Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:3637

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
08-10-2014
Datum publicatie
08-10-2014
Zaaknummer
201401369/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2014:234, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 31 januari 2012 heeft het college een verzoek van [appellant] om een tegemoetkoming in planschade afgewezen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Wet ruimtelijke ordening
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2014/1021
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201401369/1/A2.

Datum uitspraak: 8 oktober 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Haarlo, gemeente Berkelland,

tegen de tussenuitspraak van de rechtbank Gelderland van 17 september 2013 en de uitspraak van die rechtbank van 21 januari 2014 in zaak nr. 13/1919 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Berkelland.

Procesverloop

Bij besluit van 31 januari 2012 heeft het college een verzoek van [appellant] om een tegemoetkoming in planschade afgewezen.

Bij besluit van 19 februari 2013 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Hiertegen heeft [appellant] beroep ingesteld.

Bij tussenuitspraak van 17 september 2013 (hierna: de tussenuitspraak) heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, het college in de gelegenheid gesteld een door haar geconstateerd gebrek in het besluit van 19 februari 2013 te herstellen met inachtneming van hetgeen zij in de tussenuitspraak heeft overwogen. De tussenuitspraak is aangehecht.

Bij uitspraak van 21 januari 2014 heeft de rechtbank het door [appellant] tegen het besluit van 19 februari 2013 ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven. Deze uitspraak is aangehecht.

Hiertegen heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 september 2014, waar het college, vertegenwoordigd door E.A.M. Bouwhuis-ter Hedde, werkzaam bij de gemeente, vergezeld van mr. A.T.S. Neutel, werkzaam bij Kenniscentrum voor Overheid en Bestuur (hierna: Kenniscentrum), zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 6.1, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: de Wro) kent het college degene die in de vorm van een inkomensderving of een vermindering van de waarde van een onroerende zaak schade lijdt of zal lijden als gevolg van een in het tweede lid vermelde oorzaak op aanvraag een tegemoetkoming toe, voor zover de schade redelijkerwijs niet voor rekening van de aanvrager behoort te blijven en de tegemoetkoming niet voldoende anderszins is verzekerd.

Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder d, gelezen in verbinding met artikel 9.1.10, tweede lid, van de Invoeringswet Wet ruimtelijke ordening, is een besluit tot vrijstelling als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (oud) (hierna: de WRO) een oorzaak als bedoeld in het eerste lid.

2. Voor de beoordeling van een aanvraag om een tegemoetkoming in planschade dient te worden onderzocht of de aanvrager als gevolg van de desbetreffende wijziging van het planologische regime in een nadeliger positie is komen te verkeren en ten gevolge daarvan schade lijdt of zal lijden. Hiertoe dient de wijziging, waarvan gesteld wordt dat deze planschade heeft veroorzaakt, te worden vergeleken met het oude planologische regime. Daarbij is niet de feitelijke situatie van belang, maar hetgeen maximaal op grond van het oude planologische regime kon worden gerealiseerd, ongeacht of verwezenlijking heeft plaatsgevonden. Slechts ingeval realisering van de maximale mogelijkheden met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid kan worden uitgesloten, kan aanleiding bestaan om van dit uitgangspunt af te wijken.

3. [appellant] is sinds 11 augustus 1987 eigenaar van het perceel met woning aan de [locatie] Haarlo (hierna: de woning). Ten tijde van de verwerving van de eigendom van de woning was aan de Avinkweg reeds een rioolwaterzuiveringsinstallatie gelegen.

