Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:3714

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
15-10-2014
Datum publicatie
15-10-2014
Zaaknummer
201400769/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBAMS:2013:8850, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 26 augustus 2013, medegedeeld bij brief van 28 augustus 2013, heeft de raad een aanvraag van [appellant] om een toevoeging afgewezen.

Wetsverwijzingen
Wet op de rechtsbijstand
Wet op de rechtsbijstand 12
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2014/228
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201400769/1/A2.

Datum uitspraak: 15 oktober 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam van 18 december 2013 in zaak nr. 13/6701 in het geding tussen:

[appellant]

en

de raad voor rechtsbijstand Amsterdam (lees: het bestuur van de raad voor rechtsbijstand, hierna: de raad).

Procesverloop

Bij besluit van 26 augustus 2013, medegedeeld bij brief van 28 augustus 2013, heeft de raad een aanvraag van [appellant] om een toevoeging afgewezen.

Bij besluit van 14 oktober 2013 heeft de raad het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 18 december 2013 heeft de voorzieningenrechter het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting aan de orde gesteld op 11 augustus 2014.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 12, eerste lid, van de Wet op de rechtsbijstand (hierna: Wrb) wordt rechtsbijstand uitsluitend verleend ter zake van in de Nederlandse rechtssfeer liggende rechtsbelangen aan natuurlijke en rechtspersonen wier financiële draagkracht de in artikel 34 genoemde bedragen niet overschrijdt.

2. Op 20 augustus 2013 is namens [appellant] een aanvraag om een toevoeging civiel bij de raad ingediend ten behoeve van het voeren van een civielrechtelijke procedure tegen een Belgische persoon over nakoming van een tussen hen gesloten overeenkomst met betrekking tot de verkoop van aandelen van [appellant] in een Belgische vennootschap.

Bij besluit van 26 augustus 2013, gehandhaafd bij besluit van 14 oktober 2013, heeft de raad dat verzoek afgewezen. Daaraan ligt ten grondslag dat de zaak in het buitenland dient en er geen aanknopingspunten zijn met de Nederlandse rechtssfeer. Voorts is aan de afwijzing ten grondslag gelegd dat het verzoek betrekking heeft op de uitoefening van een zelfstandig beroep of bedrijf en dat in een dergelijke situatie slechts in uitzonderingssituaties - die zich in dit geval niet voordoen - toevoegingen worden verstrekt.

3. [appellant] betoogt dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat de raad zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat een bij de Belgische rechter in te dienen vordering tot nakoming van een in België met een Belg gesloten overeenkomst, niet kan worden aangemerkt als een in de Nederlandse rechtssfeer gelegen rechtsbelang. Daarbij heeft de voorzieningenrechter ten onrechte overwogen dat zijn Nederlandse nationaliteit en zijn verblijf in Nederland de enige raakvlakken met de Nederlandse rechtssfeer vormen. De voorzieningenrechter is eraan voorbijgegaan dat er meer raakvlakken zijn, nu op grond van Verordening (EG) nr. 593/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (Rome I) (PB L 177) (hierna: Verordening 593/2008) en Verordening (EG) nr. 864/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 11 juli 2007 betreffende het recht dat van toepassing is op niet-contractuele verbintenissen (Rome II) (PB L 199) (hierna: Verordening 864/2007) het Nederlandse recht op de overeenkomst van toepassing is en het door hem geïnvesteerd Nederlands vermogen betreft, aldus [appellant].

3.1. In de Wrb is de in artikel 12 van die wet vermelde zinsnede "in de Nederlandse rechtssfeer liggende rechtsbelangen" niet nader gedefinieerd. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 23 juli 2014 in zaak nr. 201308824/1/A2) blijkt uit de totstandkomingsgeschiedenis van deze bepaling dat hierin de begrenzing van de voorziening van de gefinancierde rechtsbijstand is vastgelegd. Het begrip Nederlandse rechtssfeer bakent de Nederlandse verplichting om in rechtsbijstand te voorzien af ten opzichte van de verplichtingen waarin andere, in het concrete geval meer aangewezen landen behoren te voorzien. Uitgangspunt dient te zijn dat het land waar zich de zaak voordoet verantwoordelijk is voor de rechtsbijstandvoorziening. Slechts indien de Nederlandse rechtssfeer zeer nauw wordt geraakt en daarom sprake is van een in de Nederlandse rechtssfeer gelegen rechtsbelang als bedoeld in artikel 12, eerste lid, van de Wrb kan een verzoek voor gesubsidieerde rechtsbijstand in Nederland worden ingediend. (Kamerstukken II 1991/92, 22 609, nr. 3, blz. 17, 1992/93, 22 609, nr. 6, blz. 36 en 2000/01, 27 400 VI, nr. 10, blz. 62).

