,

3. [appellant sub 3], wonend te Drunen, gemeente Heusden,

4. [appellant sub 4], wonend te Haarsteeg, gemeente Heusden, en anderen,

5. [appellant sub 5], wonend te Heusden,

6. [appellant sub 6], wonend te Heusden, en anderen,

7. [appellant sub 7a] en [appellante sub 7b], beiden wonend te Haarsteeg, gemeente Heusden,

8. de vereniging Zuidelijke Land- en Tuinbouworganisatie, afdeling Oostelijke Langstraat (hierna: de ZLTO), gevestigd te Haarsteeg, gemeente Heusden,

9. [appellant sub 9], waarvan de vennoten zijn [vennoot A] en [vennoot B], gevestigd te Elshout, gemeente Heusden,

10. [appellant sub 10], wonend te Vlijmen, gemeente Heusden,

11. [appellante sub 11], gevestigd te Haaren, en andere (hierna: [appellante sub 11] en andere),

12. [appellant sub 12], wonend te Elshout, gemeente Heusden,

13. het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,

14. [appellant sub 14], wonend te Drunen, gemeente Heusden,

15. [appellant sub 15a] en [appellant sub 15b] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 15]), wonend te Hedikhuizen, gemeente Heusden,

16. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Plantenkwekerij Brabant Plant B.V., gevestigd te Haarsteeg, gemeente Heusden,

17. [appellant sub 17], wonend te Wijk en Aalburg, gemeente Aalburg,

18. [appellant sub 18a] en [appellant sub 18b] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 18]), wonend te Drunen, gemeente Heusden,

19. [appellant sub 19], wonend te Haarsteeg, gemeente Heusden,

20. [appellante sub 20], gevestigd te Vlijmen, gemeente Heusden,

21. [appellant sub 21], wonend te Drunen, gemeente Heusden,

22. [appellant sub 22], wonend te Drunen, gemeente Heusden,

23. [appellant sub 23], wonend te Nieuwkuijk, gemeente Heusden,

24. [appellant sub 24], wonend te Vlijmen, gemeente Heusden,

en

de raad van de gemeente Heusden,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 18 december 2012 heeft de raad het bestemmingsplan "Heusden Buitengebied" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben onder meer de op het voorblad genoemde appellanten beroep ingesteld. Ook is beroep ingesteld door [appellant sub 25].

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

Een aantal partijen heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 en 3 juni 2014, waar het merendeel van de appellanten, een aantal bijgestaan door een raadsman, is verschenen of zich heeft doen vertegenwoordigen. Ook de raad heeft zich doen vertegenwoordigen. Voorts zijn verscheidene belanghebbenden gehoord die op grond van artikel 8:26 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) tot het geding zijn toegelaten.

Met instemming van de betrokken partijen zijn ter zitting nog stukken in het geding gebracht.

De Afdeling heeft op de zitting van 2 en 3 juni 2014 tevens het beroep van [appellant sub 25] behandeld. Na de zitting is dit beroep afgesplitst van de behandeling van de overige beroepen. De behandeling ervan wordt voortgezet onder nr. 201302234/3/R3.

Overwegingen

1. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep van de Natuur- en Milieuvereniging

2. Ter zitting en na de zitting heeft de Natuur- en Milieuvereniging de beroepsgronden over de bescherming van extensiveringsgebieden, de agrarische bedrijfsvorm van de biologische varkenshouderij aan de Oosterseweg 15 te Elshout, de uitbreidingsmogelijkheden van bouwvlakken van grondgebonden agrarische bedrijven tot een oppervlakte van 2,5 ha, de erfbeplantingsplannen en de gesloten overeenkomsten in het kader van de kwaliteitsverbetering van het landschap voor een aantal nader genoemde percelen, en de sloop van overtollige bebouwing bij het toekennen van een woonbestemming aan een voormalige agrarische bedrijfswoning ingetrokken.

Natuur- en landschapswaarden

3. De Natuur- en Milieuvereniging betoogt dat naast de als "Natuur" of "Bos" bestemde gebieden in het plan andere gebieden voorkomen met natuur- en landschapswaarden waaraan in het plan onvoldoende bescherming wordt geboden. Hiermee wordt met name gedoeld op de bestaande houtwallen en de slagen- of coulisselandschappen. De aanduiding "groenblauwe mantel" beschermt alleen provinciale belangen en de Flora- en faunawet (hierna: Ffw) beschermt alleen beschermde dieren- en plantensoorten. Ten onrechte zijn deze natuur- en landschapswaarden niet zoals in het voorheen geldende planologisch regime beschermd met een agrarische bestemming met waarden.

De Natuur- en Milieuvereniging betoogt voorts dat de houtwallen met beschermde flora en fauna onvoldoende in het plan zijn beschermd. Het is niet duidelijk welk beschermingsregime voor deze beschermde soorten geldt. De constatering in het milieueffectrapport voor plannen (hierna: plan-MER) dat het plan licht negatieve of negatieve effecten heeft op beschermde soorten heeft ten onrechte niet tot voldoende aanpassing van de planregels geleid.

3.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de natuur- en landschapswaarden in dit plan voldoende worden beschermd. Een grotere verscheidenheid aan agrarische bestemmingen wordt niet noodzakelijk geacht, nu deze waarden door middel van aanduidingen worden beschermd. Voorts is bij alle flexibiliteitsbepalingen opgenomen dat er sprake dient te zijn van een kwaliteitsverbetering van het landschap.

3.2. Vast staat dat aan een groot gedeelte van het plangebied de aanduiding "zoekgebied voor ecologische verbindingszones", "attentiegebied ecologische hoofdstructuur" (hierna: attentiegebied EHS), "ecologische hoofdstructuur", of "groenblauwe mantel" dan wel een combinatie daarvan is toegekend. In de planregels is een aantal bepalingen opgenomen die beogen deze waarden op gronden met de bestemming "Agrarisch" of "Agrarisch - Glastuinbouw" en deze aanduidingen te beschermen. Eerst ter zitting heeft de Natuur- en Milieuvereniging toegelicht dat met name aan de bestaande houtwallen en de slagen- of coulisselandschappen meer bescherming dient toe te komen. De Natuur- en Milieuvereniging heeft niet aannemelijk gemaakt dat door middel van voormelde aanduidingen in het plan minder bescherming toekomt aan deze natuur- en landschapswaarden dan onder het voorheen geldende planologische regime. Voorts heeft de Natuur- en Milieuvereniging niet kunnen concretiseren aan welke houtwallen en slagen- of coulisselandschappen geen enkele aanduiding is toegekend en dus geen bescherming in het plan wordt geboden. In hetgeen de Natuur- en Milieuvereniging heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding om te oordelen dat voor gronden met bestaande houtwallen en slagen- en coulisselandschappen een agrarische bestemming met waarden in dit plan had moeten worden opgenomen. Het betoog faalt.

3.3. Wat betreft het betoog dat de houtwallen met beschermde flora en fauna onvoldoende zijn beschermd, overweegt de Afdeling dat het beschermingsregime voor beschermde dieren- en plantensoorten is neergelegd in de Ffw. De vragen of voor de uitvoering van het bestemmingsplan een vrijstelling geldt dan wel een ontheffing op grond van de Ffw nodig is en zo ja, of deze ontheffing kan worden verleend, komen in beginsel pas aan de orde in een procedure op grond van de Ffw. Dat doet er niet aan af dat de raad het plan niet heeft kunnen vaststellen, indien en voor zover hij op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat de Ffw aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.

In de paragrafen 8.1.2 tot en met 8.1.4 en 8.11 van het plan-MER zijn de gevolgen van het plan voor beschermde soorten onderzocht. Hieruit volgt dat bij de alternatieven "realistisch alternatief" en "realistisch alternatief intensivering en schaalvergroting" de effecten worden beoordeeld als licht negatief en de effecten bij de alternatieven "worst case alternatief" en "deelalternatief glastuinbouw" worden beoordeeld als negatief. Naar aanleiding daarvan is een aantal maatregelen voorgesteld in het plan-MER. De Natuur- en Milieuvereniging heeft niet aannemelijk gemaakt dat de raad onvoldoende onderzoek heeft verricht naar de effecten van het plan voor de flora en fauna en zich, gelet op het voorgaande, niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de Ffw op voorhand niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat. Daarbij betrekt de Afdeling dat de constatering dat de onderzochte alternatieven tot licht negatieve dan wel negatieve effecten kunnen leiden op zich niet voldoende is om te oordelen dat een ontheffing op grond van de Ffw nodig is, aangezien een ontheffing alleen noodzakelijk is in het geval de uitvoering van een bestemmingsplan tot een overtreding van een verbodsbepaling uit de Ffw leidt. Voorts is niet aannemelijk gemaakt dat de bedoelde maatregelen onvoldoende in de planregels zijn neergelegd. In hetgeen de Natuur- en Milieuvereniging heeft aangevoerd, ziet de Afdeling gelet op het voorgaande geen aanleiding om te oordelen dat de houtwallen met beschermde flora en fauna onvoldoende worden beschermd.

Het betoog faalt.

Water in de ecologische hoofdstructuur (hierna: EHS)

4. De Natuur- en Milieuvereniging betoogt dat water in de EHS moet worden bestemd als "Natuur" en niet als "Water". Hierbij verwijst zij naar de uitspraak van de Afdeling van 11 april 2012, in zaak nr. 201003878/1/R3.

4.1. De raad stelt zich op het standpunt dat in het plan is aangesloten bij de voorheen geldende planologische regeling en gelet daarop voor een aantal wateren de bestemming "Water" is opgenomen. In de omschrijving van de bestemming "Water" is opgenomen dat groenvoorzieningen, natuur en landschapselementen zijn toegestaan. De bescherming van de EHS is daarnaast geregeld door het opnemen van gebiedsaanduidingen, waarbij een voorrangsregeling voor de EHS is opgenomen.

4.2. Ingevolge artikel 14, lid 14.2.1, van de planregels mogen op de voor "Natuur" aangewezen gronden geen gebouwen worden gebouwd, met uitzondering van de 10 gebouwen ten behoeve van verblijfsrecreatie en 3 stacaravans, zoals toegestaan in artikel 14, lid 14.1

Ingevolge lid 14.2.4 gelden voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, de volgende bepalingen:

a. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan 3 m;

b. de oppervlakte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan 10 m²;

c. de maximale bouwhoogte van molens bedraagt 5 m.

Ingevolge lid 14.3.1, is het verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende werken en werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren:

a. het aanleggen, dempen of wijzigen van (oevers, profiel, doorstroom- of bergingscapaciteit van) oppervlaktewateren;

(…);

g. de aanleg van drainage ongeacht de diepte tenzij het gaat om vervanging van een reeds bestaande drainage;

h. het verlagen van de waterstand anders dan door middel van het graven van sloten of het toepassen van drainagemiddelen, met uitzondering van grondwateronttrekkingen.

Ingevolge artikel 25, lid 25.2, mogen op of in de voor "Water" aangewezen gronden uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd, waarvan de bouwhoogte en de oppervlakte niet meer mogen bedragen dan respectievelijk 3 m en 10 m².

Ingevolge artikel 42, lid 42.6.1, zijn de gronden ter plaatse van de aanduiding "ecologische hoofdstructuur" mede aangewezen voor het behoud en ontwikkeling van ecologische waarden en kenmerken. In geval van strijdigheid van bepalingen gaan de regels van dit lid vóór de bepalingen die ingevolge andere artikelen op de desbetreffende gronden van toepassing zijn.

Ingevolge lid 42.6.2 is het verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, of van werkzaamheden van het bevoegd gezag op en in lid 42.6.1 bedoelde gronden de volgende werkzaamheden, geen bouwwerken zijnde, uit te voeren:

(…);

c. het graven, dempen, dan wel verdiepen, vergroten of anderszins herprofileren van waterlopen, watergangen, greppels, kolken en overige natuurlijke oppervlaktewateren, alsmede het anderszins verlagen van de waterstand;

(…).

4.3. Voor gronden met de bestemming "Water" zijn in de planregels minder bouwmogelijkheden opgenomen voor het bouwen van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, dan voor gronden met de bestemming "Natuur". Zowel ter plaatse van gronden met de bestemming "Water" en de aanduiding "ecologische hoofdstructuur" als ter plaatse van de gronden met de bestemming "Natuur" geldt voorts dat een aantal werken of werkzaamheden met betrekking tot het verlagen van de waterstand of het anderszins wijzigen van oppervlaktewateren zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning niet is toegestaan. Voor zover de Natuur- en Milieuvereniging naar voormelde uitspraak van 11 april 2012 verwijst, wordt overwogen dat dit een andere situatie betrof dan de voorliggende situatie, nu de raad in die zaak in tegenstelling tot hetgeen uit de nota van zienswijzen volgde de bestemming "Water" in het vastgestelde plan niet naar de bestemming "Natuur" had gewijzigd. Deze situatie doet zich in dit geval niet voor. Gelet op het voorgaande geeft hetgeen de Natuur- en Milieuvereniging heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid tot de gekozen wijze van bestemmen heeft kunnen komen. Het betoog faalt.

Kwaliteitsverbetering van het landschap

5. De Natuur- en Milieuvereniging betoogt dat bij een aantal ontwikkelingen die het plan mogelijk maakt de vereiste kwaliteitsverbetering van het landschap als bedoeld in artikel 2.2 van de Verordening ruimte 2012 van de provincie Noord-Brabant (hierna: Verordening 2012) onvoldoende is geregeld. De bij het plan gevoegde erfbeplantingsplannen voldoen niet aan de gestelde vereisten voor kwaliteitsverbetering van het landschap. Voorts betoogt de Natuur- en Milieuvereniging dat de in dit kader gesloten overeenkomsten met initiatiefnemers onvoldoende zijn om te waarborgen dat de erfbeplanting ook in de toekomst zal blijven bestaan. De Natuur- en Milieuvereniging doet een aantal suggesties om de overeenkomsten op dit punt aan te passen.

5.1. De raad stelt zich op het standpunt dat in de erfbeplantingsplannen de aantallen en soorten beplanting zijn gespecificeerd. De uitvoering en de instandhouding hiervan is geborgd in overeenkomsten, waarmee wordt voldaan aan artikel 2.2, eerste lid, van de Verordening 2012. Voorts is in de wijzigings- en afwijkingsbevoegdheden opgenomen dat de initiatiefnemer zich jegens de gemeente dient te verplichten om de kwaliteitsverbetering van het landschap uit te voeren en in stand te houden.

5.2. Ingevolge artikel 2.2, eerste lid, van de Verordening 2012 bevat een bestemmingsplan dat voorziet in een ruimtelijke ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied een verantwoording van de wijze waarop financieel, juridisch en feitelijk is verzekerd dat de realisering van de beoogde ruimtelijke ontwikkeling gepaard gaat met een aantoonbare en uitvoerbare fysieke verbetering van de aanwezige of potentiële kwaliteiten van bodem, water, natuur, landschap of cultuurhistorie of van de extensieve recreatieve mogelijkheden van het gebied waarop de ontwikkeling haar werking heeft.

Ingevolge het derde lid kan de in het eerste lid bedoelde verbetering mede betreffen:

a. de landschappelijke inpassing van bebouwing ten behoeve van intensieve veehouderij, voor zover vereist op grond van deze verordening;

b. het toevoegen, versterken of herstellen van landschapselementen die een bijdrage leveren aan de versterking van de landschapsstructuur of de relatie stad-land;

c. activiteiten, gericht op behoud of herstel van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing of terreinen;

d. het wegnemen van verharding;

e. het slopen van bebouwing;

f. een fysieke bijdrage aan de realisering van de ecologische hoofdstructuur en ecologische verbindingszones.

5.3. Op grond van artikel 2.2, eerste lid, van de Verordening 2012 bevat de toelichting van een bestemmingsplan dat voorziet in een ruimtelijke ontwikkeling een verantwoording op welke wijze een bijdrage wordt geleverd aan de kwaliteitsverbetering van het landschap en hoe dit financieel, juridisch en feitelijk is verzekerd. In artikel 2.2, derde lid, van de Verordening 2012 is een aantal mogelijke verbeteringen weergegeven, maar dit betreft geen limitatieve opsomming. Gelet hierop wordt de invulling van de kwaliteitsverbetering aan gemeenten overgelaten, hetgeen in de toelichting van de Verordening 2012 wordt bevestigd.

Voor de ruimtelijke ontwikkelingen in het plan zijn ruimtelijke onderbouwingen opgesteld. Voorts is per ontwikkeling een inrichtingsplan en een erfbeplantingsplan met een bijbehorende notitie kwaliteitsverbetering landschap opgesteld. Deze plannen zijn als bijlagen bij de toelichting op het plan gevoegd. De Natuur- en Milieuvereniging heeft niet aannemelijk gemaakt dat deze inrichtingsplannen en erfbeplantingsplannen ontoereikend zijn en gelet daarop niet als kwaliteitsverbetering van het landschap als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, van de Verordening 2012 kunnen worden aangemerkt. Met de eigenaren van de percelen waarop de ruimtelijke ontwikkelingen zullen worden gerealiseerd zijn overeenkomsten gesloten ter verzekering van de kwaliteitsverbetering van het plan. Dat de Natuur- en Milieuvereniging de gesloten overeenkomsten ontoereikend vindt, brengt niet reeds met zich dat er strijd is met de verantwoordingsplicht uit de Verordening 2012. Voor zover de Natuur- en Milieuvereniging een aantal voorstellen tot aanpassing doet, overweegt de Afdeling dat zij niet treedt in de beoordeling van een privaatrechtelijke overeenkomst. Het betoog faalt.

6. De Natuur- en Milieuvereniging betoogt dat de eis van kwaliteitsverbetering van het landschap niet alleen bij wijziging of vergroting van een bouwvlak dient te gelden, maar ook in het geval binnen een bouwvlak de bebouwing wordt uitgebreid. Uit artikel 2.2 van de Verordening 2012 in samenhang met artikel 1.1, aanhef en onder 72, volgt dat deze eis ook dient te gelden bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor bouwen. Voorts is in dit plan voor alle bestaande agrarische bedrijven een maximale bouwhoogte van 10 m toegekend, terwijl dit voorheen in beginsel 8 m was. Ten onrechte is voor deze ontwikkelingen geen kwaliteitsverbetering van het landschap verzekerd. Gelet hierop wordt voorgesteld om de toegestane bouwhoogte voor agrarische bedrijfsbebouwing naar 8 m te verlagen en een hogere bouwhoogte alleen toe te staan door middel van een afwijkingsbevoegdheid, onder de voorwaarde van kwaliteitsverbetering van het landschap.

6.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de eis van kwaliteitsverbetering van het landschap volgens de Verordening 2012 alleen geldt voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen die niet mogelijk waren in de voorheen geldende planologische regeling, waarmee wordt gedoeld op een uitbreiding van een bouwvlak. Bij de inpassing worden de toegestane bouwmogelijkheden als uitgangspunt genomen en niet de eventuele concrete bouwplannen. Voor het opnemen van een maximale bouwhoogte van 10 m voor agrarische bedrijven is volgens de raad aangesloten bij de Verordening 2012 en bij de voorheen geldende planologische regeling. Voor zover de maximale bouwhoogte naar 10 m is verhoogd, hoeft volgens de raad een kwaliteitsverbetering van het landschap niet te zijn verzekerd. Voor een verdergaande verhoging is dit wel in de planregels verzekerd.

6.2. Voor de tekst van artikel 2.2 van de Verordening 2012 verwijst de Afdeling naar hetgeen onder 5.2 is opgenomen.

Ingevolge artikel 1.1, aanhef en onder 72, van de Verordening 2012 wordt onder ruimtelijke ontwikkeling verstaan: bouwactiviteiten en planologische gebruiksactiviteiten waarvoor op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en het Besluit omgevingsrecht een omgevingsvergunning is vereist.

6.3. Ingevolge artikel 3, lid 3.2.2, aanhef en onder a, van de planregels geldt voor het bouwen van bedrijfsgebouwen op als "Agrarisch" aangewezen gronden dat de goothoogte en bouwhoogte niet meer bedragen dan respectievelijk 6,5 m en 10 m.

Ingevolge lid 3.3.3, kan het college van burgemeester en wethouders bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 3, lid 3.2.2, onder a, ten behoeve van het vergroten van de goot- en/of bouwhoogte, onder de volgende voorwaarden:

a. de maximale goothoogte bedraagt niet meer dan 7,5 m;

b. de maximale bouwhoogte bedraagt niet meer dan 12 m;

(…);

e. er is sprake van een aantoonbare en uitvoerbare fysieke verbetering van de aanwezige of potentiële kwaliteiten van de bodem en/of water en/of natuur en/of landschap en/of cultuurhistorie van het gebied, waarbij wordt getoetst aan de ontwerprichtlijnen uit hoofdstuk 4 van de Ontwikkelingsvisie buitengebied (hierna: Ontwikkelingsvisie), zoals vastgesteld door de gemeenteraad d.d. 20 juli 2010 en aanvrager zich jegens de gemeente heeft verplicht om deze kwaliteitsverbetering uit te voeren en in stand te houden.

In artikel 4, lid 4.2.2, aanhef en onder a, en lid 4.3.3 is eenzelfde regeling opgenomen voor het bouwen van bedrijfsgebouwen op als "Agrarisch - Glastuinbouw" aangewezen gronden.

6.4. Artikel 2.2. van de Verordening 2012 bepaalt dat een bestemmingsplan dat voorziet in een ruimtelijke ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied een verantwoording bevat dat na de realisering van de beoogde ruimtelijke ontwikkeling de kwaliteitsverbetering van het landschap is verzekerd. Uit dit artikel volgt niet dat een dergelijke verantwoordingsplicht ook geldt ingeval een omgevingsvergunning voor bouwen wordt verleend voor nieuwe bebouwing binnen het bestaande bouwvlak. De reden hiervoor is dat de verantwoording van de kwaliteitsverbetering van het landschap bij het bestemmingsplan dient te zien op hetgeen het plan maximaal mogelijk maakt. Gelet hierop hoeft bij het verlenen van een omgevingsvergunning niet nogmaals een kwaliteitsverbetering van het landschap te worden verantwoord. Daarbij komt dat in de planregels wel is opgenomen dat een kwaliteitsverbetering van het landschap dient te zijn verzekerd bij de toepassing van flexibiliteitsinstrumenten ten behoeve van een vergroting van een bouwvlak, vergroting van de bouwhoogte en vergroting van de toegestane bouw- en gebruiksmogelijkheden. Zoals in 5.3 is overwogen, is voor concrete ontwikkelingen die in het plan mogelijk worden gemaakt, voorzien in een kwaliteitsverbetering van het landschap. De Natuur- en milieuvereniging heeft niet concreet gemaakt bij welke bestaande agrarische bedrijven de bouwhoogte van 8 m naar 10 m is verhoogd, zonder dat daarbij is voorzien in een kwaliteitsverbetering van het landschap. Het betoog faalt.

Tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen

7. De Natuur- en Milieuvereniging betoogt dat het plan ten onrechte tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen mogelijk maakt in kwetsbare gebieden. In het cultuurhistorisch vlak "Baardwijkse en Beerse Overlaat", gebieden met de aanduiding "openheid" en gebieden met de aanduiding "groenblauwe mantel" dienen lage en hoge tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen buiten het bouwvlak niet te worden toegestaan, ook niet door middel van een afwijkingsmogelijkheid. Hoewel de oprichting van lage tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen in het cultuurhistorisch vlak "Baardwijkse en Beerse Overlaat" reeds is uitgesloten, is onduidelijk welk deel van dit gebied thans is begrensd in de planregels en waarom dit niet ook voor hoge tijdelijke voorzieningen geldt. Nu aan dit gebied de aanduiding "openheid" is toegekend, is niet onderbouwd waarom lage tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen in andere gebieden met de aanduiding "openheid" wel zijn toegestaan. Voorts is in de begripsbepaling van hoge teeltondersteunende voorzieningen ten onrechte niet opgenomen dat hoge tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen maximaal 4 m hoog mogen zijn.

7.1. De Natuur- en Milieuvereniging heeft voorts beoogd de omvang van het geschil uit te breiden door na afloop van de beroepstermijn ook nog artikel 4, lid 4.4.2, aanhef en onder c, van de planregels aan te vechten.

Binnen de beroepstermijn of, als een nadere termijn voor het aanvullen van de gronden is gegeven, uiterlijk binnen die termijn, dient vast te staan waartegen de beroepsgronden zijn gericht. Gelet op het belang van een efficiënte geschilbeslechting, dat ook ten grondslag ligt aan artikel 6:13 van de Awb, alsmede de rechtszekerheid van de andere partijen, kan niet worden aanvaard dat de omvang van het geschil na afloop van die termijn wordt uitgebreid. Hetgeen alsnog met betrekking tot artikel 4, lid 4.4.2, aanhef en onder c, van de planregels naar voren is gebracht, moet daarom in deze procedure buiten beschouwing worden gelaten.

7.2. De raad stelt zich op het standpunt dat met de regeling voor tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen enerzijds de gewenste en noodzakelijke exploitatiemogelijkheden voor agrarische gronden worden geboden en anderzijds voldoende rekening is gehouden met de te beschermen waarden. Voor lage tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen zijn in beginsel geen beperkingen opgenomen. Verder geldt in de gebieden met de aanduiding "openheid" dat de hoge tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen alleen worden toegestaan middels een afwijkingsbevoegdheid.

7.3. Ingevolge artikel 1, aanhef en onder bl, van de planregels wordt onder hoge (teelt)ondersteunende voorzieningen verstaan: teeltondersteunende voorzieningen, anders dan teeltondersteunende kassen, die in de regel hoger zijn dan 1,5 m. Hieronder worden in ieder geval verstaan: teeltbakken in de stellingen of teelttafels, eventueel regenkappen; plastic-/foliekassen, -tunnels en -regenkappen.

Ingevolge het bepaalde onder ci wordt onder lage (teelt)ondersteunende voorzieningen verstaan: (teelt)ondersteunende voorzieningen voor plantaardige teelten, die op of nabij de grond worden aangebracht, met een maximale hoogte van 1,5 m. Hieronder wordt in ieder geval verstaan: containervelden (een geheel verharde ondergrond veelal van niet-opneembare/gesloten verhardingen, zoals beton of anti-worteldoek met daartussen opneembare of open verhardingen, zoals betonplaten, tegel- of klinkerbestratingen) lage tunnels (halfronde bogen waarover plastic of gaasdoek wordt gespannen), insectengaas, afdekfolies, acryldoek, valkveldfolies of vraatnetten.

Ingevolge het bepaalde onder dr wordt onder tijdelijke (teelt)ondersteunende voorzieningen verstaan: teeltondersteunende voorzieningen die op dezelfde locatie gebruikt kunnen worden zo lang de teelt dit vereist, met een maximum van zes maanden. Deze tijdelijke voorzieningen hebben een directe relatie met het grondgebruik. Hieronder worden verstaan folies, insectengaas, acryldoek, wandelkappen, schaduwhallen, hagelnetten, regenkappen, palen, vraatnetten en boomteelthekken.

Ingevolge artikel 3, lid 3.2.3, aanhef en onder c, geldt dat buiten het bouwvlak van de voor "Agrarisch" aangewezen gronden de volgende teeltondersteunende voorzieningen en permanente palen ten behoeve van hoge tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen zijn toegestaan:

1. lage tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen, met uitzondering van de nieuwvestiging van plastic- of glazen constructies in het gebied van de Baardwijkse Overlaat ten zuiden van de Koningsvliet en ten noorden van het Drongelens Kanaal;

(…);

3. hoge tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen met een maximale oppervlakte van 1,5 ha per bedrijf, met uitzondering van de gronden ter plaatse van de aanduiding "openheid".

Ingevolge lid 3.3.4, kan het college van burgemeester en wethouders bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 3.2.3, onder c, sub 3, ten behoeve van de bouw/aanleg van teeltondersteunende voorzieningen op de gronden ter plaatse van de aanduiding "openheid", met dien verstande dat:

a. de voorziening noodzakelijk dient te zijn voor de agrarische bedrijfsvoering;

b. het landschap, de waterhuishouding en de omliggende functies niet in onevenredige mate worden aangetast, respectievelijk belemmerd.

7.4. In de nota van zienswijzen is opgenomen dat een maximale hoogte van 4 m voor hoge tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen in de planregels zal worden vastgelegd. Uit de definitiebepaling van hoge teeltondersteunende voorzieningen volgt echter alleen dat dit teeltondersteunende voorzieningen betreffen die hoger zijn dan 1,5 m. Voorts is in artikel 3, lid 3.2.3, aanhef en onder c, aanhef en sub 3, van de planregels geen maximale hoogte opgenomen. De Afdeling stelt vast dat een maximale hoogte van 4 m voor hoge tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen bij de vaststelling van het plan niet in de planregels is verwerkt en gelet hierop de hoogte daarvan niet is begrensd. Ter zitting heeft de raad erkend dat dit abusievelijk niet in de planregels is opgenomen. De planregels stemmen in zoverre niet overeen met het besluit tot vaststelling van het plan. Het betoog slaagt.

7.5. Uit artikel 3, lid 3.2.3, aanhef en onder c, van de planregels volgt dat lage en hoge tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen buiten het bouwvlak zijn toegestaan. Hierbij is evenwel voor het cultuurhistorisch vlak "Baardwijkse en Beerse Overlaat", uitgesloten dat plastic- of glazen lage tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen buiten het bouwvlak kunnen opgericht. Voorts is uitgesloten dat hoge tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen kunnen worden opgericht ter plaatse van de aanduiding "openheid". Van dit laatste verbod kan ingevolge artikel 3, lid 3.3.4, van de planregels bij omgevingsvergunning worden afgeweken. Voor gronden met de aanduiding "groenblauwe mantel" is geen uitzondering voor het oprichten van lage of hoge tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen opgenomen.

7.6. Voor zover de Natuur- en Milieuvereniging betoogt dat niet duidelijk is of lage tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen buiten het bouwvlak in het gehele cultuurhistorisch vlak "Baardwijkse en Beerse Overlaat" zijn uitgesloten of dat dit alleen voor het westelijke gedeelte van dat gebied geldt, wordt overwogen dat in artikel 3, lid 3.2.3, onder c, aanhef en sub 1, van de planregels is opgenomen dat plastic- of glazen lage tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen buiten het bouwvlak in het gebied van de Baardwijkse Overlaat ten zuiden van de Koningsvliet en ten noorden van het Drongelens Kanaal niet zijn toegestaan. Hieruit volgt niet dat dit verbod alleen geldt voor het westelijke gebied. De begrenzing is voldoende duidelijk in de planregels opgenomen. Het betoog faalt.

7.7. Aan het cultuurhistorisch vlak "Baardwijkse en Beerse Overlaat" is de aanduiding "openheid" toegekend, zodat, anders dan de Natuur- en Milieuvereniging stelt, het oprichten van zowel hoge tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen als plastic- of glazen lage tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen buiten het bouwvlak niet zijn toegestaan en het betoog in zoverre feitelijke grondslag mist.

Over het betoog van de Natuur- en Milieuvereniging dat het oprichten van lage tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen ter plaatse van gronden met de aanduiding "openheid" niet dient te worden toegestaan, overweegt de Afdeling als volgt. Ter zitting heeft de raad toegelicht dat plastic- of glazen lage tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen in het cultuurhistorisch vlak "Baardwijkse en Beerse Overlaat" zijn uitgesloten vanwege afspraken in het kader van de Gebiedsversterking Oostelijke Langstraat (hierna: GOL) om dit gebied van dergelijke voorzieningen te vrijwaren. De raad heeft deze afspraken in het plan willen respecteren. De raad heeft geen aanleiding gezien om lage teeltondersteunende voorzieningen ter plaatse van alle gronden met de aanduiding "openheid" te verbieden, omdat de openheid van de gronden bij tijdelijke voorzieningen met een maximale hoogte van 1,5 m volgens de raad niet onevenredig wordt aangetast. De Afdeling acht dit gelet op de kenmerken van het landschap en de impact van deze voorzieningen niet onredelijk. Voorts heeft de raad gelet hierop in redelijkheid andere lage tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen in het cultuurhistorisch vlak "Baardwijkse en Beerse Overlaat" aanvaardbaar kunnen achten.

