Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:3726

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
15-10-2014
Datum publicatie
15-10-2014
Zaaknummer
201401391/1/A4
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2014:64, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 januari 2013 heeft het college aan [vergunninghoudster] een omgevingsvergunning eerste fase verleend voor het in werking hebben van een akkerbouwbedrijf en vleeskuikenhouderij aan de [locatie] te Hazerswoude-Dorp.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2014/441 met annotatie van W.R. van der Velde
JM 2014/155 met annotatie van A. Wagenmakers
JOM 2014/1049
JM 2014/153 met annotatie van P.B. Bokelaar
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201401391/1/A4.

Datum uitspraak: 15 oktober 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1. [appellant sub 1a] en [appellante sub 1b], beiden wonend te Hazerswoude-Dorp, gemeente Alphen aan den Rijn, (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 1]),

2. [appellant sub 2] en anderen, allen wonend te Hazerswoude-Dorp, (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 2]),

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 8 januari 2014 in

zaak nrs. 13/1649 en 13/1651 in het geding tussen:

1. [appellant sub 1]

2. [appellant sub 2]

en

het college van burgemeester en wethouders van Rijnwoude, thans: Alphen aan den Rijn

Procesverloop

Bij besluit van 15 januari 2013 heeft het college aan [vergunninghoudster] een omgevingsvergunning eerste fase verleend voor het in werking hebben van een akkerbouwbedrijf en vleeskuikenhouderij aan de [locatie] te Hazerswoude-Dorp.

Bij uitspraak van 8 januari 2014 heeft de rechtbank de door [appellant sub 1] en [appellant sub 2] daartegen ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellant sub 1] en [appellant sub 2] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant sub 2] heeft een nader stuk ingediend.

De maatschap heeft, daartoe in de gelegenheid gesteld, een schriftelijke

uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 augustus 2014, waar [appellant sub 1], vertegenwoordigd door mr. J. de Vet, [appellant sub 2] en het college, vertegenwoordigd door mr. K. Arends, H. Beijerbergen en S. van der Laan, allen werkzaam bij de Omgevingsdienst West-Holland, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [vergunninghoudster], vertegenwoordigd door [gemachtigde], gehoord.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, onder 3, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo) is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het in werking hebben van een inrichting.

Ingevolge artikel 2.5, eerste lid, wordt op verzoek van de aanvrager een omgevingsvergunning in twee fasen verleend. De eerste fase heeft slechts betrekking op de door de aanvrager aan te geven activiteiten.

Ingevolge artikel 2.14, eerste lid, aanhef en onder a, onder 5, betrekt het bevoegd gezag, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als hier aan de orde, bij de beslissing op de aanvraag in ieder geval: de mogelijkheden tot bescherming van het milieu, door nadelige gevolgen voor het milieu die de inrichting kan veroorzaken, te voorkomen, of zoveel mogelijk te beperken, voor zover zij niet kunnen worden voorkomen. Ingevolge die aanhef en onder c, onder 1, neemt het bevoegd gezag, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als hier aan de orde, bij de beslissing op de aanvraag in ieder geval in acht dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken moeten worden toegepast.

Ingevolge het derde lid kan de omgevingsvergunning, voor zover het een activiteit betreft als bedoeld in het eerste lid, slechts in het belang van de bescherming van het milieu worden geweigerd.

Inrichting

2. Voor de inrichting is eerder bij besluit van 9 september 2009 een omgevingsvergunning verleend voor het houden van 39.600 vleeskuikens en 256 vleesstieren. Bij het in beroep bestreden besluit van 15 januari 2013 heeft het college aan [vergunninghoudster] een nieuwe, de gehele inrichting omvattende omgevingsvergunning eerste fase verleend in verband met de uitbreiding van het aantal te houden vleeskuikens met 59.900 tot in totaal 99.500 stuks.