[appellant] heeft het college verzocht om een tegemoetkoming in planschade die hij stelt te lijden als gevolg van het besluit van het college van 20 september 2005 om aan het waterschap Rijn en IJssel krachtens artikel 19, eerste lid, van de WRO vrijstelling te verlenen van het bestemmingsplan "Buitengebied, integrale herziening", van de voormalige gemeente Borculo, vastgesteld op 24 juni 1993 (hierna: het bestemmingsplan) ten behoeve van de uitbreiding van een rioolwaterzuiveringsinstallatie met een gronddepot, een opslagloods en een derde zuiveringsstraat, op het terrein gelegen aan de Avinkweg 2-4 te Haarlo (hierna: het vrijstellingsbesluit). Het vrijstellingsbesluit is in werking getreden op 14 oktober 2005. Aan zijn verzoek heeft [appellant] ten grondslag gelegd dat de waarde van zijn woning is verminderd, doordat de uitbreiding van de rioolwaterzuiveringsinstallatie een aantasting vormt van het uitzicht vanuit de woning en het gebruik van de percelen van de rioolwaterzuiveringsinstallatie intensiever wordt, hetgeen onder meer leidt tot stankoverlast.

4. Het college heeft het verzoek ter advisering voorgelegd aan Kenniscentrum. In het advies van 22 december 2011 concludeert Kenniscentrum dat het vrijstellingsbesluit niet leidt tot een planologisch nadeliger situatie. In het advies is vermeld dat de uitbreiding van het bestaande terrein van de rioolwaterzuiveringsinstallatie plaatsvindt in noordelijke richting. Dit betreft de van het perceel van [appellant] afgekeerde zijde, waardoor de afstand van zijn perceel tot de rioolwaterzuiveringsinstallatie niet kleiner is geworden. De derde zuiveringsstraat bestaat uit bebouwing in de vorm van bouwwerken, geen gebouwen zijnde. In het advies is uiteengezet dat deze bebouwing op grond van het bestemmingsplan reeds mocht worden opgericht. De mogelijke milieugevolgen hiervan hadden zich volgens het advies dan ook onder het bestemmingsplan kunnen voordoen. Het vrijstellingsbesluit heeft verder betrekking op de bouw van een opslagloods. Dit betreft een kapschuur die wordt opgericht op het zuidoostelijke deel van het bestaande terrein. De kapschuur is geheel binnen de bestemming "Bedrijfsbebouwing" gelegen. Het vrijstellingsbesluit maakt voor de kapschuur een toename van de toegestane bebouwde oppervlakte aan gebouwen mogelijk. Het zicht op de kapschuur vanaf het perceel van [appellant] wordt door de reeds bestaande bebouwing op het terrein van de rioolwaterzuiveringsinstallatie belemmerd, aldus Kenniscentrum. Bovendien zijn op grond van het bestemmingsplan binnen de bestemming "Bedrijfsbebouwing" bouwwerken tot een hoogte van 12 m toegestaan. Het noordelijkste deel van de uitbreiding is een gronddepot voor de opslag van baggerspecie, grond, zand, stortsteen en overige afvalstoffen, alsmede maaisel. Voor de aanleg van het gronddepot zijn uitsluitend keerwanden met een hoogte van maximaal 2 m opgericht. Het depot is omsloten door een aarden wal, die is gesitueerd binnen de oorspronkelijke bestemming "Agrarisch gebied". Het bestemmingsplan stond binnen deze bestemming andere bouwwerken tot een hoogte van 2 m toe. Ook een aarden wal was binnen deze bestemming mogelijk volgens Kenniscentrum. Nu ingevolge het bestemmingsplan reeds een rioolwaterzuiveringsinstallatie was toegestaan en gelet op de afstand tot het perceel van [appellant], leidt het vrijstellingsbesluit niet tot een verslechtering van de situeringswaarde, aldus het advies. Gelet ook op die afstand stelt Kenniscentrum zich op het standpunt dat, uitgaande van een maximaal ingevulde situatie onder het bestemmingsplan, [appellant] niet met een merkbare toename van geur- en geluidhinder als gevolg van het gronddepot te maken krijgt.

In reactie op het bezwaarschrift heeft Kenniscentrum zijn advies gehandhaafd. Het college heeft dit advies aan het besluit op bezwaar van 19 februari 2013 ten grondslag gelegd.

