Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:3676

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
15-10-2014
Datum publicatie
15-10-2014
Zaaknummer
201306093/3/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 11 juni 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Villagebieden 2013" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201306093/3/R1.

Datum uitspraak: 15 oktober 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant A] en [appellant B], wonend te Blaricum,

en

de raad van de gemeente Blaricum,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 11 juni 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Villagebieden 2013" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellanten] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellanten] hebben nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 september 2014, waar [appellant A], bijgestaan door mr. O.V. Wilkens, en de raad, vertegenwoordigd door drs. K.I. de Graaf, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

2. De raad heeft ter zitting betoogd dat het door [appellanten] ingediende advies van 26 augustus 2014, opgesteld door Van Heltema in opdracht van [appellanten], zo kort voor de zitting is ingediend dat het stuk, gelet op de goede procesorde, buiten beschouwing dient te worden gelaten.

2.1. Ook na afloop van de beroepstermijn en indien die termijn is gegeven, na afloop van de termijn als bedoeld in artikel 6:6 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), kunnen, gelet op artikel 8:58 van de Awb, nadere argumenten, nadere gegevens of nadere stukken, ter onderbouwing van een eerdere beroepsgrond worden ingediend, tenzij dat in strijd is met een goede procesorde. Dat is het geval, indien de nadere argumenten, nadere gegevens of nadere stukken verwijtbaar zodanig laat worden ingediend, dat de andere partijen worden belemmerd om daarop adequaat te reageren of de goede voortgang van de procedure daardoor anderszins wordt belemmerd.

2.2. De Afdeling stelt vast dat het advies op 26 augustus 2014 bij de Afdeling is binnengekomen. Hiermee is het advies voor de aanvang van de tiendagentermijn zoals opgenomen in artikel 8:58, eerste lid, van de Awb ingediend. Nu het advies inhoudelijk aansluit op reeds eerder in de procedure ingediende stukken en betrekkelijk beperkt van omvang is, acht de Afdeling het advies niet van dien aard dat het voor de raad redelijkerwijs niet mogelijk was om op de inhoud ervan te reageren. Gelet hierop bestaat geen aanleiding het advies wegens strijd met de goede procesorde buiten beschouwing te laten.

3. [appellanten] richten zich tegen de aanduiding "karakteristiek" toegekend aan het plandeel ter plaatse van hun woning op het perceel [locatie]. Zij voeren aan dat deze aanduiding ten onrechte is toegekend aan de woning omdat door verbouwingen aan de woning de architectonische herkenbaarheid verloren is gegaan. Voorts betogen [appellanten] dat de woning vrijwel niet zichtbaar is vanaf het openbaar gebied en zij betogen dat dit een essentieel onderdeel is van het beleid.

3.1. De raad voert aan dat uit het rapport "Beeldbepalende panden", opgesteld door P.S.A. de Wit van november 2009 (hierna: rapport De Wit) naar voren komt dat de beeldbepalende waarde van het pand op het perceel [locatie] is gelegen in de markante situering, de hoofdvorm van het pand en de gevelindeling en geveldetaillering in een aan de Delftse School verwante architectuurstijl naar een ontwerp van de landelijk bekende architect Auke Komter.

3.2. Aan het perceel [locatie] is de bestemming "Wonen" met de aanduiding "karakteristiek" toegekend.

Ingevolge artikel 1, lid 1.51, van de planregels wordt onder "karakteristiek" verstaan: een beeldbepalend pand, rijksmonument of gemeentelijk monument zijnde.

Ingevolge artikel 18, lid 18.1, zijn gronden aangewezen voor "Wonen" bestemd voor:

a. het wonen,

g. ter plaatse van de aanduiding "karakteristiek": tevens voor het behoud van de karakteristieke waarden van de bebouwing.

Ingevolge lid 18.2, onder 18.2.3, geldt voor de bescherming van beeldbepalende panden dat:

a. van hoofdgebouwen met de aanduiding "karakteristiek" (in afwijking van het bepaalde onder 18.2.4, onder a) de bestaande goot- en bouwhoogten niet mogen worden gewijzigd;

b. ter plaatse van de aanduiding "karakteristiek" bestaande hellingshoeken van kappen van hoofdgebouwen niet mogen worden gewijzigd;

c. ter plaatse van de aanduiding "karakteristiek" bestaande kapvormen van gebouwen niet mogen worden gewijzigd;

d. gebouwen met de aanduiding "karakteristiek", voor zover opgenomen in bijlage 2, worden beoordeeld via advisering door de BEL-commissie Ruimtelijke Kwaliteit volgens de bescherming en redengevende beschrijving.

