Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:3618

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
08-10-2014
Datum publicatie
08-10-2014
Zaaknummer
201310937/1/R4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 26 september 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Oosteindsepolder en Warmoeziersweg" gewijzigd vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201310937/1/R4.

Datum uitspraak: 8 oktober 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak onderscheidenlijk tussenuitspraak met toepassing van artikel 8:51d van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te Bergschenhoek, gemeente Lansingerland,

2. [appellant sub 2] en anderen, allen wonend te Bergschenhoek, gemeente Lansingerland,

3. [appellante sub 3], gevestigd te Bergschenhoek, gemeente Lansingerland, en anderen (hierna: [appellante sub 3] en anderen),

appellanten,

en

de raad van de gemeente Lansingerland,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 26 september 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Oosteindsepolder en Warmoeziersweg" gewijzigd vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1], [appellant sub 2] en anderen en [appellante sub 3] en anderen beroep ingesteld.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

[appellant sub 1], [appellante sub 3] en anderen en de raad hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 juli 2014, waar [appellant sub 2] en anderen, bij monde van [een der appellanten], bijgestaan door [gemachtigde], en de raad, vertegenwoordigd door mr. R. Kazem en drs. W.L. Zwijnenburg, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

Toetsingskader

1. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om de bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het plan

2. Het plan voorziet in een actuele juridisch-planologische regeling voor het gebied ten noorden en ten oosten van Bergschenhoek. Het plan is overwegend conserverend van aard.

Het beroep van [appellant sub 1]

3. [appellant sub 1] betoogt dat het plan ten onrechte niet voorziet in de functieaanduiding "caravanstalling" voor de kassen op zijn perceel [locatie 1] te Bergschenhoek. Daartoe voert hij aan dat de oppervlakte van de aanwezige kassen te klein is voor een rendabel glastuinbouwbedrijf en dat zijn gronden naar verwachting niet zullen worden gekocht door andere glastuinbouwbedrijven. Volgens hem voorziet het op 26 maart 2013 door het college van burgemeester en wethouders vastgestelde Afwegingskader caravanstallingen in (voormalige) tuinbouwkassen in de gemeente Lansingerland (hierna: het afwegingskader) in een uitzondering voor caravanstallingen in kassen indien geen volwaardige bedrijfsuitoefening meer mogelijk is. Verder voert [appellant sub 1] aan dat zijn caravanstalling al jaren wordt betrokken bij de vaststelling van de WOZ-waarde van zijn perceel.

3.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de functieaanduiding "caravanstalling" niet aan het perceel kan worden toegekend, omdat het perceel deel uitmaakt van het glastuinbouwbedrijvengebied, zoals aangeduid op kaart 2 bij de door provinciale staten vastgestelde Verordening Ruimte, actualisering 2012 (hierna: Verordening Ruimte). Volgens de raad is het mogelijk om het perceel van [appellant sub 1] aan te wenden voor glastuinbouw, onder meer door reconstructie en uitbreiding van andere bedrijven. Het afwegingskader biedt in een geval als het onderhavige geen ruimte voor uitzonderingen, aldus de raad.

3.2. Blijkens de verbeelding is aan het perceel [locatie 1] te Bergschenhoek de bestemming "Agrarisch - Glastuinbouw" met de functieaanduiding "bedrijfswoning" voor een gedeelte van het perceel toegekend.

3.3. Ingevolge artikel 4, lid 4.1.1, van de planregels zijn de voor "Agrarisch - Glastuinbouw" aangewezen gronden bestemd voor

a. volwaardige glastuinbouwbedrijven voor alle typen glastuinbouwteelt (waaronder groenten, bloemen en planten, substraat, belicht en niet-belicht) uitgezonderd grondgebonden teelten met de daarbij behorende kassen, klimaathallen, of andere opstallen van glas, alsmede bedrijfsgebouwen waaronder bedrijfsgebonden kantoren, onderzoeksruimte, laboratoria, presentatieruimten, energievoorzieningen, stookhuizen en/of ketelhuizen, warmtekrachtkoppelingen, warmwateropslagtanks, gietwatersilo’s, waterbassins en overige waterbergingen, centrale sorteereenheden;

Ingevolge lid 4.1.2 zijn deze gronden ter plaatse van de aanduiding "caravanstalling" tevens bestemd voor de stalling van caravans.

