Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:3648

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
08-10-2014
Datum publicatie
08-10-2014
Zaaknummer
201401767/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2014:463, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 12 juni 2012 heeft het college aan [vergunninghouder] een standplaatsvergunning voor een oliebollenkraam naast [restaurant] van [appellant] verleend voor de periode van 1 november tot twee weken voor carnaval, beginnend in 2012 en eindigend in 2016.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Gst. 2015/11 met annotatie van C.W.M. van Alphen
TBR 2014/189 met annotatie van H.J. de Vries
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201401767/1/A3.

Datum uitspraak: 8 oktober 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Weert,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Limburg van 21 januari 2014 in zaak nrs. 12/1811 en13/3304 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Weert.

Procesverloop

Bij besluit van 12 juni 2012 heeft het college aan [vergunninghouder] een standplaatsvergunning voor een oliebollenkraam naast [restaurant] van [appellant] verleend voor de periode van 1 november tot twee weken voor carnaval, beginnend in 2012 en eindigend in 2016.

Bij besluit van 6 november 2012 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 21 januari 2014 heeft de voorzieningenrechter het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 juli 2014, waar [appellant], bijgestaan door mr. M.M. Breukers, werkzaam bij DAS Nederlandse Rechtsbijstand Verzekeringsmaatschappij N.V., en het college, vertegenwoordigd door W. Gootzen, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 1, aanhef en onder 3, van de Standplaatsenverordening van de gemeente Weert (hierna: Standplaatsenverordening) wordt in deze verordening onder standplaats verstaan: een plaats op of aan de weg of aan een openbaar water dan wel op een andere - al dan niet met enige beperking - voor het publiek toegankelijke en in de open lucht gelegen plaats, teneinde vanuit een verplaatsbare verkoopinrichting goederen en/of diensten te koop aan te bieden of te leveren, niet op een jaarmarkt of markt, als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder h, van de Gemeentewet, niet op een evenement en geen uitstalling zijnde.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, is het verboden zonder een vergunning van het college of in afwijking daarvan een standplaats in te nemen.

Ingevolge artikel 6, aanhef en onder g, kan het college een vergunning weigeren, wijzigen of intrekken in het belang van de ruimtelijke omstandigheden ter plaatse.

Ingevolge artikel 9, aanhef en onder a, van het Standplaatsenreglement van de gemeente Weert worden als vaste standplaatsen voor de verkoop van consumptie-ijs en oliebollen aangewezen de nader door burgemeester en wethouders aan te geven weggedeelten, gelegen aan de Markt.

2. Bij het besluit van 6 november 2012 heeft het college zich op het standpunt gesteld dat [appellant] niet onevenredig wordt benadeeld door plaatsing van de oliebollenkraam naast het restaurant. Daarbij heeft het van belang geacht dat het uitzicht over de Markt slechts vanuit de twee achterste ramen in de zijgevel wordt belemmerd en dat de oliebollenkraam slechts voor de duur van ongeveer drie maanden per jaar op een afstand van ongeveer vier meter van het restaurant staat. Verder heeft het college van belang geacht dat er beperkte mogelijkheden zijn op de Markt voor een standplaats voor de oliebollenkraam en heeft het in aanmerking genomen dat de oliebollenkraam eerder is verplaatst. De belangen van [vergunninghouder] als vergunninghouder en van de gemeente die zijn gemoeid met het gebruik van de openbare ruimte en de uitvoering van de Standplaatsenverordening acht het college zwaarwegender dan de belangen van [appellant].

3. [appellant] betoogt dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat het college de standplaatsvergunning ten onrechte heeft verleend. Hiertoe wijst hij op artikel 6, aanhef en onder g, van de Standplaatsenverordening waarin is bepaald dat het college een vergunning kan weigeren, wijzigen of intrekken in het belang van de ruimtelijke omstandigheden ter plaatse. In deze verordening is niet bepaald wat onder deze weigeringsgrond valt. De voorzieningenrechter heeft miskend dat een redelijke uitleg van dit begrip, overeenkomstig het normale spraakgebruik, met zich brengt dat het ter plaatse geldende planologische regime als zodanige ruimtelijke omstandigheid moet worden aangemerkt. [appellant] wijst erop dat de desbetreffende plek de bestemming verkeer heeft en dat een oliebollenkraam op deze plek in strijd is met de toegekende bestemming. Gezien de duur van de aanwezigheid van de oliebollenkraam is voor het plaatsen ervan bovendien een omgevingsvergunning vereist, aldus [appellant]. De voorzieningenrechter heeft ten onrechte buiten beschouwing gelaten dat het college ingeval van verlening van een standplaatsvergunning in strijd met het bestemmingsplan ook het bevoegde gezag is om de planvoorschriften te handhaven. Gelet hierop dient eventuele strijd met het bestemmingsplan volgens hem onder het belang van de ruimtelijke omstandigheden ter plaatse te vallen.

3.1. Het college heeft ter zitting betoogd dat niet is onderkend dat [appellant] de grond over strijdigheid van de verlening van de standplaatsvergunning met het bestemmingsplan ten onrechte eerst in beroep heeft aangevoerd.

3.1.1. De voorzieningenrechter heeft vastgesteld dat deze grond eerst in beroep naar voren is gebracht en heeft hierover vervolgens een inhoudelijk oordeel gegeven. Binnen de door de wet en de goede procesorde begrensde mogelijkheden staat geen rechtsregel eraan in de weg dat bij de beoordeling van het beroep gronden worden betrokken die na het nemen van het besluit op bezwaar naar voren zijn gebracht.

Het betoog faalt.

3.2. Uit artikel 6, aanhef en onder g, van de Standplaatsenverordening volgt dat het college een standplaatsvergunning kan weigeren, wijzigen of intrekken in het belang van de ruimtelijke omstandigheden ter plaatse. De voorzieningenrechter is bij de uitleg van deze bepaling uitgegaan van die van het college dat het bij het vaststellen van de Standplaatsenverordening uitdrukkelijk niet de bedoeling van de raad is geweest om het bestemmingsplan als toetsingskader voor een aanvraag tot het verlenen van een standplaatsvergunning te doen gelden. Hiertoe heeft het college betoogd dat met deze formulering is beoogd bewust af te wijken van de modelverordening van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten, waarin strijd met het bestemmingsplan expliciet als weigeringsgrond is opgenomen. Met deze wijze van formulering is beoogd te voorzien in een toets waarbij op een praktische manier de specifieke ruimtelijke situatie ter plaatse nader wordt bezien en waarbij het bestemmingsplan niet leidend is. Gelet hierop heeft de voorzieningenrechter deze uitleg van de bepaling voor juist mogen houden.

Nu het college de aanvraag voor een standplaatsvergunning niet aan het bestemmingsplan hoeft te toetsen, heeft de voorzieningenrechter met juistheid geoordeeld dat het college in redelijkheid in een eventuele strijdigheid met het bestemmingsplan geen grond heeft hoeven zien om de aanvraag van [vergunninghouder] af te wijzen. Derhalve behoeft de vraag of het gebruik van de standplaatsvergunning in strijd is met het bestemmingsplan en of [vergunninghouder] een omgevingsvergunning nodig heeft voor het innemen van een standplaats geen bespreking.

Het betoog faalt.

4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, voorzitter, en mr. A.B.M. Hent en mr. A. Hammerstein, leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Langeveld-Mak, griffier.

w.g. Van Altena w.g. Langeveld-Mak

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 8 oktober 2014

317-805.