Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:3658

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-09-2014
Datum publicatie
08-10-2014
Zaaknummer
201406395/1/V2
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 14 juni 2013 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen en een inreisverbod tegen haar uitgevaardigd. Dit besluit is aangehecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201406395/1/V2.

Datum uitspraak: 29 september 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:

[de vreemdeling],

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 29 juli 2014 in zaak nr. 13/15452 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie.

Procesverloop

Bij besluit van 14 juni 2013 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen en een inreisverbod tegen haar uitgevaardigd. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 29 juli 2014 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. In de eerste grief klaagt de vreemdeling, voor zover thans van belang, dat de rechtbank de uitspraak ten onrechte niet voorafgaand aan de bekendmaking van de uitspraak in het openbaar heeft uitgesproken. Gelet hierop, komt die uitspraak voor vernietiging in aanmerking, aldus de vreemdeling.

1.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (zie de uitspraak van 6 april 2012 in zaak nr. 201110730/1/V2), kan het in het openbaar uitspreken van de beslissing in de zin van artikel 8:78 van de Awb in ieder geval niet later plaatsvinden dan op de dag van de bekendmaking van de uitspraak door verzending van een afschrift van de uitspraak aan partijen als bedoeld in artikel 8:79, eerste lid, van de Awb.

1.2. In de aangevallen uitspraak is, voor zover thans van belang, vermeld dat deze is bekendgemaakt door verzending aan partijen op 25 juli 2014 en in het openbaar is uitgesproken op 29 juli 2014. Daarmee is niet voldaan aan artikel 8:78 van de Awb, nu het in het openbaar uitspreken later heeft plaatsgevonden dan de dag waarop de uitspraak is bekendgemaakt. De grief slaagt.

2. Hetgeen voor het overige in het hogerberoepschrift is aangevoerd kan mede in het licht van de uitspraak van de Afdeling van 20 juni 2014 in zaak nr. 201400058/1/V2 niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Omdat het aangevoerde geen vragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, wordt, gelet op artikel 91, tweede lid, van deze wet, met dat oordeel volstaan.

3. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Over het beroep van de vreemdeling tegen het besluit van 14 juni 2013 overweegt de Afdeling dat, voor zover met het onder 2. overwogene niet op de bij de rechtbank voorgedragen beroepsgronden is beslist, aan deze gronden niet wordt toegekomen. Over die gronden is door de rechtbank uitdrukkelijk en zonder voorbehoud een oordeel gegeven, waartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Evenmin is sprake van een nauwe verwevenheid tussen het oordeel over die gronden, dan wel onderdelen van het bij de rechtbank bestreden besluit waarop ze betrekking hebben, en hetgeen in hoger beroep aan de orde is gesteld. Deze beroepsgronden vallen thans dientengevolge buiten het geding. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van de vreemdeling tegen het besluit van 14 juni 2013 alsnog ongegrond verklaren.

4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 29 juli 2014 in zaak nr. 13/15452;

III. verklaart het in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. J.J. van Eck, leden, in tegenwoordigheid van mr. I.W.M.J. Bossmann, griffier.

w.g. Lubberdink w.g. Bossmann

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 29 september 2014

314-802.