Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:3725

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
15-10-2014
Datum publicatie
15-10-2014
Zaaknummer
201401222/1/R6
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 27 november 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Ronetteterrein" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Wet ruimtelijke ordening
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2014/1047
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201401222/1/R6.

Datum uitspraak: 15 oktober 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1a], [appellant sub 1b] en [appellant sub 1c] (hierna: [appellant sub 1] en anderen), allen wonend te Amsterdam,

2. [appellant sub 2a], [appellante sub 2b], [appellant sub 2c] en [appellant sub 2d] (hierna: [appellant sub 2] en anderen), allen wonend te Amsterdam,

appellanten,

en

1. de raad van de gemeente Amsterdam,

2. het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam,

verweerders.

Procesverloop

Bij besluit van 27 november 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Ronetteterrein" vastgesteld.

Bij besluit van 26 november 2013 heeft het college op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht een omgevingsvergunning verleend voor de oprichting van een gebouw met 519 studentenwoningen, horeca- en sportvoorzieningen en een beheerderswoning.

Deze besluiten zijn gecoördineerd voorbereid en bekendgemaakt met toepassing van artikel 3.30 van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: de Wro).

Tegen het besluit van de raad van 27 november 2013 hebben [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] en anderen beroep ingesteld. [appellant sub 1] en anderen hebben voorts beroep ingesteld tegen het besluit van het college van 26 november 2013.

De raad en het college hebben elk een verweerschrift ingediend.

[belanghebbende] heeft, daartoe in de gelegenheid gesteld, een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] en anderen en [belanghebbende] hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 augustus 2014, waar [appellant sub 1] en anderen, vertegenwoordigd door mr. F.J.M. Kobossen, advocaat te Apeldoorn, [appellant sub 2] en anderen, vertegenwoordigd door mr. E.J.H. van Lith, advocaat te Amsterdam, het college, vertegenwoordigd door mr. S. Toxopeus, werkzaam bij de Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied, en de raad, vertegenwoordigd door drs. L.C. Schouten, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is [belanghebbende], vertegenwoordigd door [directeur], mr. S.M. Stavenuiter, advocaat te Amsterdam, en ir. M. Quist, als partij gehoord.

Overwegingen

1. Het bestemmingsplan voorziet onder meer in de oprichting van een studentenwoningcomplex en een hotel op het Ronetteterrein aan de Joan Muyskenweg. [belanghebbende] is initiatiefnemer van de voorziene ontwikkeling.

Het bestemmingsplan

Toetsingskader

2. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Procedurele aspecten

3. [belanghebbende] betoogt dat [appellant sub 2] en anderen en [appellant sub 1] en anderen niet kunnen worden aangemerkt als belanghebbende.

3.1. [appellant sub 2a] en [appellante sub 2b] wonen in woonboten aan de [locatie 1], [appellant sub 2c] en [appellant sub 2d] wonen aan de [locatie 2] en [appellant sub 1b] en [appellant sub 1c] wonen aan de [locatie 3]. Deze locaties liggen in het plangebied. Niet in geschil is dat [appellant sub 1a] eigenaar is van een woonboot die in het plangebied ligt. De ligplaatsen van de woonboten grenzen aan de gronden waarvan [belanghebbende] stelt eigenaar te zijn. Gezien de ligging van de woonboten zullen [appellant sub 2] en anderen en [appellant sub 1] en anderen ruimtelijke gevolgen ondervinden als gevolg van de voorziene ontwikkelingen op de gronden waarvan [belanghebbende] stelt eigenaar te zijn. Reeds daarom is de conclusie dat [appellant sub 2] en anderen en [appellant sub 1] en anderen belanghebbende zijn bij het bestemmingsplan als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) en dat zij daartegen ingevolge artikel 8:1 van de Awb, in samenhang gelezen met artikel 8:6 van de Awb en artikel 2 van bijlage 2 bij de Awb, beroep kunnen instellen. Het betoog van [belanghebbende] faalt.