De Afdeling stelt vast dat de gebieden waaraan de aanduiding "openheid" is toegekend grotendeels overeenkomen met de gebieden waaraan de aanduiding "groenblauwe mantel" is toegekend. Gelet daarop is het in een groot deel van de groenblauwe mantel niet toegestaan om hoge tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen bij recht op te richten. De te beschermen waarden van gebieden die alleen als groenblauwe mantel zijn aangewezen zien niet zozeer op de openheid van de gebieden, maar op het behoud en de ontwikkeling van natuur, water en landschap. Voor zover aan de gebieden met de aanduiding "groenblauwe mantel" niet tevens de aanduiding "openheid" is toegekend, heeft de Natuur- en Milieuvereniging niet aannemelijk gemaakt dat de waarden van de groenblauwe mantel op die plaatsen dusdanig worden aangetast door het oprichten van hoge tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen buiten het bouwvlak dat de exploitatiemogelijkheden van agrarische gronden in zoverre moet worden beperkt. Evenmin is aannemelijk gemaakt dat de waarden van de groenblauwe mantel worden aangetast door het oprichten van lage tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen buiten het bouwvlak.

Het betoog faalt.

7.8. Over het betoog dat in artikel 3, lid 3.3.4, van de planregels ten onrechte een afwijkingsmogelijkheid is opgenomen voor hoge tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen buiten het bouwvlak op gronden met de aanduiding "openheid", overweegt de Afdeling als volgt. De Natuur- en Milieuvereniging heeft niet aannemelijk gemaakt dat gelet op de voorwaarden die in artikel 3, lid 3.3.4, van de planregels zijn opgenomen onvoldoende belang wordt gehecht aan de natuur- en landschapswaarden van deze gebieden. Het uitsluiten van hoge tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen buiten het bouwvlak ter plaatse van gronden met de aanduiding "openheid" zonder daar een mogelijkheid tot afwijken voor op te nemen, zou betekenen dat in een groot deel van het plangebied de oprichting van deze teeltondersteunende voorzieningen niet mogelijk is, hetgeen te grote beperkingen voor de betrokken bedrijven in het plangebied met zich brengt. Gelet hierop heeft de raad in redelijkheid een mogelijkheid tot afwijken in de planregels kunnen opnemen. Ter zitting heeft de raad evenwel erkend dat abusievelijk niet in de planregels is opgenomen dat de afwijkingsmogelijkheid voor hoge tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen ter plaatse van gronden met de aanduiding "openheid" niet geldt voor gronden die tevens in het gebied van de Baardwijkse Overlaat ten zuiden van de Koningsvliet en ten noorden van het Drongelens liggen en waar ook lage tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen niet zijn toegestaan. Gelet hierop is het bestreden besluit in zoverre genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Het betoog slaagt.

Waterwingebied

8. De Natuur- en Milieuvereniging betoogt dat artikel 42.2 van de planregels in strijd met artikel 5.5, eerste lid, van de Verordening 2012 voorziet in de oprichting van teeltondersteunende voorzieningen in een waterwingebied.

8.1. Ingevolge artikel 5.5, eerste lid, van de Verordening 2012 strekt een bestemmingsplan dat is gelegen in een waterwingebied uitsluitend tot instandhouding van de openbare drinkwatervoorziening waarbij een medebestemming voor natuur of bos is toegelaten.

8.2. Ingevolge artikel 6, lid 6.1, van de planregels zijn de voor "Bedrijf - Nutsvoorziening" aangewezen gronden bestemd voor:

a. nutsvoorzieningen;

b. erven en verhardingen;

c. groenvoorzieningen, natuur en landschapselementen;

d. water en waterhuishoudkundige doeleinden.

Ingevolge artikel 42.2 mogen ter plaatse van de aanduiding "milieuzone - waterwingebied", in afwijking van hetgeen elders in deze planregels is bepaald, op de in deze zone begrepen gronden geen bouwwerken worden gebouwd, met uitzondering van bouwwerken ten behoeve van teeltondersteunende voorzieningen zoals opgenomen in artikel 3.

8.3. In het plangebied is aan de gronden met de aanduiding "milieuzone - waterwingebied" de bestemming "Bedrijf - Nutsvoorziening" toegekend. Ingevolge artikel 6, lid 6.1, van de planregels zijn deze gronden niet bestemd voor agrarische doeleinden, en is het realiseren van teeltondersteunende voorzieningen ter plaatse van gronden met deze bestemming niet toegestaan. Gelet hierop komt geen betekenis toe aan de uitzondering voor teeltondersteunende voorzieningen van het verbod tot het bouwen van bouwwerken op gronden met de aanduiding "milieuzone - waterwingebied" en is de vrees van de Natuur- en Milieuvereniging ongegrond. Artikel 42.2 van de planregels strekt gelet daarop enkel tot een verbod op het bouwen van bouwwerken, zodat dit artikel niet in strijd is met de Verordening 2012. Het betoog faalt.

Lichtmasten

9. De Natuur- en Milieuvereniging betoogt dat de maximale bouwhoogte van lichtmasten nabij Natura 2000-gebieden en EHS dient te worden verlaagd naar 8 m, zodat de duisternis van deze gebieden kan worden beschermd. Voorts dient gelet hierop voldoende afstand tot deze gebieden te worden aangehouden.

9.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het gebruik van lichtmasten is beperkt tot de tijden waarop een paardrijbak wordt gebruikt en gelet daarop niet tot een onevenredige aantasting van de aanwezige fauna leidt. Bij het toestaan van lichtmasten is de voorheen geldende planologische regeling als uitgangspunt genomen.

9.2. Ingevolge artikel 3, lid 3.2.6, aanhef en onder i, van de planregels geldt voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, op als "Agrarisch" aangewezen gronden dat bouwwerken voor rijbakken zijn toegestaan, waarbij onder meer moet worden voldaan aan de voorwaarde dat de hoogte van lichtmasten niet meer dan 12 m mag bedragen.

Ingevolge artikel 4, lid 4.2.6, aanhef en onder b, van de planregels is eenzelfde regeling opgenomen voor lichtmasten op als "Agrarisch - Glastuinbouw" aangewezen gronden.

9.3. De raad heeft in het plan lichtmasten ten behoeve van een paardrijbak met een maximale hoogte van 12 m op agrarische gronden mogelijk gemaakt. Niet is gebleken dat deze lichtmasten op een dusdanig korte afstand van een Natura 2000-gebied of van de EHS kunnen worden opgericht, dat de waarden van Natura 2000-gebieden of van de EHS hierdoor zullen worden aangetast. Gelet hierop geeft hetgeen de Natuur- en Milieuvereniging heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid tot de gekozen wijze van bestemmen heeft kunnen komen. Het betoog faalt.

Voormalige agrarische bedrijfswoningen

10. De Natuur- en Milieuvereniging betoogt dat in artikel 3, lid 3.7.6, van de planregels in strijd met artikel 11.1 van de Verordening 2012 niet is verzekerd dat het bouwvlak bij de wijziging van een agrarische bestemming naar een woonbestemming niet groter mag zijn dan de oppervlakte van de voormalige agrarische woning.

10.1. Ingevolge artikel 11.1, eerste lid, van de Verordening 2012 stelt een bestemmingsplan dat is gelegen in de groenblauwe mantel of agrarisch gebied, met inbegrip van een landbouwontwikkelingsgebied of een vestigingsgebied glastuinbouw, regels ter voorkoming van:

a. nieuwbouw van één of meer woningen of solitaire recreatiewoningen;

b. zelfstandige bewoning van bedrijfsgebouwen, al dan niet solitaire recreatiewoningen en andere niet voor bewoning bestemde gebouwen.

Ingevolge het vierde lid kan een bestemmingsplan als bedoeld in het eerste lid voorzien in het gebruik van een voormalige bedrijfswoning als burgerwoning, mits is verzekerd dat:

a. er geen splitsing in meerdere woonfuncties plaatsvindt;

b. overtollige bebouwing wordt gesloopt.

10.2. Ingevolge artikel 3, lid 3.7.6, van de planregels is het college van burgemeester en wethouders bevoegd de bestemming "Agrarisch" te wijzigen in de bestemming "Wonen" voor zover het de voormalige agrarische bedrijfswoning betreft en indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

a. ter plaatse van en aansluitend aan de bestaande woning of woningen worden gronden aangewezen met de bestemming "Wonen" als bedoeld in artikel 26;

b. het bestemmingsvlak "Wonen" mag na wijziging niet meer dan 1.500 m² bedragen;

c. de overige gronden binnen het voormalig bouwvlak houden de desbetreffende agrarische bestemming;

(…);

j. het aantal woningen binnen elk bouwvlak mag niet worden vergroot;

k. overtollige bebouwing dient te worden gesloopt.

10.3. Uit de Verordening 2012 volgt niet dat het bouwvlak met de bestemming "Wonen" alleen de oppervlakte van de bestaande woning mag omvatten. Vast staat dat aan de in artikel 11.1, vierde lid, van de Verordening 2012 opgenomen voorwaarden voor het gebruik van een voormalige bedrijfswoning als burgerwoning wordt voldaan. In hetgeen de Natuur- en Milieuvereniging heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid mogelijk heeft kunnen maken dat ook aan gronden aansluitend aan de voormalige agrarische bedrijfswoning een woonbestemming kan worden toegekend. Daarbij betrekt de Afdeling dat in de wijzigingsvoorwaarden is opgenomen dat de overige gronden binnen het voormalige bouwvlak de agrarische bestemming behouden. Het betoog faalt.

Conclusie

11. In hetgeen de Natuur- en Milieuvereniging heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit wat betreft artikel 1, aanhef en onder bl, van de planregels, voor zover daarin niet is opgenomen dat hoge tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen maximaal 4 m mogen zijn, is genomen in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel.

In hetgeen de Natuur- en Milieuvereniging heeft aangevoerd ziet de Afdeling voorts aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit wat betreft artikel 3, lid 3.3.4, van de planregels, voor zover hierin niet een uitzondering is opgenomen voor het gebied van de Baardwijkse Overlaat ten zuiden van de Koningsvliet en ten noorden van het Drongelens Kanaal, is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb.

Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

11.1. De Afdeling ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, aanhef en onder a, en vijfde lid, van de Awb, zoals dit luidde ten tijde van belang, de raad op te dragen om voor de vernietigde planonderdelen met inachtneming van deze uitspraak een nieuw plan vast te stellen en zal daartoe een termijn stellen.

11.2. Teneinde te voorkomen dat tot aan de periode van inwerkingtreding van het nieuwe plan hoge tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen van meer dan 4 m kunnen worden gerealiseerd, ziet de Afdeling voorts aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb, zoals hierna vermeld.

De beroepen van [appellant sub 18] en het college

12. [appellant sub 18] betoogt dat de raad het plandeel met de bestemming "Agrarisch" voor het perceel aan de [locatie 1] te Drunen ten onrechte heeft vastgesteld. Daartoe voert hij aan dat het plan ten onrechte, in tegenstelling tot hetgeen het ontwerpplan mogelijk maakte, niet voorziet in de exploitatie van een tuincentrum. Het vorige bestemmingsplan voorzag, weliswaar met een koppelteken naar [locatie 2] te Drunen, in de exploitatie van een tuincentrum. Daarbij komt volgens [appellant sub 18] dat het gebruik van de op het perceel aanwezige tuinbouwkas onder het overgangsrecht mag worden voortgezet. Gelet hierop draagt het aanwenden van het perceel voor het exploiteren van een tuincentrum volgens [appellant sub 18] bij aan de uitgangspunten van de Verordening 2012 inzake zorgvuldig ruimtegebruik en gebruik van bestaande bebouwing. Volgens [appellant sub 18] zal de verkeers- en parkeerdruk op de Zwaluwmoersedreef hierdoor niet onevenredig.

Het college betoogt dat de raad het plandeel met de bestemming "Agrarisch", een bouwvlak en de aanduiding "glastuinbouw" voor het perceel aan de [locatie 1] ten onrechte heeft vastgesteld. Daartoe voert het college aan dat in strijd met de Verordening 2012 nieuwvestiging van een glastuinbouwbedrijf of een grondgebonden agrarisch bedrijf mogelijk wordt gemaakt, terwijl het vorige bestemmingsplan ter plaatse niet in een zelfstandig bouwvlak voor dergelijke bedrijven voorzag. Volgens het college strookt deze wijze van bestemmen niet met het principe van zorgvuldig ruimtegebruik. Daarnaast ontbreekt in het plan een adequate motivering ter zake van het mogelijk maken van een glastuinbouwbedrijf of een grondgebonden agrarisch bedrijf.

12.1. De raad stelt zich op het standpunt dat bij de vaststelling van het plan voor een bestemming is gekozen die het meest tegemoet komt aan de bestemming in het vorige plan en anderzijds recht doet aan de feitelijke loskoppeling van [locatie 2] door middel van eigendomsoverdracht. Volgens de raad is hiermee voorts de legale op het perceel aanwezige kas als zodanig bestemd. De vestiging van een zelfstandig tuincentrum ter plaatse is volgens de raad in strijd met de Verordening 2012. Volgens de raad is het daarnaast ruimtelijk niet gewenst om op de Zwaluwmoersedreef een zelfstandig tuincentrum te vestigen, onder meer omdat de Zwaluwmoersedreef niet geschikt is voor de verkeersstromen behorend bij een zelfstandig tuincentrum. Eventuele detailhandelsactiviteiten vallen volgens de raad niet onder het overgangsrecht.

12.2. Het perceel [locatie 1] heeft de bestemming "Agrarisch" en de aanduidingen "glastuinbouw" en "bedrijfswoning uitgesloten". Voorts is een bouwvlak aan het perceel toegekend.

Ingevolge artikel 3, lid 3.1, zijn de voor "Agrarisch" aangewezen gronden bestemd voor:

a. grondgebonden agrarische bedrijven;

(…);

c. glastuinbouwbedrijven, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "glastuinbouw";

(…).

f. één bedrijfswoning per bouwvlak, waarbij geldt dater plaatse van de aanduiding "bedrijfswoning uitgesloten" geen bedrijfswoningen zijn toegestaan.

Ingevolge lid 3.2.1, aanhef en onder a, geldt voor het bouwen van bouwwerken in het algemeen dat gebouwen dienen te worden gebouwd in het bouwvlak.

Ingevolge artikel 46, lid 46.2, onder a, van de planregels mag het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van [lees: inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is] worden voortgezet.

Ingevolge het bepaalde onder d is het bepaalde onder a niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.

12.3. In het vorige bestemmingsplan "Buitengebied" had het perceel [locatie 2] de bestemming "Tuincentrum". Het perceel [locatie 2] was via een koppelteken verbonden aan het perceel [locatie 1].

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder 8, van de voorschriften van dat plan wordt onder gekoppeld bouwvlak/bestemmingsvlak verstaan: twee als zodanig op de plankaart aangeduid bouwvlakken/bestemmingsvlakken die gezamenlijk als één bouwvlak/bestemmingsvlak in aanmerking genomen moeten worden.

Ingevolge artikel 17 zijn de gronden op de plankaart aangewezen voor "Tuincentrum" bestemd voor een bedrijf dat zich overwegend richt op het kweken van planten en siergewassen en de handel daarin, alsmede andere benodigdheden voor aanleg en onderhoud van tuinen.

12.4. De stelling van [appellant sub 18] dat de op het perceel aanwezige kas vóór de inwerkingtreding van het bestemmingsplan "Buitengebied" legaal is opgericht is door de raad bevestigd en door het college niet weersproken. Uit de stukken en het gestelde ter zitting is niet duidelijk geworden of de bouwvergunning van de kas ten behoeve van gebruik in het kader van een tuincentrum of voor agrarisch gebruik is verleend.

Met betrekking tot legale bouwwerken staat voorop dat deze in beginsel, gelet op de rechtszekerheid, als zodanig dienen te worden bestemd. Dit uitgangspunt kan onder meer uitzondering vinden indien een dienovereenkomstige bestemming op basis van nieuwe inzichten niet langer in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening en het belang bij de beoogde nieuwe bestemming zwaarder weegt dan de gevestigde rechten en belangen. Daarnaast moet aannemelijk zijn dat er concreet zicht bestaat op verwijdering van de bouwwerken, omdat het overgangsrecht bedoeld is als overbrugging van een tijdelijke situatie.

Omdat geen gerechtvaardigde verwachting bestaat dat de op het perceel staande kas binnen de planperiode zal worden verwijderd, heeft de raad, in aansluiting op voornoemd uitgangspunt, de bestaande legale bebouwing planologisch willen bestemmen door een agrarische bestemming met de aanduiding "glastuinbouw" en een bouwvlak toe te kennen. Een bestemming als "Tuincentrum" acht de raad niet wenselijk, onder meer omdat de Zwaluwmoersedreef niet geschikt is voor de verkeersstromen behorend bij een zelfstandig tuincentrum. Het overgrote deel van de omliggende gronden is onbebouwd, vormt een open ruimte naar het buitengebied en heeft een agrarische bestemming. Mede omdat vast staat dat onder het voorheen geldende bestemmingsplan "Buitengebied" het gebruik van het perceel voor een zelfstandig tuincentrum dat niet was gekoppeld aan het ter plaatse van [locatie 2] opgenomen bestemmingsvlak voor een tuincentrum niet was toegestaan, acht de Afdeling het standpunt van de raad dat het perceel niet bestemd kan worden als "Tuincentrum" niet onredelijk. Het betoog van [appellant sub 18] dienaangaande faalt.

Over de stelling van [appellant sub 18] dat het huidige gebruik van de kas onder het overgangsrecht mag worden voortgezet, overweegt de Afdeling als volgt. Ter zitting is vast komen te staan dat ten tijde van de vaststelling van het voorliggende plan geen detailhandelsactiviteiten werden uitgeoefend op het perceel. Gelet hierop wordt een eventueel gebruik van het perceel als zelfstandig tuincentrum niet beschermd door het overgangsrecht van artikel 46, lid 46.2, van de planregels. Het gebruik van de kas voor teeltactiviteiten ten behoeve van een agrarisch bedrijf is, anders dan [appellant sub 18] meent, gelet op de doeleindenomschrijving in artikel 3, lid 3.1, van de planregels, toegestaan.

Over het betoog van het college dat de toegekende bestemming nieuwvestiging van een glastuinbouwbedrijf of een grondgebonden agrarisch bedrijf mogelijk maakt, overweegt de Afdeling dat de raad, gelet op alle omstandigheden van het geval, in redelijkheid doorslaggevend gewicht heeft mogen toekennen aan het belang om legale bebouwing als zodanig te bestemmen. Daarbij is van belang dat de raad heeft vastgelegd dat het niet mogelijk is ter plaatse een bedrijfswoning te bouwen, zodat de mogelijkheden voor een nieuw bedrijf, mede gelet op de omvang van het perceel, in dit geval beperkt zijn. Het betoog van het college faalt.

12.5. Gelet op het voorgaande zijn de beroepen van [appellant sub 18] en het college ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 12]

13. [appellant sub 12] betoogt dat de raad het plandeel met de bestemming "Agrarisch - Glastuinbouw" voor het perceel ten zuiden van de [locatie 3] te Elshout ten onrechte heeft vastgesteld. Daartoe voert hij aan dat het perceel sinds 2005 in gebruik is voor de stalling van materiaal voor een grondverzetbedrijf en zich heeft ontwikkeld naar een agrarisch verwant bedrijf. Ten onrechte is dit bedrijf niet als zodanig bestemd. Volgens [appellant sub 12] is de vestiging van een agrarisch verwant bedrijf niet in strijd met de Verordening 2012, omdat in artikel 11.7 afwijkende regels voor agrarisch verwante bedrijven zijn gesteld en het perceel grotendeels als bestaand stedelijk gebied is aangewezen.

13.1. Het perceel heeft de bestemming "Agrarisch - Glastuinbouw".

In artikel 4, lid 4.1, van de planregels is opgenomen dat de voor "Agrarisch - Glastuinbouw" aangewezen gronden onder meer zijn bestemd voor grondgebonden agrarische bedrijven en glastuinbouwbedrijven. Deze bestemming staat geen agrarisch verwante bedrijven toe.

Ingevolge artikel 5, lid 5.1, aanhef en onder a, zijn de voor "Bedrijf" aangewezen gronden bestemd voor agrarisch-technische hulpbedrijven en agrarisch verwante bedrijven, tenzij het bedrijven zoals per adres opgenomen in de bij dit artikel behorende tabel, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - bestaand bedrijf", betreft.

13.2. Het perceel is in de Verordening 2012 voor een gedeelte als agrarisch gebied en vestigingsgebied glastuinbouw en voor een gedeelte als bestaand stedelijk gebied aangemerkt.

13.3. Het perceel is in gebruik voor de stalling van materiaal voor een grondverzetbedrijf. Voorts bestaan de werkzaamheden van het bedrijf van [appellant sub 12] onder meer uit het aanleggen van verhardingen en voederkuilen en het verrichten van grondwerk voor agrarische bedrijven en worden daarnaast hovenierswerkzaamheden verricht. Vast staat dat het bedrijf niet als zodanig is bestemd.

13.4. Ter zitting heeft de raad zich op het standpunt gesteld dat bij de vaststelling van het plan onvoldoende rekening is gehouden met het feit dat een groot gedeelte van het perceel in de Verordening 2012 is aangemerkt als bestaand stedelijk gebied, waar meer mogelijkheden zijn voor de vestiging van niet-agrarische functies. Ten aanzien van dat gedeelte van het perceel is volgens de raad ten onrechte niet bezien of voor het bedrijf van [appellant sub 12] een passende regeling in het plan kan worden opgenomen. Nu de raad zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid. Gelet op de samenhang van dit gedeelte van het perceel met de rest van het perceel, ziet de Afdeling aanleiding voor de conclusie dat de planregeling voor het gehele perceel onzorgvuldig is voorbereid. Het betoog slaagt.

13.5. In hetgeen [appellant sub 12] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover het betreft de vaststelling van een deel van het plandeel met de bestemming "Agrarisch - Glastuinbouw" voor het perceel ten zuiden van de [locatie 3], zoals nader aangeduid op een bij deze uitspraak behorende kaart, is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

13.6. De Afdeling ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, aanhef en onder a, en vijfde lid, van de Awb, zoals dit luidde ten tijde van belang, de raad op te dragen om voor het vernietigde planonderdeel met inachtneming van deze uitspraak een nieuw plan vast te stellen en zal daartoe een termijn stellen.

Het beroep van [appellant sub 10]

14. [appellant sub 10] betoogt dat de raad het plandeel met de bestemming "Agrarisch" voor de percelen, kadastraal bekend gemeente Vlijmen, sectie […], nrs. […] en […], ten onrechte heeft vastgesteld. Daartoe voert hij aan dat ten onrechte geen bedrijfsbestemming aan het perceel is toegekend, zodat een opslagruimte voor zijn evenementenverhuurbedrijf met eventueel een daarbij behorende bedrijfswoning is toegestaan. Volgens [appellant sub 10] is geen sprake van een bedrijventerrein, maar van een gemengd gebied met voornamelijk woningen en enkele solitair gelegen bedrijven, zodat het areaal aan bedrijventerreinen niet zal worden uitgebreid en de Verordening 2012 niet aan de door hem gewenste ontwikkelingen in de weg staat. Voorts is dit niet in strijd met de Structuurvisie "Ideeën voor een plek" (hierna: de structuurvisie) en is de vestiging van een bedrijf in milieucategorie 2 in een gemengd gebied planologisch aanvaardbaar. Volgens [appellant sub 10] is ten onrechte geen planologische afweging gemaakt over zijn verzoek.

14.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de toegekende bestemming passend is voor het gebied en is afgestemd op het huidige gebruik. Voorts wenst de raad het aantal bedrijfslocaties in beginsel niet uit te breiden. Hierbij verwijst de raad naar regionale afspraken hierover, waarbij behoudens bijzondere gevallen, geen nieuwe bedrijventerreinen worden mogelijk gemaakt.

14.2. De percelen hebben de bestemming "Agrarisch". Vast staat dat een opslagruimte voor het evenementenverhuurbedrijf van [appellant sub 10] met eventueel een daarbij behorende bedrijfswoning niet zijn toegestaan.

14.3. Op 15 juni 2010 heeft [appellant sub 10] een verzoek ingediend voor de vestiging van de gewenste bedrijvigheid en een daarbij behorende bedrijfswoning, waarbij een schets is overgelegd. Anders dan [appellant sub 10] betoogt is zijn concrete plan door de raad bij de vaststelling in ogenschouw genomen, maar acht de raad de toevoeging van een nieuwe bedrijfslocatie niet wenselijk. De raad heeft hieraan ten grondslag gelegd dat terughoudendheid wordt betracht bij de uitbreiding van bedrijfslocaties, mede gelet op de in overeenstemming met de Verordening 2012 in voorbereiding zijnde regionale afspraken. Deze terughoudendheid volgt ook uit de notitie "Gronduitgiftebeleid bedrijventerreinen gemeente Heusden", waarin onder meer staat dat bedrijven zich slechts op een nieuwe locatie mogen vestigen als vast staat dat op de bestaande bedrijventerreinen geen geschikte locatie beschikbaar is. Volgens de raad is niet aangetoond dat het bedrijf van [appellant sub 10] zich niet op een bestaande bedrijfslocatie in de omgeving kan vestigen, hetgeen [appellant sub 10] niet heeft weersproken. De Afdeling overweegt dat de raad gelet op voormelde omstandigheden in redelijkheid heeft kunnen besluiten geen planologische medewerking te verlenen aan het verzoek van [appellant sub 10]. Dat [appellant sub 10] ter zitting naar voren heeft gebracht dat hij slechts een opslagruimte voor zijn evenementenverhuurbedrijf op het perceel wenst te vestigen en het een kleinschalige bedrijfslocatie betreft, leidt niet tot een ander oordeel. Het betoog faalt.

14.4. Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellant sub 10] ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 24]

15. [appellant sub 24], die een agrarisch bedrijf exploiteert aan de [locatie 4] te Vlijmen, kan zich niet verenigen met de planregeling voor dit perceel en de planregeling voor het perceel, kadastraal bekend gemeente Heusden, sectie […], nr. […].

16. [appellant sub 24] betoogt dat de vorm van het bouwvlak op het plandeel met de bestemming "Agrarisch" aan de [locatie 4] ondoelmatig is, omdat de grenzen ten onrechte niet evenwijdig aan de zijgevels van de bestaande bebouwing zijn opgenomen. Gelet hierop heeft hij verzocht om de vorm van het bouwvlak aan te passen en het bouwvlak te vergroten. Volgens [appellant sub 24] is het bouwvlak niet in overeenstemming met de feitelijke situatie. De aan de noordoostzijde van de woning gelegen siertuin en de hoofdinrit van de melkrundveehouderij vallen geheel buiten het bouwvlak, zodat beide niet als zodanig zijn bestemd.

16.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het bouwvlak in overeenstemming is met de feitelijke situatie. Voor vormverandering van het bouwvlak kan, indien kan worden voorzien in een kwaliteitsverbetering van het landschap als bedoeld in de Verordening 2012, gebruik worden gemaakt van de in het plan opgenomen wijzigingsbevoegdheid.

16.2. De percelen aan de [locatie 4] hebben de bestemming "Agrarisch", waarbij aan een gedeelte van deze gronden een bouwvlak is toegekend.

16.3. Ingevolge artikel 3, lid 3.1, van de planregels zijn de voor "Agrarisch" aangewezen gronden bestemd voor:

a. grondgebonden agrarische bedrijven;

(…);

met de daarbij behorende:

q. paden en wegen en parkeervoorzieningen;

(…);

t. tuinen, erven en verhardingen;

(…).

Ingevolge lid 3.2.1, aanhef en onder a, geldt voor het bouwen van bouwwerken dat gebouwen dienen te worden gebouwd in het bouwvlak.

Ingevolge lid 3.7.1, aanhef en onder e, is het college van burgemeester en wethouders bevoegd het plan te wijzigen ten behoeve van de vormverandering van het bouwvlak, waarbij onder meer moet worden voldaan aan de voorwaarde dat er sprake is van een aantoonbare en uitvoerbare fysieke verbetering van de aanwezige of potentiële kwaliteiten van de bodem en/of water en/of natuur en/of landschap en/of cultuurhistorie van het gebied, waarbij wordt getoetst aan de ontwerprichtlijnen uit hoofdstuk 4 van de Ontwikkelingsvisie en aanvrager zich jegens de gemeente heeft verplicht om deze kwaliteitsverbetering uit te voeren en in stand te houden.

Ingevolge lid 3.7.2, aanhef en onder d, is het college van burgemeester en wethouders bevoegd om het plan te wijzigen ten behoeve van de vergroting van het bouwvlak van grondgebonden agrarische bedrijven, waarbij onder meer moet worden voldaan aan de voorwaarde dat er sprake is van een aantoonbare en uitvoerbare fysieke verbetering van de aanwezige of potentiële kwaliteiten van de bodem en/of water en/of natuur en/of landschap en/of cultuurhistorie van het gebied, waarbij wordt getoetst aan de ontwerprichtlijnen uit hoofdstuk 4 van de Ontwikkelingsvisie en aanvrager zich jegens de gemeente heeft verplicht om deze kwaliteitsverbetering uit te voeren en in stand te houden.

16.4. Vast staat dat de bestaande bebouwing binnen het bouwvlak staat en dus als zodanig is bestemd. Niet is gebleken dat vanwege het feit dat de grenzen van het bouwvlak niet evenwijdig aan de zijgevels van de bestaande bebouwing zijn opgenomen, de vorm van het bouwvlak dermate ondoelmatig is dat thans geen ruimte bestaat om de bestaande bebouwing binnen het bouwvlak uit te breiden. Voorts bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de aan de noordoostzijde van de woning gelegen siertuin en de hoofdinrit niet als zodanig zijn bestemd en derhalve een groter bouwvlak dient te worden opgenomen, nu paden, wegen, tuinen, erven en verhardingen ingevolge de planregels op gronden met de bestemming "Agrarisch" zijn toegestaan en deze niet binnen een bouwvlak hoeven te liggen. Onder deze omstandigheden en in aanmerking genomen dat artikel 3, lid 3.7.1, en artikel 3, lid 3.7.2, van de planregels voorzien in wijzigingsbevoegdheden waarmee een bouwvlak van vorm kan veranderen of kan worden vergroot indien een concreet bouwplan hiertoe aanleiding geeft, geeft hetgeen [appellant sub 24] heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid tot de gekozen wijze van bestemmen heeft kunnen komen. Het betoog faalt.

17. [appellant sub 24] betoogt dat de raad ten onrechte artikel 3, lid 3.2.6, van de planregels heeft vastgesteld. Gelet op de noodzaak van het voorkomen van onbevoegde betreding van zijn gronden dient langs de [locatie 4] te worden toegestaan om een hekwerk hoger dan 1 m op te richten. Vanuit landschappelijk oogpunt bestaan hiertegen geen bezwaren.

17.1. Ingevolge artikel 3, lid 3.2.6, aanhef en onder a, van de planregels geldt voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, dat de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen niet meer mag bedragen dan 2 m, met dien verstande dat de bouwhoogte voor erf- en terreinafscheidingen vóór de naar de weg gekeerde gevel niet meer mag bedragen dan 1 m.

