Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:3730

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
15-10-2014
Datum publicatie
15-10-2014
Zaaknummer
201401558/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOVE:2014:244, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 5 juni 2012 heeft het college aan [belanghebbende A] omgevingsvergunning verleend voor het plaatsen van een berging op het perceel [locatie 1] te Groningen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201401558/1/A1.

Datum uitspraak: 15 oktober 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Groningen,

tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 21 januari 2014 in zaak nr. 13/2299 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Groningen.

Procesverloop

Bij besluit van 5 juni 2012 heeft het college aan [belanghebbende A] omgevingsvergunning verleend voor het plaatsen van een berging op het perceel [locatie 1] te Groningen.

Bij besluit van 15 januari 2013 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 21 januari 2014 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 september 2014, waar [appellant], het college, vertegenwoordigd door mr. drs. I. Simonides, en [belanghebbende A], bijgestaan door K. Koetje, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Op het perceel rust ingevolge het bestemmingsplan "Openbaar Vaarwater" de bestemming "Groen".

Ingevolge artikel 4.1, aanhef en onder g, van de planregels zijn gronden met de bestemming "Groen" onder meer bestemd voor bergingen ten behoeve van woonschepen, uitsluitend binnen bouwvlakken of voor zover aan de gronden op de kaart de aanduiding bijgebouwen is gegeven.

Ingevolge artikel 4.2.1, aanhef en onder b is per ligplaats maximaal één gebouw in de vorm van een berging toegestaan.

Ingevolge artikel 1, onder 1.26, wordt onder ligplaats verstaan een bij het plan aangewezen plaats in het water, die door een woon-, bedrijfs- of horecaschip wordt ingenomen.

2. Het bouwplan voorziet in een berging op het perceel waar [belanghebbende A] een ligplaatsvergunning heeft voor haar [woonschip].

3. De rechtbank heeft terecht overwogen dat artikel 2.10, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) met zich brengt dat de in dat artikel genoemde omgevingsvergunning moet worden geweigerd indien zich een of meer van de daar genoemde weigeringsgronden voordoen. Indien zich geen van de genoemde weigeringsgronden voordoen, is het college gehouden de omgevingsvergunning te verlenen. De rechtbank heeft terecht overwogen dat van een afweging van de bij het besluit betrokken belangen dan geen sprake kan zijn.

4. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het bouwplan in strijd is met artikel 4.2.1, aanhef en onder b, van de planregels. Daartoe voert hij aan dat het bouwplan voorziet in een tweede berging bij de ligplaats van [belanghebbende A], gelet op de reeds bestaande berging bij deze ligplaats.

4.1. Vast staat dat nabij het woonschip van [belanghebbende A] in het verleden een berging is opgericht (hierna: de bestaande berging) die uitsluitend door [belanghebbende B], de bewoner van de naast de ligplaats van [belanghebbende A] gelegen ligplaats [locatie 2], werd en wordt gebruikt. Er is geen grond voor het oordeel dat deze berging, zoals [appellant] aanvoert, aangemerkt moet worden als behorend bij de ligplaats van [belanghebbende A] en de voorziene berging moet worden aangemerkt als tweede berging in strijd met artikel 4.2.1, aanhef en onder b, van de planregels. Bij de door het college aan de rechtbank overgelegde stukken bevindt zich een tussen de gemeente en [belanghebbende B], in de hoedanigheid van ligplaatsvergunninghouder, gesloten bruikleenovereenkomst, die namens de gemeente en door [belanghebbende B] is ondertekend op respectievelijk 1 november 2011 en 31 oktober 2011. Voorts bevindt zich bij de stukken een tussen de gemeente en [belanghebbende A], in de hoedanigheid van ligplaatsvergunninghouder, gesloten bruikleenovereenkomst die namens de gemeente en door [belanghebbende A] is ondertekend op respectievelijk 25 augustus 2011 en 8 augustus 2011. Bij de overeenkomst met [belanghebbende B] zijn twee tekeningen gevoegd waarop de huidige situatie (bijlage I) en de toekomstige situatie (bijlage II) zijn weergegeven. Bij de overeenkomst met [belanghebbende A] is ook bijlage II gevoegd en heeft het college ter zitting eveneens bijlage I overgelegd als behorend bij de bruikleenovereenkomst met [belanghebbende A]. Uit de bruikleenovereenkomsten volgt dat deze de gronden zoals weergegeven op bijlage I, de tekening met de huidige situatie, omvatten en bij beëindiging van deze bruikleenovereenkomsten de daaropvolgende bruikleenovereenkomsten de gronden omvatten zoals weergegeven op bijlage II, de tekening met de toekomstige situatie. Niet is gebleken dat de door het college overgelegde bruikleenovereenkomsten zijn beëindigd, zodat bij de beoordeling van de vraag bij welke ligplaats de bestaande berging is gelegen, uitgegaan dient te worden van de situatie met betrekking tot de gronden bij ligplaats [locatie 1] en [locatie 2] zoals weergegeven op bijlage I bij de bruikleenovereenkomsten.