4. [belanghebbende] betoogt dat [appellant sub 2] en anderen zich in hun zienswijze niet hebben gericht tegen de plandelen met de bestemmingen "Wonen" en "Horeca", zodat hun beroep volgens haar in zoverre niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

4.1. Niet in geschil is dat [appellant sub 2] en anderen tijdig een zienswijze hebben ingediend. [appellant sub 2] en anderen hebben zich daarbij gericht op de verslechtering van hun woonsituatie aan de Joan Muyskenweg die volgens hen optreedt ten gevolge van de voorziene ontwikkeling van studentenwoningen en een hotel. Uit de zienswijze kan worden afgeleid dat [appellant sub 2] en anderen tegen de voorziene ontwikkelingen zijn, tenzij wordt tegemoetgekomen aan hun bezwaren. Dat zij de bestemmingen "Wonen" en "Horeca" daarbij niet expliciet hebben genoemd maakt dat niet anders. Gelet op het voorgaande steunt het beroep van [appellant sub 2] en anderen tegen de plandelen met de bestemmingen "Wonen" en "Horeca" naar het oordeel van de Afdeling op een bij de raad naar voren gebrachte zienswijze. Het betoog van [belanghebbende] faalt.

5. [belanghebbende] betoogt dat [appellant sub 2] en anderen geen belang hebben bij een inhoudelijke beoordeling van hun beroep. Hiertoe voert zij aan dat met het bestemmingsplan eveneens is beoogd om de woonsituatie van [appellant sub 2] en anderen als zodanig te bestemmen, zodat een vernietiging van het bestemmingsplan er eveneens toe zou leiden dat de woonsituatie van [appellant sub 2] en anderen niet zal worden gelegaliseerd.

5.1. Vaststaat dat het bestemmingsplan naast de voorziene ontwikkeling van een studentenwoningcomplex en een hotel eveneens voorziet in ligplaatsen voor maximaal vier woonboten aan de Joan Muyskenweg. Reeds nu het beroep van [appellant sub 2] en anderen niet is gericht tegen het plandeel waarmee wordt voorzien in de ligplaatsen en een eventueel gegrond beroep van [appellant sub 2] en anderen derhalve niet hoeft te leiden tot een vernietiging van dat plandeel, kan het betoog van [belanghebbende] niet slagen.

6. De raad betoogt dat de beroepen van [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] en anderen, voor zover daarbij bezwaren worden aangevoerd die zien op onder meer de goede ruimtelijke ordening, de bouwmogelijkheden, de behoefte en de financiële uitvoerbaarheid van het plan, niet rusten op een bij de raad naar voren gebrachte zienswijze.

6.1. De beroepen van [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] en anderen tegen het bestemmingsplan steunen op een bij de raad naar voren gebrachte zienswijze. Binnen de door de wet en de goede procesorde begrensde mogelijkheden staat geen rechtsregel eraan in de weg dat bij de beoordeling van het beroep gronden worden betrokken die na het nemen van het bestreden besluit zijn aangevoerd en niet als zodanig in de uniforme openbare voorbereidingsprocedure met betrekking tot het desbetreffende besluitonderdeel naar voren zijn gebracht. Het verweer van de raad faalt.

7. [appellant sub 1] en anderen hebben ter zitting gesteld dat in de kennisgeving van de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan ten onrechte stond vermeld dat het "voorontwerpbestemmingsplan" ter inzage werd gelegd in plaats van "ontwerpbestemmingsplan". Hierdoor kunnen volgens hen derdebelanghebbenden eventueel in hun belangen zijn geschaad.

