Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:3756

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22-10-2014
Datum publicatie
22-10-2014
Zaaknummer
201307287/2/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 19 september 2011 heeft de raad een verzoek van [appellant] om hem op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: de Wob) alle documenten toe te zenden die betrekking hebben op de op de bij het bestemmingsplan Buitengebied Heeze-Leende behorende verbeelding weergegeven vergroting van het bestemmingsvlak ‘wonen’ aan de [locatie] te [plaats] en die het gevolg zijn van de briefing die de raad van de toenmalige wethouder M. van Hofweegen heeft ontvangen, afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201307287/2/A3.

Datum uitspraak: 22 oktober 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats], gemeente Heeze-Leende,

tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 28 juni 2013 in zaak nr. 12/1751 in het geding tussen:

[appellant]

en

de raad van de gemeente Heeze-Leende.

Procesverloop

Bij besluit van 19 september 2011 heeft de raad een verzoek van [appellant] om hem op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: de Wob) alle documenten toe te zenden die betrekking hebben op de op de bij het bestemmingsplan Buitengebied Heeze-Leende behorende verbeelding weergegeven vergroting van het bestemmingsvlak ‘wonen’ aan de [locatie] te [plaats] en die het gevolg zijn van de briefing die de raad van de toenmalige wethouder M. van Hofweegen heeft ontvangen, afgewezen.

Bij besluit van 26 april 2012 heeft de raad het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 28 juni 2013 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 26 april 2012 vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen daarvan in stand blijven. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 februari 2014, waar [appellant] is verschenen.

Bij tussenuitspraak van 2 juli 2014 in zaak nr. 201307287/1/A3 (www.raadvanstate.nl) heeft de Afdeling de raad opgedragen om binnen zes weken na verzending van de tussenuitspraak de daarin omschreven gebreken in het besluit van 26 april 2012 te herstellen en zo nodig een ander besluit te nemen.

Bij besluit van 11 augustus 2014 heeft de raad ter uitvoering van de tussenuitspraak het bezwaar opnieuw ongegrond verklaard.

Bij brief van 21 augustus 2014 heeft [appellant] een zienswijze ingediend.

Met toepassing van artikel 8:57, tweede lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) gelezen in verbinding met artikel 8:108, eerste lid, van de Awb, is afgezien van een tweede onderzoek ter zitting. Vervolgens heeft de Afdeling het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. De Afdeling heeft in de tussenuitspraak overwogen dat het besluit van de raad van 26 april 2012 is genomen in strijd met de in artikel 3:2 van de Awb vereiste zorgvuldigheid en niet berust op een deugdelijke motivering als vereist in artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. Daartoe heeft de Afdeling overwogen dat de raad alsnog inzichtelijk dient te maken op welke wijze de verslaglegging van de gemeenteraadsvergadering van 22 februari 2010 is gearchiveerd. Indien een schriftelijk verslag is gearchiveerd, dient de raad dat verslag alsnog aan [appellant] toe te zenden, dan wel een weigering daartoe nader te motiveren. Indien het audioverslag had behoren te worden gearchiveerd, dient de raad alsnog al het redelijkerwijs mogelijke te doen om de band met dat verslag te achterhalen. Voorts dient de raad nader te motiveren of op grond van de archiefregelgeving op de raad de plicht rustte om de e-mail van Van Hofweegen te archiveren en, zo ja, of de raad al het redelijkerwijs mogelijke heeft gedaan om de e-mail alsnog te achterhalen, aldus de tussenuitspraak.

2. Ingevolge artikel 1, aanhef en onder a, van de Wob wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen onder document verstaan een bij een bestuursorgaan berustend schriftelijk stuk of ander materiaal dat gegevens bevat.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, kan een ieder een verzoek om informatie neergelegd in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid richten tot een bestuursorgaan of een onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan werkzame instelling, dienst of bedrijf.

3. In het besluit van 11 augustus 2014 heeft de raad vermeld dat de agenda van de gemeenteraadsvergadering van 22 februari 2010 op de gemeentelijke website is te raadplegen en de schriftelijke verslaglegging daarvan, zoals gebruikelijk, heeft plaatsgevonden in de vorm van een besluitenlijst die eveneens op voormelde website beschikbaar is. Wat het audioverslag betreft heeft de raad te kennen gegeven dat dit per agendapunt wordt opgenomen en geen doorlopende geluidsopname is gemaakt. Het audioverslag is tevens beschikbaar op de gemeentelijke website. Voorts valt de e-mail van Van Hofweegen volgens de raad niet aan te merken als een bescheid betreffende de voorbereiding van een bestemmingsplan, zodat op grond van de archiefregelgeving geen verplichting bestond deze te archiveren. Daartoe acht de raad van belang dat het bestemmingsplan Buitengebied Heeze-Leende op 2 februari 2009 is vastgesteld en de e-mail van begin 2010 dateert, zodat deze niet onder de voorbereiding van de vaststelling van het bestemmingsplan kan vallen. Een nieuw voorbereidingstraject inzake het bestemmingsplan was in 2010 nog niet aan de orde.