Gelet op deze wetsgeschiedenis is, in gevallen waarin een zaak in het buitenland dient, een uitleg van het begrip ‘Nederlandse rechtssfeer’ inhoudende dat het Nederlandse recht bij de onderliggende zaak betrokken moet zijn, in die zin dat het Nederlandse recht op de een of andere manier enige gelding heeft, een redelijke. De raad heeft zich op het standpunt mogen stellen dat er aanknopingspunten moeten zijn met de Nederlandse rechtssfeer die het verlenen van een toevoeging rechtvaardigen.

3.2. [appellant] heeft om een toevoeging verzocht om bij de Belgische rechter een vordering tot nakoming in te stellen van een volgens hem in België met een Belg gesloten overeenkomst ten aanzien van de overdracht van zijn aandelen in een Belgische vennootschap. De voorzieningenrechter heeft terecht overwogen dat de raad aan deze aanknopingspunten met België doorslaggevend gewicht heeft mogen toekennen. In dat verband zijn de nationaliteit en de verblijfplaats van [appellant] alsmede de plaats waar zijn in de Belgische vennootschap geïnvesteerde vermogen is opgebouwd niet van doorslaggevend belang. Daarbij moet in aanmerking worden genomen dat de door [appellant] voorgestane uitleg van het begrip ‘Nederlandse rechtssfeer’ meebrengt dat Nederland altijd de kosten van rechtsbijstand zou moeten dragen voor rechtszaken die een in Nederland verblijvende Nederlander in het buitenland voert over zijn aldaar geïnvesteerde vermogen, hetgeen zich niet verhoudt met de door de wetgever blijkens de in 3.1 aangehaalde totstandkomingsgeschiedenis van artikel 12 van de Wrb beoogde begrenzing van de voorziening van de gefinancierde rechtsbijstand. Voor zover [appellant] heeft gesteld dat ingevolge Verordening 593/2008 en Verordening 864/2007 Nederlands recht van toepassing is op de overeenkomst waarover de in België te voeren civiele procedure waarvoor hij de toevoeging heeft aangevraagd gaat en zijn rechtsbelang om die reden binnen de Nederlandse rechtssfeer ligt, heeft hij dit, nog daargelaten dat dit ter beoordeling aan de Belgische civiele rechter is bij wie de procedure zal worden gevoerd, niet afdoende met stukken gemotiveerd. Tot slot heeft de voorzieningenrechter terecht overwogen dat in België een vorm van kosteloze rechtsbijstand wordt verleend en dat het Bureau voor Juridische Bijstand van de Orde van Advocaten, welke in België toevoegingen verstrekt, in verband met deze kwestie ook meermaals toevoegingen aan [appellant] heeft verleend. Dat [appellant] in de Belgische advocatuur geen vertrouwen meer heeft, maakt nog niet dat de raad hem in dit geval een toevoeging diende te verstrekken.

Het betoog faalt.

4. Nu de raad de toevoeging wegens het ontbreken van een in de Nederlandse rechtssfeer gelegen rechtsbelang terecht heeft geweigerd, behoeft, zoals de voorzieningenrechter ook heeft overwogen, het betoog van [appellant] dat de aandelenverkoop geen betrekking heeft op de uitoefening van een zelfstandig bedrijf of beroep en om die reden wel een toevoeging zou moeten worden verstrekt, geen bespreking meer.

5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, voorzitter, en mr. K.J.M. Mortelmans en mr. G.M.H. Hoogvliet, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.H.L. Dallinga, griffier.

w.g. Van Altena w.g. Dallinga

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 15 oktober 2014

18-705.