17.2. Voor erf- en terreinafscheidingen vóór de naar de weg gekeerde gevel geldt ingevolge artikel 3, lid 3.2.6, aanhef en onder a, van de planregels dat deze niet hoger dan 1 m mogen zijn. De reden hiervoor is dat de raad het vanuit landschappelijk oogpunt niet wenselijk acht om een erfafscheiding hoger dan 1 m toe te staan. In hetgeen [appellant sub 24] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad gelet op het behoud van een open aanzicht van bebouwing vanaf de weg niet in redelijkheid een bouwhoogte van maximaal 1 m voor erf- en terreinafscheidingen vóór de naar de weg gekeerde gevel heeft kunnen opnemen. Het betoog faalt.

18. [appellant sub 24] betoogt dat de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie 2" ten onrechte aan de zuidwestzijde van de percelen aan de [locatie 4] is toegekend. Vanwege verstoring van de ondergrond door cultuurtechnische werkzaamheden en drainage tot ongeveer 0,5 tot 1 m en door ruilverkaveling is volgens hem geen sprake meer van archeologische waarden.

18.1. De raad stelt zich op het standpunt dat niet is aangetoond dat vanwege verstoring van de ondergrond van de percelen alle archeologische waarden verloren zijn gegaan. Gelet hierop is de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie 2" aan de percelen toegekend.

18.2. Aan de zuidwestzijde van de percelen aan de [locatie 4] is de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie 2" toegekend.

Ingevolge artikel 32, lid 32.1, zijn de voor "Waarde - Archeologie 2" aangewezen gronden, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud en de bescherming van de gebieden met te verwachten archeologische waarden.

18.3. Ingevolge artikel 38a van de Monumentenwet 1988 houdt de gemeenteraad bij de vaststelling van een bestemmingsplan als bedoeld in artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) en bij de bestemming van de in het plan begrepen grond, rekening met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten.

18.4. In de plantoelichting staat dat voor de gemeenten Haaren, Heusden, Loon op Zand en Vught door Vestigia Archeologie & Cultuurhistorie op 20 december 2011 een Archeologische verwachtingskaart is opgesteld. Hiertoe behoren een kaart met archeologische waarden en verwachtingen en een archeologische beleidsadvieskaart. De raad heeft met de vaststelling van het plan bij deze stukken aangesloten en deze stukken als uitgangspunt gebruikt bij alle activiteiten waar mogelijk archeologische waarden in het geding zijn. Op de archeologische beleidsadvieskaart zijn de archeologische waarden en verwachtingen in het plangebied in vijf verschillende archeologisch waardevolle gebieden onderverdeeld. De raad heeft in het plan aan de gronden in de categorieën 1 tot en met 4 door middel van een dubbelbestemming regels verbonden. Op de archeologische waarden- en verwachtingenkaart ligt het gedeelte van de percelen van [appellant sub 24] waaraan de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie 2" is toegekend in de categorie "archeologische waarde", hetgeen op de archeologische beleidsadvieskaart is vertaald naar de categorie "archeologisch waardevol gebied 2: waarde archeologie hoog (archeologisch waardevol terrein)". In de planregels behorend bij deze bestemming is opgenomen dat archeologisch onderzoek dient te worden verricht voor het verrichten van werkzaamheden of het bouwen van bouwwerken, tenzij het een gebied betreft dat kleiner is dan 100 m² of waarbij de bodem tot maximaal 50 cm onder maaiveld wordt geroerd.

18.5. De Afdeling is van oordeel dat voor het opnemen van een beschermingsregeling niet is vereist dat de aanwezigheid van de archeologische waarden ter plaatse vast staat, doch dat aannemelijk is dat dergelijke waarden in het gebied voorkomen. Op grond van voormelde stukken en het ten behoeve daarvan verrichte veldonderzoek heeft de raad aannemelijk gemaakt dat ter plaatse van de percelen archeologisch relevante resten in de bodem kunnen voorkomen, zodat een gedeelte van de gronden van [appellant sub 24] archeologisch waardevol is. Uit de stelling van [appellant sub 24] dat in het verleden grondwerkzaamheden, drainage en ruilverkaveling hebben plaatsgevonden en de ondergrond gelet daarop is verstoord, kan niet worden afgeleid op welke locaties en tot welke diepte de gronden zijn geroerd. Ter zitting is bovendien door [appellant sub 24] gesteld dat de gronden door de landbouwkundige bewerking in het algemeen niet dieper dan 50 cm zijn geroerd. [appellant sub 24] heeft niet aan de hand van stukken aannemelijk gemaakt dat de gronden zodanig zijn geroerd dat ter plaatse geen archeologische waarden meer aanwezig kunnen zijn. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de zuidwestzijde van de percelen van [appellant sub 24] archeologisch waardevol kunnen zijn en daaraan derhalve bescherming dient toe te komen. Het betoog faalt.

19. [appellant sub 24] betoogt dat de raad de dubbelbestemming "Waterstaat - Waterbergingsgebied" ten onrechte aan het perceel kadastraal bekend gemeente Heusden, sectie […], nr. […], heeft toegekend. Gelet op de geringe bergingscapaciteit van het perceel is deze dubbelbestemming niet noodzakelijk. Voorts zal deze capaciteit onbenut blijven door de voorziene aanpassing van de infrastructuur, zoals de aanleg van de oostelijke randweg Vlijmen en de klimaatbuffer, en heeft de raad geen rekening gehouden met het project voor Hoogwateraanpak ’s-Hertogenbosch (hierna: de Howabo).

19.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de dubbelbestemming "Waterstaat - Waterbergingsgebied" is opgenomen ter uitvoering van de Howabo. Het perceel is onderdeel van een groter bergingsgebied voor hoge waterstanden rondom 's-Hertogenbosch.

19.2. Het perceel heeft de bestemming "Agrarisch" en de dubbelbestemming "Waterstaat - Waterbergingsgebied".

Ingevolge artikel 37, lid 37.1, van de planregels zijn de voor "Waterstaat - Waterbergingsgebied" aangewezen gronden , behalve voor de daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor het behoud, het herstel en/of de ontwikkeling van het waterbergend vermogen.

19.3. Uit de plantoelichting volgt dat onder meer de dubbelbestemming "Waterstaat - Waterbergingsgebied" is opgenomen om de belangen op het gebied van waterstaat veilig te stellen, wat onder meer ziet op de ontwikkeling van de Howabo. De Howabo maakt het mogelijk om het water van de rivieren rondom de stad 's-Hertogenbosch bij hoogwater tijdelijk te bergen, zodat overlast in de stad zelf wordt tegengegaan. De waterberging vindt plaats in het buitengebied van de gemeenten 's-Hertogenbosch, Vught en Heusden. Gelet hierop is de op 22 december 2010 door het onderzoeksbureau Royal Haskoning opgestelde notitie "Howabo, input voor het bestemmingsplan buitengebied Heusden" aan het plan ten grondslag gelegd en is de Howabo voor een deel in dit plan mogelijk gemaakt.

Anders dan [appellant sub 24] betoogt, kan niet worden gesteld dat de raad geen rekening heeft gehouden met de Howabo, maar ligt deze ontwikkeling juist ten grondslag aan de toekenning van de dubbelbestemming "Waterstaat - Waterbergingsgebied" aan het perceel. Het perceel maakt deel uit van een groter gebied waar de waterberging mogelijk wordt gemaakt en draagt op die manier bij aan de doelstellingen van de Howabo. Voor zover [appellant sub 24] stelt dat de bergingscapaciteit onbenut zal blijven gelet op de aanleg van de oostelijke randweg Vlijmen en de klimaatbuffer, wordt overwogen dat de raad ter zitting heeft gesteld dat de klimaatbuffer een onderdeel is van de Howabo en dat bij de ontwikkeling van de oostelijke randweg Vlijmen rekening zal worden gehouden met de Howabo. Gelet hierop is niet gebleken dat deze ontwikkelingen er toe zullen leiden dat de waterbergingscapaciteit van het perceel onbenut zal blijven. Daarbij acht de Afdeling van belang dat de raad ter zitting heeft gesteld dat in het geval dat bij de planologische procedure voor de oostelijke randweg Vlijmen blijkt dat het perceel door de aanleg hiervan zal worden afgesneden van het waterbergingsgebied, in die betreffende procedure aan de orde kan komen of de dubbelbestemming "Waterstaat - Waterbergingsgebied" kan worden verwijderd. De Afdeling ziet gelet op het voorgaande geen aanleiding voor het oordeel dat het perceel thans een dermate geringe bergingscapaciteit heeft dat de dubbelbestemming "Waterstaat - Waterbergingsgebied" ten onrechte aan het perceel is toegekend.

Het betoog faalt.

20. [appellant sub 24] betoogt dat de raad ten onrechte artikel 3, lid 3.7.10, van de planregels heeft vastgesteld. In strijd met een toezegging in de nota van zienswijzen is deze wijzigingsbevoegdheid niet uit de planregels verwijderd.

20.1. De raad stelt zich op het standpunt dat in de nota van zienswijzen abusievelijk het woord "niet" is weggevallen, maar dat niet is ingestemd met het verzoek de wijzigingsbevoegdheid niet meer in het plan op te nemen. Voorts stelt de raad dat slechts van de wijzigingsbevoegdheid gebruik kan worden gemaakt indien een perceel door de gemeente ten behoeve van de realisatie van de EHS is aangekocht.

20.2. Ingevolge artikel 3, lid 3.7.10, van de planregels is het college van burgemeester en wethouders bevoegd de bestemming "Agrarisch" te wijzigen in de bestemming "Natuur" en/of "Bos" uitsluitend voor zover het betreft de gronden die worden ingericht ten behoeve van het realiseren van de ecologische hoofdstructuren en/of natuurvriendelijke oevers, met dien verstande dat:

a. de wijzigingsbevoegdheid niet eerder mag worden toegepast dan nadat de betreffende gronden in zijn geheel voor de daadwerkelijke natuurontwikkeling zijn verworven en aangewezen door gemeente, provincie of een andere daartoe bevoegde instantie;

b. de wijzigingsbevoegdheid niet eerder mag worden toegepast dan nadat de eigenaar van de gronden instemt met de wijziging;

(…).

20.3. Hoewel in de nota van zienswijzen met betrekking tot deze wijzigingsbevoegdheid het woord "niet" onder het kopje "reactie gemeente Heusden" niet staat vermeld, maar is vermeld dat kan worden ingestemd met het verwijderen van artikel 3, lid 3.7.10, van de planregels, is onder het kopje "gevolgen voor het bestemmingsplan" opgenomen dat deze zienswijze in zoverre niet leidt tot aanpassing van het bestemmingsplan. Gelet hierop vat de Afdeling het weglaten van het woord "niet" op als een kennelijke verschrijving en is deze wijziging terecht niet opgenomen in het vaststellingsbesluit en ook niet verwerkt op de verbeelding die door de raad is gewaarmerkt als behorend bij zijn besluit van 18 december 2012 en ter inzage is gelegd. Het betoog van [appellant sub 24] leidt gelet hierop niet tot het oordeel dat de verbeelding niet overeenstemt met het vaststellingsbesluit. Het betoog faalt.

20.4. Uit de wijzigingsvoorwaarden in artikel 3, lid 3.7.10, aanhef en onder a en b, van de planregels volgt dat slechts gebruik kan worden gemaakt van de bevoegdheid om de bestemming "Agrarisch" te wijzigen in de bestemming "Natuur" en/of "Bos" nadat het betreffende agrarische perceel ten behoeve van natuurontwikkeling is verworven en de eigenaar van dat perceel met wijziging van de bestemming instemt. Gelet hierop kan voor de agrarische percelen van [appellant sub 24] geen toepassing aan deze wijzigingsbevoegdheid worden gegeven, zolang deze percelen in eigendom van [appellant sub 24] zijn. Voorts bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat met het toekennen van de wijzigingsbevoegdheid onvoldoende rekening is gehouden met de belangen van [appellant sub 24]. Het betoog faalt.

21. Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellant sub 24] ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 6] en anderen

22. [appellant sub 6] en anderen betogen dat de raad de aanduiding "intensieve veehouderij" voor het plandeel met de bestemming "Agrarisch" aan de [locatie 5] te Heusden ten onrechte heeft vastgesteld. Daartoe voeren zij aan dat een inhoudelijke beoordeling van de door hen ingediende zienswijzen over dit plandeel ontbreekt omdat in de nota van zienswijzen alleen is opgenomen dat de aanvraag om vergroting van het bouwvlak is ingetrokken. Later hebben zij nog tweemaal een inspraakreactie ingediend, die ten onrechte niet bij het vastgestelde plan is opgenomen en door de raad niet bij de belangenafweging is betrokken. In tegenstelling tot hetgeen uit de nota van zienswijzen volgt, is echter wel ten onrechte de aanduiding "intensieve veehouderij" aan het perceel toegekend.

22.1. Uit de nota van zienswijzen volgt dat [belanghebbende], de eigenaar van het perceel, naar aanleiding van de ingediende zienswijzen heeft besloten zijn verzoek tot uitbreiding van het bouwvlak in te trekken. Gelet hierop is in de nota van zienswijzen opgenomen dat evenals in het vorige plan een agrarische bestemming aan het perceel wordt toegekend en, uitgaande van een plandeel zonder aanduiding voor intensieve veehouderij, een inhoudelijke bespreking van de zienswijze van [appellant sub 6] en anderen achterwege kan blijven.

Daarna heeft de raad de planregeling voor dit perceel tijdens een raadsvergadering heroverwogen. [appellant sub 6] en anderen hebben tijdens de raadsvergadering van 4 december 2012 een inspraakreactie ingediend, waarbij zij hun bezwaren tegen het als zodanig bestemmen van een intensieve veehouderij hebben herhaald. In deze raadsvergadering is geconstateerd dat de aanduiding "intensieve veehouderij" op het perceel [locatie 5] ontbreekt en voorgesteld om het plan op dit punt aan te passen, omdat dit in overeenstemming is met de bestaande vergunde situatie en in overeenstemming is met de Verordening 2012, zo blijkt uit het voorstel bijstelling bestemmingsplan. De door [appellant sub 6] en anderen opgestelde inspraakreactie ten behoeve van de raadsvergadering van 18 december 2012 is schriftelijk aan de raad verstrekt.

Gelet op het voorgaande heeft de raad bij de vaststelling van het plan bewust beslist over de toekenning van de aanduiding "intensieve veehouderij" aan het perceel en hebben [appellant sub 6] en anderen niet aannemelijk gemaakt dat de raad de twee inspraakreacties niet heeft betrokken bij deze besluitvorming.

Het betoog faalt.

23. [appellant sub 6] en anderen betogen dat een intensieve veehouderij op grond van het voorheen geldende plan ter plaatse niet mogelijk was. Niet is gemotiveerd waarom in dit plan een intensieve veehouderij is toegestaan. Volgens hen kan het bedrijf niet als intensieve veehouderij worden aangemerkt als bedoeld in de Verordening 2012, maar dient het als een grondgebonden agrarisch bedrijf te worden aangemerkt. Daarbij voeren ze aan dat het houden van varkens in dit geval als een hobbymatige activiteit moet worden beschouwd, gelet op de beperkte omvang hiervan in relatie tot het telen van gewassen.

23.1. De raad stelt zich op het standpunt dat een intensieve veehouderij op grond van het voorheen geldende plan ter plaatse reeds mogelijk was. Volgens de raad kan het bedrijf worden aangemerkt als een gemengd agrarisch bedrijf met een volwaardige intensieve veehouderijtak. Overeenkomstig de feitelijke situatie en de wensen van de eigenaar van het perceel is de aanduiding "intensieve veehouderij" aan een deel van het perceel toegekend.

23.2. Het bedrijf aan de [locatie 5] heeft een oppervlakte van ongeveer 3 ha. Aan de percelen is de bestemming "Agrarisch" toegekend, waarbij aan een gedeelte daarvan de aanduiding "intensieve veehouderij" en een bouwvlak is toegekend.

Ingevolge artikel 3, lid 3.1, van de planregels zijn de voor "Agrarisch aangewezen gronden bestemd voor:

a. grondgebonden agrarische bedrijven;

b. intensieve veehouderijen, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "intensieve veehouderij";

(…).

Ingevolge lid 3.2.1, aanhef en onder a, geldt voor het bouwen van bouwwerken in het algemeen dat gebouwen dienen te worden gebouwd in het bouwvlak.

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder bj, wordt onder grondgebonden agrarisch bedrijf verstaan: een agrarisch bedrijf met een bedrijfsvoering die geheel of in overwegende mate niet in gebouwen plaatsvindt.

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder bz, wordt onder intensieve veehouderij verstaan: een agrarisch bedrijf met een bedrijfsvoering die geheel of in overwegende mate in gebouwen plaatsvindt en gericht is op het houden van dieren, zoals rundveemesterij, varkens-, vleeskalver-, pluimvee-, pelsdier-, geiten- of schapenhouderij of een combinatie van deze bedrijfsvormen, alsmede naar de aard daarmee gelijk te stellen bedrijfsvormen, met uitzondering van grondgebonden melkrundveehouderij.

De begrippen grondgebonden agrarisch bedrijf en intensieve veehouderij zijn gelijk aan de begrippen in de Verordening 2012, zoals opgenomen in artikel 1.1, aanhef en onder 36, respectievelijk 40, van de Verordening 2012.

23.3. In de plantoelichting is opgenomen dat de toegekende agrarische bouwvlakken en aanduidingen in beginsel zijn gebaseerd op de vigerende bestemmingsregeling. Daarbij is voor bestaande agrarische bedrijven in beginsel een grens van 15 Nederlandse grootte-eenheden (hierna: nge) gehanteerd. Voor de omvang van de bouwvlakken op de plankaart zijn de geldende bouwvlakken en de bestaande bebouwing als uitgangspunt genomen.

23.4. In het vorige bestemmingsplan "Buitengebied" uit 1996 had het perceel de bestemming "Agrarisch gebied" en was een bouwvlak toegekend.

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder 5, van de voorschriften van dat plan wordt onder agrarisch bedrijf verstaan: een bedrijf dat geheel of overwegend gericht is op het bedrijfsmatig voortbrengen van producten door het telen van gewassen en/of het fokken of houden van dieren.

Ingevolge artikel 6, eerste lid, aanhef en onder a, zijn de op de plankaart voor "Agrarisch gebied" aangewezen gronden uitsluitend bestemd voor de bedrijfsvoering van agrarische bedrijven.

Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder b, geldt voor het bouwen van gebouwen op de in het eerste lid omschreven gronden dat de gebouwen uitsluitend binnen de op de plankaart aangegeven bouwvlakken mogen worden gebouwd.

23.5. De bedrijfsvoering ter plaatse bestaat uit het houden van varkens en het telen van diverse akkerbouwgewassen. Gelet hierop dient het bedrijf als een gemengd agrarisch bedrijf met een intensieve veehouderijtak en een grondgebonden agrarische bedrijfstak te worden aangemerkt. Anders dan [appellant sub 6] en anderen stellen, was in het voorheen geldende bestemmingsplan "Buitengebied" het gebruik van de percelen voor intensieve veehouderij op grond van de toegekende bestemming "Agrarisch gebied" binnen het bouwvlak niet uitgesloten, nu geen onderscheid werd gemaakt tussen verschillende agrarische bedrijfsvormen. Vast staat dat, anders dan in dat plan, in het voorliggende plan niet alle bedrijfspercelen voor een intensieve veehouderij in gebruik kunnen worden genomen, maar slechts het gedeelte van de gronden waarop het bouwvlak is gelegen en waaraan de aanduiding" intensieve veehouderij" is toegekend. Dit komt overeen met het gedeelte van de gronden waar de varkens in gebouwen worden gehouden.

Zoals uit de plantoelichting volgt, heeft de raad voor de vraag of sprake is van een volwaardige bedrijfsactiviteit waarvoor een bouwvlak en de aanduiding "intensieve veehouderij" moet worden toegekend het aantal nge in beginsel bepalend geacht. De Afdeling ziet in hetgeen [appellant sub 6] en anderen hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid daarbij aansluiting heeft kunnen zoeken ter bepaling van de volwaardigheid. Op basis van de in 1995 aan De Wilt verleende milieuvergunning voor 300 varkens bedraagt het totaal aantal nge 26, zodat de raad deze agrarische activiteiten in redelijkheid niet als een hobbymatige agrarische bedrijfsuitoefening heeft aangemerkt. In de definitie van intensieve veehouderij staat centraal de vraag of dieren al dan niet in gebouwen worden gehouden. [appellant sub 6] en anderen hebben niet aannemelijk gemaakt dat de bedrijfsvoering ter plaatse van het bouwvlak niet geheel of in overwegende mate in gebouwen plaatsvindt, zodat de Afdeling van oordeel is dat de raad het bedrijf in zoverre terecht als een intensieve veehouderij als bedoeld in artikel 1.1, aanhef en onder 40, van de Verordening 2012 en artikel 1, aanhef en onder bz, van de planregels heeft aangemerkt. Dat een groot gedeelte van de bedrijfspercelen in gebruik is voor de grondgebonden agrarische bedrijfstak doet aan het vorenstaande niet af. Op die perceelsgedeelten is geen bouwvlak opgenomen en voorts is de aanduiding "intensieve veehouderij" hieraan niet toegekend, zodat het bestemmingsplan zich er tegen verzet dat die perceelsgedeelten bij recht kunnen worden benut voor de intensieve veehouderijtak. Gelet op het voorgaande heeft de raad in redelijkheid in overeenstemming met de bestaande situatie en vergunde rechten en met inachtneming van het vorige bestemmingsplan de aanduiding "intensieve veehouderij" kunnen toekennen aan het gedeelte van het perceel dat voor het houden van varkens in gebruik is.Het betoog faalt.

24. Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellant sub 6] en anderen ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 3]

25. [appellant sub 3] betoogt dat de raad aan een gedeelte van het perceel met de bestemming "Agrarisch" aan de [locatie 6] te Drunen ten onrechte geen woonbestemming heeft toegekend. In het verleden is overeenkomstig een bouwvergunning een schuur op het perceel opgericht, welke voor een gedeelte als woning in gebruik is genomen. Ten onrechte is deze volgens hem legale woonbebouwing niet als zodanig bestemd. Een gedeelte van de schuur is vervolgens afgebroken en daarvoor zijn volgens [appellant sub 3] woonunits in de plaats gekomen. Ten onrechte is de woonbebouwing en het gebruik daarvan alleen door middel van een persoonsgebonden gedoogbeschikking toegestaan.

25.1. De raad stelt zich op het standpunt dat bewoning van de woonunits op basis van een persoonsgebonden gedoogbeschikking is toegestaan. De raad acht het niet wenselijk om dit gebruik als zodanig te bestemmen. Dat een persoonsgebonden gedoogbeschikking is verleend, betekent voorts niet dat aanspraak op een woonbestemming kan worden gemaakt.

25.2. Ingevolge artikel 3.2.2 van het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: Bro) worden behoudens voor zover uit de Richtlijnen 79/409/EEG en 92/43/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 2 april 1979 inzake het behoud van de vogelstand onderscheidenlijk van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna beperkingen voortvloeien ten aanzien van ten tijde van de inwerkingtreding van een bestemmingsplan bestaand gebruik, in een bestemmingsplan de volgende regels van overgangsrecht ten aanzien van gebruik opgenomen:

1. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.

(…)

4. Het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.

Ingevolge artikel 3.2.3 kan de gemeenteraad indien toepassing van het overeenkomstig artikel 3.2.2 in het plan opgenomen gebruiksovergangsrecht zou kunnen leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard voor een of meer natuurlijke personen die op het tijdstip van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan grond en opstallen gebruikten in strijd met het voordien geldende bestemmingsplan, met het oog op beëindiging op termijn van die met het bestemmingsplan strijdige situatie, in het plan persoonsgebonden overgangsrecht opnemen.

25.3. Het perceel heeft de bestemming "Agrarisch".

Ingevolge artikel 46, lid 46.1, onder a, van de planregels mag een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot:

1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;

2. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.

Ingevolge het bepaalde onder c is het bepaalde onder a niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.

Ingevolge artikel 46, lid 46.2, onder a, mag het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van [lees: inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is] worden voortgezet.

Ingevolge het bepaalde onder d is het bepaalde onder a niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.

25.4. In het voorheen geldende plan "Kasteeldreef-Groenewoud" van 1972 was aan het perceel de bestemming "Agrarisch gebied" toegekend.

25.5. Vast staat dat het zowel in het voorheen geldende plan als in dit plan niet is toegestaan om op het perceel woonbebouwing op te richten en in gebruik te nemen. Op 29 april 2008 is door het college van burgemeester en wethouders een persoonsgebonden gedoogbeschikking verleend voor bewoning van het voormalige kippenhok en van de twee woonunits.

25.6. Over het betoog van [appellant sub 3] dat de woonbebouwing ten onrechte niet als zodanig is bestemd, wordt als volgt overwogen. Tussen partijen is niet in geschil dat het voormalige kippenhok legaal is gebouwd. Uit de gedoogbeschikking volgt dat deze bebouwing in gebruik is genomen als woning en in 2008 hiertoe is aangepast. [appellant sub 3] heeft niet aannemelijk gemaakt dat een hiervoor benodigde bouwvergunning dan wel vrijstelling is verleend. Evenmin is gebleken dat een bouwvergunning of vrijstelling is verleend voor de in 2006 op het perceel aangetroffen woonunits, zodat ervan moet worden uitgegaan dat deze illegaal zijn gebouwd. Voorts zijn het voormalige kippenhok en de woonunits illegaal in gebruik genomen tijdens de geldingsduur van het voorheen geldende plan. Deze bebouwing en het gebruik daarvan worden, gelet op het overgangsrecht dat is opgenomen in artikel 46, lid 46.1 en lid 46.2, van de planregels, niet beschermd door het overgangsrecht van dit plan.

Omdat de bouwwerken onder het voorheen geldende plan niet gelegaliseerd konden worden, bestond er voor de raad om die reden geen aanleiding dit in het thans voorliggende plan als zodanig te bestemmen. Ook gebruik in strijd met een geldende bestemming doet in beginsel geen gerechtvaardigde rechten en verwachtingen ontstaan dat het gebruik als zodanig wordt bestemd. Het enkele feit dat een illegaal bouwwerk reeds lange tijd aanwezig is en in strijd met de bestemming wordt gebruikt, rechtvaardigt op zichzelf niet dat het als zodanig wordt bestemd. De raad heeft ter zitting gesteld dat er geen aanleiding bestaat voor een positieve bestemming omdat verstening van het buitengebied niet wenselijk wordt geacht. Voorts ligt de bebouwing binnen de geluidzone van het nabijgelegen industrieterrein en op korte afstand van bedrijvigheid in categorie 4.2. Gelet hierop ziet de Afdeling in hetgeen [appellant sub 3] naar voren heeft gebracht geen aanleiding voor het oordeel dat de raad bij de afweging van alle betrokken belangen niet in redelijkheid heeft kunnen afzien van het toekennen van een woonbestemming aan deze bebouwing. Daarbij betrekt de Afdeling dat een persoonsgebonden gedoogbeschikking geen recht inhoudt om op agrarisch aangewezen gronden bebouwing voor wonen op te richten en in gebruik te nemen en niet is gebleken van rechten die [appellant sub 3] anderszins daarop kan doen gelden.

25.7. Ter zitting heeft de raad te kennen gegeven dat [appellant sub 3] de bewoning op basis van de gedoogbeschikking mag voortzetten en hij dit besluit van het college van burgemeester en wethouders respecteert. Voorts heeft de raad gesteld dat hij niet bij het college van burgemeester en wethouders zal aansturen op handhavend optreden zolang [appellant sub 3] op het perceel woont. Hoewel de bebouwing en het gebruik daarvan in planologisch opzicht illegaal blijven, kan gelet hierop worden vastgesteld dat het gebruik naar verwachting niet binnen de planperiode zal worden beëindigd, maar tot na deze periode zal worden voortgezet.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 17 oktober 2012, in zaak nr. 201113132/1/T1/R1 dient de raad indien hij bij het vaststellen van een bestemmingsplan het bestaande gebruik niet als zodanig bestemt, maar voor een of meer plandelen een andere bestemming in het belang van een goede ruimtelijke ordening aangewezen acht, te kiezen voor een bestemming waarvan aannemelijk is dat deze binnen de planperiode van in beginsel tien jaar wordt gerealiseerd. Bestaand legaal gebruik mag op grond van het - ingevolge artikel 3.2.2 van het Bro in het bestemmingsplan op te nemen - algemene overgangsrecht worden voortgezet. Artikel 3.2.3 biedt de raad daarnaast de mogelijkheid om voor een of meer natuurlijke personen persoonsgebonden overgangsrecht op te nemen. Daartoe kan de raad overgaan in gevallen waarin het bestaande gebruik, gelet op artikel 3.2.2, vierde lid, niet onder de werking van het algemene overgangsrecht zou vallen en handhavend optreden tot een onbillijkheid van overwegende aard als bedoeld in artikel 3.2.3 zou leiden.

Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad onder voormelde omstandigheden zijn keuze om voor de woonbebouwing op het perceel [locatie 6] geen regeling in het plan op te nemen niet afdoende gemotiveerd. De enkele, niet van motivering voorziene, stelling van de raad dat hij in dit geval geen regeling in het plan heeft willen opnemen, is daartoe, gelet op de mogelijkheden die de wet biedt, niet toereikend. Daarbij betrekt de Afdeling dat ter zitting door de raad te kennen is gegeven dat in de besluitvorming geen aandacht is besteed aan de mogelijkheid om artikel 3.2.3 van het Bro toe te passen en om voor [appellant sub 3] persoonsgebonden overgangsrecht op te nemen in het plan. Voor zover de raad zich ter zitting tevens op het standpunt heeft gesteld dat dit gelet op de persoonsgebonden gedoogbeschikking niet nodig is, overweegt de Afdeling dat, anders dan de raad meent en zoals eerder is overwogen in voormelde uitspraak van 17 oktober 2012, een persoonsgebonden gedoogbeschikking in juridisch opzicht niet gelijk kan worden gesteld met in een plan opgenomen persoonsgebonden overgangsrecht.

Het betoog slaagt.

25.8. In hetgeen [appellant sub 3] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit wat betreft een deel van het plandeel met de bestemming "Agrarisch" aan de [locatie 6], zoals nader aangeduid op een bij deze uitspraak behorende kaart, is genomen in strijd met artikel 3:46 van de Awb. Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

25.9. De Afdeling ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, aanhef en onder a, en vijfde lid, van de Awb, zoals dit luidde ten tijde van belang, de raad op te dragen om voor het vernietigde plandeel met inachtneming van deze uitspraak een nieuw plan vast te stellen en zal daartoe een termijn stellen.

Het beroep van [appellante sub 20]

26. [appellante sub 20] betoogt dat de raad het plandeel met de bestemming "Agrarisch" voor het perceel, kadastraal bekend gemeente Heusden, sectie N, nr. 3500, ten onrechte heeft vastgesteld. Daartoe voert zij aan dat de vestiging van een tankstation ten onrechte niet bij recht dan wel via een wijzigingsbevoegdheid of een afwijkingsbevoegdheid wordt toegestaan. [appellante sub 20] is sinds 1989 met het college van burgemeester en wethouders in gesprek over verplaatsing van haar bestaande tankstation aan de Pastoriestraat te Vlijmen naar een meer perifere locatie en vanaf 2002 specifiek naar dit perceel. Voorts is hiervoor in 2004 een milieuvergunning verleend. Vanwege de nabijheid van een bedrijventerrein en de verdere ontwikkeling van woningbouw in de omgeving bestaat een toenemende behoefte aan een tankstation op deze locatie. Daarnaast is het perceel in de Ontwikkelingsvisie aangewezen als gemengd gebied waar ruimte is voor diverse functies en volgt uit de structuurvisie dat ter hoogte van het perceel nieuwe aansluitingen op de A59 zullen worden gerealiseerd. De vestiging van een tankstation is niet in strijd met de Verordening 2012, aldus [appellante sub 20].