3.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 30 mei 2007 in zaak nr. 200608265/1) is het, wanneer een bestuursorgaan stelt dat na onderzoek is gebleken dat een bepaald document niet of niet meer onder hem berust en een dergelijke mededeling niet ongeloofwaardig voorkomt, in beginsel aan degene die om informatie verzoekt om aannemelijk te maken dat, in tegenstelling tot de uitkomsten van het onderzoek door het bestuursorgaan, een bepaald document toch onder dat bestuursorgaan berust.

Voorts heeft de Afdeling eerder overwogen (onder meer de uitspraak van 20 oktober 2010 in zaak nr. 201001965/1/H3) dat, voor zover openbaarmaking wordt verzocht van documenten die niet bij het bestuursorgaan berusten, maar wel bij het bestuursorgaan hadden behoren te berusten, van dit bestuursorgaan mag worden verwacht dat het al het redelijkerwijs mogelijke doet om deze documenten alsnog te achterhalen. In de uitspraak van 16 november 2011 in zaak nr. 201011810/1/H3 heeft de Afdeling verder overwogen, dat inzichtelijk moet worden gemaakt op welke wijze het bestuursorgaan naar deze documenten heeft gezocht.

3.2. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad met het besluit van 11 augustus 2014 inzichtelijk gemaakt op welke wijze de verslaglegging van de gemeenteraadsvergadering van 22 februari 2010 is gearchiveerd. Het standpunt van de raad dat deze niet beschikt over een doorlopend audioverslag, zoals verzocht door [appellant], is niet ongeloofwaardig. Daarbij is van belang dat op de raad geen wettelijke verplichting rust om zo’n verslag te maken en te archiveren. In zijn reactie van 21 augustus 2014 heeft [appellant] te kennen gegeven dat hij twijfelt aan de integriteit en volledigheid van het op de gemeentelijke website te beluisteren audioverslag, nu daarin tijdcodes ontbreken en een door W. van der Rijt gestelde vraag niet in het verslag voorkomt. Met deze twijfel heeft [appellant] evenwel niet aannemelijk gemaakt dat de raad behalve over de op de gemeentelijke website beschikbare besluitenlijst en het daarop te beluisteren audioverslag beschikt over een volledig audioverslag zonder onderbrekingen inclusief tijdcodes. Voor zover [appellant] stelt dat naast het reeds beschikbare audioverslag een woordelijk verslag bestaat, wordt overwogen dat dit niet met zoveel woorden uit de door hem in dit verband ingeroepen e-mail van de raadsgriffier van 15 mei 2013 kan worden afgeleid. Daaruit blijkt slechts dat een woordelijk verslag kan worden opgemaakt, indien daartoe wordt verzocht.

Voorts heeft de raad het bestemmingsplan Buitengebied Heeze-Leende op 2 februari 2009 vastgesteld. Hoewel de e-mail van Van der Rijt de indruk wekt dat de e-mail van Van Hofweegen betrekking had op de voorbereiding van een gedeeltelijke wijziging van het bestemmingsplan, heeft de raad aannemelijk gemaakt dat dat ten tijde van de mailwisseling niet aan de orde was. De raad heeft op 25 juni 2013 bekend gemaakt dat het ontwerpbestemmingsplan Buitengebied Heeze-Leende 2012 ter inzage wordt gelegd en een integrale herziening van het bestemmingsplan Buitengebied Heeze-Leende betreft. Van jaarlijkse aanpassingen van het bestemmingsplan is niet gebleken. De raad heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de e-mail van Van Hofweegen niet als een bescheid betreffende de voorbereiding van een bestemmingsplan kan worden aangemerkt, zodat op de raad geen verplichting rustte om de e-mail op grond van de archiefregelgeving te archiveren.

Gezien het voorgaande, is de Afdeling van oordeel dat de raad de in de tussenuitspraak geconstateerde gebreken heeft hersteld.

4. Gelet op hetgeen in de tussenuitspraak is overwogen, is het hoger beroep gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, voor zover de rechtbank heeft bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 26 april 2012 in stand blijven. De Afdeling zal het van rechtswege ontstane beroep tegen het besluit van 11 augustus 2014 ongegrond verklaren.

5. De raad dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 28 juni 2013 in zaak nr. 12/1751, voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 26 april 2012 in stand zijn gelaten;

III. verklaart het beroep tegen het besluit van 11 augustus 2014 ongegrond;

IV. veroordeelt de raad van de gemeente Heeze-Leende tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 45,94 (zegge: vijfenveertig euro en vierennegentig cent);

V. gelast dat de raad van de gemeente Heeze-Leende aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 239,00 (zegge: tweehonderdnegendertig euro) voor de behandeling van het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. I.S. Vreken-Westra, griffier.

w.g. Bijloos w.g. Vreken-Westra

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 22 oktober 2014

434-697.