Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:3646

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-09-2014
Datum publicatie
08-10-2014
Zaaknummer
201401889/1/V2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2014:2098, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 23 november 2012 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen en tegen hem een inreisverbod uitgevaardigd. Dit besluit is aangehecht.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 66a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2014/367

Uitspraak

201401889/1/V2.

Datum uitspraak: 29 september 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) op het hoger beroep van:

[de vreemdeling],

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 4 februari 2014 in zaak nr. 12/39765 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie.

Procesverloop

Bij besluit van 23 november 2012 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen en tegen hem een inreisverbod uitgevaardigd. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 4 februari 2014 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep, voor zover gericht tegen de afwijzing van de asielaanvraag, niet-ontvankelijk verklaard, en, voor zover gericht tegen het uitgevaardigde inreisverbod, ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

De vreemdeling heeft een nader stuk ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. De vreemdeling klaagt in zijn tweede grief dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de omstandigheden waaronder hij naar Turkije zal moeten terugkeren wezenlijk anders zijn dan de omstandigheden zoals die bestonden ten tijde van het vooronderzoek (in de periode van 27 juli 1999 tot en met 22 november 2004) en de ondergane martelingen. Daartoe betoogt hij dat de rechtbank de staatssecretaris ten onrechte heeft gevolgd in zijn standpunt dat uit het algemene ambtsbericht inzake Turkije van februari 2012 (hierna: het ambtsbericht) blijkt dat sprake is van verbetering op een aantal relevante terreinen. Uit artikel 3.35, tweede lid, van het Voorschrift Vreemdelingen 2000 (hierna: VV 2000) vloeit voort dat het aan de staatssecretaris is om aan te tonen dat de behandeling die zich in het verleden heeft voorgedaan, zich thans niet meer zal voordoen en daarin is de staatssecretaris volgens de vreemdeling niet geslaagd.

1.1. De rechtbank heeft onbestreden overwogen dat de staatssecretaris in het besluit van 23 november 2012 niet heeft geoordeeld dat de verklaringen die de vreemdeling heeft afgelegd over hetgeen hem tijdens het vooronderzoek en de detentie aan behandeling ten deel is gevallen ongeloofwaardig zijn, zodat ervan moet worden uitgegaan dat de vreemdeling onderworpen is geweest aan martelingen, welke gedragingen strijdig zijn met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM). Derhalve zal sprake moeten zijn van door de staatssecretaris te stellen goede redenen als bedoeld in artikel 3.35, tweede lid, van het VV 2000.

1.2. Het ambtsbericht vermeldt in paragrafen 3.3.7 en 3.4.3 - voor zover thans van belang - het volgende:

"Mishandeling en foltering

Vanwege het zero-tolerance beleid van de overheid is de situatie in Turkije met betrekking tot martelingen verbeterd sinds het begin van de jaren negentig van de vorige eeuw. Niettemin concludeert de Europese Commissie in zijn jaarlijkse voortgangsrapporten dat de situatie met betrekking tot martelen in Turkije reden voor zorg blijft. De maatregelen, genomen in het kader van het zero-tolerance beleid zijn slechts in beperkte mate geïmplementeerd.

Het aantal incidenten waarbij marteling/mishandeling op politiebureaus werd gerapporteerd, vertoonde in de verslagperiode een dalende lijn. Het aantal beroepen op daartoe gespecialiseerde ngo’s met betrekking tot gevallen van marteling en/of mishandeling, in het bijzonder buiten officiële detentiecentra, nam echter toe.

Vanwege het ontbreken van gegevens is het moeilijk inzicht te krijgen in welke mate in Turkse gevangenissen en daarbuiten wordt gemarteld, alsmede in het aantal gevallen van marteling. Onafhankelijke en betrouwbare cijfers zijn niet beschikbaar. Het is niet vast te stellen hoe betrouwbaar alle meldingen van marteling en slechte behandeling zijn, en hoeveel van de daadwerkelijke gevallen van marteling en slechte behandeling worden aangemeld. Ook kan niet worden aangetoond c.q. vastgesteld dat marteling of slechte behandeling in Turkije in opdracht van de overheid plaatsvindt.