26.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de Verordening 2012 in de weg staat aan de vestiging van een tankstation op het perceel omdat vestiging van niet-agrarische activiteiten in agrarisch gebied in beginsel niet mogelijk is. Een stedelijke ontwikkeling is in het gebied integratie stad-land in beginsel wel mogelijk, maar in dit geval bestaan er nog geen concrete ontwikkelingsplannen voor de gronden rondom het perceel. De geplande woningbouw zal mogelijk in een periode van 10 jaar worden gerealiseerd en voorts dient nog te worden bezien waar de nieuwe aansluitingen op de A59 zullen worden gerealiseerd. Gelet hierop wil de raad de ontwikkelingsmogelijkheden ter plaatse van deze gronden niet beperken. Aan de milieuvergunning komt volgens de raad geen betekenis toe, omdat die is vervallen.

26.2. In de Verordening 2012 is het perceel als gebied integratie stad-land en agrarisch gebied aangewezen.

Ingevolge artikel 1.1, aanhef en onder 6, van de Verordening 2012 wordt onder agrarisch gebied verstaan: gebied waar ontwikkelingsmogelijkheden zijn voor agrarische bedrijven.

Ingevolge artikel 1.1, aanhef en onder 29, wordt onder gebied integratie stad-land verstaan: gebied waar onder voorwaarden een stedelijke ontwikkeling in samenhang met een evenredige groene en blauwe landschapsontwikkeling mogelijk is.

Ingevolge artikel 1.1, aanhef en onder 80, wordt onder VAB-vestiging verstaan: vestiging van een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling waarbij gebruik wordt gemaakt van een bestaand bestemmingsvlak of bouwblok waarbinnen het geldend bestemmingsplan het bouwen van gebouwen en bijbehorende bouwwerken met een gezamenlijke oppervlakte van meer dan 100 m² toestaat.

Ingevolge artikel 1.2, vijfde lid, van de Verordening 2012 geldt, in geval meer bepalingen van deze Verordening gelijktijdig van toepassing zijn, bij tegenstrijdigheid de meest beperkende bepaling tenzij in deze Verordening uitdrukkelijk anders is bepaald.

Ingevolge artikel 11.6, eerste lid, kan een bestemmingsplan dat is gelegen in agrarisch gebied, niet zijnde een landbouwontwikkelingsgebied, voorzien in een VAB-vestiging of een uitbreiding van een niet-agrarische ruimtelijke ontwikkeling, anders dan bepaald in de artikelen 11.1 tot en met 11.5, mits het voldoet aan de hierin gestelde voorwaarden.

26.3. Het perceel heeft de bestemming "Agrarisch".

Ingevolge artikel 3, lid 3.1, van de planregels zijn de voor "Agrarisch" aangewezen gronden onder meer bestemd voor grondgebonden agrarische bedrijven. Het plan maakt het gewenste tankstation ter plaatse niet mogelijk.

26.4. In het voorheen geldende bestemmingsplan "1e Partiële herziening buitengebied Vlijmen" had het perceel de bestemming "Agrarische doeleinden ag". Aan het perceel was geen bouwvlak toegekend.

Ingevolge artikel 5 van de voorschriften van dat plan zijn de als zodanig aangewezen gronden bestemd voor:

a. agrarisch grondgebruik en agrarische bedrijfsuitoefening;

b. verkeersdoeleinden, waaronder langzaamverkeerroutes en groenvoorzieningen;

c. bij de bestemming behorende bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

Ingevolge het eerste lid mogen op de als zodanig aangewezen gronden uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten dienste van de bestemming worden gebouwd.

26.5. Hoofdstuk 8 van de Verordening 2012 bevat regels die van toepassing zijn op agrarisch gebied. Mede gelet op de definitie van agrarisch gebied zoals opgenomen in artikel 1.1, onder 6, van de Verordening 2012, zijn de algemene regels voor dit gebied zoals opgenomen in Hoofdstuk 8 gericht op ontwikkelingsmogelijkheden voor agrarische bedrijven. Gelet hierop zijn niet-agrarische ontwikkelingen als bedoeld in Hoofdstuk 11 van de Verordening 2012 in agrarisch gebied alleen toegestaan als dit uitdrukkelijk in dat hoofdstuk is bepaald.

Vast staat dat in het voorheen geldende plan een tankstation niet was toegestaan. Vestiging van een tankstation moet worden aangemerkt als een niet-agrarische ontwikkeling als bedoeld in Hoofdstuk 11 van de Verordening 2012. Artikel 11.6, eerste lid, van de Verordening 2012 staat de vestiging van een niet-agrarische ontwikkeling in agrarisch gebied alleen toe als dit als een VAB-vestiging als bedoeld in artikel 1.1, aanhef en onder 80, van de Verordening 2012 kan worden aangemerkt. In het voorheen geldende plan was geen bouwvlak aan het perceel toegekend. Voorts volgt uit de voorschriften van dat plan dat uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, op het perceel mochten worden gebouwd. Gelet hierop stond dat plan het bouwen van gebouwen en bijbehorende bouwwerken met een gezamenlijke oppervlakte van meer dan 100 m² niet toe en kan de vestiging van een tankstation ter plaatse niet worden aangemerkt als VAB-vestiging. Gelet op de systematiek van de Verordening 2012 is de vestiging van een tankstation in agrarisch gebied op dit perceel derhalve niet toegestaan. Omdat uit artikel 1.2, vijfde lid, van de Verordening 2012 volgt dat bij tegenstrijdigheid van bepalingen uit de Verordening 2012 de meest beperkende bepaling geldt, hoeft de vraag of vestiging van een tankstation in gebied integratie stad-land in dit geval op grond van artikel 3.4 van de Verordening 2012 mogelijk zou zijn, niet beantwoord te worden.

Het betoog faalt.

26.6. Gelet op het voorgaande behoeft hetgeen voor het overige is aangevoerd geen bespreking meer. Het beroep van [appellante sub 20] is ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 21]

27. [appellant sub 21] betoogt dat de raad de aanduiding "wro-zone - wijzigingsgebied 4" ten onrechte heeft toegekend aan de percelen met de bestemming "Agrarisch" en aan de percelen met de bestemming "Water", ten noorden van zijn perceel [locatie 7] te Drunen. Deze wijzigingsbevoegdheid maakt het mogelijk een dagrecreatief of verblijfsrecreatief bedrijf op de percelen te vestigen, terwijl deze gronden volgens [appellant sub 21] niet geschikt zijn voor recreatieve doeleinden en de agrarische functie behouden dient te blijven.

27.1. De percelen ten noorden van de [locatie 7] hebben de bestemming "Agrarisch" of "Water" en de aanduiding "wro-zone - wijzigingsgebied 4".

Ingevolge artikel 44, lid 44.2, onder d, van de planregels is het college van burgemeester en wethouders bevoegd ter plaatse van de aanduiding "wro-zone - wijzigingsgebied 4" de bestemming te wijzigen ten behoeve van vergroting en omschakeling van een bestaand dagrecreatief bedrijf in een dagrecreatief en/of verblijfsrecreatief bedrijf, indien wordt voldaan aan de daarin opgenomen voorwaarden.

27.2. De raad stelt zich op het standpunt dat hij met betrekking tot de wijzigingsbevoegdheid tot een ander inzicht is gekomen en gelet hierop kan instemmen met vernietiging van de aanduiding "wro-zone - wijzigingsgebied 4" voor de percelen ten noorden van de [locatie 7].

De raad heeft vervolgens bij besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan "Het Run" van 8 juli 2014 de aanduiding "wro-zone - wijzigingsgebied 4" niet meer aan de percelen met de bestemming "Agrarisch" en de percelen met de bestemming "Water" ten noorden van het perceel [locatie 7] toegekend.

27.3. Ingevolge artikel 6:19, eerste lid, van de Awb heeft het beroep van rechtswege mede betrekking op een besluit tot intrekking, wijziging of vervanging van het bestreden besluit, tenzij partijen daarbij onvoldoende belang hebben.

Ingevolge het zesde lid staat intrekking of vervanging van het bestreden besluit niet in de weg aan vernietiging van dat besluit indien de indiener van het beroepschrift daarbij belang heeft.

27.4. De Afdeling stelt vast dat met het besluit van 8 juli 2014 op dit punt geheel is tegemoet gekomen aan het beroep van [appellant sub 21] tegen het besluit van 18 december 2012. Gelet hierop heeft [appellant sub 21] onvoldoende belang bij een beroep tegen het besluit van 8 juli 2014 en is in dit geval geen beroep van rechtswege als bedoeld in artikel 6:19, eerste lid, van de Awb ontstaan waarop nog dient te worden beslist.

Niet is gebleken dat [appellant sub 21] in zoverre nog belang heeft bij een beoordeling van zijn beroep tegen het besluit van 18 december 2012. Het beroep dient gelet hierop in zoverre niet-ontvankelijk te worden verklaard.

28. [appellant sub 21] betoogt voorts dat de raad ter plaatse van het plandeel met de bestemming "Agrarisch" aan de [locatie 7] ten onrechte niet tevens een groothandel voor agrarische benodigdheden inclusief ondergeschikte detailhandel als zodanig heeft bestemd. Dit bedrijf is verbonden en ondergeschikt aan de tevens op dat perceel gevestigde paardenhouderij, welke bedrijfsactiviteit wel als zodanig is bestemd, en is sinds 1968 op het perceel gevestigd. De raad is op de hoogte van de ter plaatse gevestigde groothandel en heeft daarnaast met de vestiging hiervan ingestemd. Gelet hierop kan het als zodanig bestemmen van de groothandel niet als nieuwe ontwikkeling worden aangemerkt. Volgens [appellant sub 21] bestaan geen ruimtelijke bezwaren tegen het als zodanig bestemmen van de groothandel. De afwijkingsbevoegdheid voor het toestaan van nevenactiviteiten op het perceel is niet toereikend, nu dit is beperkt tot bedrijven met een maximale oppervlakte van 400 m².

28.1. De raad stelt zich op het standpunt dat geen vergunning of vrijstelling is verleend voor de groothandel, zodat het als zodanig bestemmen hiervan een nieuwe ontwikkeling is. Daarbij wijst de raad op de afwijkingsbevoegdheid voor het toestaan van nevenactiviteiten bij agrarische bedrijven.

28.2. Het perceel heeft de bestemming "Agrarisch" en de aanduiding "paardenhouderij". Voorts is een bouwvlak toegekend. Het perceel heeft niet de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - nevenactiviteit".

Ingevolge artikel 3, lid 3.1, aanhef en onder a, van de planregels zijn de voor "Agrarisch" aangewezen gronden bestemd voor grondgebonden agrarische bedrijven.

Ingevolge het bepaalde in de aanhef en onder e zijn nevenactiviteiten toegestaan zoals per adres is aangegeven in de bij deze regels behorende bijlage 1 Overzicht nevenactiviteiten, waarbij niet meer dan één bedrijf aanwezig mag zijn per bouwvlak, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - nevenactiviteit".

Ingevolge het bepaalde in de aanhef en onder g zijn de voor "Agrarisch" aangewezen gronden bestemd voor paardenhouderijbedrijven, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "paardenhouderij", waarbij niet meer dan één bedrijf aanwezig mag zijn per bouwvlak.

Ingevolge artikel 3, lid 3.5, kan het bevoegd gezag bij een omgevingsvergunning afwijken van:

a. het bepaalde in artikel 3, lid 3.1, aanhef en onder a, voor verbrede landbouw en nevenactiviteiten, waarbij de volgende bepalingen gelden:

(…)

3. wat betreft de omvang van de toe te laten nevenfuncties gelden de volgende voorwaarden:

- bedrijven tot een maximum gezamenlijke oppervlakte van 400 m² en behorende tot een milieucategorie 1 of 2 zijn toegestaan;

(…).

28.3. Vast staat dat de groothandel op het perceel niet als zodanig is bestemd, omdat deze nevenactiviteit niet in bijlage 1 Overzicht nevenactiviteiten is opgenomen. Niet is gebleken dat de raad voorafgaand aan de vaststelling van dit plan heeft ingestemd met het als zodanig bestemmen van de groothandel. Daargelaten dat de brief van 14 juni 2012 afkomstig is van het college van burgemeester en wethouders en niet van de raad, is deze brief hiervoor onvoldoende. Hierin staat slechts dat na een controle op het perceel van [appellant sub 21] is vastgesteld dat ter plaatse een groothandel in stalinrichtings- en afrasteringsmaterialen inclusief detailhandel is gevestigd, waarbij er op is gewezen dat deze bedrijfsactiviteiten niet zijn toegestaan, maar eventueel als zodanig kunnen worden bestemd, waartoe [appellant sub 21] een verzoek dient in te dienen. [appellant sub 21] heeft vervolgens in zijn zienswijze verzocht om het als zodanig bestemmen van de bestaande groothandel, maar daarbij niet kenbaar gemaakt waar en in welke omvang de activiteiten van de groothandel precies plaatsvinden. Voorts is niet duidelijk of de detailhandelsactiviteiten ondergeschikt zijn en in welke omvang en waar deze plaatsvinden. Nu pas na de vaststelling van het plan is gespecificeerd dat de omvang van de groothandelsactiviteiten 1.500 m² is en een kaart is overgelegd waarop de specifieke locatie van de groothandelsactiviteiten is aangeduid, is de Afdeling van oordeel dat het verzoek van [appellant sub 21] ten tijde van de vaststelling van het plan onvoldoende concreet was. De stelling van [appellant sub 21] dat dit voldoende bekend was gelet op de controle in het kader van een handhavingstraject kan niet worden gevolgd, omdat het gelet op voormelde brief op de weg van [appellant sub 21] lag om zijn verzoek te concretiseren en een controle niet bedoeld is om informatie te verzamelen voor een nieuwe bedrijfsontwikkeling. Gelet hierop heeft de raad in redelijkheid geen aanleiding hoeven zien om planologische medewerking aan het verzoek te verlenen. Daarbij betrekt de Afdeling dat de raad zich onder deze omstandigheden in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de groothandel op grond van de in artikel 3, lid 3.5 opgenomen afwijkingsbevoegdheid voor nevenactiviteiten kan worden toegestaan, nu [appellant sub 21] in zijn zienswijzen de indruk heeft gewekt dat de groothandel ondergeschikt en kleinschalig van aard is. Het betoog faalt.

Overigens heeft de raad ter zitting gesteld eventueel medewerking te willen verlenen aan het als zodanig bestemmen van de bestaande groothandelsactiviteiten in de huidige omvang indien een concreet en onderbouwd verzoek wordt ingediend, waarin onder meer een kwaliteitsverbetering van het landschap is opgenomen.

29. Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellant sub 21], voor zover ontvankelijk, ongegrond.

Het beroep van [appellante sub 9]

30. [appellante sub 9] die op het perceel [locatie 8] te Elshout een melkveehouderij exploiteert, kan zich niet verenigen met de planregeling voor het perceel. Volgens [appellante sub 9] wordt zij hierdoor onevenredig beperkt in de ontwikkelings- en uitbreidingsmogelijkheden voor het bedrijf.

De aanduiding "vrijwaringszone - snelweg"

31. [appellante sub 9] betoogt dat de raad de aanduiding "vrijwaringszone - snelweg", die is toegekend aan een deel van het perceel [locatie 8], ten onrechte heeft vastgesteld. Zij voert aan dat op haar perceel ter plaatse van de vrijwaringszone ten onrechte geen bebouwing mag worden gebouwd. Zij stelt hierdoor te worden belemmerd in haar uitbreidingsmogelijkheden. Weliswaar is in het plan een afwijkingsbevoegdheid opgenomen, maar, gelet op de voorwaarden die daaraan zijn verbonden, is het onzeker of een omgevingsvergunning voor bouwen kan worden verleend. Daarnaast zijn de in de afwijkingsbevoegdheid opgenomen voorwaarden volgens [appellante sub 9] onduidelijk en rechtsonzeker.

31.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de aanduiding "vrijwaringszone - snelweg" is opgenomen vanwege het beleid van Rijkswaterstaat. Met de vrijwaringszone wordt beoogd de verkeersbelangen te beschermen. Dit betekent volgens de raad niet dat in het geheel niet kan worden gebouwd, maar dat daardoor de verkeersbelangen niet onevenredig mogen worden geschaad.

31.2. In het plan is aan de gronden waar rijksweg A59 ligt de bestemming "Verkeer - Snelweg" toegekend. Aan de A59, alsmede aan een strook aan weerszijden van de A59 van ongeveer 44 m, is de aanduiding "vrijwaringszone - snelweg" toegekend. Het perceel [locatie 8] ligt aan de noordzijde van de A59 en heeft de bestemming "Agrarisch". Het perceel ligt tevens voor een gedeelte binnen de aanduiding "vrijwaringszone - snelweg".

Ingevolge artikel 42, lid 42.12, onder a, van de planregels mag ter plaatse van de aanduiding "vrijwaringszone - snelweg", ongeacht het bepaalde in de afzonderlijke bestemmingen, geen bebouwing worden gebouwd, met uitzondering van de met Rijksweg A59 verband houdende bouwwerken, zoals geluidswerende voorzieningen en ecologische voorzieningen.

Ingevolge het bepaalde onder b kan het bevoegd gezag bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde onder a voor het bouwen van bebouwing ter plaatse van de aanduiding "vrijwaringszone - snelweg", mits door de bouw van deze bebouwing de verkeersbelangen niet onevenredig worden geschaad. Daartoe dient vooraf de betrokken wegbeheerder te worden gehoord.

Ingevolge het bepaalde onder c wordt de onder b bedoelde omgevingsvergunning geacht te zijn verleend ten aanzien van bebouwing die bestaat op het tijdstip van de tervisielegging van het ontwerp van het plan, dan wel mag worden opgericht krachtens een voor dat tijdstip aangevraagde bouwvergunning.

31.3. De Afdeling is van oordeel dat de raad in redelijkheid een zwaarder gewicht heeft kunnen toekennen aan de algemene verkeersbelangen bij de aanwezigheid van de vrijwaringszone langs de A59 dan aan het belang van [appellante sub 9] bij bouwmogelijkheden op het betreffende gedeelte van het perceel. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat bebouwing ter plaatse van de aanduiding "vrijwaringszone - snelweg" niet geheel is uitgesloten, omdat een omgevingsvergunning voor bouwen kan worden verleend indien de verkeersbelangen niet onevenredig worden geschaad. Op dat moment wordt een concrete afweging gemaakt tussen het bouwplan en de daarbij betrokken belangen en de algemene verkeersbelangen. Daarbij wordt tevens de betrokken wegbeheerder gehoord. Het betoog faalt.

31.4. Voor het oordeel dat niet duidelijk is wat wordt bedoeld met verkeersbelangen, ziet de Afdeling geen aanleiding. Ter zitting heeft de raad toegelicht dat met verkeersbelangen het gebruik en de veiligheid van en bij de weg worden bedoeld. Bij het gebruik van de weg kan volgens de raad worden gedacht aan ondergrondse infrastructuur ten behoeve van de weg. Daarnaast kunnen bovengrondse verkeersafleidende objecten de veiligheid van de weg belemmeren. Om deze verkeersbelangen goed in beeld te brengen, is een advies van de wegbeheerder volgens de raad noodzakelijk. Voor het oordeel dat onduidelijk is wanneer de verkeersbelangen niet onevenredig worden geschaad, bestaat evenmin aanleiding. Uit het bepaalde in artikel 42, lid 42.12, onder b, van de planregels volgt immers dat dit per concreet geval afgewogen dient te worden. Of de verkeersbelangen in een dergelijk geval onevenredig worden geschaad, kan pas worden beoordeeld nadat de betrokken wegbeheerder zijn advies daarover heeft gegeven. Dat met het gebruik van het begrip verkeersbelangen vooruit wordt gelopen op toekomstige infrastructurele werken, bijvoorbeeld extra rijstroken, zoals [appellante sub 9] stelt, is niet gebleken. Het betoog faalt.

31.5. Over het betoog dat bij toepassing van artikel 42, lid 42.12, onder b, van de planregels een onafhankelijke verkeersdeskundige zou moeten worden geraadpleegd, wordt als volgt overwogen. Bij toepassing van de afwijkingsbevoegdheid wordt de betrokken wegbeheerder gevraagd om de betrokken verkeersbelangen in beeld te brengen. Vervolgens is het aan het bevoegd gezag om een afweging te maken van de verschillende belangen. Anders dan [appellante sub 9] betoogt, hoeft daarvoor geen onafhankelijke verkeersdeskundige te worden geraadpleegd. Het betoog faalt.

De aanduiding "vrijwaringszone - molenbiotoop"

32. [appellante sub 9] betoogt dat de raad de aanduiding "vrijwaringszone - molenbiotoop", die is toegekend aan het plandeel met de bestemming "Agrarisch" voor het perceel [locatie 8], ten onrechte heeft vastgesteld. Daartoe voert zij aan dat voor de bescherming van de molen geen noodzaak bestaat en dat het bovendien onevenredig is. Voorts voert zij aan dat de bouwmogelijkheden op het perceel ten onrechte worden beperkt. De afwijkingsbevoegdheid die in het plan is opgenomen, biedt volgens [appellante sub 9] onvoldoende soelaas, nu dit afhankelijk is van de medewerking van het gemeentebestuur. Daarnaast zijn de voorwaarden op grond waarvan kan worden afgeweken, onduidelijk. [appellante sub 9] betoogt dat de raad in de zienswijzennota weliswaar stelt dat de aanduiding "vrijwaringszone - molenbiotoop" in overeenstemming is met de daarvoor geldende richtlijnen, maar dat hij ten onrechte niet motiveert om welke richtlijnen het gaat, hetgeen in strijd is met artikel 3:46 van de Awb.

32.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de aanduiding "vrijwaringszone - molenbiotoop" is opgenomen voor de instandhouding van de molenbiotoop. De molen is volgens de raad aangewezen als rijksmonument en komt in aanmerking voor subsidie voor achterstallig en groot onderhoud.

32.2. Ingevolge artikel 3, lid 3.2.2, aanhef en onder a, van de planregels gelden voor het bouwen van bedrijfsgebouwen bij de voor "Agrarisch" aangewezen gronden dat de goot- en bouwhoogte niet meer dan respectievelijk 6,5 en 10 m mogen bedragen.

Ingevolge lid 3.3.3, aanhef en onder b, kan het bevoegd gezag bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 3.2.2, onder a, ten behoeve van het vergroten van de goot- en/of bouwhoogte, onder de voorwaarde dat de maximale bouwhoogte niet meer bedraagt dan 12 m.

Ingevolge artikel 42, lid 42.11.1, aanhef en onder a, sub 1, mag ter plaatse van de aanduiding "vrijwaringszone - molenbiotoop" voor de molen "Hertogin van Brabant", Parallelweg 8 te Drunen, in afwijking van het overigens in deze regels bepaalde, de bouwhoogte van bouwwerken niet meer bedragen dan, in meters uitgedrukt, de afstand van het bouwwerk tot de molen gedeeld door 30, plus 4,2.

Ingevolge lid 42.11.2 kan het bevoegd gezag bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 42.11.1, ten behoeve van het bouwen tot een bouwhoogte die in het desbetreffende geval krachtens het overigens in deze regels bepaalde is toegestaan, mits:

a. daardoor de windvang, het functioneren en de zichtbaarheid van de molen niet onevenredig worden of kunnen worden aangetast;

b. vooraf de eigenaar en de beheerder van de molen en een deskundige moleninstantie zijn gehoord.

32.3. Het perceel van [appellante sub 9] ligt binnen de molenbiotoop, die op de verbeelding aan de omliggende gronden met een straal van 400 m afstand van de molen "Hertogin van Brabant" is toegekend. De molen ligt ten zuiden van de A59. De afstand van de molen tot het bouwvlak van [appellante sub 9] bedraagt 160 m. De omgeving kenmerkt zich door agrarisch gebied en verspreide bebouwing. De molen is aangewezen als beschermd rijksmonument. Om te voorkomen dat de windvang, het functioneren en de zichtbaarheid van de molen onevenredig worden aangetast, geldt dat de bouwhoogte van bouwwerken niet meer mag bedragen dan de afstand van het bouwwerk tot de molen gedeeld door 30, plus 4,2. De raad heeft voor de berekening van de afstand tot de molen waarop een obstakel van een bepaalde hoogte mag worden geplaatst, aansluiting gezocht bij de Handreiking Molenbiotoop van de provincie Zuid-Holland.

Gelet op het karakter van het gebied en de aard en omvang van de beperkingen, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad de in het plan neergelegde regeling ter voorkoming van een onaanvaardbare aantasting van windvang, functioneren en zichtbaarheid van de molen niet in redelijkheid heeft kunnen opnemen. Dat het opnemen van de molenbiotoop niet noodzakelijk is, omdat deze op een afstand van 160 m tot het bouwvlak staat en de molen in slechte staat van onderhoud verkeert, vormt geen aanleiding voor het oordeel dat de raad de molenbiotoop niet heeft kunnen opnemen in het plan. Hierbij is van belang dat de molen is aangewezen als rijksmonument en dat er subsidieaanvragen zijn gedaan door de eigenaar van de molen voor de restauratie ervan.

Voor het oordeel dat de bouwmogelijkheden van [appellante sub 9] door de molenbiotoop onevenredig worden beperkt, bestaat evenmin aanleiding. Hierbij is van belang dat op basis van artikel 42, lid 42.11.1, aanhef en onder a, sub 1, van de planregels op een afstand van 160 m tot de molen in het bouwvlak van [appellante sub 9] bouwwerken mogen worden gebouwd met een maximale bouwhoogte van 9,5 m en gelet op het bepaalde in artikel 3, lid 3.2.2, aanhef en onder a, van de planregels zonder molenbiotoop voor het bouwen van bedrijfsgebouwen een maximale bouwhoogte van 10 m geldt. Dat volgens [appellante sub 9] op de voor "Agrarisch" aangewezen gronden bij recht een maximale bouwhoogte van 12 m is toegestaan, is niet juist. Gelet op het bepaalde in artikel 3, lid 3.3.3, aanhef en onder b, van de planregels geldt dat de bouw van gebouwen met een hoogte van 12 m niet bij recht is toegestaan, maar dat ter zake een afwijkingsbevoegdheid in het plan is opgenomen.

Dat de afwijkingsbevoegdheid in artikel 42, lid 42.11.2, van de planregels volgens [appellante sub 9] geen soelaas biedt, omdat toepassing ervan afhankelijk is van de medewerking van het gemeentebestuur, is geen omstandigheid op grond waarvan de raad had moeten afzien van het opnemen van de molenbiotoop. Het standpunt van [appellante sub 9] dat de voorwaarden die zijn opgenomen artikel 42, lid 42.11.2, van de planregels niet duidelijk zijn, volgt de Afdeling niet, nu daaruit blijkt dat de windvang, het functioneren en de zichtbaarheid niet onevenredig mogen worden belemmerd. Om die reden is een omgevingsvergunningstelsel noodzakelijk, zodat bij een concrete bouwaanvraag kan worden beoordeeld of deze aspecten niet onevenredig worden aangetast. Het standpunt dat bij toepassing van de afwijkingsbevoegdheid in de belangenafweging onvoldoende ruimte wordt geboden aan het agrarisch belang, volgt de Afdeling evenmin, nu de belangenafweging zich pas voordoet bij toepassing van de afwijkingsbevoegdheid en dan ter beoordeling staat. Bij toepassing van de afwijkingsbevoegdheid worden de eigenaar en de beheerder van de molen gehoord. Het is vervolgens aan het bevoegd gezag om een afweging te maken van de verschillende belangen. Anders dan [appellante sub 9] betoogt, hoeft daarvoor geen onafhankelijke deskundige te worden geraadpleegd. Overigens wordt bij toepassing van de afwijkingsbevoegdheid een deskundige moleninstantie gehoord.

Voor zover [appellante sub 9] betoogt dat de molenbiotoop geen toegevoegde waarde heeft, vanwege de aanwezigheid van beplanting en bebouwing, zoals geluidsschermen langs de A59, doet dit niet af aan de omstandigheid dat de molen is aangewezen als beschermd rijksmonument en zicht op de molen niet is uitgesloten.

Hoewel in de zienswijzennota noch in het bestreden besluit staat welke richtlijnen de raad heeft toegepast bij het toekennen van de aanduiding "vrijwaringszone - molenbiotoop", is het besluit voldoende gemotiveerd, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen. Overigens heeft de raad de richtlijnen alsnog ter beschikking gesteld en heeft [appellante sub 9] daarvan kennis kunnen nemen en hierop kunnen reageren.

Het betoog faalt.

De aanduiding "attentiegebied EHS"

33. [appellante sub 9] betoogt voorts dat de raad de aanduiding "attentiegebied EHS", die is toegekend aan een deel van het perceel [locatie 8], ten onrechte heeft vastgesteld. Daartoe voert zij aan dat ter plaatse van de aanduiding "attentiegebied EHS" op haar perceel ten onrechte een omgevingsvergunning is vereist voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, en werkzaamheden. Zij stelt hierdoor te worden belemmerd in de bedrijfsvoering. De voor het verlenen van een omgevingsvergunning opgenomen vereisten zijn volgens [appellante sub 9] onduidelijk. Zij voert verder aan dat nu in de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: Nbw 1998) de bescherming van Natura 2000-gebieden wordt geregeld, dit niet ook nog als vereiste voor de omgevingsvergunning hoeft te worden opgenomen.

33.1. Aan een gedeelte van het perceel [locatie 8] is de aanduiding "attentiegebied EHS" toegekend.

Ingevolge artikel 42, lid 42.3.1, van de planregels is het, behoudens het bepaalde in lid 42.3.2, verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag ter plaatse van de aanduiding "attentiegebied EHS" de hierna aangegeven werken, geen bouwwerk zijnde, en werkzaamheden uit te voeren:

a. het aanleggen en/of verharden van wegen, paden, parkeerterreinen of het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen, voor zover groter dan 100 m² per perceel;

b. het verzetten van grond van meer dan 100 m³ of op een diepte van meer dan 0,60 m onder maaiveld een en ander voor zover geen vergunning vereist is in het kader van de Ontgrondingenwet;

c. de aanleg van drainage ongeacht de diepte, tenzij het gaat om vervanging van een reeds bestaande drainage;

d. het verlagen van de waterstand anders dan door middel van het graven van sloten of het toepassen van drainagemiddelen, met uitzondering van grondwateronttrekkingen.

Ingevolge het bepaalde in 42.3.2 is het in lid 42.3.1 vervatte verbod niet van toepassing op werken en werkzaamheden welke:

a. werkzaamheden binnen het bouwvlak betreffen;

b. het normale onderhoud betreffen overeenkomstig de andere bestemmingen van deze gronden, dan wel van ondergeschikte betekenis zijn en/of voortvloeien uit het normale gebruik overeenkomstig de bestemming;

c. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan.

Ingevolge het bepaalde in 42.3.3 kan de in lid 42.3.1 genoemde vergunning - gehoord het ter plaatse bevoegde waterstaatsgezag - slechts worden verleend, indien geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de waterhuishoudkundige situatie ter plaatse en er geen negatieve effecten optreden in aangrenzende Natura 2000-gebieden.

33.2. Ingevolge artikel 4.4, eerste lid, van de Verordening 2012 wijst een bestemmingsplan dat is gelegen in een attentiegebied EHS geen bestemmingen aan of stelt geen regels vast die fysieke ingrepen mogelijk maken met een negatief effect op de waterhuishouding van de hierbinnen gelegen ecologische hoofdstructuur.

