Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:3690

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
15-10-2014
Datum publicatie
15-10-2014
Zaaknummer
201311240/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2013:6017, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 19 juni 2012 heeft het college een aanvraag van [appellante] om vergoeding van planschade afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201311240/1/A1.

Datum uitspraak: 15 oktober 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te Boxtel,

tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 31 oktober 2013 in zaak nr. 13/828 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college van burgemeester en wethouders van Boxtel.

Procesverloop

Bij besluit van 19 juni 2012 heeft het college een aanvraag van [appellante] om vergoeding van planschade afgewezen.

Bij besluit van 21 januari 2013 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 31 oktober 2013 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 augustus 2014, waar [appellante], vertegenwoordigd door R. Bucholtz, en het college, vertegenwoordigd door M.W.C. Heesbeen, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 49, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO), zoals die bepaling tot 1 juli 2008 luidde, kennen burgemeester en wethouders een belanghebbende op aanvraag een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toe, voor zover blijkt dat hij ten gevolge van de bepalingen van een bestemmingsplan schade lijdt of zal lijden welke redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven en waarvan de vergoeding niet of niet voldoende door aankoop, onteigening of anderszins is verzekerd.

2. Voor de beoordeling van een aanvraag om een tegemoetkoming in planschade dient te worden onderzocht of de aanvrager als gevolg van de desbetreffende wijziging van het planologische regime in een nadeliger positie is komen te verkeren en ten gevolge daarvan schade lijdt of zal lijden. Hiertoe dient het planologisch regime na de wijziging, waarvan gesteld wordt dat deze planschade heeft veroorzaakt, te worden vergeleken met het oude planologisch regime. Daarbij is niet de feitelijke situatie van belang, maar wat maximaal op grond van het oude planologisch regime kon worden gerealiseerd, ongeacht of verwezenlijking heeft plaatsgevonden. Slechts ingeval realisering van de maximale mogelijkheden met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid kan worden uitgesloten, kan aanleiding bestaan om van dit uitgangspunt af te wijken.

3. [appellante] is eigenaar van de vrijstaande woning op het perceel aan de [locatie] te Boxtel (hierna: de woning). Bij brief van 30 augustus 2010 heeft zij bij het college een aanvraag ingediend om vergoeding van planschade als gevolg van de bepalingen van het bestemmingsplan "Rijksweg 2" die het ombouwen van een 80 km/uur autoweg naar een autosnelweg mogelijk maken, de bij besluit van 18 februari 1997 mogelijk gemaakte verlichting op de Rijksweg A2 en een verkeersportaal ten behoeve van verkeerssignalering, de in het bestemmingsplan "Herziening Oost" mogelijk gemaakte aanleg van een voetpad langs en achter haar woning en de realisatie van een GSM-mast, die mogelijk is gemaakt met een bij besluit van 8 december 1998 verleende vrijstelling ingevolge artikel 17 van de WRO. Volgens [appellante] heeft dit tot schade in de vorm van waardevermindering van de woning geleid.

4. Het college heeft advies gevraagd aan de Stichting Adviesbureau Onroerende Zaken (hierna: SAOZ).

Met betrekking tot de plaatsing van de verlichting en de verkeerssignalering heeft de SAOZ in het advies van juni 2012 opgemerkt dat voor het plaatsen van deze bouwwerken geen planologische verandering heeft plaatsgevonden, zodat hiervoor geen titel tot vergoeding van schade op de voet van artikel 49 van de WRO bestaat.

Wat betreft de gestelde ombouw tot autosnelweg heeft de SAOZ een vergelijking gemaakt tussen de planologische mogelijkheden van het bestemmingsplan "Rijksweg 2" en het voordien geldende bestemmingsplan "Oost II", inclusief het "2e uitwerkings- c.q. wijzigingsvoorschrift Oost II".

Wat betreft aanleg van een voetpad langs en achter de woning heeft de SAOZ een vergelijking gemaakt tussen het bestemmingsplan "Herziening Oost" en het voordien geldende bestemmingsplan "Oost II", inclusief het "2e uitwerkings- c.q. wijzigingsvoorschrift Oost II".

De SAOZ heeft met betrekking tot de plaatsing van een GSM-mast een vergelijking gemaakt tussen het regime van het bestemmingsplan "Buitengebied 1994" en de planologische situatie die is ontstaan met het besluit van 8 december 1998.