7.1. De raad heeft ter zitting de juistheid van de stelling van [appellant sub 1] en anderen betwist.

7.2. Vast staat dat de kennisgevingen van de terinzagelegging van het ontwerpplan in de Staatscourant en in het stadsblad "De Echo" op 26 juni 2013 niet de door [appellant sub 1] en anderen gestelde onjuistheid bevatten. Daargelaten of de kennisgeving van 26 juni 2013 op de gemeentelijke website de door [appellant sub 1] en anderen gestelde onjuistheid bevatte, hebben [appellant sub 1] en anderen tijdig een zienswijze ingediend, zodat zij door het door hen gestelde gebrek niet kunnen zijn geschaad. Verder acht de Afdeling niet aannemelijk dat onbekende belanghebbenden door het gestelde gebrek zijn benadeeld, omdat de in verband met een technische storing gecorrigeerde kennisgevingen van 3 juli 2013 in "De Echo", in de Staatscourant en op de gemeentelijke website evenmin de door [appellant sub 1] en anderen gestelde onjuistheid bevatten. Gelet op het vorenstaande zou het gestelde gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb kunnen worden gepasseerd. Het betoog van [appellant sub 1] en anderen faalt.

Inhoudelijke aspecten

8. [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] en anderen stellen door verjaring eigenaar dan wel anderszins rechthebbende te zijn geworden van gronden in het plangebied. Volgens hen staat derhalve een evidente privaatrechtelijke belemmering aan de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan in de weg. Zij wijzen hierbij op de procedure die in dit verband bij de burgerlijke rechter wordt gevoerd. [appellant sub 1] en anderen hebben in dit verband de conclusie van antwoord die [persoon A] en [persoon B] in die procedure hebben ingediend in de onderhavige procedure herhaald en ingelast. [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] en anderen achten het desalniettemin vaststellen van het bestemmingsplan in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.

8.1. Het betoog van [belanghebbende] dat het inlassen door [appellant sub 1] en anderen van gronden die door anderen zijn aangevoerd niet is toegestaan volgt de Afdeling in het onderhavige geval niet. Anders dan in de uitspraak van de Afdeling van 13 mei 2009, in zaak nr. 200806822/1, hebben [appellant sub 1] en anderen alleen gronden ingelast die door anderen in het kader van deze procedure zijn aangevoerd. Dat [persoon A] en [persoon B] hun beroep tegen de bestreden besluiten hebben ingetrokken, maakt dit niet anders.

8.2. Het is vaste jurisprudentie van de Afdeling (bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling van 14 juli 2010 in zaak nr. 200903222/1/R3 en uitspraak van 10 november 2010 in zaak nr. 201001780/1/H1) dat voor het oordeel van de bestuursrechter dat een privaatrechtelijke belemmering aan de uitvoerbaarheid van een activiteit en derhalve aan de vaststelling van het bestemmingsplan in de weg staat, slechts aanleiding bestaat indien deze een evident karakter heeft. De burgerlijke rechter is immers de eerst aangewezene om de vraag te beantwoorden of een privaatrechtelijke belemmering in de weg staat aan de uitvoering van een activiteit. [belanghebbende] stelt onder verwijzing naar een uittreksel van het kadaster eigenaar te zijn van de gronden ten aanzien waarvan [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] en anderen stellen door verjaring eigenaar dan wel anderszins rechthebbende te zijn geworden. De raad heeft ter zitting te kennen gegeven dat, indien de burgerlijke rechter zou oordelen dat [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] en anderen door verjaring eigenaar dan wel anderszins rechthebbende zijn geworden van gronden in het plangebied, de gemeente over zal gaan tot een onteigeningsprocedure teneinde het bestemmingsplan uit te voeren. Reeds hierom bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het bestemmingsplan vanwege de door [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] en anderen gestelde evidente privaatrechtelijke belemmering niet uitvoerbaar is. Het betoog van [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] en anderen faalt.

9. [appellant sub 1] en anderen betogen dat geen behoefte bestaat aan het hotel en de studentenwoningen waarin met het bestemmingsplan wordt voorzien.

9.1. Aan de gronden ten westen van de Duivendrechtsevaart en de voorziene woonboten is gedeeltelijk de bestemming "Wonen" toegekend. Aan de gronden ten zuiden van het plandeel met de bestemming "Wonen" is gedeeltelijk de bestemming "Horeca" toegekend.