Ingevolge het tweede lid stelt een bestemmingsplan als bedoeld in het eerste lid regels ten aanzien van:

a. het verzetten van grond van meer dan 100 m³ of op een diepte van meer dan 60 cm beneden maaiveld, voor zover geen vergunning is vereist op grond van de Ontgrondingenwet;

b. de aanleg van drainage ongeacht de diepte, tenzij het gaat om vervanging van een bestaande drainage;

c. het verlagen van de grondwaterstand anders dan door middel van het graven van sloten of het toepassen van drainagemiddelen, met uitzondering van grondwateronttrekkingen;

d. het buiten een agrarisch bouwblok aanbrengen van oppervlakteverhardingen of verharde oppervlakten van meer dan 100 m², anders dan een bouwwerk.

Ingevolge het derde lid bepaalt een bestemmingsplan, als bedoeld in het eerste lid, dat bij het toepassen van de regels, bedoeld in het tweede lid, onder a tot en met d, het betrokken waterschapsbestuur wordt gehoord.

Ingevolge het vierde lid bepaalt een bestemmingsplan als bedoeld in het eerste lid, dat de regels, bedoeld in het tweede lid, niet van toepassing zijn op werkzaamheden die behoren tot het normale beheer en onderhoud.

33.3. De Afdeling stelt vast dat het perceel [locatie 8] in de Verordening 2012 gedeeltelijk is aangewezen als attentiegebied EHS. De raad diende derhalve de daarbij behorende algemene regels in acht te nemen. Om hieraan te voldoen heeft de raad aan een gedeelte van het perceel de aanduiding "attentiegebied EHS" toegekend, en in de planregels in artikel 42, lid 42.3.1, het vereiste van een omgevingsvergunning opgenomen voor de in dat artikel genoemde werken, geen bouwwerk zijnde, en werkzaamheden. De Afdeling acht deze invulling van de algemene regels niet onjuist. Daarbij is van belang dat het plan niet in de weg staat aan het bestaande gebruik van de gronden voor agrarische doeleinden, nu aan het perceel de bestemming "Agrarisch" is toegekend, en werkzaamheden die binnen het bouwvlak plaatsvinden, het normale onderhoud en/of gebruik van de gronden en de werkzaamheden die reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van het plan, zijn uitgezonderd van de omgevingsvergunningplicht. Gelet hierop heeft [appellante sub 9] niet aannemelijk gemaakt dat het omgevingsvergunningstelsel tot een onevenredige belemmering van de bedrijfsvoering leidt. Het betoog faalt.

33.4. De Afdeling constateert dat de in artikel 42, lid 42.3.3, van de planregels opgenomen voorwaarde dat geen onevenredige afbreuk mag worden gedaan aan de waterhuishoudkundige situatie, overeenstemt met hetgeen in artikel 4.4, eerste lid, van de Verordening 2012 staat. In hetgeen [appellante sub 9] aanvoert ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het begrip waterhuishoudkundige situatie in het plan onvoldoende duidelijk is. Evenmin ziet de Afdeling grond voor het oordeel dat niet duidelijk is wat met onevenredige afbreuk wordt bedoeld, nu dit een gebruikelijke omschrijving is voor een belangenafweging. Voorts bestaat er geen aanleiding voor het oordeel dat de plantoelichting onduidelijk zou zijn, omdat daarin niet het begrip waterhuishoudkundige situatie is opgenomen, maar een beschrijving wordt gegeven van de bescherming van de natte natuur. Het betoog faalt.

33.5. Over het betoog dat in artikel 42, lid 42.3.3, van de planregels ten onrechte het vereiste is opgenomen dat een omgevingsvergunning slechts kan worden verleend indien geen negatieve effecten optreden in aangrenzende Natura 2000-gebieden, wordt als volgt overwogen. Anders dan [appellante sub 9] betoogt, volgt uit artikel 4.4, eerste lid, van de Verordening 2012 niet dat de raad geen nadere eisen mag stellen. Niet duidelijk is evenwel waarom de raad deze eis, die niet volgt uit de Verordening 2012, aan dit omgevingsvergunningstelsel ter bescherming van de waterhuishouding van de EHS heeft verbonden. De plantoelichting biedt hierover geen duidelijkheid. Ook ter zitting heeft de raad kenbaar gemaakt dat hij hierover geen duidelijkheid kan geven en zich conformeert aan het oordeel van de Afdeling. Gelet hierop moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit in zoverre is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Het betoog slaagt.

De aanduiding "zoekgebied voor ecologische verbindingszones"

34. [appellante sub 9] betoogt dat de raad de aanduiding "zoekgebied voor ecologische verbindingszones", die is toegekend aan een deel van het perceel [locatie 8] en aan een deel van omliggende gronden die bij haar in eigendom zijn, ten onrechte heeft vastgesteld. Zij vreest voor waardedaling van onroerende goederen op het perceel en de omliggende gronden en belemmeringen voor de bedrijfsvoering. Daarnaast is het volgens haar niet waarschijnlijk dat de ecologische verbindingszone zal worden gerealiseerd.

34.1. Ingevolge artikel 42, lid 42.13.1, van de planregels zijn de gronden ter plaatse van de aanduiding "zoekgebied voor ecologische verbindingszone" mede aangewezen voor de verwezenlijking, het behoud en het beheer van een ecologische verbindingszone.

Ingevolge lid 42.13.2 is het verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag op en in de in lid 42.13.1 bedoelde gronden een aantal nader genoemde werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren, waaronder het aanleggen, verbreden en verharden van wegen, paden en parkeergelegenheden, alsmede het aanbrengen van oppervlakteverhardingen groter dan 100 m².

Ingevolge lid 42.13.3 geldt het in lid 42.13.2 vervatte verbod niet voor werken en werkzaamheden:

a. waarvoor op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, of van werkzaamheden is verleend;

b. welke op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan in uitvoering waren en hiervoor een vergunning is verleend;

c. welke het normale onderhoud en beheer betreffen.

Ingevolge lid 42.13.4 zijn de in lid 42.13.2 bedoelde werken of werkzaamheden toelaatbaar, indien er geen sprake is van het minder geschikt maken van het gebied voor de verwezenlijking van een ecologische verbindingszone.

34.2. Ingevolge artikel 4.3, eerste lid, van de Verordening 2012 strekt een bestemmingsplan dat is gelegen in een zoekgebied voor ecologische verbindingszones tot de verwezenlijking, het behoud en het beheer van een ecologische verbindingszone waarbij dat zoekgebied een breedte heeft van ten minste 50 m in bestaand stedelijk gebied en zoekgebied voor stedelijke ontwikkeling, en ten minste 25 m in alle overige gebieden.

Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder b, stelt een bestemmingsplan als bedoeld in het eerste lid regels ten aanzien van het aanbrengen van oppervlakteverhardingen of verharde oppervlakten van meer dan 100 m², anders dan een bouwwerk.

34.3. De Afdeling stelt vast dat twee delen aan de oostzijde van het perceel [locatie 8] in de Verordening 2012 zijn aangewezen als zoekgebied voor ecologische verbindingszones. De raad diende derhalve de daarbij behorende algemene regels in acht te nemen. Om hieraan te voldoen heeft de raad aan de betreffende twee delen aan de oostzijde van het perceel de aanduiding "zoekgebied voor ecologische verbindingszones" toegekend, en in de planregels in artikel 42, lid 42.13.2, het vereiste van een omgevingsvergunning opgenomen voor de in dat artikel genoemde uit te voeren werken, geen bouwwerk zijnde, en werkzaamheden. De Afdeling acht deze invulling van de algemene regels niet onjuist. Daarbij is van belang dat het plan niet in de weg staat aan het bestaande gebruik van de gronden voor agrarische doeleinden, nu aan het perceel de bestemming "Agrarisch" is toegekend, en het normale onderhoud en beheer van de gronden en de werkzaamheden die reeds vergund of in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van het plan, zijn uitgezonderd van de omgevingsvergunningplicht.

De Afdeling neemt in aanmerking dat de aanduiding slechts rust op beperkte delen van het perceel van [appellante sub 9], zodat de invloed ervan beperkt is. Voor zover [appellante sub 9] ter zitting heeft gesteld dat het zoekgebied voor ecologische verbindingszones ook aan delen van omliggende gronden die bij haar in eigendom zijn, is toegekend, overweegt de Afdeling dat uit de door [appellante sub 9] overgelegde luchtfoto niet blijkt dat gronden die in de Verordening 2012 niet als zoekgebied voor ecologische verbindingszone zijn aangewezen in het plan wel als zodanig zijn aangewezen.

Voor zover [appellante sub 9] betoogt dat de ecologische verbindingszone niet zal worden gerealiseerd, is van belang dat het een zoekgebied betreft, waar binnen de planperiode een ecologische verbindingszone gerealiseerd zou kunnen worden. Dat geen invulling kan worden gegeven aan de ecologische verbindingszone, heeft zij niet aannemelijk gemaakt. Dat de planregeling leidt tot een zodanige waardedaling van onroerende goederen dat de gevolgen daarvan onevenredig zijn in verhouding tot de met de regeling te dienen doelen, heeft [appellante sub 9] evenmin aannemelijk gemaakt.

Het betoog faalt.

De aanduiding "groenblauwe mantel"

35. [appellante sub 9] betoogt dat de raad de aanduiding "groenblauwe mantel", die is toegekend aan het perceel [locatie 8], ten onrechte heeft vastgesteld. Zij voert aan hierdoor beperkingen te ondervinden bij uitbreiding van de bedrijfsvoering. Voorts voert zij aan dat uit het plan ten onrechte niet blijkt welke ecologische waarden op het perceel aanwezig zijn. [appellante sub 9] betoogt verder dat de toegekende aanduiding in strijd is met de wens van het gemeentebestuur om ontwikkeling van grondgebonden melkveehouderijen te bevorderen.

35.1. Ingevolge artikel 3, lid 3.7.2, aanhef en onder e, van de planregels is het college van burgemeester en wethouders bevoegd het plan te wijzigen ten behoeve van de vergroting van het bouwvlak van grondgebonden agrarische bedrijven, waarbij de ecologische waarden van de groenblauwe mantel ter plaatse van de aanduiding "groenblauwe mantel" worden gewaarborgd.

Ingevolge artikel 42, lid 42.7, zijn de gronden ter plaatse van de aanduiding "groenblauwe mantel" tevens bestemd voor behoud, herstel of duurzame ontwikkeling van het watersysteem en de ecologische en landschappelijke waarden en kenmerken van de onderscheiden gebieden.

35.2. Ingevolge artikel 1.1, aanhef en onder 28, van de Verordening 2012 wordt onder ecologische waarden en kenmerken verstaan: aanwezige en potentiële waarden, gebaseerd op de beoogde natuurkwaliteit voor het gebied, waartoe behoren de natuurdoelen en natuurkwaliteit, geomorfologische processen, de waterhuishouding, de kwaliteit van de bodem, water en lucht, rust, de mate van stilte, donkerte en openheid, de landschapsstructuur en de belevingswaarde.

Ingevolge artikel 6.3, eerste lid, strekt een bestemmingsplan dat is gelegen in de groenblauwe mantel tot behoud, herstel of duurzame ontwikkeling van het watersysteem en de ecologische en landschappelijke waarden en kenmerken van de onderscheiden gebieden en stelt het regels ter bescherming van de ecologische, landschappelijke en hydrologische waarden en kenmerken van de onderscheiden gebieden.

Ingevolge het tweede lid bevat de toelichting bij een bestemmingsplan als bedoeld in het eerste lid, een verantwoording over de wijze waarop de nodige kennis over de aanwezige ecologische en landschappelijke waarden en kenmerken is vergaard.

35.3. De Afdeling stelt vast dat het perceel [locatie 8] in de Verordening 2012 is aangewezen als groenblauwe mantel. De raad diende derhalve de daarbij behorende algemene regels in acht te nemen. Om hieraan te voldoen heeft de raad aan het perceel de aanduiding "groenblauwe mantel" toegekend. De Afdeling acht deze invulling van de algemene regels niet onjuist. Anders dan [appellante sub 9] betoogt, geldt er voor werken en werkzaamheden geen vergunningplicht, zodat de aanduiding "groenblauwe mantel" in zoverre geen belemmering vormt. Voor zover bij de vergroting van het bouwvlak, als bedoeld in artikel 3, lid 3.7.2, aanhef en onder e, van de planregels, de ecologische waarden van de groenblauwe mantel dienen te worden gewaarborgd, acht de Afdeling dat niet onredelijk. Het betoog faalt.

35.4. Over het betoog dat uit het plan niet blijkt wat de ecologische waarden van de ecologische mantel zijn, wordt als volgt overwogen. Uit de plantoelichting en het plan-MER volgt dat de groenblauwe mantel overwegend bestaat uit gemengd landelijk gebied met belangrijke nevenfuncties voor natuur en water. Het gaat om gebieden die grenzen aan het kerngebied natuur en water die bijdragen aan de bescherming van de waarden in het kerngebied. De waarden in de groenblauwe mantel zijn vaak gekoppeld aan landschapselementen (zoals houtwallen en heggen), het watersysteem (zoals de aanwezigheid van kwel) en het voorkomen van bijzondere planten en dieren. Het behoud en vooral de ontwikkeling van natuur, water (-beheer) en landschap is een belangrijke opgave. Nieuwe ontwikkelingen binnen de groenblauwe mantel zijn mogelijk, als deze bestaande functies respecteren of bijdragen aan een kwaliteitsverbetering van die functies. Naar het oordeel van de Afdeling blijkt hieruit voldoende welke ecologische waarden van de groenblauwe mantel in het plangebied aanwezig zijn. Voor zover [appellante sub 9] betoogt dat de ecologische waarden op perceelsniveau inzichtelijk hadden moeten worden gemaakt, is van belang dat de Verordening 2012 daartoe geen verplichting bevat. Bij een concrete beoordeling van een nieuwe ontwikkeling, zullen de effecten hiervan op de ecologische waarden in beeld worden gebracht. De Afdeling acht dit niet onredelijk. Het betoog faalt.

35.5. Over het betoog dat de aanduiding "groenblauwe mantel" niet in overeenstemming is met de toelichting bij het plan, nu daarin staat dat de ontwikkeling van met name grondgebonden melkveehouderijen als economische drager in het gebied gewenst is, wordt overwogen dat [appellante sub 9] niet aannemelijk heeft gemaakt dat deze aspecten met elkaar conflicteren. Overigens is de plantoelichting geen juridisch bindend onderdeel van een bestemmingsplan. Het betoog faalt.

De aanduiding "cultuurhistorisch vlak"

36. [appellante sub 9] betoogt dat de raad de aanduiding "cultuurhistorisch vlak", die is toegekend aan het perceel [locatie 8], ten onrechte heeft vastgesteld. Zij stelt hierdoor belemmerd te worden in de bedrijfsvoering. Voorts blijkt uit het plan ten onrechte niet welke cultuurhistorische waarden op het perceel aanwezig zouden zijn.

36.1. Ingevolge artikel 42, lid 42.4, van de planregels zijn de gronden ter plaatse van de aanduiding "cultuurhistorisch vlak" aangewezen voor het behoud en herstel van de cultuurhistorische waarden.

Ingevolge lid 42.4.1 is het verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, of van werkzaamheden van het bevoegd gezag op en in de in dit lid bedoelde gronden de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden, uit te voeren:

1. het verlagen, vergraven, ophogen of egaliseren van de bodem;

2. het graven, dempen, dan wel verdiepen, vergroten of anderszins herprofileren van waterlopen, watergangen, greppels, kolken en overige natuurlijke oppervlaktewateren, alsmede het anderszins verlagen van de waterstand;

3. het bebossen of anderszins beplanten van gronden met houtopstanden, waaronder begrepen het kweken en telen van bomen, struiken en heesters in verband met tuinbouw of als (agrarische) houtteelt;

4. het aanleggen of verwijderen van landschapselementen;

5. het aanbrengen van bovengrondse leidingen, constructies, installaties en apparatuur;

6. vellen en rooien van bos;

7. het verwijderen van perceelsindelingen.

Ingevolge lid 42.4.2 is het in lid 42.4.1 vervatte verbod niet van toepassing op werken en werkzaamheden:

a. waarvoor op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, of van werkzaamheden is verleend;

b. welke het normale onderhoud betreffen overeenkomstig de andere bestemmingen van deze gronden, dan wel van ondergeschikte betekenis zijn en/of voortvloeien uit het normale gebruik overeenkomstig de bestemming;

c. welke reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan.

Ingevolge lid 42.4.3 kan de in lid 42.4.1 genoemde omgevingsvergunning slechts worden verleend, indien geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het behoud en herstel van de cultuurhistorische waarden.

36.2. Ingevolge artikel 7.4 van de Verordening 2012 strekt een bestemmingsplan dat is gelegen in een gebied met cultuurhistorische vlakken mede tot behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling van de cultuurhistorische waarden en kenmerken van de onderscheiden gebieden en stelt het regels ter bescherming van de cultuurhistorische waarden en kenmerken van de onderscheiden gebieden.

36.3. De Afdeling stelt vast dat het perceel [locatie 8] in de Verordening 2012 is aangewezen als cultuurhistorisch vlak. De raad diende derhalve de daarbij behorende algemene regels in acht te nemen. Om hieraan te voldoen heeft de raad aan het perceel de aanduiding "cultuurhistorisch vlak" toegekend, en in de planregels in artikel 42, lid 42.4.1, het vereiste van een omgevingsvergunning gesteld voor de in dat artikel genoemde uit te voeren werken, geen bouwwerk zijnde, en werkzaamheden. De Afdeling acht deze invulling van de algemene regels niet onjuist. Daarbij is van belang dat het plan niet in de weg staat aan het bestaande gebruik van de gronden voor agrarische doeleinden, nu aan het perceel de bestemming "Agrarisch" is toegekend, en het normale onderhoud en/of gebruik van de gronden en de werkzaamheden die reeds vergund of in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van het plan, zijn uitgezonderd van de omgevingsvergunningplicht. Gelet hierop heeft [appellante sub 9] niet aannemelijk gemaakt dat het omgevingsvergunningstelsel tot een onevenredige belemmering van de bedrijfsvoering leidt. Voorts volgt uit de Verordening 2012 geen verplichting om in het plan op te nemen welke cultuurhistorische waarden aanwezig zijn in het plangebied. Voor het oordeel dat het plan in zoverre gebrekkig is, bestaat geen aanleiding. Het betoog faalt.

Het bouwvlak

37. [appellante sub 9] betoogt dat de raad de aanduiding "bouwvlak", die is toegekend aan het plandeel met de bestemming "Agrarisch" voor het perceel [locatie 8] te Elshout, ten onrechte heeft vastgesteld. Zij wenst dat de omvang wordt vergroot naar 1,5 ha en dat de vorm van het bouwvlak wordt aangepast. [appellante sub 9] voert daartoe aan dat het toegekende bouwvlak onvoldoende ruimte biedt voor een verdere ontwikkeling van het bedrijf, mede gelet op de beperkingen die het bedrijf ondervindt door de andere toegekende aanduidingen. De raad had volgens haar niet alleen rekening moeten houden met de concrete plannen die zij op korte termijn wenst te realiseren, maar ook met toekomstige ontwikkelingen. Daarnaast volgt uit de wijzigingsbevoegdheid voor een vergroting van het bouwvlak voor een grondgebonden agrarisch bedrijf die in de planregels is opgenomen, dat uitbreiding van een bouwvlak naar 2,5 ha aanvaardbaar is. [appellante sub 9] stelt verder dat een verdere groei van de veestapel noodzakelijk is om ook in de toekomst verzekerd te zijn van voldoende inkomen.

37.1. De raad stelt zich op het standpunt dat bij het toekennen van de bouwvlakken zoveel mogelijk is aangesloten bij bestaande rechten. Het plan voorziet in een wijzigingsbevoegdheid voor de vergroting van een bouwvlak, zodat voor een concrete situatie een concrete afweging kan worden gemaakt. Verder stelt de raad dat er samenhang is met plannen die deel uitmaken van de GOL, zodat verdere ontwikkeling van het bedrijf van [appellante sub 9] op een later moment zal worden bezien.

37.2. In het stelsel van de Wro is een bestemmingsplan het ruimtelijke instrument waarin de wenselijke toekomstige ontwikkeling van een gebied wordt neergelegd. De raad dient bij de vaststelling van een bestemmingsplan rekening te houden met een particulier initiatief betreffende ruimtelijke ontwikkelingen, voor zover dat initiatief voldoende concreet is, tijdig kenbaar is gemaakt en ten tijde van de vaststelling van het plan op basis van de op dat moment bekende gegevens de ruimtelijke aanvaardbaarheid daarvan kan worden beoordeeld.

Niet in geschil is dat [appellante sub 9] op een tijdig moment in de bestemmingsplanprocedure de voorgenomen uitbreiding van de bebouwing kenbaar heeft gemaakt. In haar zienswijze heeft zij het verzoek om aanpassing van het bouwvlak toegelicht, waarbij zij is ingegaan op de concrete bouwplannen en de noodzaak ervan. De raad heeft zich met betrekking tot het initiatief van [appellante sub 9] op het standpunt gesteld dat de voorgestane bedrijfsontwikkeling in samenhang dient te worden bezien met de realisatie van de plannen die deel uitmaken van de GOL. Zodra er meer duidelijkheid is over de gevolgen van de realisering van de GOL voor het perceel van [appellante sub 9], wordt volgens de raad bezien op welke wijze het bedrijf verder kan ontwikkelen. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad niet inzichtelijk gemaakt waarom ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan geen inhoudelijke beslissing kon worden genomen over de gewenste uitbreiding van de melkveehouderij van [appellante sub 9]. Weliswaar was er ten tijde van de vaststelling van het plan een intentieovereenkomst met betrekking tot de plannen van de GOL, en heeft de raad ter zitting toegelicht dat de realisering van de GOL mogelijk binnen de planperiode is te verwachten, maar de raad heeft daarbij niet inzichtelijk kunnen maken dat medewerking aan de uitbreiding van het bouwvlak in de weg staat aan de uitvoering van de plannen van de GOL. De Afdeling acht tevens van belang dat in artikel 3, lid 3.7, onder 3.7.2, van de planregels een wijzigingsbevoegdheid is opgenomen voor de vergroting van het bouwvlak van een grondgebonden agrarisch bedrijf tot 2,5 ha, zodat ervan moet worden uitgegaan dat de raad een dergelijke omvang van een bouwvlak in beginsel aanvaardbaar vindt. Gelet op het voorgaande berust het bestreden besluit in zoverre niet op een deugdelijke motivering. Het betoog slaagt.

37.3. Voor het oordeel dat de raad ook toekomstige ontwikkelingen had moeten betrekken bij de vaststelling van het plan bestaat geen aanleiding, nu [appellante sub 9] daarvoor nog geen concrete plannen heeft kenbaar gemaakt bij de gemeente. Het betoog faalt.

Conclusie

38. Gelet op hetgeen is overwogen in 33.5 en 37.2, is het beroep van [appellante sub 9] gegrond. In hetgeen [appellante sub 9] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover het betreft de zinsnede "en er geen negatieve effecten optreden in aangrenzende Natura 2000-gebieden" in artikel 42, lid 42.3.3, van de planregels, is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Voorts ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover het betreft de aanduiding "bouwvlak" voor het perceel [locatie 8] te Elshout, is genomen in strijd met artikel 3:46 van de Awb. Het bestreden besluit dient in zoverre te worden vernietigd.

38.1. De Afdeling ziet aanleiding met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, aanhef en onder a, en vijfde lid, van de Awb, zoals dit luidde ten tijde van belang, de raad op te dragen om voor de aanduiding "bouwvlak" op het perceel [locatie 8] te Elshout met inachtneming van deze uitspraak een nieuw plan vast te stellen en zal daartoe een termijn stellen.

38.2. De Afdeling ziet voorts aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb, zoals hierna vermeld.

Het beroep van [appellante sub 11]

39. [appellante sub 11] heeft ter zitting zijn beroepsgrond, die betrekking heeft op de aanduiding "attentiegebied EHS" voor het perceel [locatie 9] te Elshout, ingetrokken.

40. [appellante sub 11], die een potplantenkwekerij exploiteert, kan zich niet verenigen met de omvang van de bouwvlakken op de plandelen met de bestemming "Agrarisch - Glastuinbouw" voor de percelen [locatie 9] en [locatie 10] te Elshout. Voorts kan hij zich niet verenigen met de aanduiding "attentiegebied EHS", die aan het perceel [locatie 10] is toegekend. Hij stelt te worden belemmerd in zijn uitbreidingsmogelijkheden, nu in het plan strengere voorwaarden worden gesteld aan de uitbreiding van het bouwvlak dan in de Verordening 2012. Voorts heeft de raad volgens hem ten onrechte geen rekening gehouden met de concrete plannen voor uitbreiding van het bedrijf. Met betrekking tot de aanduiding "attentiegebied EHS" stelt hij niet alleen te worden belemmerd in de uitbreiding van de bedrijfsvoering, het vormt ook een belemmering bij het uitvoeren van bepaalde werken en werkzaamheden als bedoeld in artikel 42, lid 42.3.1, van de planregels.

40.1. De raad stelt zich op het standpunt dat er geen aanleiding was om met het uitbreidingsplan van [appellante sub 11] in te stemmen, omdat daarin geen verantwoording van de kwaliteitsverbetering is opgenomen. Dat uitbreiding van bouwvlakken volgens de Verordening 2012 is toegestaan, betekent volgens de raad niet dat met andere regels uit de Verordening 2012 geen rekening meer hoeft te worden gehouden.

40.2. Aan de percelen [locatie 9] en [locatie 10] is de bestemming "Agrarisch - Glastuinbouw" toegekend. Het perceel [locatie 10] heeft tevens de aanduiding "attentiegebied EHS".

Ingevolge artikel 4, lid 4.6.2, van de planregels is het college van burgemeester en wethouders bevoegd het plan te wijzigen ten behoeve van de vergroting van het bouwvlak van glastuinbouwbedrijven, indien wordt voldaan aan een aantal nader genoemde voorwaarden, waaronder de voorwaarde sub b dat de vergroting van het bouwvlak noodzakelijk dient te zijn voor de bedrijfsvoering.

Voor artikel 42, lid 42.3.1, wordt verwezen naar overweging 33.1.

40.3. Ingevolge artikel 4.4, eerste lid, van de Verordening 2012 wijst een bestemmingsplan dat is gelegen in een attentiegebied EHS geen bestemmingen aan of stelt geen regels vast die fysieke ingrepen mogelijk maken met een negatief effect op de waterhuishouding van de hierbinnen gelegen ecologische hoofdstructuur.

Ingevolge artikel 10.3, eerste lid, onder b, bepaalt een bestemmingsplan dat is gelegen in een vestigingsgebied glastuinbouw dat uitbreiding van glastuinbouwbedrijven is toegestaan.

Ingevolge het tweede lid bevat de toelichting bij een bestemmingsplan als bedoeld in het eerste lid een verantwoording waaruit blijkt dat:

a. rekening is gehouden met de gevolgen van de beoogde vestiging of uitbreiding voor de in het plan begrepen gronden en de naaste omgeving zoals vereist op grond van artikel 2.1, derde lid;

b. de beoogde ontwikkeling leidt tot voordelen op het gebied van duurzaamheid en synergie.

40.4. De betreffende percelen liggen blijkens de kaartbijlage van de Verordening 2012 in vestigingsgebied glastuinbouw. Het perceel [locatie 10] is blijkens de kaartbijlage van de Verordening 2012 tevens aangewezen als attentiegebied EHS.

40.5. Wat betreft de aanduiding "attentiegebied EHS" diende de raad, gelet op de aanwijzing als attentiegebied EHS in de Verordening 2012, de daarbij behorende algemene regels in acht te nemen. Om hieraan te voldoen heeft de raad aan het perceel de aanduiding "attentiegebied EHS" toegekend, en in artikel 42, lid 42.3.1, het vereiste van een omgevingsvergunning opgenomen voor de in dat artikel genoemde werken, geen bouwwerk zijnde, en werkzaamheden. De Afdeling acht deze invulling van de algemene regels niet onjuist.

[appellante sub 11] heeft niet aannemelijk gemaakt dat het omgevingsvergunningstelsel van artikel 42, lid 42.3.1, van de planregels tot een onevenredige belemmering van de bedrijfsvoering leidt. Hierbij is van belang dat het plan niet in de weg staat aan het bestaande gebruik van de gronden voor agrarische doeleinden, nu aan het perceel de bestemming "Agrarisch - Glastuinbouw" is toegekend, en werkzaamheden die binnen het bouwvlak plaatsvinden, het normale onderhoud en/of gebruik van de gronden en de werkzaamheden die reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van het plan, zijn uitgezonderd van de omgevingsvergunningplicht. In hetgeen [appellante sub 11] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling voorts geen aanleiding voor het oordeel dat de voorwaarden op grond waarvan een omgevingsvergunning kan worden verleend voor de in artikel 42, lid 42.3.1, van de planregels genoemde werken en werkzaamheden zo onduidelijk zijn dat deze in strijd moeten worden geacht met de rechtszekerheid. Het betoog faalt.

40.6. In het stelsel van de Wro is een bestemmingsplan het ruimtelijke instrument waarin de wenselijke toekomstige ontwikkeling van een gebied wordt neergelegd. De raad dient bij de vaststelling van een bestemmingsplan rekening te houden met een particulier initiatief betreffende ruimtelijke ontwikkelingen, voor zover dat initiatief voldoende concreet is, tijdig kenbaar is gemaakt en ten tijde van de vaststelling van het plan op basis van de op dat moment bekende gegevens de ruimtelijke aanvaardbaarheid daarvan kan worden beoordeeld.

De Afdeling stelt vast dat op basis van de Verordening 2012 met de waarden die in het attentiegebied EHS voorkomen rekening moet worden gehouden, ongeacht of bepaalde gronden tevens zijn aangewezen als vestigingsgebied glastuinbouw met de daarbij behorende uitbreidingsmogelijkheid voor glastuinbouwbedrijven. Daarbij staat de Verordening 2012, anders dan [appellante sub 11] stelt, er niet aan in de weg dat in een bestemmingsplan strengere regels worden gesteld dan op basis van de Verordening 2012 nodig is. Het uitgangspunt van de raad dat niet bij recht, maar met toepassing van een wijzigingsbevoegdheid uitbreiding van een bouwvlak mogelijk wordt gemaakt in een gebied dat is aangewezen als vestigingsgebied voor glastuinbouw, is niet onredelijk. Ook de voorwaarde dat een vergroting van een bouwvlak noodzakelijk dient te zijn voor de bedrijfsvoering, is niet onredelijk, omdat deze voorwaarde het mogelijk maakt onnodige verstening tegen te gaan. Gebleken is dat de raad het door [appellante sub 11] ingediende concrete bouwplan niet heeft willen opnemen in het plan, omdat de daarbij vereiste verantwoording of nadere onderbouwing als bedoeld in de Verordening 2012 ontbreekt. Gelet hierop heeft de raad in redelijkheid geen rekening hoeven houden met het uitbreidingsplan. Indien [appellante sub 11] beschikt over een concreet plan voor de uitbreiding van zijn bedrijf met de vereiste verantwoording of nadere onderbouwing, kan hij zich wenden tot het gemeentebestuur met een verzoek om toepassing te geven aan artikel 4, lid 4.6.2, van de planregels. Het betoog faalt.

40.7. Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellante sub 11] ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 14]

41. [appellant sub 14] betoogt dat de raad het plandeel met de bestemming "Agrarisch" voor het perceel [locatie 11] te Haarsteeg ten onrechte heeft vastgesteld, voor zover daaraan geen bouwvlak is toegekend. Hij wenst zijn boomkwekerij te verplaatsen naar dit perceel. Volgens [appellant sub 14] stelt het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant ten onrechte dat het perceel binnen stedelijk gebied ligt. Volgens hem ligt het perceel in open tuinbouwgebied.

