Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:3662

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
08-10-2014
Datum publicatie
08-10-2014
Zaaknummer
201403826/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNHO:2014:3511, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 21 mei 2013 heeft het CBR [appellant] geschikt verklaard voor het besturen van motorvoertuigen van de categorieën B en BE met de beperkingen 15.03 "automatische koppeling", 15.04 "afscherming voor/opklapbaar/uitneembaar koppelingspedaal" en 100 "alleen tijdens privégebruik".

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201403826/1/A1.

Datum uitspraak: 8 oktober 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 27 maart 2014 in zaak nr. 13/1467 in het geding tussen:

[appellant]

en

de directie van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (hierna: het CBR).

Procesverloop

Bij besluit van 21 mei 2013 heeft het CBR [appellant] geschikt verklaard voor het besturen van motorvoertuigen van de categorieën B en BE met de beperkingen 15.03 "automatische koppeling", 15.04 "afscherming voor/opklapbaar/uitneembaar koppelingspedaal" en 100 "alleen tijdens privégebruik".

Bij besluit van 18 juli 2013 heeft het CBR het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard, het besluit van 21 mei 2013 herroepen en heeft het CBR [appellant] geschikt verklaard voor een termijn van vijf jaar voor het besturen van motorvoertuigen van de categorieën B en BE met de beperkingen 15.03 "automatische koppeling", 15.04 "afscherming voor/opklapbaar/uitneembaar koppelingspedaal" en 101 "tijdens privégebruik en tijdens beroepsmatig gebruik, niet zijnde vervoer van personen of het onder toezicht doen besturen van derden, voor maximaal vier uur per dag".

Bij uitspraak van 27 maart 2014 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het CBR heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 september 2014, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. M.J. Smaling, en het CBR, vertegenwoordigd door mr. Y.M. Wolvekamp, werkzaam bij het CBR, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 97, eerste lid, van het Reglement rijbewijzen worden verklaringen van geschiktheid op aanvraag en tegen betaling van het daarvoor vastgestelde tarief door het CBR in het rijbewijzenregister geregistreerd ten behoeve van een ieder die voldoet aan de bij ministeriële regeling vastgestelde eisen met betrekking tot de lichamelijke en geestelijke geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen. Het CBR doet van deze registratie mededeling aan de aanvrager.

Ingevolge artikel 101, eerste lid, aanhef en onder a, is het CBR bevoegd te vorderen dat de aanvrager zich op eigen kosten laat keuren door een of meer door het CBR aangewezen artsen of andere deskundigen dan wel dat de aanvrager zich onderwerpt aan een technisch onderzoek, verricht door een door het CBR aangewezen deskundige, of aan een rijproef, afgenomen door een door het CBR aangewezen deskundige, indien de door de aanvrager overgelegde eigen verklaring dan wel, indien een geneeskundig verslag wordt vereist, het geneeskundig verslag daartoe aanleiding geeft.

Ingevolge artikel 102, eerste lid, wordt door de aangewezen arts of artsen aan het CBR schriftelijk medegedeeld voor welke rijbewijscategorie of rijbewijscategorieën de aanvrager naar zijn of naar hun oordeel voldoet aan de bij ministeriële regeling vastgestelde eisen met betrekking tot de lichamelijke en geestelijke geschiktheid en voor welke rijbewijscategorie of rijbewijscategorieën hij aan die eisen niet voldoet.

Ingevolge artikel 103, eerste lid, registreert het CBR, indien de aanvrager naar zijn oordeel voldoet aan de bij ministeriële regeling vastgestelde eisen ten aanzien van de lichamelijke en geestelijke geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen van de rijbewijscategorie of rijbewijscategorieën waarop de aanvraag betrekking heeft, in het rijbewijzenregister ten behoeve van de aanvrager voor die categorie of categorieën een verklaring van geschiktheid.