Personen die veroordeeld zijn wegens/verdacht worden van/opgepakt zijn voor politieke en/of terreurmisdrijven, en LGBT zouden een hoger risico op marteling en slechte behandeling lopen. Het aantal meldingen van marteling en slechte behandeling zou toenemen op momenten van verhoogde politieke/militaire spanning in Turkije. Gevangenen waarvoor veel media-aandacht bestaat, zouden een geringer risico op een gewelddadige behandeling lopen. "

[...]

"Leden van de PKK, militante linkse of radicaal-islamitische groeperingen De PKK wordt door de Turkse overheid op basis van de anti-terrorismewet als een terroristische organisatie beschouwd. Binnen het kader van deze wet stellen de Turkse autoriteiten alles in het werk om de PKK en zijn leden definitief uit te schakelen. Dit houdt in dat opgepakte leden van de PKK als terroristen worden behandeld en worden gedetineerd in zwaar beveiligde gevangenissen (high security prisons) met het daarbij behorende detentieregime. Over de precieze aanpak bij arrestatie van PKK-leden is geen informatie beschikbaar."

1.3. In zijn besluit van 23 november 2012 heeft de staatssecretaris zich op het standpunt gesteld dat uit het relaas van de vreemdeling - bezien tegen de achtergrond van de huidige politieke en maatschappelijke situatie in Turkije - niet de conclusie kan worden getrokken dat sprake is van een reëel risico dat juist de vreemdeling bij terugkeer naar het land van herkomst zal worden onderworpen aan een door artikel 3 van het EVRM verboden behandeling. Daarbij heeft de staatssecretaris van belang geacht dat uit het ambtsbericht blijkt dat de detentieomstandigheden en martelingen in Turkije nog steeds reden tot zorg zijn, maar dat de situatie is verbeterd. Uit dit ambtsbericht is echter alleen af te leiden dat de situatie in het algemeen is verbeterd en niet de positie van veroordeelden voor lidmaatschap van en het verlenen van steun aan de PKK, zoals de vreemdeling. Het ambtsbericht vermeldt immers dat de PKK door de Turkse overheid op basis van de anti-terrorismewet als een terroristische organisatie wordt beschouwd, dat leden daarvan als terroristen worden behandeld en voorts dat personen die veroordeeld zijn wegens politieke of terreurmisdrijven een hoger risico op marteling en slechte behandeling zouden lopen. De rechtbank heeft derhalve niet onderkend dat de staatssecretaris met de verwijzing naar de inhoud van dit ambtsbericht onvoldoende heeft gemotiveerd waarom sprake is van goede redenen om aan te nemen dat martelingen zich niet opnieuw zullen voordoen.

De grief slaagt.

2. Hetgeen overigens in hoger beroep is aangevoerd en aan artikel 85 van de Vreemdelingenwet 2000 voldoet, kan niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Omdat het aldus aangevoerde geen vragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, wordt, gelet op artikel 91, tweede lid, van die wet, met dat oordeel volstaan.

3. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, voor zover hierin het beroep gericht tegen het inreisverbod ongegrond is verklaard. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het in het besluit van 23 november 2012 vervatte inreisverbod alsnog gegrond verklaren en dit besluit in zoverre wegens strijd met artikel 3:46 van de Awb vernietigen. Voor het overige dient de aangevallen uitspraak te worden bevestigd.

4. De staatssecretaris dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 4 februari 2014 in zaak nr. 12/39765, voor zover daarbij het beroep gericht tegen het inreisverbod ongegrond is verklaard;

III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep in zoverre gegrond;

IV. vernietigt het besluit van de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 23 november 2012, kenmerk 275.238.4751, voor zover daarbij tegen de vreemdeling een inreisverbod is uitgevaardigd;

V. bevestigt de uitspraak voor het overige;

VI. veroordeelt de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.461,00 (zegge: veertienhonderdeenenzestig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. N. Verheij en mr. J.J. van Eck, leden, in tegenwoordigheid van mr. S.I.M. Peute, griffier.

w.g. Lubberdink w.g. Peute

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 29 september 2014

391.