41.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de verplaatsing van het bedrijf naar dit perceel niet concreet genoeg is om in dit plan te verwerken.

41.2. In het stelsel van de Wro is een bestemmingsplan het ruimtelijke instrument waarin de wenselijke toekomstige ontwikkeling van een gebied wordt neergelegd. De raad dient bij de vaststelling van een bestemmingsplan rekening te houden met een particulier initiatief betreffende ruimtelijke ontwikkelingen, voor zover dat initiatief voldoende concreet is, tijdig kenbaar is gemaakt en ten tijde van de vaststelling van het plan op basis van de op dat moment bekende gegevens de ruimtelijke aanvaardbaarheid daarvan kan worden beoordeeld.

Daargelaten de vraag of het perceel binnen stedelijk gebied ligt of in open tuinbouwgebied als bedoeld in de Verordening 2012, is niet gebleken dat [appellant sub 14] ten tijde van de vaststelling van het plan een concreet plan had waar de raad rekening mee had kunnen en moeten houden. Ter zitting heeft de raad toegelicht dat indien de plannen van [appellant sub 14] concreter zijn, hij in beginsel bereid is om daaraan medewerking te verlenen. Het betoog faalt.

42. [appellant sub 14] betoogt voorts dat de raad het plandeel met de bestemming "Bedrijf" voor het perceel [locatie 12] te Drunen ten onrechte heeft vastgesteld, voor zover daaraan niet een groter bouwvlak is toegekend. Volgens hem is in strijd gehandeld met het gelijkheidsbeginsel, omdat het tuincentrum gevestigd aan de Duinweg wel een uitbreidingsmogelijkheid heeft gekregen.

42.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het bouwvlak volledig mag worden bebouwd en dat de beschikbare ruimte nog niet is benut. Volgens de raad bestaat er derhalve geen aanleiding een groter bouwvlak aan het perceel toe te kennen.

42.2. Aan het perceel [locatie 12] is de bestemming "Bedrijf" en de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - bestaand bedrijf" toegekend. Het perceel heeft tevens een bouwvlak.

Ingevolge artikel 5, lid 5.1, aanhef en onder a, van de planregels zijn de voor "Bedrijf" aangewezen gronden bestemd voor agrarisch-technische hulpbedrijven en agrarisch verwante bedrijven, tenzij het bedrijven zoals per adres opgenomen in de bij deze regel behorende tabel, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - bestaand bedrijf" betreft.

In de bij artikel 5, lid 5.1, onder a, behorende tabel is opgenomen dat op het perceel [locatie 12] te Drunen een tuincentrum is toegestaan.

Ingevolge lid 5.2.1 geldt voor het bouwen van bouwwerken dat het bouwvlak volledig mag worden bebouwd, tenzij ter plaatse van de aanduiding "maximum bebouwingspercentage" een ander maximum bebouwingspercentage is aangegeven. Het perceel [locatie 12] heeft die aanduiding niet.

42.3. De Afdeling is van oordeel dat de raad geen rekening hoefde te houden met de wens van [appellant sub 14] om zijn bouwvlak uit te breiden, nu hij ten tijde van de vaststelling van het plan geen concreet bouwplan had. Hierbij is mede van belang dat het bouwvlak ingevolge artikel 5, lid 5.2.1, van de planregels volledig mag worden bebouwd, en niet is gebleken dat [appellant sub 14] deze mogelijkheid reeds heeft benut. Indien [appellant sub 14] in de toekomst een concreet bouwplan wil ontwikkelen waarvoor meer ruimte nodig is dan op basis van het huidige bouwvlak is toegestaan, kan hij het college van burgemeester en wethouders verzoeken om toepassing te geven aan de afwijkingsbevoegdheid in artikel 5, lid 5.4, van de planregels.

Over de door [appellant sub 14] gemaakte vergelijking met het tuincentrum op het perceel [locatie 2] te Drunen wordt overwogen dat de raad zich op het standpunt heeft gesteld dat deze situatie verschilt van de aan de orde zijnde situatie, omdat aan de uitbreiding van het tuincentrum een landschappelijke inpassing en een ruimtelijke onderbouwing ten grondslag lagen. In hetgeen [appellant sub 14] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de door [appellant sub 14] genoemde situatie niet overeenkomt met de thans aan de orde zijnde situatie.

Het betoog faalt.

43. Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellant sub 14] ongegrond.

De beroepen van de ZLTO, [appellant sub 7a] en [appellante sub 7b] en Brabant Plant

44. Brabant Plant betoogt dat de wijze waarop de raad haar zienswijzen heeft behandeld in strijd is met artikel 3:46 van de Awb.

Artikel 3:46 van de Awb verzet zich er niet tegen dat de raad de zienswijzen samengevat weergeeft. Dat niet op ieder argument ter ondersteuning van een zienswijze afzonderlijk is ingegaan, is op zichzelf geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit niet voldoende is gemotiveerd. Niet is gebleken dat bepaalde bezwaren of argumenten niet in de overwegingen zijn betrokken. Het betoog faalt.

45. De ZLTO betoogt dat de raad artikel 3, lid 3.2.7, onder a, en artikel 4, lid 4.2.7, onder a, van de planregels ten onrechte heeft vastgesteld. Daartoe voert de ZLTO aan dat de afwijkingsmogelijkheid ten behoeve van huisvesting van seizoensarbeiders voor maximaal 46 weken per kalenderjaar, als opgenomen in artikel 3, lid 3.5, onder b, en artikel 4, lid 4.5, onder b, van de planregels, door de termijn van zes maanden voor de bouwwerken, als opgenomen in de bestreden planregels, niet kan worden uitgevoerd, omdat deze afwijkingsmogelijkheid alleen betrekking heeft op de gebruiksregel in artikel 3, lid 3.4.2, aanhef en onder b, en artikel 4, lid 4.4.2, aanhef en onder a, van de planregels.

45.1. De artikelen 3 en 4 hebben betrekking op de bestemmingen "Agrarisch", onderscheidenlijk "Agrarisch - Glastuinbouw".

Ingevolge artikel 3, lid 3.2.7, aanhef en onder a, en artikel 4, lid 4.2.7, aanhef en onder a, van de planregels zijn stacaravans en/of woonunits ten behoeve van de huisvesting van seizoensarbeiders toegestaan gedurende maximaal zes maanden per kalenderjaar.

Ingevolge lid 3.4.2, aanhef en onder b, en lid 4.4.2, aanhef en onder a, wordt onder een strijdig gebruik met de bestemming in ieder geval begrepen het huisvesten van seizoensarbeiders gedurende meer dan zes maanden per kalenderjaar.

Ingevolge lid 3.5, aanhef en onder b, en lid 4.5, aanhef en onder b, kan het bevoegd gezag bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 3.4.2, aanhef en onder b, en lid 4.4.2, aanhef en onder a, ten behoeve van de huisvesting van seizoensarbeiders voor maximaal 46 weken per kalenderjaar, onder een aantal nader genoemde voorwaarden.

45.2. De raad erkent dat artikel 3, lid 3.2.7, aanhef en onder a, en artikel 4, lid 4.2.7, aanhef en onder a, van de planregels onbedoeld eraan in de weg staan om toepassing te geven aan de bedoelde afwijkingsbevoegdheid, omdat de afwijkingsbevoegdheid alleen betrekking heeft op de gebruiksregel in artikel 3, lid 3.4.2, aanhef en onder b, en artikel 4, lid 4.4.2, aanhef en onder a, van de planregels. Gelet hierop ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit wat betreft artikel 3, lid 3.2.7, onder a, en artikel 4, lid 4.2.7, onder a, van de planregels, voor zover niet is voorzien in een afwijkingsbevoegdheid voor het langer dan zes maanden toestaan van stacaravans en/of woonunits ten behoeve van de huisvesting van seizoensarbeiders, niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid. Het betoog slaagt.

46. [appellant sub 7a] en [appellante sub 7b] betogen dat de raad artikel 4, lid 4.2.7, onder e, van de planregels ten onrechte heeft vastgesteld. De daarin genoemde oppervlakte van een woonunit van maximaal 30 m² ten behoeve van de huisvesting van seizoensarbeiders is volgens hen ontoereikend en zou moeten worden vergroot naar 60 m².

46.1. Ingevolge artikel 4, lid 4.2.7, aanhef en onder e, van de planregels zijn stacaravans en woonunits ten behoeve van de huisvesting van seizoensarbeiders toegestaan onder de voorwaarde dat de oppervlakte van een woonunit maximaal 30 m² mag bedragen.

46.2. De Afdeling acht een maximale oppervlakte van 30 m² voor een woonunit ten behoeve van de huisvesting van seizoensarbeiders niet onredelijk. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat de raad heeft toegelicht dat ter voorkoming van de aantasting van het landschap de bebouwde oppervlakte van de woonunits zo klein mogelijk dient te worden gehouden. Voorts wordt van belang geacht dat de maximale oppervlakte van 30 m² voor een woonunit in overeenstemming is met de technische vereisten uit hoofdstuk 4 van het Bouwbesluit 2012. Dat seizoensarbeiders zich, na toepassing van de afwijkingsbevoegdheid, voor 46 weken per kalenderjaar kunnen huisvesten, zoals [appellant sub 7a] en [appellante sub 7b] stellen, doet aan het voorgaande niet af. Het betoog faalt.

47. De ZLTO betoogt dat de raad artikel 3, lid 3.5, onder c, sub 4, en artikel 4, lid 4.5, onder c, sub 4, van de planregels ten onrechte heeft vastgesteld. Weliswaar wordt in de betreffende regels een grotere vloeroppervlakte van bedrijfsgebouwen voor het huisvesten van tijdelijke arbeidskrachten mogelijk gemaakt, maar dit wordt volgens ZLTO ten onrechte gekoppeld aan een termijn van maximaal zes maanden per kalenderjaar. Volgens de ZLTO biedt de oppervlakteverruiming hierdoor geen mogelijkheid om aan de behoefte van een langere termijn te voldoen. De voorwaarde is onnodig beperkend, aldus de ZLTO.

47.1. Ingevolge artikel 3, lid 3.4.2, aanhef en onder c, en artikel 4, lid 4.4.2, aanhef en onder b, van de planregels wordt onder een strijdig gebruik begrepen het huisvesten van tijdelijke arbeidskrachten in bedrijfsgebouwen met een vloeroppervlakte van meer dan 200 m².

Ingevolge lid 3.5, aanhef en onder c, en lid 4.5, aanhef en onder c, kan het bevoegd gezag bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 3.4.2, onder c, en lid 4.4.2, onder b, ten behoeve van het huisvesten van tijdelijke arbeidskrachten in bedrijfsgebouwen, met dien verstande dat:

1. de voorzieningen worden gerealiseerd binnen bedrijfsgebouwen in een bouwvlak tot een maximale vloeroppervlakte van 500 m²;

(…);

4. de afwijking voor niet langer dan zes maanden per kalenderjaar mag worden verleend;

(…).

47.2. De raad heeft toegelicht dat indien naast de vergroting van de maximale vloeroppervlakte van 500 m² van bedrijfsgebouwen ten behoeve van het huisvesten van tijdelijke arbeidskrachten ook een maximale duur van 46 weken zou worden toegestaan, de ruimtelijke impact, wat betreft uitstraling naar de omgeving, groter is en dit niet wenselijk wordt geacht. De Afdeling acht dit standpunt niet onredelijk. Hierbij wordt mede betrokken dat het in dit geval om tijdelijke arbeidskrachten gaat die, anders dan de ZLTO stelt, gedurende een bepaalde, tijdelijke periode huisvesting nodig hebben waarbij tijdens piekperioden een grotere oppervlakte voor huisvesting nodig kan zijn. De ZLTO heeft niet aannemelijk gemaakt dat de voorwaarde onnodig beperkend is. Het betoog faalt.

48. De ZLTO betoogt dat de raad artikel 3, lid 3.2.3, onder c, sub 1 en 3, van de planregels, dat betrekking heeft op de bestemming "Agrarisch", ten onrechte heeft vastgesteld. Volgens de ZLTO is de maximale oppervlakte van 1,5 ha niet ruimtelijk relevant. Onderdeel 3 moet daarom worden verwijderd. In onderdeel 1 moet volgens haar het woord "lage" worden verwijderd. Zij stelt dat door het tijdelijke karakter van de voorzieningen de aanwezige waarden niet worden aangetast. De voorzieningen dragen bovendien bij aan een duurzame wijze van bedrijfsvoering.

48.1. Ingevolge artikel 1, lid bl, van de planregels wordt onder hoge (teelt)ondersteunende voorzieningen verstaan: teeltondersteunende voorzieningen, anders dan teeltondersteunende kassen, die in de regel hoger zijn dan 1,5 m. Hieronder worden in ieder geval verstaan: teeltbakken in de stellingen of teelttafels, eventueel regenkappen; plastic-/foliekassen, -tunnels en -regenkappen.

Ingevolge lid ci wordt onder lage (teelt)ondersteunende voorzieningen verstaan: (teelt)ondersteunende voorzieningen voor plantaardige teelten, die op of nabij de grond worden aangebracht, met een maximale hoogte van 1,5 m. Hieronder wordt in ieder geval verstaan: containervelden (een geheel verharde ondergrond veelal van niet-opneembare/gesloten verhardingen, zoals beton of anti-worteldoek met daartussen opneembare of open verhardingen, zoals betonplaten, tegel- of klinkerbestratingen) lage tunnels (halfronde bogen waarover plastic of gaasdoek wordt gespannen), insectengaas, afdekfolies, acryldoek, vlakveldfolies of vraatnetten.

Ingevolge lid dp wordt onder (teelt)ondersteunende voorzieningen verstaan: (teelt)ondersteunende voorzieningen, die onderdeel zijn van de totale agrarische bedrijfsvoering van een (grondgebonden) open- of vollegronds tuinbouwbedrijf(stak), boom- of vaste plantenteeltbedrijf(stak) en die gebruikt worden om de bedrijfsvoering te optimaliseren; hierdoor vindt (een deel van) de productie onder meer gecontroleerde omstandigheden plaats, waardoor gezorgd kan worden voor een verbetering van de productiekwaliteit en/of arbeidsomstandigheden, teeltvervroeging of -verlating en het terugdringen van gewasbeschermingsmiddelen en meststoffengebruik.

Ingevolge lid dr wordt onder tijdelijke (teelt)ondersteunende voorzieningen verstaan: teeltondersteunende voorzieningen die op dezelfde locatie gebruikt kunnen worden zo lang de teelt dit vereist, met een maximum van zes maanden. Deze tijdelijke voorzieningen hebben een directe relatie met het grondgebruik. Hieronder worden verstaan folies, insectengaas, acryldoek, wandelkappen, schaduwhallen, hagelnetten, regenkappen, palen, vraatnetten en boomteelthekken.

Ingevolge artikel 3, lid 3.2.3, aanhef en onder c, geldt voor de bestemming "Agrarisch" voor teeltondersteunende voorzieningen dat buiten het bouwvlak de volgende teeltondersteunende voorzieningen en permanente palen ten behoeve van hoge tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen zijn toegestaan:

1. lage tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen, met uitzondering van de nieuwvestiging van plastic- of glazen constructies in het gebied van de Baardwijkse Overlaat ten zuiden van de Koningsvliet en ten noorden van het Drongelens Kanaal;

2. (…);

3. hoge tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen met een maximale oppervlakte van 1,5 ha per bedrijf, met uitzondering van de gronden ter plaatse van de aanduiding "openheid".

48.2. De Afdeling stelt vast dat als de wensen van de ZLTO zouden worden verwerkt in het plan, alle vormen van tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen buiten het bouwvlak zouden zijn toegestaan. De raad heeft dit in redelijkheid niet allemaal mogelijk hoeven maken, gelet op de kenmerken van het landschap en de impact van de voorzieningen. Voorts heeft de raad daarbij in redelijkheid een onderscheid kunnen maken in hoge en lage tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen, aangezien de invloed van deze voorzieningen op het landschap niet gelijk is.

De ZLTO heeft niet aangetoond dat de maximaal toegestane oppervlakte van 1,5 ha voor hoge tijdelijke (teelt)ondersteunende voorzieningen buiten het bouwvlak zodanige beperkingen voor de betrokken bedrijven in het plangebied met zich brengt dat de raad deze regel niet in redelijkheid heeft kunnen vaststellen. Het mogelijk maken van tijdelijke (teelt)ondersteunende voorzieningen buiten het bouwvlak zonder daar een maximum oppervlakte aan te verbinden, zou betekenen dat deze ongelimiteerd in het hele buitengebied mogelijk zijn. Dat het hier slechts gaat om tijdelijke (teelt)ondersteunende voorzieningen, zoals de ZLTO stelt, doet daar niet aan af. Dat de aanwezige natuur- en landschapswaarden niet zullen worden aangetast, is niet aannemelijk gemaakt. Daarbij heeft de raad de gronden met de aanduiding "openheid" kunnen uitsluiten van hoge tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen.

Het betoog faalt.

49. De ZLTO betoogt voorts dat de raad artikel 4, lid 4.2.2, onder c, en het woord "lage" in artikel 4, lid 4.2.3, onder b, sub 1, van de planregels, die betrekking hebben op de bestemming "Agrarisch - Glastuinbouw", ten onrechte heeft vastgesteld. Volgens de ZLTO zijn deze regels niet ruimtelijk relevant. Zij stelt dat door het tijdelijke karakter van de voorzieningen de aanwezige waarden niet worden aangetast. De voorzieningen dragen bovendien bij aan een duurzame wijze van bedrijfsvoering.

49.1. Ingevolge artikel 4, lid 4.2.1, aanhef en onder a, van de planregels geldt voor de bestemming "Agrarisch - Glastuinbouw" voor het bouwen van bouwwerken dat gebouwen en kassen dienen te worden gebouwd in het bouwvlak, met uitzondering ter plaatse van de aanduiding "kas uitgesloten", waarvoor geldt dat daar geen kassen mogen worden gebouwd.

Ingevolge lid 4.2.2, aanhef en onder c, geldt voor het bouwen van bedrijfsgebouwen dat tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen - in afwijking van het bepaalde in lid 4.2.1, onder a, - buiten het bouwvlak zijn toegestaan met een maximum oppervlakte van 2,5 ha, waarbij de bouwhoogte niet meer mag bedragen dan 4 m.

Ingevolge lid 4.2.3, aanhef en onder b, geldt voor teeltondersteunende voorzieningen dat buiten het bouwvlak de volgende teeltondersteunende voorzieningen en permanente palen ten behoeve van hoge tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen zijn toegestaan:

1. lage tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen;

2. (…).

49.2. De Afdeling overweegt dat de raad niet inzichtelijk heeft gemaakt hoe de diverse bepalingen zich tot elkaar verhouden en wat de raad precies mogelijk heeft willen maken aan tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen in glastuinbouwgebieden. Zo is niet duidelijk waarom de tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen zowel in lid 4.2.2, onder c, als in lid 4.2.3, onder b, worden genoemd, waarbij in lid 4.2.2 de tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen zijn gekoppeld aan het bouwen van bedrijfsgebouwen, terwijl deze in lid 4.2.3 afzonderlijk worden genoemd, terwijl voorts in lid 4.2.2 voor het totaal aan tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen een maximum van 2,5 ha is opgenomen, terwijl in lid 4.2.3 de lage tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen zonder maximum worden toegestaan. Evenmin is duidelijk hoe de bepaling in lid 4.2.3, onder b, zich verhoudt tot de bepaling in lid 3.2.3, onder c, voor gronden met de bestemming "Agrarisch", nu in lid 3.2.3 lage en hoge tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen worden toegestaan en in lid 4.2.3. enkel lage tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen, daargelaten de in beide artikelleden toegestane permanente palen ten behoeve van hoge tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen. Aannemelijk is dat in gebieden met de bestemming "Agrarisch - Glastuinbouw" niet minder mogelijkheden voor tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen hoeven te worden geboden dan in gebieden met de bestemming "Agrarisch". Derhalve is niet duidelijk waarom hoge tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen in lid 4.2.3 niet worden toegestaan, terwijl door de onduidelijke verhouding van dit lid tot lid 4.2.2 niet zeker is dat laatstgenoemd lid in voldoende mate hoge tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen mogelijk maakt. Gelet op het voorgaande berust het plan in zoverre niet op een deugdelijke motivering. Het betoog slaagt.

50. De ZLTO kan zich niet verenigen met artikel 4, lid 4.6.2, aanhef en onder a, van de planregels. Ook [appellant sub 7a] en [appellante sub 7b], die op de percelen [locatie 13 en 14] te Haarsteeg een glastuinbouwbedrijf exploiteren, en Brabant Plant, die op de percelen Tuinbouwweg 78 en 86 en Mommersteeg 46 te Haarsteeg een glastuinbouwbedrijf exploiteert, betogen dat de raad artikel 4, lid 4.6.2, aanhef en onder a, van de planregels ten onrechte heeft vastgesteld.

Daartoe voeren zij aan dat de bouwvlakken ten behoeve van glastuinbouw in een doorgroeigebied ten onrechte een maximale omvang mogen hebben van 3 ha. Volgens de ZLTO doet dit geen recht aan het karakter van doorgroeigebied voor glastuinbouw en geeft het evenmin invulling aan het beleid. Volgens [appellant sub 7a] en [appellante sub 7b] en Brabant Plant doet een norm van 3 ha geen recht aan het karakter van een doorgroeigebied en is het plan op dit punt in strijd met de Verordening 2012 en de Ontwikkelingsvisie. [appellant sub 7a] en [appellante sub 7b] en Brabant Plant voeren aan dat zij worden belemmerd in hun uitbreidingsmogelijkheden, omdat beide bedrijven reeds een omvang hebben van meer dan 3 ha. Ook de ZLTO wijst erop dat reeds gevestigde bedrijven vaak al een omvang hebben van 3 ha, zodat er voor deze bedrijven ten onrechte geen uitbreidingsmogelijkheden meer zijn.

Voorts is volgens de volgens de ZLTO, [appellant sub 7a] en [appellante sub 7b] en Brabant Plant ten onrechte de bestemming "Agrarisch - Glastuinbouw" opgenomen voor zowel het doorgroeigebied als het vestigingsgebied

50.1. Aan de percelen [locatie 13 en 14] is de bestemming "Agrarisch - Glastuinbouw" en de aanduiding "attentiegebied EHS" toegekend. De percelen Tuinbouwweg 78 en 86 en Mommersteeg 46 hebben de bestemming "Agrarisch - Glastuinbouw".

Ingevolge artikel 4, lid 4.6.2, aanhef en onder a, van de planregels is het college van burgemeester en wethouders bevoegd het plan te wijzigen ten behoeve van de vergroting van het bouwvlak van glastuinbouwbedrijven, met dien verstande dat de totale oppervlakte van het bouwvlak na vergroting niet meer bedraagt dan 3 ha ten oosten van de Mommersteeg in Haarsteeg, met uitzondering van de gronden ten westen van de Mommersteeg in Haarsteeg, waarvoor geen maximale oppervlakte geldt.

Ingevolge lid 4.6.3 is het college van burgemeester en wethouders bevoegd het plan te wijzigen voor de gronden gelegen ten westen van de Mommersteeg in Haarsteeg, en nieuwe bouwvlakken op te nemen ten behoeve van het toelaten van nieuwe glastuinbouwbedrijven, indien is voldaan aan een aantal nader genoemde voorwaarden.

50.2. Ingevolge artikel 2.1, derde lid, van de Verordening 2012 bevat de toelichting bij een bestemmingsplan ten behoeve van het behoud en de bevordering van de ruimtelijke kwaliteit als bedoeld in het eerste lid een verantwoording waaruit blijkt dat:

a. in het bestemmingsplan rekening is gehouden met de gevolgen van de beoogde ruimtelijke ontwikkeling voor de in het plan begrepen gronden en de naaste omgeving, in het bijzonder wat betreft bodemkwaliteit, de waterhuishouding, de in de grond aanwezige of te verwachten monumenten, de cultuurhistorische waarden, de ecologische waarden, de aardkundige waarden en de landschappelijke waarden alsmede de op grond van deze verordening toegelaten ruimtelijke ontwikkelingsmogelijkheden.

b. de omvang van de beoogde ruimtelijke ontwikkeling, in het bijzonder wat betreft de omvang van de beoogde bebouwing, past in de omgeving.

Ingevolge artikel 10.2, eerste lid, bepaalt een bestemmingsplan dat is gelegen in een mogelijk doorgroeigebied glastuinbouw:

a. dat nieuwvestiging van en omschakeling naar een glastuinbouwbedrijf niet zijn toegestaan;

b. tot welke maat uitbreiding van glastuinbouwbedrijven is toegestaan.

Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder a, bevat de toelichting bij een bestemmingsplan dat voorziet in uitbreiding van glastuinbouwbedrijven een verantwoording waaruit blijkt dat rekening is gehouden met de gevolgen van de beoogde uitbreiding voor de in het plan begrepen gronden en de naaste omgeving zoals vereist op grond van artikel 2.1, derde lid.

Ingevolge artikel 10.3, eerste lid, bepaalt een bestemmingsplan dat is gelegen in een vestigingsgebied glastuinbouw:

a. dat nieuwvestiging van en omschakeling naar glastuinbouwbedrijven zijn toegestaan binnen daartoe aangewezen gedeelten van dat vestigingsgebied;

b. dat uitbreiding van glastuinbouwbedrijven is toegestaan.

Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder a, bevat de toelichting bij een bestemmingsplan als bedoeld in het eerste lid een verantwoording waaruit blijkt dat rekening is gehouden met de gevolgen van de beoogde vestiging of uitbreiding voor de in het plan begrepen gronden en de naaste omgeving zoals vereist op grond van artikel 2.1, derde lid.

Ingevolge artikel 10.4, eerste lid, bepaalt een bestemmingsplan dat is gelegen in een agrarisch gebied, niet zijnde een mogelijk doorgroeigebied of een vestigingsgebied glastuinbouw, dat uitbreiding van glastuinbouw-bedrijven is toegestaan tot ten hoogste 3 ha netto glas mits uit de toelichting blijkt dat deze uitbreiding noodzakelijk is voor de bedrijfsvoering.

50.3. In het plangebied zijn drie glastuinbouwgebieden te onderscheiden, te weten twee vestigingsgebieden en één (mogelijk) doorgroeigebied voor glastuinbouw. De glastuinbouwbedrijven binnen deze gebieden hebben de bestemming "Agrarisch - Glastuinbouw" gekregen. Niet in geschil is dat de raad met betrekking tot de regels voor glastuinbouw heeft beoogd om aan te sluiten bij de Verordening 2012. Uit de Verordening 2012 volgt niet dat vestigingsgebieden en doorgroeigebieden niet eenzelfde bestemming zouden kunnen krijgen. In de planregels kan immers, indien nodig, een nader onderscheid tussen beide typen gebieden worden gemaakt, hetgeen ook is gebeurd. Het betoog dat zowel het doorgroeigebied als het vestigingsgebied voor glastuinbouw in het plan ten onrechte beide de bestemming "Agrarisch - Glastuinbouw" hebben gekregen, faalt.

50.4. In de plantoelichting staat dat voor het gehanteerde beleid voor glastuinbouw in het bestemmingsplan is aangesloten bij de Ontwikkelingsvisie en de Verordening 2012. In een vestigingsgebied voor glastuinbouw geldt in aansluiting op de Verordening 2012 dat omschakeling naar en uitbreiding van elke bedrijfsvorm, anders dan glastuinbouw, zoveel mogelijk voorkomen moet worden, zodat bestaande glastuinbouwbedrijven niet worden gehinderd in hun ontwikkeling. In doorgroeigebieden voor glastuinbouw mogen bestaande glastuinbouwbedrijven hun bouwblok uitbreiden tot de in het bestemmingsplan aangegeven maximale oppervlakten. Glastuinbouwbedrijven die buiten de vestigings- en doorgroeigebieden zijn gevestigd mogen op grond van de Verordening 2012 uitbreiden tot ten hoogste 3 ha.

In de Ontwikkelingsvisie staat dat voor de ontwikkeling van glastuinbouw het beleid uit het Gebiedsplan Wijde Biesbosch en de gemeentelijke structuurvisie wordt gevolgd. Clustering van glastuinbouwbedrijven is daarbij het uitgangspunt. Dit houdt in dat nieuwvestiging en uitbreiding is toegestaan in de zogenaamde vestigingsgebieden voor glastuinbouw, zijnde de omgeving van de Naulandseweg en tussen de Tuinbouwweg en De Hoeven. Uitbreiding van bestaande glastuinbouwbedrijven is toegestaan in het doorgroeigebied langs de Tuinbouwweg, ten oosten van de Mommersteeg.

50.5. De percelen [locatie 13 en 14] en de percelen Tuinbouwweg 78 en 86 en Mommersteeg 46 liggen ten oosten van de Mommersteeg en blijkens de kaartbijlage van de Verordening 2012 in een mogelijk doorgroeigebied voor glastuinbouw. De Afdeling stelt vast dat de Verordening 2012 niet in de weg staat aan het opnemen van strengere regels in een bestemmingsplan. Dat artikel 4, lid 4.6.2, van de planregels strengere voorwaarden bevat dan de Verordening 2012 betekent, gelet op het voorgaande, niet dat de bepaling in strijd is met de Verordening 2012.

De Afdeling stelt vast dat de maximaal toegestane omvang van 3 ha voor bouwvlakken van glastuinbouwbedrijven in een doorgroeigebied niet wordt genoemd in het beleid, hetgeen door de raad is erkend. De raad heeft echter toegelicht dat hij de maximaal toegestane oppervlakte van de bouwvlakken van glastuinbouwbedrijven in een doorgroeigebied heeft begrensd tot 3 ha, omdat het doorgroeigebied glastuinbouw dicht bij de bebouwde kom ligt en de gevestigde glastuinbouwbedrijven reeds een grote omvang hebben met de daarbij behorende zware transportbewegingen. Dit heeft reeds tot klachten in verband met overlast geleid. De raad is niet principieel tegen uitbreiding van een bouwvlak tot meer dan 3 ha, maar wil de besluitvorming hierover in eigen hand houden en pas bij een concreet plan hiervoor eventueel een planherziening vaststellen. Aan de aanvraag dient een ruimtelijke onderbouwing ten grondslag te liggen, zodat bij de beoordeling van het concrete plan de belangen van de overige glastuinbouwbedrijven en de omgeving kunnen worden afgewogen, evenals mogelijke nieuwvestigingen in het doorgroeigebied. De Afdeling acht dit niet onredelijk. Voor het oordeel dat het beleid van de raad geen recht doet aan het karakter van het doorgroeigebied, bestaat, gelet op het voorgaande, geen aanleiding. Gevestigde bedrijven met een omvang groter dan 3 ha kunnen zich voor een gewenste uitbreiding met een concreet uitbreidingsplan wenden tot het gemeentebestuur met een verzoek om het plan te herzien. De betogen falen.

51. [appellant sub 7a] en [appellante sub 7b] betogen ten slotte dat de raad aan het plandeel met de bestemming "Agrarisch - Glastuinbouw" voor het perceel [locatie 13] ten onrechte de aanduiding "bedrijfswoning uitgesloten" heeft toegekend. Zij voeren aan dat bij besluit van 15 oktober 2010 een omgevingsvergunning is verleend voor de bouw van een bedrijfswoning ter plaatse en dat de bedrijfswoning inmiddels is gerealiseerd.

51.1. De raad erkent dat aan het perceel ten onrechte de aanduiding "bedrijfswoning uitgesloten" is toegekend. Nu de raad zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit wat dit onderdeel betreft niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid. Het betoog slaagt.