Ingevolge het twaalfde lid registreert het CBR, indien de aanvrager naar het oordeel van het CBR aan de bij ministeriële regeling vastgestelde eisen met betrekking tot de lichamelijke en geestelijke geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen slechts voldoet indien hij het door hem te besturen motorrijtuig gebruikt voor privé-doeleinden, die beperking in het rijbewijzenregister door middel van een bij ministeriële regeling vastgestelde codering.

Ingevolge artikel 1, eerste lid, van de Regeling coderingen beperkingen rijbevoegdheid worden de beperkingen met betrekking tot de rijbevoegdheid, bedoeld in de artikelen 16, 17, 19, 19a, 19c, 21, tweede lid, 24, 103, tiende tot en met twaalfde lid, 111 tot en met 116, 118, 118a, 145, onderdeel i, 191 en 193 van het Reglement rijbewijzen, in het rijbewijs aangeduid met de coderingen die zijn vastgesteld in de bij deze regeling behorende bijlage.

In de bijlage is onder code 78 vermeld: "Alleen geldig voor voertuigen met automatische schakeling", onder code 15.03: "Automatische koppeling", onder code 15.04: "Afscherming vóór/opklapbaar/uitneembaar koppelingsbepaal", onder code 100: "Alleen tijdens privé-gebruik" en onder code 101: "Tijdens privé-gebruik, en tijdens beroepsmatig gebruik, niet zijnde vervoer van personen of het onder toezicht doen besturen van derden, voor maximaal vier uren per dag".

Ingevolge artikel 1 van de Regeling eisen geschiktheid 2000 (hierna: de Regeling) wordt in deze regeling verstaan onder:

a. groep 1: bestuurders van motorrijtuigen van de categorieën A1, A2, A, B en B + E;

b. groep 2: bestuurders van motorrijtuigen van de categorieën C, C1, C + E, C1 + E, D, D1, D + E en D1 + E.

Ingevolge artikel 2 worden de eisen met betrekking tot de lichamelijke en geestelijke geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen vastgesteld overeenkomstig de bij deze regeling behorende bijlage.

Paragraaf 7.6 van deze bijlage met als opschrift "Doorbloedingsstoornissen van de hersenen", luidt:

"Met doorbloedingsstoornissen van de hersenen worden aandoeningen bedoeld als beroerte (intracerebrale hersenbloeding en herseninfarct), TIA (transient ischemic attack), subarachnoïdale bloedingen, misvormingen van hersenarterieën (zoals een aneurysma of een AVM) en vaatmisvormingen van de hersenvaten van zuiver veneuze aard (zoals caverneuze hemangiomen en congenitale veneuze deformaties).

Bij de beoordeling van de geschiktheid zijn mede van belang de kans op, dan wel het bestaan van epileptische aanvallen en de eventuele aanwezigheid van met de rijgeschiktheid interfererende lichamelijke en geestelijke functiestoornissen (zie voor de normen hoofdstuk 3, paragraaf 7.2, 7.7, en 8.6).

Aan beroepsmatig gebruik van een rijbewijs van groep 1 door personen met een doorbloedingsstoornis van de hersenen moeten strenge eisen worden gesteld. Personen met een doorbloedingsstoornis van de hersenen die voldoen aan de hieronder gestelde eisen voor groep 1, maar niet tevens voldoen aan de hieronder geformuleerde eisen voor groep 2, kunnen in beginsel alleen geschikt worden verklaard als de rijbevoegdheid wordt beperkt tot privé-gebruik.

Op speciaal verzoek kan - in individuele gevallen - een uitzondering worden gemaakt op de beperking tot privé-gebruik. Voor een termijn van vijf jaar kunnen deze personen geschikt worden verklaard voor beperkt beroepsmatig vervoer, niet zijnde vervoer van personen, of het onder toezicht doen besturen van derden, voor maximaal vier uren per dag. Voorwaarden zijn een keuring door een specialist en een verklaring van de werkgever volgens een door het CBR vastgesteld model."

Paragraaf 7.6.3 van deze bijlage met als opschrift "Tia en beroerte", luidt:

"a. groep 1: Personen met TIA of een beroerte, die niet het gevolg is van een misvorming van de hersenvaten, zijn gedurende twee weken na het ontstaan van de uitvalsverschijnselen ongeschikt voor rijbewijzen van groep 1.