Buiten beschouwing gelaten beroepsgronden [appellant sub 1]

3. [appellant sub 1] heeft zijn gronden met betrekking tot het gelijkheidsbeginsel, de situering van zijn woning waarvan in de besluitvorming is uitgegaan, het opstellen van een milieueffectrapport, de samenhang met de overige binnen de inrichting verrichte activiteiten, de gefaseerde uitbreiding van de inrichting, de aanplant van een groenwal en directe ammoniakschade aan zijn boomgaard en siertuin voor het eerst in hoger beroep naar voren gebracht. Aangezien het hoger beroep is gericht tegen de uitspraak van de rechtbank en er geen reden is waarom deze gronden niet reeds bij de rechtbank konden worden aangevoerd, en [appellant sub 1] dit uit een oogpunt van een zorgvuldig en doelmatig gebruik van rechtsmiddelen had behoren te doen, dienen deze gronden buiten beschouwing te blijven.

Overleg

4. [appellant sub 2] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college hem bij de verlening van de omgevingsvergunning ten onrechte geen mogelijkheid heeft geboden om in overleg met alle betrokken partijen tot een oplossing te komen.

4.1. De in de Wabo voorgeschreven en door het college bij de verlening van de omgevingsvergunning gevolgde uitgebreide voorbereidingsprocedure staat overleg met alle betrokken partijen niet in de weg. Het voeren van overleg in andere vorm dan door middel van de uitgebreide voorbereidingsprocedure maakt echter geen onderdeel uit van die procedure, zodat het achterwege laten daarvan geen gevolgen kan hebben voor de rechtmatigheid van de omgevingsvergunning.

Het betoog faalt.

Milieueffectrapport

5. Ingevolge artikel 7.2, eerste lid, van de Wet milieubeheer worden bij algemene maatregel van bestuur de activiteiten aangewezen:

a. die belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu;

b. ten aanzien waarvan het bevoegd gezag moet beoordelen of zij belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben.

Ingevolge het derde lid worden terzake van de activiteiten, bedoeld in het eerste lid, onder a, de categorieën van besluiten aangewezen bij de voorbereiding waarvan een milieueffectrapport moet worden opgesteld.

Ingevolge het vierde lid worden terzake van de activiteiten, bedoeld in het eerste lid, onder b, de categorieën van besluiten aangewezen in het kader waarvan het bevoegd gezag krachtens de artikelen 7.17 of 7.19 moet beoordelen of die activiteiten de in dat onderdeel bedoelde gevolgen hebben, en indien dat het geval is, bij de voorbereiding waarvan een milieueffectrapport moet worden gemaakt.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van het Besluit milieueffectrapportage (hierna: het gewijzigd Besluit m.e.r. 1994) worden als activiteiten als bedoeld in artikel 7.2, eerste lid, onder a, van de Wet milieubeheer aangewezen de activiteiten die behoren tot een categorie die in onderdeel C van de bijlage is omschreven.

Ingevolge het tweede lid worden als activiteiten als bedoeld in artikel 7.2, eerste lid, onder b, van de Wet milieubeheer aangewezen de activiteiten die behoren tot een categorie die in onderdeel D van de bijlage is omschreven.

In categorie 14 van onderdeel C van de bijlage bij het gewijzigd Besluit m.e.r. 1994 is als activiteit waarvoor bij de voorbereiding van een besluit het opstellen van een milieueffectrapport verplicht is, onder meer aangewezen: de oprichting, wijziging of uitbreiding van een installatie voor het fokken, mesten of houden van pluimvee in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een installatie met meer dan 85.000 stuks mesthoenders.

In categorie 14 van onderdeel D van die bijlage is als activiteit waarvoor beoordeeld moet worden of bij de voorbereiding van een besluit een milieueffectrapport moet worden opgesteld, onder meer aangewezen: de oprichting, wijziging of uitbreiding van een installatie voor het fokken, mesten of houden van pluimvee in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een installatie met meer dan 40.000 stuks pluimvee.