Ingevolge artikel 3, tweede lid, onder g, van de Verordening Ruimte is binnen de begrenzing van het glastuinbouwbedrijvengebied, zoals aangeduid op kaart 2, naast glastuinbouw de vestiging of uitbreiding mogelijk van bedrijven en andere functies die een directe binding hebben met de glastuinbouw en noodzakelijk zijn voor het functioneren van de glastuinbouw, zoals transportbedrijven, verpakkings- en verwerkingsbedrijven en kennisinstituten. De vestiging is alleen mogelijk als sprake is van intensief ruimtegebruik en het areaal voor de glastuinbouw niet wordt verminderd. Dit kan bijvoorbeeld door toepassing van dubbel grondgebruik van bedrijven in combinatie met glas.

3.4. Het perceel van [appellant sub 1] is gelegen in het glastuinbouwbedrijvengebied, zoals aangeduid op kaart 2 bij de Verordening Ruimte, waarbinnen op grond van artikel 3, tweede lid, onder g, alleen glastuinbouw en glastuinbouwgerelateerde bedrijvigheid is toegestaan. Voorts heeft de raad in de nota zienswijzen uiteengezet dat het gebruik van het perceel als caravanstalling in strijd is met de provinciale en de gemeentelijke structuurvisie. In het afwegingskader is weliswaar een uitzonderingsmogelijkheid opgenomen voor niet-volwaardige glastuinbouwbedrijven, maar daarin staat tevens dat niet zal worden meegewerkt aan een caravanstalling in kassen, indien dit leidt tot strijdigheid met de provinciale structuurvisie, de Verordening Ruimte of de gemeentelijke structuurvisie. Nu het perceel van [appellant sub 1] is gelegen in het glastuinbouwbedrijvengebied heeft de raad zich terecht op het standpunt gesteld dat geen aanleiding bestaat voor de toepassing van de door [appellant sub 1] aangehaalde uitzonderingsbepaling voor niet-volwaardige glastuinbouwbedrijven in het afwegingskader. Over de waardebepaling in het kader van de WOZ, overweegt de Afdeling onder verwijzing naar haar uitspraak van 24 februari 2010, in zaak nr. 200904021/1/R3, dat de waardebepaling in het kader van de WOZ niet relevant is bij het toekennen van een bestemming. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen heeft de raad terecht besloten om niet de functieaanduiding "caravanstalling" aan het perceel [locatie 1] toe te kennen.

Het betoog faalt.

4. Het beroep van [appellant sub 1] is ongegrond.

Het beroep van [appellante sub 3] en anderen

5. [appellante sub 3] en anderen betogen dat het plan ten onrechte niet voorziet in de functieaanduiding "caravanstalling" voor het noordwestelijke deel van het perceel [locatie 2] te Bergschenhoek. [appellante sub 3] en anderen voeren hiertoe aan dat in het verleden bij de realisering van leidingen over het perceel is toegezegd dat op het gehele perceel een caravanstalling geëxploiteerd mocht worden, omdat door de aanwezigheid van de leidingen ter plaatse geen glastuinbouwbedrijf meer kon worden uitgeoefend. Verder voeren zij aan dat in 1995 en 1996 bouwvergunningen zijn verleend voor de ombouw van de aanwezige kassen naar caravanstallingen en dat het gebruik als caravanstalling al achttien jaar plaatsvindt. Volgens [appellante sub 3] en anderen is het ook niet mogelijk om de noordwestelijke stalling opnieuw aan te wenden voor glastuinbouw.