Ingevolge artikel 1, lid 1.67, van de planregels wordt onder "horeca V" verstaan een hotel (waaronder begrepen hotel, motel, jeugdherberg en naar de aard daarmee te vergelijken functies).

Ingevolge artikel 3, lid 3.1, aanhef en onder a, zijn de voor "Horeca" aangewezen gronden bestemd voor horeca V waaronder mede begrepen horeca VI.

Ingevolge artikel 7, lid 7.1, aanhef en onder a, zijn de voor "Wonen" aangewezen gronden bestemd voor studentenwoningen, waaronder mede begrepen short stay, al dan niet in combinatie met praktijkruimte of vrije beroepsuitoefening aan huis.

9.2. De raad heeft in verband met de voorziene studentenwoningen onder meer gewezen op de notitie "Voortgangsnotitie Metropoolregio Amsterdam Dossiers" van 25 februari 2013 die is opgesteld door de Metropoolregio Amsterdam. Hieruit volgt dat binnen de metropoolregio tot 2020 ongeveer 113.000 nieuwe woningen moeten worden gebouwd, daarna tot 2030 ongeveer 91.000 nieuwe woningen en daarna tot 2040 ongeveer 66.000 nieuwe woningen. Voorts wijst de raad op het rapport "Voortgangsrapportage 2013, Programma Jongeren- en studentenhuisvesting 2010-2014" van februari 2014 dat in opdracht van het ontwikkelingsbedrijf en de Dienst Wonen, Zorg en Samenleven van de gemeente Amsterdam is opgesteld. Uit dit rapport volgt volgens de raad dat gedurende de periode 2014-2018 behoefte bestaat aan 2.000 nieuwe studentenwoningen per jaar. Gelet op het voorgaande biedt de enkele stelling van [appellant sub 1] en anderen geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat met het voorziene studentenwoningcomplex wordt voorzien in een behoefte. Het betoog van [appellant sub 1] en anderen faalt in zoverre.

9.3. In verband met het voorziene hotel staat in paragraaf 4.5.4 van de plantoelichting dat de uitbreiding van het aantal beschikbare en geschikte locaties in samenwerking met marktpartijen, stadsdelen en de Stadsregio wordt gestimuleerd. Om te voorkomen dat de Amsterdamse hotelmarkt nog verder uit balans raakt, wenst de raad vóór 2015 nog 4.500 aanvullende hotelkamers te realiseren. In dit verband wordt in de plantoelichting verwezen naar de Nota Hotelbeleid 2007-2010. Het hotel voorziet in 355 kamers en past daarmee volgens de plantoelichting binnen het hotelbeleid van de gemeente. Gezien het voorgaande biedt hetgeen [appellant sub 1] en anderen hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat met het voorziene hotel wordt voorzien in een behoefte. Het betoog van [appellant sub 1] en anderen faalt ook in zoverre.

10. [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] en anderen vrezen een onevenredige aantasting van hun woongenot als gevolg van ruime bouwmogelijkheden die ten behoeve van het hotel en het studentenwoningcomplex zijn voorzien. Zij betogen dat hun belangen bij een goed woon- en leefklimaat onvoldoende door de raad bij zijn afwegingen zijn betrokken.

10.1. Aan de gronden ten westen van de Duivendrechtsevaart met de bestemming "Wonen" zijn tevens de aanduidingen "maximum bouwhoogte 17 m" en "maximum bebouwingspercentage 80%" toegekend. Aan de gronden met de bestemming "Horeca" is tevens gedeeltelijk de aanduiding "maximum bouwhoogte 60 m" en gedeeltelijk de aanduiding "maximum bouwhoogte 26 m" toegekend.

Ingevolge artikel 3, lid 3.2, onder c, van de planregels mag ter plaatse van de aanduiding "minimum-maximum bouwhoogte" de bouwhoogte respectievelijk niet lager en niet hoger zijn dan is aangegeven.