De rechtbank heeft terecht overwogen dat uit bijlage I blijkt dat de bestaande berging niet is gelegen op gronden behorend bij de ligplaats van [belanghebbende A], zodat de voorziene berging bij deze ligplaats niet in strijd is met artikel 4.2.1, aanhef en onder b, van de planregels.

Het betoog faalt.

5. [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank heeft miskend dat het college zich niet op het standpunt heeft kunnen stellen dat het bouwplan in overeenstemming is met redelijke eisen van welstand. Daartoe voert hij aan dat de welstandscommissie geen rekening heeft gehouden met de omstandigheid dat sprake is van een beschermd stadsgezicht en voorts niet is gebleken dat de welstandscommissie bij de toetsing rekening heeft gehouden met de overige geldende uitganspunten betreffende zicht en dergelijke.

5.1. Het door [appellant] aangevoerde biedt geen grond voor het oordeel dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat het bouwplan voldoet aan redelijke eisen van welstand. De rechtbank heeft terecht overwogen dat uit de reactie van de daartoe gemandateerde loketsecretaris Welstand van 22 juli 2013 op het rapport van 18 juni 2013 van ing. M.M. Schmitt blijkt dat door de welstandscommissie is getoetst aan de gemeentelijke welstandsnota en in het bijzonder het beleid en de criteria voor gebied 5, vroeg-planmatige stedelijke uitbreidingen in de eerste helft van de 20e eeuw, waarin het bouwplan is gelegen. Verder is getoetst aan de snelcriteria zoals deze gelden op de walkanten en dat de welstandscommissie voorts heeft onderkend dat het bouwplan is gelegen in beschermd stadsgezicht. De enkele stelling van [appellant] dat dit niet het geval is, biedt onvoldoende grond voor een ander oordeel.

Het betoog faalt.

6. [appellant] betoogt verder tevergeefs dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college nadere eisen had kunnen stellen, zodat de berging het uitzicht vanuit zijn woning minder zou beperken.

Nu niet is gebleken dat het bouwplan in strijd is met het ter plaatse geldende bestemmingsplan of redelijke van welstand en voorts niet is gebleken dat het in strijd is met een van de andere in artikel 2.10, eerste lid, van de Wabo genoemde weigeringsgronden, was het college gehouden om de gevraagde omgevingsvergunning te verlenen. Voor een aanvullende afweging van de betrokken belangen en het in dat kader stellen van nadere eisen is derhalve geen plaats.

7. [appellant] betoogt tevens dat de rechtbank heeft miskend dat de wijze waarop het college artikel 2.10 van de Wabo heeft toegepast in de besluiten van 5 juni 2012 en 15 januari 2013 in strijd is met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het Eerste Protocol). [appellant] voert daartoe aan dat hij in zijn eigendomsrecht aangetast wordt, nu het uitzicht op het water vanuit zijn woning door de berging wordt belemmerd.

7.1. Ingevolge artikel 1 van het Eerste Protocol heeft iedere natuurlijke of rechtspersoon recht op het ongestoord genot van zijn eigendom. Aan niemand zal zijn eigendom worden ontnomen behalve in het algemeen belang en onder de voorwaarden voorzien in de wet en in de algemene beginselen van internationaal recht. Deze bepalingen tasten, voor zover hier van belang, op geen enkele wijze het recht aan, dat een staat heeft om die wetten toe te passen, die hij noodzakelijk oordeelt om het gebruik van eigendom te reguleren in overeenstemming met het algemeen belang, aldus artikel 1.

7.2. Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo, is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het bouwen van een bouwwerk. Met de verlening van een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk, waarbij wordt getoetst aan artikel 2.10 van de Wabo, wordt dit verbod opgeheven. Het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk, omvat slechts de publiekrechtelijke toestemming om het desbetreffende bouwplan te realiseren en omvat niet de toestemming om iemand zijn eigendom te ontnemen, dan wel inbreuk te maken op andermans eigendomsrecht. Het standpunt van [appellant] dat het college door omgevingsvergunning te verlenen voor de berging verantwoordelijk is voor een inbreuk op zijn eigendom, wordt, wat daar verder van zij, niet gevolgd.

Het betoog faalt.

8. [appellant] heeft voor het overige volstaan met een verwijzing naar zijn aanvullende beroepschrift van 19 april 2013. Hij heeft niet betoogd, dat en waarom de desbetreffende overwegingen van de rechtbank onjuist, dan wel onvolledig zijn. Het aangevoerde kan daarom evenmin tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden.

9. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen grond.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M. Kos, griffier.

w.g. Bijloos w.g. Kos

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 15 oktober 2014

580.