6. [appellant sub 2] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat voor de voorgenomen uitbreiding van de inrichting ten onrechte geen milieueffectrapport is opgesteld. Daartoe stelt hij dat het college bij de beoordeling van de vraag of een milieueffectrapport diende te worden opgesteld ten onrechte slechts is uitgegaan van het aantal vleeskuikens waarmee de inrichting wordt uitgebreid en niet van het totale aantal te houden vleeskuikens. Verder stelt hij dat het college bij die beoordeling ten onrechte niet de overige binnen de inrichting verrichte activiteiten en de gevolgen hiervan voor de volksgezondheid heeft betrokken. Tot slot stelt [appellant sub 2] dat de rechtbank eraan is voorbijgegaan dat ook de situering van de inrichting in een milieubeschermingsgebied voor stilte als bedoeld in artikel 1.2, tweede lid, onder b, van de Wet milieubeheer (hierna: stiltegebied) aanleiding had moeten geven tot het opstellen van een milieueffectrapport.

6.1. De rechtbank heeft terecht onder verwijzing naar de uitspraken van de Afdeling van 30 maart 2011 in zaak nr. 201006537/1/M2 en van 14 juli 2010 in zaak nr. 200908601/1/M2 overwogen dat het college bij de beoordeling of een milieueffectrapport diende te worden opgesteld slechts behoefde uit te gaan van het aantal vleeskuikens waarmee de inrichting wordt uitgebreid. Nu dat aantal de in categorie 14 van onderdeel C van de bijlage bij het gewijzigd Besluit m.e.r. 1994 opgenomen drempelwaarde niet overschrijdt, heeft de rechtbank terecht overwogen dat er in zoverre geen verplichting bestond om een milieueffectrapport op te stellen.

6.2. Nu het aantal vleeskuikens waarmee de inrichting wordt uitgebreid, de in categorie 14 van onderdeel D van de bijlage bij het gewijzigd Besluit m.e.r. 1994 overschrijdt, heeft het college op basis van de 'Aanmeldingsnotitie M.E.R. uitbreiding van het pluimvee- en akkerbouwbedrijf van maatschap A.A.M. [appellant sub 1] aan de [locatie] in Hazerswoude-Dorp gemeente Rijnwoude' van 14 maart 2012 (hierna: de aanmeldingsnotitie) beoordeeld of de aangevraagde activiteiten belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben als bedoeld in artikel 7.2, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet milieubeheer. Zoals blijkt uit de aanmeldingsnotitie zijn, anders dan [appellant sub 2] betoogt, bij die beoordeling ook de overige binnen de inrichting verrichte activiteiten betrokken. Verder is aandacht besteed aan eventuele gezondheidsrisico’s. In dat kader wordt in de aanmeldingsnotitie geconcludeerd dat er geen wetenschappelijk onderbouwd bewijs voorhanden is, waaruit blijkt dat omwonenden van de inrichting gezondheidsrisico’s lopen. Wat betreft het geluidaspect wordt in de aanmeldingsnotitie verwezen naar de in verband met de omvang en ligging van de inrichting en de normstelling voor het landelijk gebied opgestelde rapportage. Blijkens die rapportage is de omstandigheid dat de inrichting in een stiltegebied is gesitueerd, bij de gemaakte geluidberekeningen betrokken. Uit de aanmeldingsnotitie volgt dat die situering evenmin een omstandigheid is op grond waarvan een milieueffectrapport zou moeten worden opgesteld.

Hetgeen [appellant sub 2] heeft aangevoerd, heeft de rechtbank terecht geen aanleiding gegeven voor de conclusie dat het college zich niet op basis van de in de aanmeldingsnotitie neergelegde conclusies op het standpunt heeft kunnen stellen dat voor de voorgenomen uitbreiding van de inrichting geen milieueffectrapport behoefde te worden opgesteld.

Het betoog faalt.

Beste beschikbare technieken

7. [appellant sub 2] betoogt onder verwijzing naar het persbericht 'Minimumafstand tussen veehouderij en woningen vraagt lokale afweging' van de Gezondheidsraad van 30 november 2012 dat de rechtbank heeft miskend dat binnen de inrichting niet de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast.