Ingevolge lid 18.2.4, sub a, bedraagt de goot- en bouwhoogte van hoofdgebouwen inclusief aan- en uitbouwen ten hoogste de met de maatvoeringaanduiding aangegeven goot- en bouwhoogte;

Ingevolge lid 18.4, onder 18.4.3, kan het bevoegd gezag afwijken van het bepaalde in:

a. lid 18.2, onder 18.2.3, sub a, teneinde de toegestane goot- en bouwhoogte te verhogen, met dien verstande dat:

de goothoogte ten hoogste 4 m bedraagt;

de bouwhoogte ten hoogste 9 m bedraagt;

b. lid 18.2, onder 18.2.3, sub b, teneinde de hellingshoek van kappen op hoofdgebouwen te wijzigen, met dien verstande dat de hellingshoek van een kap ten minste 35° en ten hoogste 55° bedraagt;

c. lid 18.2, onder 18.2.3, sub c, teneinde de dakvorm van hoofdgebouwen te wijzigen.

De bevoegdheid tot afwijken zoals bedoeld in dit lid wordt uitsluitend toegepast indien vooraf advies is ingewonnen bij de BEL-commissie Ruimtelijke Kwaliteit over de vraag of de monumentale of beeldbepalende waarden in voldoende mate worden beschermd. Voor zover er sprake is van een beeldbepalend pand, worden in elk geval betrokken in het advies de typologie en specifieke kenmerken van het gebouw, zoals opgenomen in bijlage 2.

Ingevolge lid 18.6, onder 18.6.1, kan het bevoegd gezag afwijken van het bepaalde in lid 18.2, onder 18.2.1, sub b, om een hoofdgebouw geschikt te maken voor dubbele bewoning voor bewoning door meer dan één huishouden, […].

Ingevolge lid 18.6.2 wordt de bevoegdheid tot afwijken zoals bedoeld in lid 18.6.1 uitsluitend toegepast indien vooraf advies is ingewonnen bij de BEL-commissie Ruimtelijke Kwaliteit indien sprake is van het geschikt maken voor dubbele bewoning van een gebouw ter plaatse van de aanduiding "karakteristiek", omtrent de vraag of de monumentale, beeldbepalende of beeldondersteunende waarden in voldoende mate worden beschermd en omtrent de eventueel te stellen voorwaarden.

Ingevolge lid 18.8, onder 18.8.1, is het verboden om zonder een omgevingsvergunning ter plaatse van de aanduiding "karakteristiek" een hoofdgebouw te slopen, voor zover deze voorkomt in bijlage 2.

Ingevolge lid 18.8.3 zijn de sloopwerkzaamheden als bedoeld in lid 18.8.1 slechts toelaatbaar, indien daardoor de karakteristieke waarden niet worden aangetast, hetgeen ter advisering wordt voorgelegd aan de BEL-commissie Ruimtelijke Kwaliteit.

3.3. In de plantoelichting staat dat er in Blaricum bouwwerken zijn die beeldbepalend zijn vanwege de karakteristieke beeldkwaliteit die uitgaat van het bouwwerk. Hiervoor heeft de raad op 21 februari 2012 de "Beleidsnota beeldbepalende panden Blaricum 2012" (hierna: beleidsnota beeldbepalende panden) vastgesteld. Dit beleid vormt als het ware het nulpunt op basis waarvan beeldbepalende panden worden geselecteerd. Tevens worden hierin criteria aangegeven aan de hand waarvan de redengevende beschrijvingen voor deze panden worden opgesteld en wordt er aangegeven hoe de bescherming in de welstandsnota en de bestemmingsplannen wordt vormgegeven. De vertaling van dit beleid heeft plaatsgevonden in dit bestemmingsplan.

3.4. In de beleidsnota beeldbepalende panden staat dat een beeldbepalend pand beeldbepalende kwaliteiten of overige cultuurhistorische waarden bezit die van betekenis zijn voor de directe omgeving van het object. Beeldbepalend is niet per definitie een aanduiding voor de esthetische kwaliteit van een gebouw of object, maar ook voor de beleving van een gebouw dat opvalt in zijn omgeving of nadrukkelijk het beeld van de omgeving bepaalt bijvoorbeeld vanwege zijn stedenbouwkundige waarde. […] Bij een beeldbepalend pand is naast de situering op de kavel en de directe omgeving ook de hoofdbouwmassa en de architectonische verschijningsvorm van belang.

3.5. In het rapport De Wit worden de volgende verbouwingen aan de woning vermeld: 1985: wijziging gevelpuien; 1989: uitbreiding pand (incl. verhoging kap van de aangebouwde muziekruimte) en oprichting van een schuur met garage in de zijtuin bij het huis. Het rapport concludeert dat het complex van beeldbepalende waarde is vanwege de situering, hoofdvorm (massa en architectuur), gevelindeling en -detaillering van het pand in een gave, aan de Delftse School verwante, architectuurstijl naar een ontwerp van de landelijk bekende architect Auke Komter.