Bestaat er na twee weken geen met de rijgeschiktheid interfererende lichamelijke of geestelijke functiestoornis, kunnen zij op basis van het specialistisch rapport van een neuroloog of een revalidatiearts arts geschikt worden geacht voor rijbewijzen van groep 1 zonder termijnbeperking, mits zij adequaat worden behandeld met de geëigende therapie.

Bestaat er na twee weken een met de rijgeschiktheid interfererende lichamelijke of geestelijke functiestoornis, dan blijven deze personen ongeschikt voor rijbewijzen van groep 1 tot drie maanden na het ontstaan van de uitvalsverschijnselen. Na die termijn is een specialistisch rapport, opgesteld door een neuroloog of een revalidatiearts, vereist.

Voor de beoordeling van de geschiktheid is tevens een rijtest met een deskundige op het gebied van de praktische rijgeschiktheid van het CBR vereist. Het CBR heeft voor de rijtest een uitvoerig protocol.

Bij een positieve rijtest is de maximale geschiktheidstermijn vijf jaar.

b. groep 2: Personen met TIA of een beroerte, die niet het gevolg is van een misvorming van de hersenvaten, zijn vier weken na het ontstaan van de uitvalsverschijnselen ongeschikt voor rijbewijzen van groep 2.

Na die termijn is een specialistisch rapport, opgesteld door een neuroloog of een revalidatiearts, vereist. Zij kunnen weer geschikt worden verklaard als uit het specialistisch rapport blijkt dat er geen met de rijgeschiktheid interfererende lichamelijke of geestelijke functiestoornissen zijn. De maximale geschiktheidstermijn is drie jaar."

2. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het CBR de beperking "Tijdens privégebruik en tijdens beroepsmatig gebruik, niet zijnde vervoer van personen of het onder toezicht doen besturen van derden, voor maximaal vier uren per dag" ten onrechte aan de verklaring van geschiktheid heeft verbonden. Doordat codes 15.03 en 15.04 worden toegepast, kan de fysieke beperking aan zijn linkerenkel niet meer worden aangemerkt als een met de rijgeschiktheid interfererende lichamelijke functiestoornis als bedoeld in paragraaf 7.6.3 van de bijlage bij de Regeling, aldus [appellant] . Voorts betoogt [appellant] dat de rechtbank heeft miskend dat het CBR ten onrechte codes 15.03 en 15.04 in plaats van code 78 aan de verklaring van geschiktheid heeft verbonden.

2.1. Vaststaat dat [appellant] in 1995 is getroffen door een beroerte. Neuroloog dr. B.M. van Geel heeft op 6 november 2013 het CBR gerapporteerd dat [appellant] in 1995 een beroerte met parese links heeft doorgemaakt. Van Geel rapporteert dat [appellant] een lichte fijne motoriekstoornis heeft in zijn linkerhand en een geringe spastische verlamming van het linkerbeen met een gestoorde fijne motoriek als gevolg van die beroerte, hetgeen [appellant] niet heeft betwist.

Gezien paragrafen 7.6 en 7.6.3 van de bijlage bij de Regeling, kon aan [appellant] een verklaring van geschiktheid voor onbeperkte duur worden afgegeven met code 100 "alleen tijdens privégebruik". In bezwaar is gebleken dat [appellant] zijn rijbewijs ook wenst te gebruiken ten behoeve van zijn werkzaamheden, bestaande uit het vervoeren van fotostudiokasten van en naar tuinders en het werken in een storingsdienst. Het CBR heeft bij besluit op bezwaar alsnog een verklaring van geschiktheid afgegeven met code 101 "tijdens privégebruik, en tijdens beroepsmatig gebruik, niet zijnde vervoer van personen of het onder toezicht doen besturen van derden, voor maximaal vier uren per dag". Deze verklaring kon het CBR slechts afgeven voor de duur van maximaal vijf jaar.