Ingevolge artikel 7, lid 7.2.1, mag ter plaatse van de aanduiding "maximum bebouwingspercentage (%)" het bebouwingsoppervlak niet meer bedragen dan is aangegeven.

Ingevolge lid 7.2.2, onder c, mag de minimum en maximum bouwhoogte ter plaatse van de aanduiding "minimum-maximum bouwhoogte" niet worden overschreden.

10.2. De raad betoogt dat hij de ruimtelijke gevolgen van het voorziene hotel en studentenwoningcomplex voor de woonboten van [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] en anderen bij zijn afwegingen heeft betrokken. In dit verband heeft de raad gewezen op onder meer de schaduwstudie die als bijlage 2 bij de plantoelichting is gevoegd. Daaruit volgt dat de aanwezige woonboten nauwelijks in de schaduw komen te liggen van de voorziene ontwikkelingen. Ook heeft de raad gewezen op het windhinderonderzoek waarvan de resultaten zijn vervat in het rapport "Windhinderonderzoek Joan Muyskenweg te Amsterdam" van 19 juni 2013 dat is opgesteld door Actiflow B.V. en waarbij de gevolgen van het bestemmingsplan voor de woonboten van [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] en anderen zijn onderzocht. [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] en anderen hebben de uitkomsten van de hier beschreven onderzoeken niet gemotiveerd bestreden. De raad onderkent dat de voorziene bouwmogelijkheden ten behoeve van het hotel en het studentenwoningcomplex leiden tot een achteruitgang van het woon- en leefklimaat voor de woonboten aan de [locatie 1, 2 en 3], maar acht deze achteruitgang aanvaardbaar, onder meer vanwege het stedelijke karakter van het gebied en de belangen die zijn gediend bij de voorziene ontwikkeling van een hotel en een studentenwoningcomplex. Hetgeen [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] en anderen hebben aangevoerd biedt geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het bestemmingsplan geen onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat voor de bewoners van de woonboten aan de [locatie 1, 2 en 3] met zich brengt. Het betoog van [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] en anderen faalt.

11. [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] en anderen achten de financiële uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan onvoldoende inzichtelijk gemaakt, hetgeen volgens hen in strijd is met artikel 3.1.6, eerste lid, onder f, van het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: het Bro). Zij betwisten dan ook de financiële uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.

11.1. Ingevolge artikel 3.1.6, eerste lid, onder f, van het Bro gaan een bestemmingsplan alsmede een ontwerp hiervoor vergezeld van een toelichting waarin de inzichten over de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan zijn neergelegd.

11.2. In hoofdstuk 18 van de plantoelichting wordt inzicht geboden in de financiële uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. Hieruit volgt dat de kosten van de uitvoering van de voorziene ontwikkelingen volledig voor rekening komen van de marktpartij [belanghebbende] en dat daartoe een anterieure overeenkomst is gesloten. Uit de plantoelichting volgt dat de zakelijke inhoud van die anterieure overeenkomst bekend is gemaakt. [belanghebbende] heeft verder ter zitting toegelicht dat voor het hotel reeds een exploitant is gevonden en dat indien het gemeentebestuur de kosten van een eventuele onteigeningsprocedure ten behoeve van de uitvoering van het bestemmingsplan niet kan dragen zij daartoe wel in staat is. Gezien het voorgaande biedt hetgeen [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] en anderen hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de financiële uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan is verzekerd. Het betoog faalt.

12. [appellant sub 2] en anderen en Vroom en anderen hebben zich in het beroepschrift voor het overige beperkt tot het herhalen van de zienswijze van [appellant sub 2] en anderen. In de overwegingen van het bestreden besluit is ingegaan op deze zienswijzen. [appellant sub 2] en anderen en Vroom en anderen hebben in hun beroepschrift, noch ter zitting, redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende zienswijze in het bestreden besluit onjuist zou zijn. Het betoog faalt.

De omgevingsvergunning

13. [belanghebbende] betoogt dat [appellant sub 1] en anderen geen zienswijze hebben ingediend tegen de omgevingsvergunning.