7.1. De rechtbank heeft in het niet nader onderbouwde betoog van [appellant sub 2] terecht geen aanknopingspunten gevonden voor de conclusie dat binnen de inrichting niet de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast. De verwijzing naar voormeld persbericht brengt de Afdeling niet tot een ander oordeel, nu hierin slechts in algemene bewoordingen wordt ingegaan op eventuele gezondheidsrisico’s voor omwonenden van veehouderijen en geen conclusie wordt getrokken over de technieken die binnen de inrichting worden toegepast.

Het betoog faalt.

Geluid

8. [appellant sub 2] betoogt dat de rechtbank er ten onrechte aan is voorbijgegaan dat de inrichting in een stiltegebied is gesitueerd.

8.1. De inrichting is gesitueerd in het in de Provinciale milieuverordening Zuid-Holland aangewezen stiltegebied 'Leiden - Zoetermeer - Alphen aan den Rijn'. Vanwege die situering heeft het college in aanvulling op de geluidgrenswaarden die ingevolge tabel I van vergunningvoorschrift 4.1.1 gelden ter plaatse van geluidgevoelige objecten en waarvan de aanvaardbaarheid thans niet meer in geschil is, in tabel II van dat voorschrift geluidgrenswaarden gesteld die gelden op een afstand van 50 m van de terreingrens van de inrichting. Daarbij heeft het college aansluiting gezocht bij de in de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening 1998 opgenomen richtwaarden voor een omgeving die gekarakteriseerd kan worden als 'landelijke omgeving'.

De Afdeling stelt voorop dat de enkele omstandigheid dat de inrichting in het stiltegebied is gesitueerd, op zichzelf niet aan de rechtmatigheid van de omgevingsvergunning in de weg staat. Nu [appellant sub 2] voorts niet onderbouwt waarom het college bij de beoordeling van de aanvraag ondanks voormelde aanvullende geluidgrenswaarden onvoldoende rekening heeft gehouden met de situering van de inrichting in het stiltegebied, heeft de rechtbank in het betoog van [appellant sub 2] terecht geen grond gezien voor het oordeel dat het bij haar bestreden besluit niet in stand kan blijven.

Het betoog faalt.

Geur

9. [appellant sub 2] betoogt dat de uitkomst van de gemaakte berekeningen van de door de inrichting veroorzaakte geurbelasting niet overeenkomt met de werkelijke geurbelasting. Hij stelt in dit verband onder verwijzing naar recente stukken over het verspreidingsmodel V-Stacks vergunning 2010, waaronder een notitie van Witteveen+Bos Raadgevende ingenieurs B.V. van 18 april 2014 en een brief van de staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu aan de voorzitter van het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant van 10 juni 2014, dat wanneer aan het bij de geurberekeningen gehanteerde verspreidingsmodel V-Stacks vergunning 2010 een zogenoemde gebouwmodule zou zijn toegevoegd, uit de geurberekeningen zou blijken dat de door de inrichting veroorzaakte geurbelasting onaanvaardbaar is.

9.1. Ingevolge artikel 10, aanhef en onder a, van de Wet geurhinder en veehouderij worden bij ministeriële regeling regels gesteld over de wijze waarop de geurbelasting, bedoeld in artikel 3 van die wet, wordt bepaald.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Regeling geurhinder en veehouderij, wordt de geurbelasting vanwege een veehouderij berekend met inachtneming van het verspreidingsmodel V-Stacks vergunning 2010.

9.2. Bij de aanvraag om omgevingsvergunning zijn geurberekeningen gevoegd, waarbij de door de inrichting veroorzaakte geurbelasting is berekend met inachtneming van het verspreidingsmodel

V-Stacks vergunning 2010. Voor zover [appellant sub 2] aanvoert dat dit verspreidingsmodel als zodanig onjuistheden bevat en daarom ten onrechte is toegepast, overweegt de Afdeling dat die toepassing ingevolge artikel 10, aanhef en onder a, van de Wet geurhinder en veehouderij, gelezen in samenhang met artikel 2, eerste lid, van de Regeling geurhinder en veehouderij, verplicht is. Of toepassing van het verspreidingsmodel tot de door [appellant sub 2] gestelde onderschatting van de geurbelasting leidt vanwege het ontbreken van de gebouwmodule, wat daarvan ook zij, doet aan die verplichting niet af. Voor zover [appellant sub 2] aanvoert dat het verspreidingsmodel in dit concrete geval onjuist is toegepast, heeft hij dat met de enkele verwijzing naar voormelde stukken niet aannemelijk gemaakt, nu die niet betrekking hebben op de inrichting.

