Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:3638

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
08-10-2014
Datum publicatie
08-10-2014
Zaaknummer
201401317/1/A1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij uitspraak van 22 januari 2014 heeft de rechtbank het door [appellant] ingestelde beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit naar aanleiding van zijn brief van 1 mei 2013 niet-ontvankelijk verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201401317/1/A1.

Datum uitspraak: 8 oktober 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante A] en [appellant B], beiden wonend te Haarlem, (hierna gezamenlijk in enkelvoud: [appellant])

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 22 januari 2014 in zaak nr. 13/4503 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Haarlem.

Procesverloop

Bij uitspraak van 22 januari 2014 heeft de rechtbank het door [appellant] ingestelde beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit naar aanleiding van zijn brief van 1 mei 2013 niet-ontvankelijk verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 september 2014, waar [appellant] en het college, vertegenwoordigd door mr. P.L. Bos, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [belanghebbende] verschenen.

Overwegingen

1. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat zijn brief van 1 mei 2013 een verzoek bevat een besluit te nemen inzake de schuur en overige bouwsels op zijn eigen perceel, [locatie 1], en dat het college niet tijdig op die aanvraag heeft beslist. [appellant] voert in dat verband aan dat de rechtbank de volgens hem informatieve brief van 16 april 2013 van het college ten onrechte heeft betrokken bij de vraag of zijn brief van 1 mei 2013 een aanvraag bevat. Voorts voert hij aan dat de rechtbank ten onrechte niets heeft gedaan met de argumenten uit zijn pleitaantekeningen.

1.1. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de brief van het college van 16 april 2013 een besluit is als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb). Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 3 juni 2012 in zaak nr. 201107185/1/A3, is het al dan niet opnemen van de verplichte rechtsmiddelenverwijzing voor het antwoord op de vraag of een besluit in de zin van de Awb is genomen, anders dan [appellant] stelt, niet doorslaggevend. In het besluit van 16 april 2013 heeft het college naar aanleiding van een verzoek van [appellant] geweigerd om handhavend op te treden tegen een schutting op het perceel van zijn buurman, [locatie 2].

[appellant] heeft in zijn brief van 1 mei 2013 gereageerd op dat besluit. Uit de brief van 1 mei 2013 volgt geen nieuw (tweede) verzoek aan het college om handhavend op te treden, thans tegen de bouwwerken op zijn eigen perceel, zoals [appellant] stelt. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de brief van 1 mei 2013 in zoverre niet kan worden aangemerkt als een verzoek om een besluit te nemen als bedoeld in artikel 1:3, derde lid, van de Awb. Daarbij heeft de rechtbank het besluit van 16 april 2013 kunnen betrekken bij het oordeel of de brief van 1 mei 2013 een aanvraag bevat, nu laatstgenoemde brief een reactie is op dat besluit. Overigens blijkt uit het besluit van 16 april 2013 dat het college eerst voornemens is handhavend op te treden tegen de bouwwerken bij de woonschepen zodra een nieuw bestemmingsplan is vastgesteld, zodat in zoverre [appellant] reeds antwoord heeft gekregen op zijn vraag of en wanneer het college handhavend zal optreden tegen de bouwwerken.

Gelet op het bovenstaande heeft de rechtbank terecht overwogen dat het uitblijven van een reactie van het college op de brief van 1 mei 2013 niet kan worden aangemerkt als het niet tijdig nemen van een besluit. De brief van 1 mei 2013 bevat geen aanvraag, waardoor het college derhalve niet gehouden was op een aanvraag te beslissen. Ingevolge artikel 8:1, eerste lid, gelezen in verbinding met artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb kon tegen het uitblijven van die reactie derhalve geen beroep worden ingesteld, zoals de rechtbank terecht heeft geoordeeld.

Anders dan [appellant] betoogt, was de rechtbank niet gehouden in haar oordeel de argumenten uit zijn pleitaantekeningen te betrekken, nu deze geen betrekking hadden op de vraag of de brief van 1 mei 2013 een aanvraag als bedoeld in artikel 1:3, derde lid, van de Awb bevat.

Het betoog faalt.

2. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.G.P. Oudenaller, griffier.

w.g. Borman w.g. Oudenaller

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 8 oktober 2014

357-761.