3.6. Met betrekking tot het betoog van [appellanten] dat de woning vrijwel niet zichtbaar is vanaf het openbaar gebied overweegt de Afdeling dat het op grond van de beleidsnota niet vereist is dat het pand zichtbaar is vanaf het openbaar gebied om de status "karakteristiek" aan het pand toe te kennen. Ook het rapport De Wit noemt de zichtbaarheid vanaf het openbaar gebied niet als reden om het pand van beeldbepalende waarde te achten. In het rapport De Wit wordt de situering genoemd als een element om het pand op het perceel [locatie] van beeldbepalende waarde te achten. Ter zitting heeft de raad toegelicht dat met de situering wordt bedoeld de ligging van het pand ten opzichte van naastgelegen percelen en de ligging van de woning op het perceel [locatie]. In het advies Van Heltema staat dat het pand in het buitengebied van Blaricum ligt, aan een straat zoals Blaricum er meer kent en derhalve niet uitzonderlijk is in zijn context. Voorts staat in het advies dat de ligging van het huis circa 20 m vanaf de openbare weg is, hetgeen niet uitzonderlijk is.

De hoofdvorm qua massa en architectuur wordt in het rapport De Wit genoemd als een element om het pand van beeldbepalende waarde te achten. Met betrekking tot het betoog van [appellanten] dat door verbouwingen aan de woning de architectonische herkenbaarheid van het pand verloren is gegaan, overweegt de Afdeling dat het rapport De Wit verschillende verbouwingen in het rapport heeft betrokken en dat niet is gebleken van andere verbouwingen waardoor de architectonische herkenbaarheid verloren is gegaan. In het advies Van Heltema staat dat het ontwerp geen sterk, bijzonder of uniek voorbeeld van de gebezigde bouwstijl is en dat het pand niet van belang is op basis van historische of vernieuwende constructiewijze. Het is in alle opzichten een standaard en in gangbare technieken gebouwde woning.

Voorts wordt de gevelindeling en -detaillering van het pand als reden genoemd om het pand van beeldbepalende waarde te achten. In het advies Van Heltema staat dat het pand mooie verfijningen kent, maar van bijzondere of zeldzame detaillering is geen sprake aldus dit advies.

Een gave, aan de Delftse School verwante, architectuurstijl naar een ontwerp van de landelijk bekende architect Auke Komter wordt eveneens als reden genoemd om het pand van beeldbepalende waarde te achten. In het advies Van Heltema staat dat het pand geen typisch Delftse School-voorbeeld is en dat het pand weliswaar onderdeel is van het oeuvre van Komter, maar verre van representatief is en zeker niet uniek.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is de Afdeling van oordeel dat [appellanten] voldoende twijfel hebben gezaaid over de juistheid van de conclusies in het rapport De Wit. De Afdeling acht, mede gelet op de aard en zwaarte van de beperkingen die ingevolge artikel 18, van de planregels gelden voor het pand op het perceel [locatie], de beschikbare stukken onvoldoende voor de conclusie dat de raad in redelijkheid de aanduiding "karakteristiek" aan de woning ter plaatse van het perceel [locatie] heeft mogen toekennen. Het besluit is gelet hierop in zoverre in strijd met artikel 3:46 van de Awb onvoldoende gemotiveerd.

4. Uit oogpunt van rechtszekerheid en gelet op artikel 1.2.3 van het Besluit ruimtelijke ordening, ziet de Afdeling aanleiding de raad op te dragen het hierna in de beslissing nader aangeduide onderdeel van deze uitspraak binnen vier weken na verzending van de uitspraak te verwerken op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl.

5. De raad van de gemeente Blaricum dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Blaricum van 11 juni 2013 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Villagebieden 2013" voor zover het betreft de aanduiding "karakteristiek" ter plaatse van het perceel [locatie];

III. draagt de raad van de gemeente Blaricum op om binnen vier weken na verzending van deze uitspraak ervoor zorg te dragen dat het onder II. genoemde onderdeel wordt verwerkt in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl;

IV. veroordeelt de raad van de gemeente Blaricum tot vergoeding van bij [appellant A] en [appellant B] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 974,00 (zegge: negenhonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

V. gelast dat de raad van de gemeente Blaricum aan [appellant A] en [appellant B] het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 160,00 (zegge: honderdzestig euro) vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander.

Aldus vastgesteld door mr. W.D.M. van Diepenbeek, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. B.C. Bošnjaković, griffier.

w.g. Van Diepenbeek w.g. Bosnjakovic

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 15 oktober 2014

410-812.