In de tussenuitspraak heeft de rechtbank overwogen dat in het advies van Kenniscentrum niet inzichtelijk is gemaakt of en zo ja in hoeverre de opslag van het maaisel en de andere eerdergenoemde afvalstoffen in het gronddepot leidt tot een planologische verslechtering. De rechtbank heeft het besluit van 19 februari 2013 daarom niet deugdelijk gemotiveerd geacht.

Het college heeft, in de gelegenheid dit gebrek te herstellen, een aanvullend advies van Kenniscentrum van 16 oktober 2013 overgelegd. Daarin is de conclusie van Kenniscentrum dat het vrijstellingsbesluit niet leidt tot een noemenswaardige toename van geurhinder nader onderbouwd.

In de uitspraak van 21 januari 2014 heeft de rechtbank geoordeeld dat het college met dit aanvullende advies het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek heeft hersteld. Vanwege het door haar geconstateerde gebrek in het besluit van 19 februari 2013 heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard en dit besluit vernietigd. Omdat naar haar oordeel met het nadere advies door het college deugdelijk is gemotiveerd om welke redenen [appellant] niet in aanmerking komt voor een tegemoetkoming in planschade, heeft de rechtbank bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 19 februari 2013 geheel in stand blijven. Het college hoefde daarom geen nieuw besluit te nemen.

5. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de waarde van zijn woning is gedaald door stank- en geluidhinder en horizonvervuiling ten gevolge van de uitbreiding van de rioolwaterzuiveringsinstallatie. [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank in de uitspraak van 21 januari 2014 ten onrechte heeft bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 19 februari 2013 geheel in stand blijven. Daartoe verwijst hij in de eerste plaats naar de gronden en argumenten in zijn zienswijze van 15 november 2013. Hij voert aan dat de rechtbank daarmee in de uitspraak van 21 januari 2014 geen rekening heeft gehouden.

5.1. Uit hetgeen onder 2. is overwogen volgt dat op grond van de regeling van artikel 6.1 van de Wro alleen ingeval de aanvrager van een tegemoetkoming in planschade in een planologisch nadeliger positie is komen te verkeren, mogelijk aanspraak kan bestaan op een tegemoetkoming. In hoeverre de situatie door de planologische maatregel feitelijk is veranderd, is, anders dan [appellant] veronderstelt, niet van belang.

5.2. In geding is uitsluitend de aanspraak op een tegemoetkoming in schade als gevolg van het vrijstellingsbesluit. De zes hoge zandfilters van de rioolwaterzuiveringsinstallatie, waar [appellant] op wijst, maken geen deel uit van het vrijstellingsbesluit en kunnen daarom niet worden betrokken bij het verzoek om een tegemoetkoming in schade. Dit geldt evenzeer voor de aquamarijnblauwe kleur van enkele gebouwen en bouwwerken van de rioolwaterzuiveringsinstallatie, waar [appellant] zich tegen keert. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de kleurstelling geen gevolg is van het vrijstellingsbesluit en om die reden bij de beoordeling van een verzoek op grond van artikel 6.1, eerste lid, van de Wro buiten beschouwing blijft.

5.3. In het advies is op begrijpelijke wijze uiteengezet waarom de door het vrijstellingsbesluit mogelijk gemaakte uitbreiding van de rioolwaterzuiveringsinstallatie niet leidt tot een afname van de situeringswaarde van de woning of een relevante toename van geluidshinder. Evenmin heeft het vrijstellingsbesluit verdergaand uitzichtverlies tot gevolg, nu het zicht op de kapschuur vanaf het perceel van [appellant] door de reeds bestaande bebouwing wordt belemmerd, aldus Kenniscentrum. De rechtbank heeft terecht en op goede gronden overwogen dat niet gebleken is dat de conclusie in het advies van Kenniscentrum, dat het vrijstellingsbesluit wat de derde zuiveringsstraat en de kapschuur betreft niet leidt tot een planologisch nadeliger situatie, op onjuiste uitgangspunten berust. Voorts heeft de rechtbank, in navolging van het college, terecht in aanmerking genomen dat, nu de derde zuiveringsstraat ook ingevolge het bestemmingsplan mocht worden opgericht, een eventuele toename van geurhinder door die zuiveringsstraat zich ook onder het bestemmingsplan had kunnen voordoen en het vrijstellingsbesluit in zoverre geen planologisch nadeel tot gevolg heeft. De rechtbank is derhalve terecht tot de conclusie gekomen dat het college zich in zoverre op het advies mocht baseren.