2.2. De rechtbank heeft terecht overwogen dat [appellant] als gevolg van een beroerte beperkt is aan zijn linkerenkel, hetgeen een interfererende functiestoornis is als bedoeld in paragrafen 7.6 en 7.6.3 van de bijlage bij de Regeling. Daargelaten of [appellant] probleemloos jarenlang in motorvoertuigen met een automaat rijdt overeenkomstig codes 15.03 en 15.04, maakt dat niet hij niet een geringe spastische verlamming van het linkerbeen met een gestoorde fijne motoriek als gevolg van een beroerte heeft.

Voorts heeft de rechtbank terecht overwogen dat het CBR code 78 niet aan de verklaring van geschiktheid heeft kunnen verbinden, nu die code een administratieve vermelding betreft die wordt opgelegd als het rijexamen is afgenomen in een voertuig met automaat, zoals het CBR ter zitting van de Afdeling heeft toegelicht. Codes 15.03 en 15.04 heeft het CBR om medische redenen aan de verklaring van geschiktheid verbonden.

Het betoogt faalt.

3. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat dr. J.H. Ruiter, cardioloog, en Van Geel in hun medische adviezen van mening zijn dat [appellant] ondanks een geringe spastische verlamming van het linkerbeen met een gestoorde fijne motoriek geen code 101 hoeft te worden opgelegd. Voorts betoogt hij dat hij ten onrechte de kosten van deze onderzoeken heeft gedragen.

3.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 20 juni 2007 in zaak nr. 200608543/1) staat het de bestuursrechter niet vrij te treden in de billijkheid van de regelgeving en is het de taak van de wetgever om te beoordelen of veranderende medische inzichten tot aanpassing van de regelgeving moeten leiden.

De rechtbank heeft terecht overwogen dat in paragraaf 7.6 van de bijlage van de Regeling dwingend is voorgeschreven dat in dit geval enkel een verklaring voor geschiktheid voor groep 1 kan worden voorgeschreven met een beperking tot privé-gebruik, zijnde code 100, dan wel op verzoek voor een termijn van vijf jaar ook voor beperkt beroepsmatig vervoer, niet zijnde vervoer van personen, of het onder toezicht doen besturen van derden, voor maximaal vier uren per dag, zijnde code 101.

Voorts heeft de rechtbank terecht overwogen dat hetgeen [appellant] naar voren heeft gebracht met betrekking tot de positieve medische adviezen niet tot een gegrond beroep kan leiden, nu de toepasselijke bepalingen geen ruimte laten voor afwijkingen. Ingevolge artikel 101, eerste lid, aanhef en onder a, van het Reglement rijbewijzen is [appellant] gehouden zich op eigen kosten te laten keuren.

Het betoog faalt.

4. Tot slot betoogt [appellant] dat de rechtbank heeft miskend dat de door het CBR opgelegde codes 100 en 101 een inbreuk maken op zijn privéleven.

4.1. Zoals onder 3.1 is uiteengezet, heeft de rechtbank terecht overwogen dat het de bestuursrechter niet vrijstaat om te treden in de billijkheid van de regelgeving, die dwingend in dit geval de codes 100 en 101 voorschrijft. Deze codes maken geen inbreuk op het privéleven van [appellant]. In het besluit van 18 juli 2013 is aan hem met code 101 de beperking opgelegd dat hij motorvoertuigen mag gebruiken tijdens privégebruik en tijdens beroepsmatig gebruik, niet zijnde vervoer van personen of het onder toezicht doen besturen van derden, voor maximaal vier uur per dag. Anders dan het beroepsmatig gebruik, is in die code het privégebruik niet beperkt in vorm of tijdsduur per dag. Dat [appellant] buiten zijn werkuren bij privé-gebruik soms fotostudiokasten achterin zijn voertuig heeft liggen, maakt niet dat dat gebruik reeds daarom tevens als bedrijfsmatig moet worden aangemerkt, zoals [appellant] betoogt.

Het betoog faalt.

5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. V. van Dorst, griffier.

w.g. Borman w.g. Van Dorst

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 8 oktober 2014

357-761.