De SAOZ heeft geconcludeerd dat de planologische maatregelen voor [appellante] niet hebben geleid tot een nadeliger positie waaruit op de voet van artikel 49 van de WRO voor vergoeding vatbare schade in de vorm van waardevermindering is voortgevloeid.

Het college heeft dit advies aan het besluit van 19 juni 2012 ten grondslag gelegd en dat besluit in bezwaar gehandhaafd.

5. [appellante] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de ombouw van de autoweg naar autosnelweg heeft geleid tot een nadeliger positie waaruit voor vergoeding vatbare schade voortvloeit. Zij voert aan dat de SAOZ ten onrechte voorbij is gegaan aan de toegenomen verkeersintensiteit en de verhoging van de maximum snelheid en de daarmee gepaard gaande geluidhinder.

5.1. In het advies van de SAOZ is vermeld dat [appellante] voorheen op een kortste afstand van 120 m ten oosten van haar woning rekening diende te houden met een vierbaansweg en vanaf een kortste afstand van ongeveer 100 m van haar woning met een benzineverkooppunt. Ingevolge de bepalingen van het bestemmingsplan "Rijksweg 2" is het op een kortste afstand van ongeveer 105 m ten oosten van de woning mogelijk geworden een vierbaans snelweg met vluchtstrook te realiseren. Vanaf een kortste afstand van ongeveer 80 m ten oosten van de woning is het mogelijk geworden bijbehorende voorzieningen te realiseren, niet zijnde een verkooppunt voor motorbrandstoffen. Voorts is het mogelijk geluidsafschermende voorzieningen te realiseren. Als gevolg van het vervallen van het benzineverkooppunt is sprake van een afname van geluidhinder als gevolg van afremmend en optrekkend verkeer en het gebruik van het bij het benzineverkooppunt behorende (parkeer)terrein. Gelet op de geluidhinder die voorheen in planologisch opzicht al kon worden ondervonden, de relatief grote afstand tot de weg, alsmede gelet op het feit dat thans geluidwerende voorzieningen mogelijk zijn geworden, is volgens de SAOZ, mede gelet op het vervallen van het gebruik ten behoeve van het benzineverkooppunt, geen sprake van een relevant nadelig effect bij het aspect geluidhinder, althans niet van een zodanig nadeel dat daaruit op de voet van artikel 49 van de WRO voor vergoeding vatbare schade in de vorm van waardevermindering is voortgevloeid.

5.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer uitspraak van 9 juni 2010 in zaak nr. 200907020/1/H2), dient in het kader van het onderzoek, of en zo ja, in hoeverre een nieuw bestemmingsplan, dat de aanleg van een weg mogelijk maakt, tot een planologische verslechtering leidt die schade tot gevolg heeft, bij onder meer de geluidsoverlast een vergelijking te worden gemaakt tussen de maximale gebruiksmogelijkheden onder het oude en die onder het nieuwe planologische regime.

Het tot besluiten op een verzoek om planschadevergoeding bevoegde bestuursorgaan dient bij het beoordelen van de maximale gebruiksmogelijkheden onder het nieuwe planologische regime op de peildatum uit te gaan van een reële prognose van het maximaal aantal te verwachten motorvoertuigen per rijstrook en per tijdseenheid en de daarmee gemoeide geluidsoverlast, met inachtneming van de op die dag bestaande inzichten. Aan de hand daarvan dient te worden onderzocht of die geluidsoverlast zodanig is, dat het nieuwe regime tot een planologische verslechtering met een daaruit voortvloeiende waardevermindering van de woning heeft geleid.

5.3. Op 21 januari 1992 is het bestemmingsplan "Rijksweg 2" in werking getreden. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat de SAOZ voor de prognose van het aantal passerende motorvoertuigen en de daarmee samenhangende geluidsbelasting terecht 21 januari 1992 als peildatum heeft genomen.

Voor voormelde prognose heeft de SAOZ aansluiting gezocht bij de toelichting van het bestemmingsplan "Rijksweg 2". De rechtbank heeft terecht overwogen dat [appellante] niet aannemelijk heeft gemaakt dat die prognose onjuist is. De gestelde omstandigheid dat de verkeersintensiteit thans hoger is dan in de prognose is aangenomen, betekent niet dat van een onjuiste prognose is uitgegaan. Toename van verkeersintensiteit en de daarmee samenhangende geluidsbelasting kunnen velerlei oorzaken hebben die destijds niet waren te voorzien. [appellante] heeft niet aannemelijk gemaakt dat de toename geheel of in overwegende mate door het bestemmingsplan is veroorzaakt.