5.4. In zijn aanvullende advies heeft Kenniscentrum uiteengezet dat het met het vrijstellingsbesluit gerealiseerde gronddepot voor [appellant] geen zodanige extra geurhinder met zich brengt dat hij hierdoor in een planologisch nadeliger situatie is geraakt.

5.4.1. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling (bijvoorbeeld de uitspraak van 5 juni 2013 in zaak nr. 201209493/1/A2) mag een bestuursorgaan een besluit op een aanvraag om vergoeding van planschade baseren op een advies van een door dat bestuursorgaan benoemde deskundige, indien uit dat advies blijkt welke feiten en omstandigheden aan de conclusie van dat advies ten grondslag zijn gelegd en deze conclusies niet onbegrijpelijk zijn, tenzij concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid of volledigheid van dat advies naar voren zijn gebracht.

5.4.2. Het aanvullende advies van Kenniscentrum biedt op de wijze, als hiervoor bedoeld, inzicht in de feiten en omstandigheden die de conclusie kunnen dragen dat [appellant], in aanmerking genomen de afstand van zijn perceel tot het gronddepot, alsmede gelet op de geurhinder die hij reeds kon ondervinden van drie onder het bestemmingsplan mogelijke zuiveringsstraten en de geurhinder die hij kan ondervinden van agrarische bedrijfsactiviteiten, door de het vrijstellingsbesluit per saldo niet in een planologisch nadeliger positie is geraakt. Dat hij het, gezien zijn zienswijze van 15 november 2013, met die conclusie niet eens is en kritische kanttekeningen bij het aanvullende advies heeft geplaatst, betekent niet dat het door Kenniscentrum verrichte onderzoek onzorgvuldig of onvolledig is geweest.

Derhalve bestaat geen grond voor het oordeel dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college met het aanvullende advies van Kenniscentrum het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek toereikend heeft hersteld.

De betogen falen.

6. [appellant] betoogt dat de rechtbank niet is ingegaan op zijn beroepsgrond dat de waarde als bedoeld in de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de WOZ-waarde) voor het jaar 2013 na bezwaar is verlaagd met € 110.000,00. Hij stelt dat hiermee bewezen is dat de planologische wijziging heeft geleid tot een aanzienlijke waardevermindering van zijn woning.

6.1. Los van de omstandigheid dat bij het vaststellen van de WOZ-waarde niet wordt gekeken naar de maximale invulling van het planologische regime, zoals bij planvergelijking die in het kader van de beoordeling van een aanvraag om een tegemoetkoming in planschade dient plaats te vinden, maar vooral de feitelijke situatie bepalend is, slaagt dit betoog ook om een andere reden niet. Onder verwijzing naar de eerdergenoemde uitspraak van 5 juni 2013 overweegt de Afdeling dat de WOZ-waarde van de woning pas aan de orde kan komen in het kader van de bepaling van de omvang van eventuele schade, nadat is vastgesteld dat een bestemmingsplan, een besluit tot vrijstelling van het bestemmingsplan, of een andere in artikel 6.1, tweede lid, van de Wro genoemde planologische maatregel, daadwerkelijk tot een planologische verslechtering heeft geleid ten opzichte van de mogelijkheden onder het daarvoor geldende planologische regime. Nu zich in dit geval geen planologische verslechtering voordoet, heeft de rechtbank terecht geen aanleiding gezien over te gaan tot een inhoudelijke bespreking van de beroepsgrond over de WOZ-waarde.

7. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraken van de rechtbank, voor zover aangevallen, dienen te worden bevestigd.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de uitspraken van de rechtbank, voor zover aangevallen.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.M.A. Koster, griffier.

w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Koster

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 8 oktober 2014

710.