52. Gelet op hetgeen is overwogen onder 45.2 en 49.2, is het beroep van de ZLTO gegrond. In hetgeen de ZLTO heeft aangevoerd, ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, wat betreft artikel 3, lid 3.2.7, onder a, en artikel 4, lid 4.2.7, onder a, van de planregels, voor zover niet is voorzien in een afwijkingsbevoegdheid voor het langer dan zes maanden toestaan van stacaravans en/of woonunits ten behoeve van de huisvesting van seizoensarbeiders, is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Voorts ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, wat betreft artikel 4, lid 4.2.2, onder c, en artikel 4, lid 4.2.3, onder b, sub 1, van de planregels, is genomen in strijd met artikel 3:46 van de Awb. Het bestreden besluit dient in zoverre te worden vernietigd.

52.1. De Afdeling ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, aanhef en onder a, en vijfde lid, van de Awb, zoals dit luidde ten tijde van belang, de raad op te dragen om voor de vernietigde planonderdelen met inachtneming van deze uitspraak een nieuw plan vast te stellen en zal daartoe een termijn stellen.

52.2. Teneinde te voorkomen dat tot aan de periode van inwerkingtreding van het nieuwe plan in het geheel geen tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen bij de bestemming "Agrarisch - Glastuinbouw" zijn toegestaan, ziet de Afdeling voorts aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb, zoals hierna vermeld.

52.3. Gelet op hetgeen is overwogen in 51.1 is het beroep van [appellant sub 7a] en [appellante sub 7b] gegrond. In hetgeen [appellant sub 7a] en [appellante sub 7b] hebben aangevoerd, ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, wat betreft de aanduiding "bedrijfswoning uitgesloten" voor het perceel [locatie 13] te Haarsteeg, is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Het bestreden besluit dient in zoverre te worden vernietigd.

52.4. Gelet op het voorgaande is het beroep van Brabant Plant ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 17]

53. [appellant sub 17] betoogt dat de raad het plandeel met de bestemming "Agrarisch - Glastuinbouw" voor het perceel [locatie 15], kadastraal bekend gemeente Vlijmen (thans gemeente Heusden), sectie […], nr. […], ten onrechte heeft vastgesteld, voor zover daaraan geen bouwvlak is toegekend. Hij wenst op dit perceel een boomkwekerij te exploiteren. [appellant sub 17] stelt een volwaardig grondgebonden agrarisch bedrijf te hebben, waarvoor een bouwvlak op het perceel noodzakelijk is en verwijst daarbij naar een bedrijfsplan van 27 april 2000, een aanvulling op het bedrijfsplan van 21 februari 2001 en een rapport van 4 maart 2013. Anders dan de raad stelt, kan de wijzigingsbevoegdheid die in het plan is opgenomen in artikel 4, lid 4.6.3, van de planregels volgens [appellant sub 17] niet worden toegepast op zijn grondgebonden agrarisch bedrijf.

53.1. De raad stelt zich op het standpunt dat niet is gebleken dat de door [appellant sub 17] gestelde volwaardige agrarische bedrijfsvoering wordt geëxploiteerd, zodat er geen aanleiding was om aan het perceel een bouwvlak toe te kennen. Voorts is de vestiging van een agrarisch bedrijf ter plaatse volgens de raad in strijd met de Verordening 2012.

53.2. Aan het perceel is de bestemming "Agrarisch - Glastuinbouw" toegekend. Het perceel heeft geen bouwvlak.

Ingevolge artikel 4, lid 4.1, zijn de voor "Agrarisch - Glastuinbouw" aangewezen gronden bestemd voor:

a. grondgebonden agrarische bedrijven;

b. glastuinbouwbedrijven;

(…).

Ingevolge lid 4.6.3, onder b, is het college van burgemeester en wethouders bevoegd het plan te wijzigen voor de gronden gelegen ten oosten van de Mommersteeg in Haarsteeg, en nieuwe bouwvlakken op te nemen ten behoeve van het toelaten van nieuwe glastuinbouwbedrijven, indien is voldaan aan de in het artikel genoemde voorwaarden.

53.3. Ingevolge artikel 1.1, lid 34, van de Verordening 2012 wordt onder glastuinbouwbedrijf verstaan: een agrarisch bedrijf met een bedrijfsvoering die geheel of in overwegende mate in kassen plaatsvindt.

Ingevolge artikel 8.3, eerste lid, onder a, bepaalt een bestemmingsplan dat is gelegen in agrarisch gebied dat nieuwvestiging van en omschakeling naar een grondgebonden agrarisch bedrijf niet is toegestaan.

Ingevolge artikel 10.2, eerste lid, onder a, bepaalt een bestemmingsplan dat is gelegen in een mogelijk doorgroeigebied glastuinbouw dat nieuwvestiging van en omschakeling naar een glastuinbouwbedrijf niet zijn toegestaan.

53.4. Het perceel ligt blijkens de kaartbijlagen van de Verordening 2012 in agrarisch gebied en doorgroeigebied glastuinbouw. Niet in geschil is dat [appellant sub 17] op het perceel aan [locatie 15] een boomkwekerijbedrijf wenst te exploiteren. Voor zover is beoogd om ter plaatse een glastuinbouwbedrijf te vestigen, is dit ingevolge artikel 10.2, eerste lid, onder a, van de Verordening 2012 niet toegestaan. Voor zover is beoogd om ter plaatse een grondgebonden agrarisch bedrijf te vestigen, is dit ingevolge artikel 8.3, eerste lid, onder a, van de Verordening 2012 evenmin toegestaan. [appellant sub 17] heeft voorts niet aannemelijk gemaakt dat het in dit geval gaat om een volwaardig agrarisch bedrijf, waarvoor een bouwvlak noodzakelijk is. Hierbij is van belang dat het bedrijfsplan, de aanvulling op het bedrijfsplan en het rapport van 4 maart 2013 weliswaar een weergave geven van de bedrijfsopzet en de begroting, maar daarin ondanks herhaaldelijk verzoek van de zijde van de gemeente, geen inzicht in de financiële boekhouding en het geregistreerde grondgebruik wordt gegeven. Op deze wijze is geen inzicht in de tot heden gevoerde bedrijfsvoering gegeven en kan niet worden vastgesteld of het in dit geval gaat om een volwaardig agrarisch bedrijf. Gelet op het voorgaande is voor het perceel in het plan terecht geen bouwvlak opgenomen.

Voor zover [appellant sub 17] betoogt dat in het plan een wijzigingsbevoegdheid had moeten worden opgenomen, overweegt de Afdeling dat hetgeen [appellant sub 17] heeft aangevoerd daarvoor geen aanleiding geeft.

Het betoog faalt.

53.5. Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellant sub 17] ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 19]

54. [appellant sub 19] betoogt dat de raad de aanduiding "specifieke vorm van wonen - nevenactiviteit" voor het plandeel met de bestemming "Wonen" aan de [locatie 16] te Haarsteeg ten onrechte heeft vastgesteld. Daartoe voert hij aan dat ter plaatse ten onrechte een illegaal catering- en evenementenbedrijf als zodanig wordt bestemd. Daarnaast is het gebruik ten onrechte niet ondergeschikt aan de hoofdfunctie "Wonen". [appellant sub 19] stelt dat het catering- en evenementenbedrijf naast zijn woning leidt tot een onaanvaardbare verslechtering van zijn woon- en leefklimaat.

54.1. De raad stelt zich op het standpunt dat met het toekennen van de aanduiding "specifieke vorm van wonen - nevenactiviteit" de bestaande, legale situatie is vastgelegd.

54.2. Het gedeelte van het perceel waar het hier om gaat heeft de bestemming "Wonen", zonder bouwvlak. Aan dit onbebouwde gedeelte is tevens de aanduiding "specifieke vorm van wonen - nevenactiviteit" toegekend.

Ingevolge artikel 26, lid 26.1, aanhef en sub b, van de planregels zijn de voor "Wonen" aangewezen gronden ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van wonen - nevenactiviteit" bestemd voor nevenactiviteiten zoals per adres is aangegeven in de bij deze regels behorende bijlage 1 Overzicht nevenactiviteiten.

In bijlage 1 Overzicht nevenactiviteiten staat dat op het perceel [locatie 16] ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van wonen - nevenactiviteit" een catering- en evenementenbedrijf is toegestaan.

Ingevolge artikel 1, sub ct, wordt verstaan onder nevenactiviteit: activiteiten die in ruimtelijk opzicht ondergeschikt zijn aan de hoofdfunctie op een bouwperceel.

54.3. Vast staat dat het plandeel met de bestemming "Wonen" en de aanduiding "specifieke vorm van wonen - nevenactiviteit" vóór de vaststelling van dit plan binnen de werkingssfeer van twee verschillende planologische regimes viel en over het gebruik op dit perceelsgedeelte een handhavingsprocedure is gevoerd. Gelet op de uitspraak van de Rechtbank 's-Hertogenbosch van 19 januari 2006, zaak nr. AWB 05/3663, die in rechte onaantastbaar is, neemt de Afdeling als vaststaand gegeven aan dat tegen de bedrijfsactiviteiten die op het perceel plaatsvonden niet handhavend kon worden opgetreden. Naar het oordeel van de Afdeling betekent gebruik, waartegen, door het mogelijk ontbreken van een gebruiksverbod, niet meer handhavend kan worden opgetreden, niet zonder meer dat dit bij de vaststelling van een bestemmingsplan als zodanig moet worden bestemd. Omdat de bedrijfsactiviteiten op het perceel in dit plan voor het eerst als zodanig worden bestemd, moet zorgvuldig worden nagegaan welke bedrijfsactiviteiten ter plaatse worden uitgeoefend en ruimtelijk aanvaardbaar worden geacht, waarbij een afweging dient te worden gemaakt van de daarbij betrokken belangen. De raad heeft dit echter nagelaten. Niet inzichtelijk is gemaakt of de in het kader van het catering- en evenementenbedrijf uitgeoefende bedrijfsactiviteiten ondergeschikt zijn aan de hoofdfunctie "Wonen" en op welke wijze de opslag, de aanvoer van goederen en het aantal verkeersbewegingen langs de woning van [appellant sub 19] in het plan worden beperkt. Naar het oordeel van de Afdeling biedt artikel 26, lid 26.1, aanhef en sub b, van de planregels, in samenhang met bijlage 1 Overzicht nevenactiviteiten daartoe onvoldoende aanknopingspunten. Voorts heeft de raad niet inzichtelijk gemaakt op welke wijze de belangen van [appellant sub 19] in de besluitvorming zijn betrokken. Het betoog slaagt.

54.4. In hetgeen [appellant sub 19] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover het betreft de aanduiding "specifieke vorm van wonen - nevenactiviteit" voor het plandeel met de bestemming "Wonen" voor het perceel [locatie 16] te Haarsteeg, is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

54.5. De Afdeling ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, aanhef en onder a, en vijfde lid, van de Awb, zoals dit luidde ten tijde van belang, de raad op te dragen om voor het vernietigde planonderdeel met inachtneming van deze uitspraak een nieuw plan vast te stellen en zal daartoe een termijn stellen.

54.6. De Afdeling ziet voorts aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb, zoals hierna vermeld.

Het beroep van [appellant sub 2]

55. [appellant sub 2] betoogt dat de raad het plandeel met de bestemming "Agrarisch - Glastuinbouw", die is toegekend aan de gronden achter het perceel [locatie 17] te Haarsteeg, ten onrechte heeft vastgesteld, omdat hier ten onrechte de huisvesting van seizoensarbeiders wordt mogelijk gemaakt. De Afdeling stelt vast dat deze beroepsgrond niet steunt op een bij de raad naar voren gebrachte zienswijze.

55.1. Ingevolge artikel 8:1 van de Awb, in samenhang gelezen met artikel 8:6 van de Awb en artikel 2 van bijlage 2 bij de Awb alsmede met artikel 6:13 van de Awb, kan door een belanghebbende geen beroep worden ingesteld tegen onderdelen van het besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarover hij bij het ontwerpplan geen zienswijze naar voren heeft gebracht, tenzij hem redelijkerwijs niet kan worden verweten dit te hebben nagelaten. Deze omstandigheid doet zich niet voor. Geen rechtvaardiging is gelegen in de stelling van [appellant sub 2] dat het plan op dit punt gewijzigd is vastgesteld. Het plan voorziet zowel bij de bestemming "Agrarisch - Glastuinbouw" als bij de bestemming "Agrarisch", die in het ontwerpplan aan het betreffende perceel was toegekend, in een regeling ten behoeve van de huisvesting van seizoensarbeiders, zodat [appellant sub 2] hierover redelijkerwijs een zienswijze naar voren had kunnen brengen. Het beroep is in zoverre niet-ontvankelijk.

56. [appellant sub 2] betoogt dat uit een fragment van de vastgestelde verbeelding op de landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl blijkt dat aan het perceel [locatie 17] naast de woonbestemming tevens de bestemming "Agrarisch" is toegekend.

56.1. De Afdeling stelt vast dat de bestemming "Agrarisch" voor het perceel [locatie 17] niet op de vastgestelde digitale verbeelding voorkomt, die is te raadplegen via de landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl. Het betoog mist derhalve feitelijke grondslag.

57. [appellant sub 2], die woont aan [locatie 18] te Haarsteeg, betoogt dat de raad artikel 26, lid 26.5, van de planregels ten onrechte heeft vastgesteld. Daartoe voert hij aan dat op basis van dit artikel ten onrechte een omgevingsvergunning kan worden verleend voor het toestaan van nevenactiviteiten in de vorm van kleinschalig kamperen bij de bestemming "Wonen". Hij stelt dat de aanvaardbaarheid van de afwijkingsbevoegdheid ten onrechte niet is onderzocht bij de vaststelling van het plan. [appellant sub 2] vreest voor een aantasting van zijn woon- en leefklimaat door vestiging van een camping naast zijn woning, op het perceel [locatie 17].

[appellant sub 2] betoogt voorts dat de raad de aanduiding "wro-zone - wijzigingsgebied 14" voor het plandeel met de bestemming "Wonen" voor het perceel [locatie 17] ten onrechte heeft vastgesteld. Daartoe voert hij aan dat het plan ter plaatse ten onrechte voorziet in de bevoegdheid voor het college van burgemeester en wethouders om het plan ter plaatse te wijzigen ten behoeve van de toevoeging van een woning. Volgens [appellant sub 2] is niet duidelijk hoe de wijzigingsbevoegdheid zich verhoudt tot de planregeling voor de bestemming "Wonen". Voorts is de toename van verharding die wordt mogelijk gemaakt door de bouw van een woning niet onderzocht. Verder is niet onderzocht of de wijzigingsbevoegdheid in overeenstemming is met provinciale regelgeving.

57.1. Het perceel [locatie 17] heeft de bestemming "Wonen" en deels de aanduiding "wro-zone - wijzigingsgebied 14". Voorts is aan het perceel een bouwvlak toegekend.

Ingevolge artikel 26, lid 26.1, aanhef en onder a, van de planregels zijn de voor "Wonen" aangewezen gronden bestemd voor wonen, waarbij geldt dat het aantal wooneenheden per bouwvlak niet meer dan 1 mag bedragen, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding "aaneengebouwd" en "maximum aantal wooneenheden", het aantal woningen niet meer mag bedragen dan is aangegeven.

Ingevolge lid 26.5 kan het bevoegd gezag bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 26.1 voor het toestaan van nevenactiviteiten in de vorm van kleinschalig kamperen, waarbij de volgende bepalingen gelden:

a. de nevenactiviteiten in de vorm van kleinschalig kamperen bestaat uit ten hoogste 15 standplaatsen uitsluitend ten behoeve van kampeermiddelen en vindt uitsluitend in de periode van 15 maart tot en met 31 oktober plaats;

b. de verkeersaantrekkende werking dient niet onevenredig toe te nemen;

c. de belangen van de omliggende functies dienen niet onevenredig te worden geschaad;

d. er is sprake van een aantoonbare en uitvoerbare fysieke verbetering van de aanwezige of potentiële kwaliteiten van de bodem en/of water en/of natuur en/of landschap en/of cultuurhistorie van het gebied, waarbij wordt getoetst aan de ontwerprichtlijnen uit hoofdstuk 4 van de Ontwikkelingsvisie en aanvrager zich jegens de gemeente heeft verplicht om deze kwaliteitsverbetering uit te voeren en in stand te houden.

Indien de kwaliteitsverbetering zoals voorgeschreven in lid 26.5, sub d, niet of niet geheel uitvoerbaar blijkt te zijn voor initiatiefnemer, dan kan met het verzoek om afwijking van het plan slechts worden ingestemd indien een passende financiële bijdrage in het gemeentelijke landschapsfonds is verzekerd.

Ingevolge artikel 44, lid 44.2, onder n, is het college van burgemeester en wethouders bevoegd ter plaatse van de aanduiding "wro-zone - wijzigingsgebied 14" de bestemming (gelegen aan [locatie 17], Haarsteeg) te wijzigen ten behoeve van de nieuwbouw van één woning, mits:

1. de wijziging past binnen het gemeentelijke woningbouwprogramma;

2. voldaan wordt aan het bepaalde in artikel 26;

3. de belangen van omliggende agrarische bedrijven door de wijziging niet worden aangetast;

4. uit onderzoek is gebleken dat sprake is van een aanvaardbaar leefklimaat wat betreft het aspect geur;

5. uit akoestisch onderzoek is gebleken dat kan worden voldaan aan het gestelde bij of krachtens de Wet geluidhinder ten aanzien van de geluidsbelasting op de gevel van de gesplitste woningen;

6. uit milieukundig bodemonderzoek is gebleken dat de bodem geschikt is voor het beoogde gebruik en tevens rekening wordt gehouden met cultuurhistorische waarden en kenmerken;

7. er is sprake van een aantoonbare en uitvoerbare fysieke verbetering van de aanwezige of potentiële kwaliteiten van de bodem en/of water en/of natuur en/of landschap en/of cultuurhistorie van het gebied, waarbij wordt getoetst aan de ontwerprichtlijnen uit hoofdstuk 4 van de Ontwikkelingsvisie en de aanvrager zich jegens de gemeente heeft verplicht om deze kwaliteitsverbetering uit te voeren en in stand te houden.

57.2. Over de in artikel 26, lid 26.5, van de planregels opgenomen afwijkingsbevoegdheid overweegt de Afdeling dat met het opnemen van deze bevoegdheid de nevenactiviteit in de vorm van kleinschalig kamperen in beginsel planologisch aanvaardbaar moet worden geacht. Dit brengt met zich dat de raad reeds bij de vaststelling van het plan moet hebben afgewogen of de situatie die kan ontstaan door de toepassing van deze bevoegdheid planologisch aanvaardbaar is.

Vast staat dat de afwijkingsbevoegdheid het mogelijk maakt dat bij alle woonbestemmingen in het plangebied kleinschalig kamperen is toegestaan. Niet is gebleken dat de raad bij de vaststelling van het plan heeft afgewogen of een planologisch aanvaardbare invulling van de afwijkingsbevoegdheid mogelijk is. De raad heeft evenmin een deugdelijke onderbouwing gegeven waarom hij kleinschalig kamperen bij alle woningen in het plangebied aanvaardbaar acht. Gelet hierop is het bestreden besluit in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid.

Het betoog slaagt.

57.3. De wijzigingsbevoegdheid als omschreven in artikel 44, lid 44.2, onder n, van de planregels maakt de bouw van één woning op het perceel [locatie 17] mogelijk ter plaatse van de aanduiding "wro-zone - wijzigingsgebied 14". Ingevolge artikel 26, lid 26.1, aanhef en onder a, van de planregels mag het aantal wooneenheden per bouwvlak niet meer dan één bedragen. Omdat het reeds bestaande bouwvlak aan een ander deel van het perceel is toegekend dan de aanduiding "wro-zone - wijzigingsgebied 14", kan op het perceel niet meer dan één woning per bouwvlak worden gebouwd. Het betoog van [appellant sub 2] dat met toepassing van de wijzigingsbevoegdheid een tweede woning op het perceel wordt mogelijk gemaakt en daardoor de bouw- en gebruiksregels uit artikel 26 niet van overeenkomstige toepassing kunnen zijn, omdat bij de bestemming "Wonen" het aantal wooneenheden per bouwvlak niet meer dan één mag bedragen, volgt de Afdeling derhalve niet. Omdat in artikel 44, lid 44.2, onder n, aanhef en sub 2, van de planregels is bepaald dat bij toepassing van de wijzigingsbevoegdheid moet worden voldaan aan artikel 26, bestaat er geen aanleiding voor het oordeel dat onduidelijk is hoe de wijzigingsbevoegdheid zich verhoudt tot de planregeling voor de bestemming "Wonen". Voorts is er geen aanleiding voor het oordeel dat de gevolgen van de toename van verharding ten onrechte niet zijn onderzocht, nu gelet op het bepaalde in artikel 44, lid 44.2, sub n, onder 7, van de planregels bij toepassing van de wijzigingsbevoegdheid een kwaliteitsverbetering ter plaatse moet worden uitgevoerd en in stand moet worden gehouden, waarin ook de gevolgen van de toename van verharding zullen worden betrokken. Anders dan [appellant sub 2] betoogt, heeft de raad onderzocht of de nieuwbouw van een woning ter plaatse in overeenstemming is met de Verordening 2012. Het betoog faalt.

58. In hetgeen [appellant sub 2] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover het betreft artikel 26, lid 26.5, van de planregels, is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Het beroep is, voor zover ontvankelijk, gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

58.1. De Afdeling ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, aanhef en onder a, en vijfde lid, van de Awb, zoals dit luidde ten tijde van belang, de raad op te dragen om voor het vernietigde planonderdeel met inachtneming van deze uitspraak een nieuw plan vast te stellen en zal daartoe een termijn stellen.

Het beroep van [appellant sub 15]

59. [appellant sub 15] betoogt dat de raad het plandeel met de bestemming "Tuin" voor het perceel tussen [locatie 19 en 20] te Hedikhuizen ten onrechte heeft vastgesteld. Volgens hem had daaraan een woonbestemming moeten worden toegekend. Daartoe voert hij aan dat de raad ten onrechte geen nadere beoordeling van de stedenbouwkundige situatie ter plaatse heeft gemaakt. Volgens [appellant sub 15] is woningbouw ter plaatse stedenbouwkundig aanvaardbaar. Verder is volgens hem in strijd gehandeld met het gelijkheidsbeginsel.

59.1. De raad stelt zich op het standpunt dat woningbouw op het perceel tussen [locatie 19 en 20] niet past in het beleid uit de Ontwikkelingsvisie. Daarnaast ligt het perceel buiten bestaand stedelijk gebied, zodat woningbouw ter plaatse op basis van de Verordening 2012 niet is toegestaan.

59.2. Hoofdstuk 11 van de Verordening 2012 stelt regels voor niet-agrarische ontwikkelingen buiten bestaand stedelijk gebied.

Ingevolge artikel 11.1, eerste lid, aanhef en onder a, stelt een bestemmingsplan dat is gelegen in de groenblauwe mantel of agrarisch gebied, met inbegrip van een landbouwontwikkelingsgebied of een vestigingsgebied voor glastuinbouw, regels ter voorkoming van nieuwbouw van één of meer woningen of solitaire recreatiewoningen.

59.3. Het perceel tussen [locatie 19 en 20] ligt blijkens de kaartbijlage van de Verordening 2012 buiten bestaand stedelijk gebied in de groenblauwe mantel. Voorts blijkt uit de Ontwikkelingsvisie, anders dan [appellant sub 15] betoogt, dat de zichtlijn die op het perceel is weergegeven een waardevol en duurzaam karakter heeft. Gelet hierop heeft de raad zich terecht op het standpunt gesteld dat woningbouw op het perceel tussen [locatie 19 en 20] in strijd is met de Verordening 2012 en niet past in het beleid van de Ontwikkelingsvisie. Gelet op het voorgaande, heeft de raad in redelijkheid geen aanleiding hoeven te zien om een nadere beoordeling van de stedenbouwkundige situatie te maken.

Over de door [appellant sub 15] gemaakte vergelijking met de percelen De Hoeven 50-54 te Haarsteeg wordt overwogen dat de raad zich op het standpunt heeft gesteld dat deze situatie verschilt van de aan de orde zijnde situatie, omdat die percelen in de Verordening 2012 zijn aangewezen als bestaand stedelijk gebied en op die percelen in de Ontwikkelingsvisie geen zichtlijnen zijn weergegeven. In hetgeen [appellant sub 15] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de door [appellant sub 15] genoemde situatie niet overeenkomt met de thans aan de orde zijnde situatie.

Het betoog faalt.

60. [appellant sub 15] richt zich voorts tegen het plandeel met de bestemming "Wonen" voor het perceel [locatie 21] te Hedikhuizen. Hij voert aan dat de omvang van het bouwvlak ten onrechte is verkleind, waardoor een deel van het hoofdgebouw buiten het bouwvlak staat. Hierdoor worden de gebruiks- en bouwmogelijkheden beperkt. De raad heeft niet onderbouwd waarom de omvang van het bouwvlak is beperkt en wijkt daarmee af van het uitgangspunt "bestemmen op maat".

60.1. De raad stelt zich op het standpunt dat met het toegekende bouwvlak invulling is gegeven aan het feitelijke gebruik van de woning.

60.2. Het perceel heeft de bestemming "Wonen". Aan het perceel is een bouwvlak toegekend en de aanduidingen "aaneengebouwd" en "maximum aantal wooneenheden 2".

Ingevolge artikel 26, lid 26.1, aanhef en onder a, van de planregels zijn de voor "Wonen" aangewezen gronden bestemd voor wonen, waarbij geldt dat het aantal wooneenheden per bouwvlak niet meer dan één mag bedragen, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding "aaneengebouwd" en "maximum aantal wooneenheden", het aantal woningen niet meer mag bedragen dan is aangegeven.

Ingevolge lid 26.2.1, aanhef en onder a, geldt voor het bouwen van hoofdgebouwen dat deze in het bouwvlak dienen te worden gebouwd.

Ingevolge lid 26.2.2 gelden voor het bouwen van aan- en uitbouwen de volgende bepalingen:

a. aan- en uitbouwen en bijgebouwen mogen zowel binnen als buiten het bouwvlak worden gebouwd;

b. de gezamenlijke oppervlakte van aan- en uitbouwen en bijgebouwen, voor zover gesitueerd buiten het bouwvlak, mag niet meer bedragen dan 100 m²;

c. indien het oppervlak aan bestaande bijgebouwen groter is dan 100 m², dan bedraagt het maximum toegelaten oppervlak het totale oppervlak van deze bestaande bijgebouwen, met dien verstande dat bij sloop van deze gebouwen voor elke gesloopte 2 m², slechts 1 m² kan worden herbouwd, zolang het totale oppervlak aan bijgebouwen meer bedraagt dan 100 m².

60.3. In het voorheen geldende bestemmingsplan "Buitengebied", dat door de raad is vastgesteld op 16 april 1996 en door het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant is goedgekeurd op 8 november 1996, was aan het perceel de bestemming "Wonen" toegekend.

Ingevolge artikel 13, eerste lid, onder a, van de planvoorschriften van dat plan zijn de op de plankaart voor "Wonen" aangewezen gronden uitsluitend bestemd voor het wonen.

Ingevolge het tweede lid, gelden voor het bouwen van gebouwen op de in lid 1 omschreven gronden de volgende bepalingen:

a. er mogen uitsluitend eensgezinshuizen worden gebouwd, waarbij per bestemmingsvlak het aantal woningen niet meer mag bedragen dan het aantal dat op de plankaart is aangegeven;

c. van de bij een woning behorende gronden, als bedoeld in lid 1 en voor zover vallend in het bestemmingsvlak, mag ten hoogste 50% worden bebouwd;

d. een woning mag uitsluitend worden gebouwd ter plaatse van de bestaande woning.

Op de plankaart is aangegeven dat binnen het bestemmingsvlak waar het perceel [locatie 21] deel van uitmaakt, het aantal woningen niet meer dan 11 mag bedragen.

60.4. De Afdeling stelt vast dat op basis van het voorheen geldende plan, waarin geen bouwvlak voor het perceel was opgenomen, één woning was toegestaan op het perceel [locatie 21]. In het thans voorliggende plan worden op het perceel, binnen het bouwvlak, twee woningen toegestaan in overeenstemming met de feitelijke situatie. De overige bebouwing - volgens [appellant sub 15] voormalige agrarische bedrijfsbebouwing - die reeds lang in gebruik is als bijgebouwen bij de woningen, is thans buiten het bouwvlak gelaten. Deze overige bebouwing is echter, gelet op het bepaalde in artikel 26, lid 26.2.2, van de planregels, wel als zodanig bestemd. Niet is gebleken dat de feitelijk aanwezige bebouwing in dit plan niet als zodanig is bestemd. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat met het toegekende bouwvlak een passende regeling is gegeven voor de aanwezige bebouwing en het feitelijke gebruik van de woningen. Voor het oordeel dat alle bebouwing binnen het bouwvlak had moeten worden opgenomen, bestaat, gelet op het voorgaande, geen aanleiding. Dat de bijgebouwen thans ook worden gebruikt ten behoeve van de woonfunctie, maakt het voorgaande niet anders. Het plan sluit gebruik van de bijgebouwen ten behoeve van de woonfunctie niet uit. Het betoog faalt.

61. Voor zover [appellant sub 15] stelt dat de raad zijn zienswijze niet op een juiste wijze heeft beantwoord, wordt overwogen dat de raad de zienswijzen onder nummer 64 in zijn algemeenheid heeft behandeld. Artikel 3:46 van de Awb verzet zich er niet tegen dat de raad de zienswijzen samengevat weergeeft. Dat niet op ieder argument ter ondersteuning van een zienswijze afzonderlijk is ingegaan, is op zichzelf geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit niet voldoende is gemotiveerd. Niet is gebleken dat bepaalde bezwaren of argumenten niet in de overwegingen zijn betrokken. Het betoog faalt.

62. Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellant sub 15] ongegrond.

De beroepen van [appellant sub 22] en [appellant sub 23]

63. [appellant sub 22] en [appellant sub 23] betogen dat de raad aan het plandeel met de bestemming "Wonen" voor het perceel [locatie 22] te Drunen ten onrechte geen bouwvlak heeft toegekend. Daartoe voeren zij aan dat bij hen de gerechtvaardigde verwachting is gewekt dat aan het perceel een bouwvlak zou worden toegekend, nu in het voorontwerp en het ontwerp wel een bouwvlak was opgenomen. Voorts stellen zij dat het voorheen geldende plan wel voorzag in de mogelijkheid om op het perceel een woning te bouwen. Weliswaar betrof dit een onzelfstandige woning, maar dat maakt volgens hen voor de ruimtelijke gevolgen geen verschil. [appellant sub 22] en [appellant sub 23] voeren verder aan dat woningbouw ter plaatse niet in strijd is met de Verordening 2012 en dat woningbouw zal zorgen voor een verbetering van de ruimtelijke situatie ter plaatse. Tot slot stellen zij financiële schade te lijden doordat op het perceel geen woning kan worden gebouwd.

63.1. De raad stelt zich op het standpunt dat geen gerechtvaardigde verwachtingen kunnen worden ontleend aan een uitgesproken verwachting van de zijde van de gemeente. Voorts is volgens de raad bij de voorbereiding van het plan duidelijk geworden dat nieuwbouw van een woning ter plaatse in strijd is met de Verordening 2012.

63.2. Het perceel [locatie 22] heeft de bestemming "Wonen" zonder bouwvlak. Het perceel is door middel van een koppelteken verbonden aan het perceel [locatie 23]. Aan het perceel [locatie 23] is de bestemming "Wonen" toegekend en een bouwvlak.

Ingevolge artikel 26, lid 26.2, onder 26.2.1, aanhef en sub a, van de planregels geldt voor het bouwen van hoofdgebouwen op de voor "Wonen" bestemde gronden dat hoofdgebouwen dienen te worden gebouwd in het bouwvlak.