Gezien het vorenoverwogene kan hetgeen [appellant sub 2] aanvoert niet leiden tot het oordeel dat het college niet van de bij de aanvraag gevoegde geurberekeningen mocht uitgaan.

Het betoog faalt.

Volksgezondheid

10. [appellant sub 2] en [appellant sub 1] vrezen voor gezondheidsrisico’s voor omwonenden als gevolg van het in werking zijn van de inrichting.

10.1. Ingevolge artikel 1.1, tweede lid, van de Wabo is met betrekking tot de betekenis van de begrippen «gevolgen voor het milieu» en «bescherming van het milieu» in deze wet en de daarop berustende bepalingen artikel 1.1, tweede lid, van de Wet milieubeheer van overeenkomstige toepassing.

Indien door het in werking zijn van een inrichting risico's voor de volksgezondheid kunnen ontstaan, moeten deze risico's gelet op artikel 1.1, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wet milieubeheer als gevolg voor het milieu bij de beoordeling van de aanvraag worden betrokken.

10.2. [appellant sub 2] en [appellant sub 1] hebben niet gewezen op algemeen aanvaarde wetenschappelijke inzichten op grond waarvan zou moeten worden geconcludeerd dat het in werking zijn van de inrichting zodanige risico's voor de volksgezondheid kan opleveren dat de vergunning om die reden had moeten worden geweigerd, dan wel dat daaraan nadere voorschriften of beperkingen hadden moeten worden verbonden. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat in de diverse publicaties waarnaar zij ter onderbouwing van hun standpunt verwijzen, geen conclusies worden getrokken over de gezondheidsrisico’s in dit specifieke geval. De niet nader onderbouwde stelling van [appellant sub 1] dat er voor omwonenden vanwege het in werking zijn van de inrichting een verhoogde kans op kanker is, biedt geen aanknopingspunten voor een andere conclusie.

Voor zover [appellant sub 2] en [appellant sub 1] in dit verband hebben verwezen naar een in het kader van een bouwprocedure opgesteld advies van de Omgevingsdienst West-Holland van 6 februari 2012, dat betrekking heeft op de realisatie van een woning in de nabijheid van de inrichting en waarin onder meer wordt ingegaan op risico’s voor de gezondheid van omwonenden vanwege het in werking zijn van de inrichting, leidt dit evenmin tot een andere conclusie. Daartoe overweegt de Afdeling dat dat advies evenmin voormelde algemeen aanvaarde wetenschappelijke inzichten bevat.

De betogen falen.

Overig

11. Voor zover [appellant sub 2] betoogt dat het college bij de beoordeling van de aanvraag om omgevingsvergunning ten onrechte niet is uitgegaan van metingen van de huidige situatie, maar van berekeningen waarvan onduidelijk is of ze wel overeenkomen met de feitelijke situatie, overweegt de Afdeling als volgt. De enkele omstandigheid dat geen metingen zijn verricht maar is uitgegaan van berekeningen, maakt niet dat daarom niet van de juistheid van die berekeningen mag worden uitgegaan. Wanneer de inrichting niet overeenkomstig de omgevingsvergunning in werking is, betreft dat een kwestie van handhaving, die in deze procedure niet aan de orde is.

Het betoog faalt.

12. Hetgeen [appellant sub 2] voor het overige heeft aangevoerd, heeft hij niet, althans onvoldoende gemotiveerd. Reeds hierom falen deze betogen.

Slotoverwegingen

13. De hoger beroepen zijn ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

14. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, voorzitter, en mr. B.J. van Ettekoven en mr. G.M.H. Hoogvliet, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.A.A. van Roessel, griffier.

w.g. Van Kreveld w.g. Van Roessel

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 15 oktober 2014

457-742.