13.1. Niet in geschil is dat [appellant sub 1] en anderen per brief van 18 juli 2013 een zienswijze hebben ingediend tegen het ontwerpbestemmingsplan. In deze zienswijze richten zij zich voorts tegen de diverse ontwerpbesluiten. Daarbij wordt weliswaar niet uitdrukkelijk de omgevingsvergunning genoemd, maar gelet op de gekozen formuleringen in hun zienswijze, alsmede de gecoördineerde voorbereiding van de omgevingsvergunning met het bestemmingsplan bestaat voor de Afdeling aanleiding ervan uit te gaan dat de zienswijze ook was gericht tegen de omgevingsvergunning. Het betoog van [belanghebbende] faalt.

14. Vroom en anderen betogen dat de omgevingsvergunning ten onrechte is getoetst aan het bestemmingsplan "Ronetteterrein". Zij voeren hiertoe aan dat het bestemmingsplan "Ronetteterrein" pas na de verlening van de omgevingsvergunning is vastgesteld en derhalve nog niet in werking getreden was op het moment dat de omgevingsvergunning werd verleend.

14.1. Het college betoogt dat het besluit van 26 november 2013 tot verlening van de omgevingsvergunning en het besluit van de raad van 27 november 2013 tot vaststelling van het bestemmingsplan op grond van artikel 3.30, eerste lid, van de Wro gecoördineerd zijn voorbereid en bekendgemaakt.

14.2. Ingevolge artikel 3.30, eerste lid, van de Wro kunnen bij besluit van de gemeenteraad gevallen of categorieën van gevallen worden aangewezen waarin de verwezenlijking van een onderdeel van het gemeentelijk ruimtelijk beleid het wenselijk maakt dat:

a. de voorbereiding en bekendmaking van nader aan te duiden, op aanvraag of ambtshalve te nemen besluiten worden gecoördineerd, of;

b. de voorbereiding en bekendmaking van een bestemmingsplan, een wijziging of uitwerking van een bestemmingsplan of een omgevingsvergunning waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3, van de Wabo van het bestemmingsplan of de beheersverordening wordt afgeweken, wordt gecoördineerd met de voorbereiding en bekendmaking van besluiten als bedoeld onder a.

Ingevolge het derde lid wordt voor zover bij de besluiten bedoeld in het eerste lid, onder b, mede een omgevingsvergunning is begrepen, bij de toepassing van artikelen 2.1, eerste lid, onder c, 2.10 en 2.11 van de Wabo in plaats van bestemmingsplan gelezen: bestemmingsplan, bedoeld in het eerste lid, onder b.

Ingevolge artikel 3.32 maakt het college van burgemeester en wethouders de vaststelling van het in artikel 3.30, eerste lid, bedoelde bestemmingsplan, en de andere besluiten voor zover ten aanzien van deze besluiten gezamenlijk artikel 3.31, derde lid, is toegepast, gelijktijdig bekend. Zij doen mededeling van deze besluiten in de Staatscourant en voorts langs elektronische weg.

14.3. Uit artikel 3.30, derde lid, van de Wro volgt dat een aanvraag om het verlenen van een omgevingsvergunning voor bouwen bij het toepassen van een gemeentelijke coördinatieregeling niet wordt getoetst aan het op dat moment geldende bestemmingsplan, maar aan het bestemmingsplan dat gelijktijdig met die omgevingsvergunning wordt voorbereid en bekendgemaakt. Gelet hierop faalt het betoog van Vroom en anderen.

15. [appellant sub 1] en anderen hebben verder geen inhoudelijke bezwaren aangevoerd tegen de omgevingsvergunning.

Conclusie

16. Gelet op het voorgaande zijn de beroepen ongegrond.

Proceskosten

17. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, voorzitter, en mr. J.G.C. Wiebenga en mr. G. van der Wiel, leden, in tegenwoordigheid van mr. P.A. Melse, griffier.

w.g. Van Buuren w.g. Melse

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 15 oktober 2014

191-749.