63.3. In de voorheen geldende plannen "Buitengebied" van de voormalige gemeente Drunen, dat door de raad is vastgesteld op 29 juni 1987 en door het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant gedeeltelijk is goedgekeurd op 5 februari 1988, en "Buitengebied 1e partiële herziening" uit 1992, was aan het perceel [locatie 22] de bestemming "Woondoeleinden" toegekend. Het perceel was door middel van een koppelteken verbonden aan het perceel [locatie 23]. Aan het perceel [locatie 23] was eveneens de bestemming "Woondoeleinden" toegekend.

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder 8, van de voorschriften van het plan "Buitengebied" wordt onder gekoppeld bouwvlak / bestemmingsvlak verstaan: twee als zodanig op de plankaart aangeduide bouwvlakken / bestemmingsvlakken die gezamenlijk als één bouwvlak / bestemmingsvlak in aanmerking genomen moeten worden.

Ingevolge artikel 10, eerste lid, van de voorschriften van het plan "Buitengebied 1e partiële herziening" zijn de gronden op de plankaart aangewezen voor "Woondoeleinden" bestemd voor wonen door middel van het handhaven en eventueel vernieuwen van de aldaar aanwezige burgerwoningen in de vorm van eengezinshuizen.

Ingevolge lid A, onder a, is nieuwbouw van een woning, anders dan vervanging van een bestaande woning, niet toegestaan.

63.4. Hoofdstuk 11 van de Verordening 2012 stelt regels voor niet-agrarische ontwikkelingen buiten bestaand stedelijk gebied.

Ingevolge artikel 11.1, eerste lid, aanhef en onder a, stelt een bestemmingsplan dat is gelegen in de groenblauwe mantel of agrarisch gebied, met inbegrip van een landbouwontwikkelingsgebied of een vestigingsgebied voor glastuinbouw, regels ter voorkoming van nieuwbouw van één of meer woningen of solitaire recreatiewoningen.

Ingevolge het derde lid, aanhef en onder a, kan een bestemmingsplan in afwijking van het eerste lid voorzien in de bouw van een woning ter vervanging van een bestaande woning binnen het daartoe aangewezen bebouwingsvlak, mits is verzekerd dat overtollige bebouwing wordt gesloopt.

Ingevolge artikel 11.2, eerste lid, kan een bestemmingsplan in afwijking van artikel 11.1, eerste lid, dat is gelegen in een bebouwingsconcentratie binnen de groenblauwe mantel of agrarisch gebied, niet zijnde een landbouwontwikkelingsgebied of een vestigingsgebied glastuinbouw, voorzien in de nieuwbouw van één of meer woningen waarbij er geen sprake behoeft te zijn van het gebruik van een voormalige bedrijfswoning als burgerwoning, mits de toelichting daaromtrent een verantwoording bevat.

63.5. De Afdeling stelt voorop dat [appellant sub 22] en [appellant sub 23] aan de omstandigheid dat in het voorontwerpplan en het ontwerpplan aan het perceel [locatie 22] een bouwvlak was toegekend, niet de gerechtvaardigde verwachting konden ontlenen dat bij de vaststelling van het plan het door hun gewenste bouwvlak zou worden toegekend.

De Afdeling overweegt voorts dat het voorheen geldende plan de bouw van een woning op het perceel [locatie 22] niet uitsloot. Weliswaar was het perceel [locatie 22] door het koppelteken verbonden met het perceel [locatie 23], zodat de percelen tezamen één bestemmingsvlak vormden, maar in de planvoorschriften was niet bepaald dat per bestemmingsvlak maximaal één woning was toegestaan.

Voorts is niet uitgesloten dat ter plaatse van het perceel [locatie 22] feitelijk een woning heeft gestaan. Ter zitting is onweersproken gesteld dat reeds vóór de vaststelling van het voorheen geldende plan een woning is gebouwd op het perceel die nog steeds als zodanig in gebruik is. Hoewel het bouwwerk vervallen is, bieden de overgelegde foto's voldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat het bouwwerk als (recreatie-)woning gebruikt kan worden.

Ter zitting heeft de raad toegelicht dat hij niet onwelwillend is ten aanzien van een woning op het perceel, maar dat hij twijfelt of een bouwvlak ter plaatse van het perceel [locatie 22] in overeenstemming is met de Verordening 2012. Naar het oordeel van de Afdeling had het op de weg van de raad gelegen om te onderzoeken of een bouwvlak ter plaatse mogelijk is, wellicht op basis van artikel 11.1, derde lid, aanhef en onder a, van de Verordening 2012. Overigens wordt opgemerkt dat de Verordening 2012 er niet aan in de weg kan staan dat legaal aanwezige bouwwerken als zodanig worden bestemd.

Gelet op al het voorgaande is het besluit in zoverre onzorgvuldig tot stand gekomen. Het betoog slaagt.

63.6. In hetgeen [appellant sub 22] en [appellant sub 23] hebben aangevoerd, ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Wonen" voor het perceel [locatie 22], voor zover daaraan geen bouwvlak is toegekend, is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb. De beroepen zijn gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

63.7. De Afdeling ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, aanhef en onder a, en vijfde lid, van de Awb, zoals dit luidde ten tijde van belang, de raad op te dragen om voor het vernietigde planonderdeel met inachtneming van deze uitspraak een nieuw plan vast te stellen en zal daartoe een termijn stellen.

Het beroep van [appellant sub 5]

64. [appellant sub 5] betoogt dat de raad het plandeel met de bestemming "Natuur" aan de Zeedijk te Heusden, kadastraal bekend gemeente Heusden, sectie F, nr. 47, ten onrechte heeft vastgesteld. Volgens hem had daaraan de bestemming "Agrarisch" moeten worden toegekend. Daartoe voert hij aan dat het perceel reeds vijftig jaar deel uitmaakt van het agrarische bedrijf aan [locatie 24] te Heusden en wordt gebruikt als weide- en hooiland. [appellant sub 5] voert verder aan dat de bestaande bedrijfsactiviteiten niet binnen de planperiode zullen worden beëindigd. Anders dan de raad stelt, gaat de Verordening 2012 volgens [appellant sub 5] er ook vanuit dat bestaand gebruik als zodanig moet worden bestemd.

64.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het door [appellant sub 5] gestelde intensieve agrarische gebruik van het perceel reeds in strijd was met het voorheen geldende plan, zodat er geen aanleiding was om aan het perceel een agrarische bestemming toe te kennen. Voorts stelt de raad dat het perceel in de Verordening 2012 is aangewezen als EHS. Een agrarische bestemming is daarmee niet in overeenstemming.

64.2. Het perceel heeft de bestemming "Natuur".

Ingevolge artikel 14, lid 14.1, van de planregels zijn de voor "Natuur" aangewezen gronden bestemd voor:

a. behoud, herstel en/of ontwikkeling van de natuur/landschapselementen/bos en de bijbehorende groeiplaats;

b. extensief agrarisch gebruik;

(…).

Ingevolge artikel 46, lid 46.2, onder a, van de planregels mag het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van [lees: inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is] worden voortgezet.

Ingevolge het bepaalde onder d is het bepaalde onder a niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.

64.3. In het voorheen geldende bestemmingsplan "Buitengebied", dat door de raad is vastgesteld op 16 april 1996 en door het college van gedeputeerde staten is goedgekeurd op 8 november 1996, was aan het perceel de bestemming "Natuurgebied" toegekend.

Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de bij dat plan behorende planvoorschriften zijn de op de kaart voor "Natuurgebied" aangewezen gronden uitsluitend bestemd voor:

a. het behoud en/of herstel van de aldaar voorkomende dan wel daaraan eigen natuur- en landschapswaarden;

b. de instandhouding en bescherming van de cultuurhistorisch waardevolle Elshoutse Zeedijk;

(…);

d. agrarische nevenactiviteiten, voor zover de in sub a en b bedoelde waarden niet onevenredig worden of kunnen worden aangetast.

Ingevolge artikel 15, eerste lid, is het verboden de in het plan begrepen gronden te gebruiken en de daarop voorkomende bouwwerken te gebruiken, in gebruik te nemen of te laten gebruiken voor een doel of op een wijze, die strijdig is met het in het plan bepaalde, nadat de bij het plan aangegeven bestemming is verwezenlijkt.

Ingevolge artikel 19 luidt het overgangsrecht voor het gebruik als volgt:

2. het gebruik van grond en opstallen, strijdig met het plan op het tijdstip dat het plan rechtskracht krijgt, mag worden gehandhaafd;

(…);

4. het bepaalde in het tweede lid is niet van toepassing op gebruik als daar bedoeld, dat reeds in strijd was met het tot het daar genoemde tijdstip ter plaatse geldende bestemmingsplan en dat tot op drie maanden voor dat tijdstip nog niet bestond.

64.4. Het perceel ligt in een gebied dat in de Verordening 2012 is aangeduid als EHS. Hoofdstuk 4 van de Verordening 2012 stelt regels met betrekking tot de EHS.

Ingevolge artikel 4.2, eerste lid, onder a en b, strekt een bestemmingsplan dat is gelegen in de EHS tot het behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling van de ecologische waarden en kenmerken van de onderscheiden gebieden en stelt het regels ter bescherming van de ecologische waarden en kenmerken van de onderscheiden gebieden en houdt daarbij rekening met de overige aanwezige waarden en kenmerken, waaronder de cultuurhistorische waarden en kenmerken.

Ingevolge het tweede lid bepaalt een bestemmingsplan in afwijking van het eerste lid, zolang de EHS niet is gerealiseerd, dat de bestaande bebouwing en de bestaande planologische gebruiksactiviteit zijn toegelaten.

Ingevolge het derde lid stelt de gemeenteraad in afwijking van het tweede lid binnen negen maanden nadat op grond van de verplichting van gedeputeerde staten of van een waterschapsbestuur de inrichting en het beheer voor natuurdoeleinden zijn verzekerd, een bestemmingsplan vast waarbij een natuurbestemming wordt aangewezen onder overeenkomstige toepassing van het eerste lid.

64.5. Niet in geschil is dat het perceel onderdeel is van het agrarische bedrijf aan [locatie 24] en wordt gebruikt ten behoeve van dat agrarische bedrijf. [appellant sub 5] heeft onweersproken gesteld dat het intensief agrarisch gebruik betreft. Niet in geschil is dat dit intensieve agrarische gebruik op basis van artikel 14, lid 14.1, aanhef en onder b, van de planregels niet is toegestaan. Voorts is onweersproken gesteld dat het perceel reeds 50 jaar als zodanig wordt gebruikt. Ter zitting heeft de raad erkend dat hij zich er niet van heeft vergewist dat het agrarische gebruik reeds voor de vaststelling van het voorheen geldende plan een aanvang heeft genomen. De Afdeling neemt, gelet op het voorgaande, als vaststaand gegeven aan dat het agrarische gebruik van het perceel een aanvang heeft genomen vóór de vaststelling van het voorheen geldende plan. Gelet op het bepaalde in artikel 19, tweede lid, van de voorschriften van het voorheen geldende plan werd het gebruik beschermd door het overgangsrecht. Het agrarische gebruik van het perceel is ingevolge artikel 46, lid 46.2, onder a, van de planregels van het voorliggende plan wederom onder het overgangsrecht gebracht. Het opnieuw onder het overgangsrecht brengen van gebruik kan onder omstandigheden aanvaardbaar zijn. Hiervoor is in ieder geval vereist dat de gerechtvaardigde verwachting bestaat dat het bestaande gebruik binnen de planperiode zal worden beëindigd. Niet aannemelijk is gemaakt dat het agrarische gebruik van het perceel binnen de planperiode zal worden beëindigd. Gelet hierop heeft de raad niet in redelijkheid het gebruik opnieuw onder het overgangsrecht kunnen brengen.

Hoewel gebruik in strijd met een geldende bestemming dan wel gebruik dat onder het overgangsrecht valt in beginsel geen gerechtvaardigde rechten en verwachtingen doet ontstaan dat dit als zodanig wordt bestemd, had het op de weg van de raad gelegen om te onderzoeken of een agrarische bestemming niettemin mogelijk is. Artikel 4.2 van de Verordening 2012 staat, anders dan de raad stelt, niet in de weg aan een agrarische bestemming. Uit deze bepaling volgt dat op het moment dat zekerheid bestaat over de inrichting en het beheer voor natuurwaarden, een bestemmingsplan wordt vastgesteld. Zolang die zekerheid er niet is, is de bestaande bebouwing en de bestaande planologische gebruiksactiviteit toegelaten. Bij een agrarische bestemming in het plan zou bijvoorbeeld een wijzigingsbevoegdheid naar de bestemming "Natuur" kunnen worden opgenomen, zodat op het moment dat het agrarische gebruik van het perceel wordt beëindigd, een natuurbestemming aan het perceel kan worden toegekend. Indien het toekennen van een agrarische bestemming om een andere reden niet mogelijk is, had het op de weg van de raad gelegen om te overwegen voor het perceel een zogenoemde uitsterfregeling in het plan op te nemen. Een dergelijke uitsterfregeling kan bijvoorbeeld inhouden dat het perceel weliswaar wordt bestemd als "Natuur", maar dat in afwijking van het verbod van het gebruik van het perceel voor intensief agrarisch gebruik, het intensieve agrarische gebruik van dit perceel wordt toegestaan, met dien verstande dat bij beëindiging van het intensieve agrarische gebruik, dit gebruik niet langer is toegestaan.

Nu de raad niet in redelijkheid het agrarische gebruik van het perceel opnieuw onder het overgangsrecht heeft kunnen brengen en evenmin inzichtelijk is gemaakt of voor het perceel in het plan een andere regeling had kunnen worden opgenomen, is het besluit in zoverre onzorgvuldig tot stand gekomen. Het betoog slaagt.

64.6. In hetgeen [appellant sub 5] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Natuur" voor het perceel aan de Zeedijk te Heusden, kadastraal bekend gemeente Heusden, sectie F, nr. 47, is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

64.7. De Afdeling ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, aanhef en onder a, en vijfde lid, van de Awb, zoals dit luidde ten tijde van belang, de raad op te dragen om voor het vernietigde planonderdeel met inachtneming van deze uitspraak een nieuw plan vast te stellen en zal daartoe een termijn stellen.

Het beroep van [appellant sub 4] en anderen

65. [appellant sub 4] en anderen betogen dat het bestemmingsplan onzorgvuldig is voorbereid, omdat niet is gereageerd op de inspraakreactie over het perceel sectie N, nr. 481.

65.1. Het bieden van inspraak maakt geen deel uit van de in de Wro en het Bro geregelde bestemmingsplanprocedure. Het niet weerleggen van een ingediende inspraakreactie heeft, wat daar ook van zij, daarom geen gevolgen voor de rechtmatigheid van de bestemmingsplanprocedure en het bestemmingsplan. Het betoog faalt.

66. [appellant sub 4] en anderen betogen dat de raad de percelen Haarsteegsestraat 97, 99 en 101 te Haarsteeg ten onrechte buiten het plangebied heeft gelaten, teneinde ter plaatse vier woningen mogelijk te maken. Volgens hen maakt de raad zich hierdoor schuldig aan machtsmisbruik.

66.1. De Afdeling overweegt dat deze beroepsgrond van [appellant sub 4] en anderen geacht moet worden te zijn gericht tegen de vaststelling van de plangrens. Bij het bepalen van de begrenzingen van een bestemmingsplan komt de raad beleidsvrijheid toe. Deze vrijheid strekt echter niet zo ver dat de raad een begrenzing kan vaststellen die in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In hetgeen [appellant sub 4] en anderen hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de vastgestelde planbegrenzing strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Zij neemt daarbij in aanmerking dat de percelen Haarsteegsestraat 97, 99 en 101 in de bebouwde kom van Haarsteeg liggen, zodat de relatie tussen de betreffende percelen en het plangebied voor het buitengebied niet zodanig is dat daarvoor één bestemmingsplan dient te worden vastgesteld. [appellant sub 4] en anderen hebben niet aannemelijk gemaakt dat de raad zich schuldig heeft gemaakt aan machtsmisbruik.

Het betoog faalt.

67. [appellant sub 4] en anderen richten zich voorts tegen de bestemming "Agrarisch" voor kavel 47-050. Zij voeren aan dat de raad de bestemming voor kavel 47-050 ten onrechte in overeenstemming heeft gebracht met het ontwerpprojectplan voor de Howabo van het waterschap Aa en Maas, terwijl het waterschap nog niet heeft gereageerd op de daartegen ingediende zienswijzen. Door desondanks het bestemmingsplan vast te stellen, heeft de raad zich volgens [appellant sub 4] en anderen schuldig gemaakt aan misbruik van procesrecht.

67.1. De Afdeling overweegt dat de vaststelling van een bestemmingsplan niet afhankelijk is van de vaststelling van plannen van het waterschap. Wel dient het gemeentebestuur bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg te plegen met onder andere het bestuur van het waterschap. Niet is gebleken dat het plan in strijd met artikel 3.1.1, eerste lid, van het Bro is vastgesteld. De Afdeling overweegt voorts dat het plan niet in de weg staat aan het gewenste agrarische gebruik op het betreffende perceel, nu daaraan de bestemming "Agrarisch" is toegekend. Voor het oordeel dat de raad zich schuldig heeft gemaakt aan misbruik van procesrecht, wat daar ook van zij, bestaat geen aanleiding.

Het betoog faalt.

68. [appellant sub 4] en anderen betogen verder dat de sloot ten noorden van het perceel Oude Haven 8 te Haarsteeg ten onrechte is dichtgegooid. Zij wensen dat de sloot in oude toestand wordt hersteld.

68.1. Voor zover [appellant sub 4] en anderen betogen dat de betreffende sloot ten onrechte is dichtgegooid dan wel dat er ten onrechte een duiker in is aangelegd, overweegt de Afdeling dat dit een handhavingsaspect betreft dat in het kader van deze procedure niet aan de orde kan komen. Het betoog faalt.

69. [appellant sub 4] en anderen betogen dat aan de [locatie 25 en 26] ten onrechte een groenstrook is opgenomen. Volgens hen is op het perceel Oude Haven 6 al meer dan 35 jaar een heg aanwezig, bij het perceel Oude Haven 17 ligt al meer dan 36 jaar een groenstrook, ook zijn er op de percelen diverse bomen aanwezig en zijn er verhardingen aangebracht ten behoeve van parkeren. [appellant sub 4] en anderen voeren aan dat het gebruik van de betreffende gronden ten onrechte onder het overgangsrecht valt.

69.1. De percelen [locatie 25 en 26] hebben de bestemming "Wonen". Aan de voorzijde van beide percelen is een gedeelte bestemd als "Tuin". Omdat ingevolge artikel 21, lid 21.1, van de planregels de voor "Tuin" aangewezen gronden zijn bestemd voor tuinen, erven, verhardingen en water en waterhuishoudkundige voorzieningen, is de Afdeling van oordeel dat het plan niet in de weg staat aan het door [appellant sub 4] en anderen gestelde gebruik. Gelet hierop is het bestaande gebruik als zodanig bestemd. Het betoog dat het gebruik ten onrechte onder het overgangsrecht valt, mist feitelijke grondslag.

70. [appellant sub 4] en anderen betogen voorts dat de raad het plandeel met de bestemming "Agrarisch" voor het perceel [locatie 27] te Oudheusden ten onrechte heeft vastgesteld. Volgens hen had daaraan de bestemming "Wonen" moeten worden toegekend met een bouwvlak. Zij voeren aan dat de bouw van een woning mogelijk is, omdat op het perceel nog delen van een bouwwerk aanwezig zijn en in het voorheen geldende plan woningbouw ter plaatse wel was toegestaan. Voorts ligt het perceel volgens hen in een bebouwingscluster.

70.1. De raad stelt zich op het standpunt dat woningbouw ter plaatse in strijd is met de Verordening 2012. Het perceel ligt volgens de raad niet binnen een bebouwingscluster.

70.2. Het perceel heeft de bestemming "Agrarisch". In het voorheen geldende bestemmingsplan was aan het perceel de bestemming "Agrarisch gebied" toegekend. Het perceel had geen bouwvlak.

70.3. Ingevolge artikel 1.1, onder 11, van de Verordening 2012 wordt onder bebouwingscluster verstaan: vlakvormige verzameling van gebouwen buiten bestaand stedelijk gebied.

Ingevolge het bepaalde onder 12 wordt onder bebouwingsconcentratie verstaan: kernrandzone, bebouwingslint of bebouwingscluster.

Ingevolge artikel 11.1, eerste lid, aanhef en onder a, stelt een bestemmingsplan dat is gelegen in de groenblauwe mantel of agrarisch gebied, met inbegrip van een landbouwontwikkelingsgebied of een vestigingsgebied voor glastuinbouw, regels ter voorkoming van nieuwbouw van één of meer woningen of solitaire recreatiewoningen.

Ingevolge artikel 11.2, eerste lid, kan een bestemmingsplan dat is gelegen in een bebouwingsconcentratie binnen de groenblauwe mantel of agrarisch gebied, niet zijnde een landbouwontwikkelingsgebied of een vestigingsgebied glastuinbouw, in afwijking van artikel 11.1, eerste lid, voorzien in de nieuwbouw van één of meer woningen waarbij er geen sprake behoeft te zijn van het gebruik van een voormalige bedrijfswoning als burgerwoning, mits de toelichting daaromtrent een verantwoording bevat.

70.4. Het perceel ligt blijkens de kaartbijlage van de Verordening 2012 in agrarisch gebied / verwevingsgebied. Vast staat dat woningbouw in het voorheen geldende plan niet was toegestaan. Dat volgens [appellant sub 4] en anderen woningbouw ter plaatse mogelijk moet zijn, omdat op het perceel nog delen van een bouwwerk aanwezig zijn, neemt niet weg dat, wat daar ook van zij, nieuwbouw van één of meer woningen op grond van artikel 11, eerste lid, aanhef en onder a, van de Verordening 2012 niet is toegestaan. Voorts ligt het perceel niet in een bebouwingscluster, zodat ook op grond van artikel 11.2, eerste lid, van de Verordening 2012 de bouw van een woning niet is toegestaan. Gelet hierop heeft de raad zich terecht op het standpunt gesteld dat woningbouw op het perceel [locatie 27] in strijd is met de Verordening 2012. Het betoog faalt.

71. [appellant sub 4] en anderen hebben zich in het beroepschrift voor het overige beperkt tot het verwijzen naar de inhoud van de zienswijze. In de overwegingen van het bestreden besluit is ingegaan op deze zienswijze. [appellant sub 4] en anderen hebben in het beroepschrift, noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende zienswijze in het bestreden besluit onjuist zou zijn.

72. Gelet op het voorgaande is het beroep ongegrond.

Slotoverwegingen

73. Uit oogpunt van rechtszekerheid en gelet op artikel 1.2.3 van het Bro, ziet de Afdeling aanleiding de raad op te dragen de hierna in de beslissing nader aangeduide onderdelen van deze uitspraak binnen vier weken na verzending van de uitspraak te verwerken in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl.

74. De raad dient ten aanzien van de beroepen van de Natuur- en Milieuvereniging, [appellant sub 12], [appellante sub 9], de ZLTO, [appellant sub 7a] en [appellante sub 7b], [appellant sub 19], [appellant sub 2], [appellant sub 22], [appellant sub 23] en [appellant sub 5] op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Ten aanzien van [appellant sub 3] is niet gebleken van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen.

Ten aanzien van de beroepen van [appellant sub 18], het college, [appellant sub 10], [appellant sub 24], [appellant sub 6] en anderen, [appellante sub 20], [appellant sub 21], [appellante sub 11], [appellant sub 14], Brabant Plant, [appellant sub 17], [appellant sub 15] en [appellant sub 4] en anderen bestaat voor een proceskostenveroordeling geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart de beroepen van [appellant sub 21], voor zover gericht tegen de aanduiding "wro-zone - wijzigingsgebied 4" voor zover toegekend aan de percelen met de bestemmingen "Agrarisch" en "Water" ten noorden van het perceel [locatie 7] te Drunen, en [appellant sub 2], voor zover gericht tegen het plandeel met de bestemming "Agrarisch - Glastuinbouw" voor de gronden achter het perceel [locatie 17] te Haarsteeg, niet-ontvankelijk;

I. verklaart de beroepen van de vereniging Natuur- en Milieuvereniging gemeente Heusden, [appellant sub 12], [appellant sub 3], [appellant sub 9], de vereniging Zuidelijke Land- en Tuinbouworganisatie, afdeling Oostelijke Langstraat, [appellant sub 7a] en [appellante sub 7b], [appellant sub 19], [appellant sub 2], voor zover ontvankelijk, [appellant sub 22], [appellant sub 23] en [appellant sub 5] gegrond;

II. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Heusden van 18 december 2012 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Heusden Buitengebied" voor zover het betreft:

a. artikel 1, aanhef en onder bl, van de planregels, voor zover daarin niet is opgenomen dat hoge tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen maximaal 4 m mogen zijn;

b. artikel 3, lid 3.3.4, van de planregels, voor zover hierin niet een uitzondering is opgenomen voor het gebied van de Baardwijkse Overlaat ten zuiden van de Koningsvliet en ten noorden van het Drongelens Kanaal;

c. een deel van het plandeel met de bestemming "Agrarisch - Glastuinbouw" voor het perceel ten zuiden van de [locatie 3] te Elshout, zoals nader aangeduid op de bij deze uitspraak behorende kaart 1;

d. een deel van het plandeel met de bestemming "Agrarisch" voor het perceel [locatie 6] te Drunen, zoals nader aangeduid op de bij deze uitspraak behorende kaart 2;

e. de zinsnede "en er geen negatieve effecten optreden in aangrenzende Natura 2000-gebieden" in artikel 42, lid 42.3.3, van de planregels;

f. de aanduiding "bouwvlak" voor het perceel [locatie 8] te Elshout;

g. artikel 3, lid 3.2.7, onder a, en artikel 4, lid 4.2.7, onder a, van de planregels, voor zover niet is voorzien in een afwijkings-bevoegdheid voor het langer dan zes maanden toestaan van stacaravans en/of woonunits ten behoeve van de huisvesting van seizoensarbeiders;

h. artikel 4, lid 4.2.2, onder c, en artikel 4, lid 4.2.3, onder b, sub 1, van de planregels;

i. de aanduiding "bedrijfswoning uitgesloten" voor het perceel [locatie 13] te Haarsteeg;

j. de aanduiding "specifieke vorm van wonen - nevenactiviteit" voor het plandeel met de bestemming "Wonen" voor het perceel [locatie 16] te Haarsteeg;

k. artikel 26, lid 26.5, van de planregels;

l. het plandeel met de bestemming "Wonen" voor het perceel [locatie 22], voor zover daaraan geen bouwvlak is toegekend;

m. het plandeel met de bestemming "Natuur" voor het perceel aan de Zeedijk te Heusden, kadastraal bekend gemeente Heusden, sectie F, nr. 47;

III. draagt de raad van de gemeente Heusden op om binnen 26 weken na de verzending van deze uitspraak met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen een nieuw plan vast te stellen voor zover het betreft de planonderdelen onder III.a, III.b, III.c, IIII.d, III.f, III.g, III.h, III.j, III.k, III.l en III.m;

IV. draagt de raad van de gemeente Heusden op om binnen vier weken na verzending van deze uitspraak ervoor zorg te dragen dat de hiervoor vermelde onderdelen III.e en III.i worden verwerkt in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl;

V. treft de voorlopige voorziening dat ten behoeve van hoge tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen aan artikel 1, aanhef en onder bl, van de planregels wordt toegevoegd dat deze maximaal 4 m hoog mogen zijn;

VI. treft de voorlopige voorziening dat de aanduiding "bouwvlak" voor het perceel [locatie 8] te Elshout blijft gelden;

VII. treft de voorlopige voorziening dat artikel 4, lid 4.2.2, onder c, en artikel 4, lid 4.2.3, onder b, sub 1, van de planregels blijven gelden;

VIII. treft de voorlopige voorziening dat het perceel [locatie 16] met de bestemming "Wonen", dat in het vastgestelde plan de aanduiding "specifieke vorm van wonen - nevenactiviteit" had, gebruikt mag worden voor opslag van wagens en bevoorrading ten behoeve van een catering- en evenementenbedrijf;

IX. bepaalt dat de onder VI, VII, VIII en IX getroffen voorlopige voorzieningen vervallen op het tijdstip van inwerkingtreding van een bestemmingsplan als bedoeld onder IV voor de onder III.a, IIIf, III.h en III.j vermelde planonderdelen;

X. verklaart de beroepen van [appellant sub 18a] en [appellant sub 18b], het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant, [appellant sub 10], [appellant sub 24], [appellant sub 6] en anderen, [appellante sub 20], [appellant sub 21], voor zover ontvankelijk, [appellante sub 11], [appellant sub 14], de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Plantenkwekerij Brabant Plant B.V., [appellant sub 17], [appellant sub 15a] en [appellant sub 15b] en [appellant sub 4] en anderen ongegrond;

XI. veroordeelt de raad van de gemeente Heusden tot vergoeding van bij appellanten in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten als volgt:

a. aan de vereniging Natuur- en Milieuvereniging gemeente Heusden een bedrag van € 974,00 (zegge: negenhonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

b. aan [appellant sub 12] een bedrag van € 974,00 (zegge: negenhonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

c. aan [appellant sub 9] een bedrag van € 974,00 (zegge: negenhonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

d. aan de vereniging Zuidelijke Land- en Tuinbouworganisatie, afdeling Oostelijke Langstraat een bedrag van € 487,00 (zegge: vierhonderdzevenentachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

e. aan [appellant sub 7a] en [appellante sub 7b] een bedrag van € 974,00 (zegge: negenhonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

f. aan [appellant sub 19] een bedrag van € 974,00 (zegge: negenhonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

g. aan [appellant sub 2] een bedrag van € 974,00 (zegge: negenhonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

h. aan [appellant sub 22] een bedrag van € 974,00 (zegge: negenhonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

i. aan [appellant sub 23] een bedrag van € 974,00 (zegge: negenhonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

j. aan [appellant sub 5] een bedrag van € 974,00 (zegge: negenhonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

XII. gelast dat de raad van de gemeente Heusden aan appellanten het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht als volgt vergoedt:

a. aan de vereniging Natuur- en Milieuvereniging gemeente Heusden een bedrag van € 310,00 (zegge: driehonderdtien euro);

b. aan [appellant sub 12] een bedrag van € 156,00 (zegge: honderdzesenvijftig euro);

c. aan [appellant sub 3] een bedrag van € 156,00 (zegge: honderdzesenvijftig euro);

d. aan [appellant sub 9] een bedrag van € 318,00 (zegge: driehonderdachttien euro);

e. aan de vereniging Zuidelijke Land- en Tuinbouworganisatie, afdeling Oostelijke Langstraat een bedrag van € 318,00 (zegge: driehonderdachttien euro);

f. aan [appellant sub 7a] en [appellante sub 7b] een bedrag van € 156,00 (zegge: honderdzesenvijftig euro), met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

g. aan [appellant sub 19] een bedrag van € 156,00 (zegge: honderdzesenvijftig euro);

h. aan [appellant sub 2] een bedrag van € 156,00 (zegge: honderdzesenvijftig euro);

i. aan [appellant sub 22] een bedrag van € 156,00 (zegge: honderdzesenvijftig euro);

j. aan [appellant sub 23] een bedrag van € 156,00 (zegge: honderdzesenvijftig euro);

k. aan [appellant sub 5] een bedrag van € 156,00 (zegge: honderdzesenvijftig euro).

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, voorzitter, en mr. J. Kramer en mr. J.W. van de Gronden, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.F.N. Pikart-van den Berg, griffier.

w.g. Scholten-Hinloopen w.g. Pikart-van den Berg

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 22 oktober 2014

350-662.