De verhoging van de maximumsnelheid van 80 km/uur naar 100 km/uur heeft, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, geen onderdeel uitgemaakt van de bestemmingsplanprocedure, zodat dit niet bij de planvergelijking kan worden betrokken.

Het betoog faalt.

6. [appellante] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de geplaatste lichtmasten 18 m hoog zijn en daarmee hoger zijn dan de in het bestemmingsplan "Rijksweg 2" toegestane hoogte van 15 m.

6.1. In het advies van de SAOZ is vermeld dat voor het plaatsen van verlichting en de verkeerssignalering geen planologische verandering heeft plaatsgevonden, zodat hiervoor geen titel tot vergoeding van schade op de voet van artikel 49 van de WRO bestaat. Op grond van het bestemmingsplan "Rijksweg 2" is het mogelijk om lichtmasten en verkeersportalen ten behoeve van verkeerssignaleringen met een hoogte van 15 m te plaatsen. Op grond van het voorheen geldende bestemmingsplan "Oost II", inclusief het "2e uitwerkings- c.q. wijzigingsvoorschrift Oost II" mochten deze bouwwerken ook worden geplaatst. In dit bestemmingsplan is de hoogte van die bouwwerken niet bepaald, zodat, uitgaande van de aanvullende werking van de gemeentelijke bouwverordening, ook een maximale hoogte gold van 15 m. Dat, zoals het college ter zitting heeft bevestigd, de bouwwerken in werkelijkheid hoger zijn, doet aan het vorenstaande niet af, nu, zoals onder 2 is overwogen, de feitelijke situatie niet van belang is.

De rechtbank heeft dan ook terecht overwogen dat het college zich terecht op basis van het advies van de SAOZ op het standpunt heeft gesteld dat van een nadeliger positie van [appellante] als gevolg van een later planologisch regime in zoverre geen sprake is.

7. Naar aanleiding van het betoog van [appellante] over het pad achter en naast haar woning overweegt de Afdeling dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat in het advies van de SAOZ voldoende duidelijk is gemaakt dat zowel het bestemmingsplan "Oost II", inclusief het "2e uitwerkings- c.q. wijzigingsvoorschrift Oost II" als het bestemmingsplan "Herziening Oost" een voet- en fietspad ter plaatse mogelijk maakt. De latere planologische maatregel heeft, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, [appellante] niet in een nadeliger positie heeft gebracht. Het betoog faalt.

8. [appellante] betoogt tevergeefs dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat zij niet met succes kan betogen dat zij als gevolg van de GSM-mast in een planologisch nadeliger positie is komen te verkeren. De rechtbank heeft in dit verband terecht overwogen dat de afstand tussen de GSM-mast en de woning meer dan 160 m bedraagt en tussen de mast en het perceel bomen staan, die in ieder geval gedurende de periode dat zij blad dragen het zicht op de mast vanuit de achtertuin ontnemen. De rechtbank heeft terecht overwogen dat [appellante] niet of nauwelijks zicht heeft op de mast. Het betoog faalt.

9. [appellante] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat zij ook schade lijdt, omdat de 'Petershoek' na de ombouw van de A2 is afgesloten. Volgens [appellante] moet zij nu ruim 4 km omrijden en is haar woning meer geïsoleerd komen te liggen, hetgeen een rol speelt bij de eventuele verkoop van de woning.

9.1. Ook dit betoog faalt. Hoewel, zoals door het college niet wordt betwist, met het vervallen van een oprit naar de snelweg, [appellante] nu moet omrijden om op de snelweg te komen, is de Afdeling van oordeel dat, gelet op de ter zitting getoonde kaart, het omrijden, daargelaten of dit zoals [appellante] stelt een afstand van 4 km betreft, niet zodanig is dat daardoor de woning van [appellante] geïsoleerd is komen te liggen, waardoor planschade ontstaat.

10. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. R. van der Spoel, voorzitter, en mr. N. Verheij en mr. G.M.H. Hoogvliet, leden, in tegenwoordigheid van mr. N.D.T. Pieters, griffier.

w.g. Van der Spoel w.g. Pieters

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 15 oktober 2014

473.