5.1. De raad stelt dat de caravanstalling is gelegen in het glastuinbouwbedrijvengebied als bedoeld in de Verordening Ruimte, waarbinnen geen andere functies dan glastuinbouwbedrijvigheid zijn toegestaan. Daarnaast heeft de raad bij de vaststelling van het plan een motie aangenomen om tegemoet te komen aan de situatie van [appellante sub 3] en anderen. In deze motie wordt het gemeentebestuur opgeroepen om in overleg met het provinciebestuur een oplossing te vinden voor het noordwestelijke perceeldeel van [appellante sub 3] en anderen. Het gemeentebestuur is voornemens om na aanpassing van de Verordening Ruimte een ontheffing aan te vragen voor het bestaande gebruik op het noordwestelijke deel van het perceel en dit gebruik vervolgens op te nemen in een bestemmingsplan.

5.2. Blijkens de verbeelding is aan het perceel [locatie 2] te Bergschenhoek de bestemming "Agrarisch - Glastuinbouw" toegekend. Voorts is aan het zuidoostelijke deel van het perceel de functieaanduiding "caravanstalling" toegekend.

5.3. [appellante sub 3] en anderen hebben gesteld dat zij sinds 1996 een caravanstalling hebben op het perceel [locatie 2]. Dit gebruik was niet toegestaan op grond van het vorige bestemmingsplan. In het onderhavige plan is dit gebruik toegestaan op het zuidoostelijke deel van het perceel. [appellante sub 3] en anderen hebben niet aannemelijk gemaakt dat in het verleden een vergunning of een vrijstelling is verleend voor het gebruik van het noordwestelijke perceeldeel als caravanstalling. Weliswaar heeft het college van burgemeester en wethouders van de voormalige gemeente Bergschenhoek op 5 oktober 1995 en 25 maart 1996 vergunningen verleend voor de ombouw van de kassen naar caravanstallingen op het zuidoostelijk deel van het perceel, maar uit deze vergunningen kan naar het oordeel van de Afdeling niet worden afgeleid dat het college van burgemeester en wethouders toentertijd heeft ingestemd met het gebruik als caravanstalling voor het gehele perceel. Voorts hebben [appellante sub 3] en anderen niet aannemelijk gemaakt dat door of namens de raad toezeggingen zijn gedaan of verwachtingen zijn gewekt dat het plan voor het gehele perceel zou voorzien in de functieaanduiding "caravanstalling". Verder kan aan de lange duur van het bestaande gebruik niet de gerechtvaardigde verwachting worden ontleend dat dit gebruik in een volgend plan als zodanig zal worden bestemd. Het noordwestelijke perceeldeel is gelegen in het glastuinbouwbedrijvengebied, zoals aangeduid op kaart 2 bij de Verordening Ruimte, waarbinnen op grond van artikel 3, tweede lid, onder g, alleen glastuinbouw en glastuinbouwgerelateerde bedrijvigheid is toegestaan. [appellante sub 3] en anderen hebben niet aannemelijk gemaakt dat het noordwestelijke perceeldeel, al dan niet na herstructurering, niet voor glastuinbouw kan worden aangewend. De omstandigheid dat het perceel door een wijziging van de Verordening Ruimte na de inwerkingtreding van de gewijzigde verordening niet meer in het glastuinbouwbedrijvengebied ligt, doet niet ter zake, nu deze wijziging van de Verordening Ruimte dateert van na de datum van het bestreden besluit. Nu het noordwestelijke deel van het perceel ten tijde van het bestreden besluit binnen het glastuinbouwbedrijvengebied lag, heeft de raad terecht de besloten de functieaanduiding "caravanstalling" niet aan dit noordwestelijke deel van perceel [locatie 2] toe te kennen.

Het betoog faalt.

6. Het beroep van [appellante sub 3] en anderen is ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 2] en anderen

7. Ingevolge artikel 8:51d van de Awb kan de Afdeling het bestuursorgaan opdragen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen.

8. [appellant sub 2] en anderen betogen dat niet alle aanwezige woonwagens op het woonwagenterrein aan de Bosland te Bergschenhoek als zodanig zijn bestemd. Volgens hen is de raad ten onrechte niet uitgegaan van de feitelijke situatie ter plaatse en is er na herinrichting van het terrein voldoende ruimte voor de thans aanwezige woonwagens. Ook betogen zij dat de raad op onjuiste wijze rekening heeft gehouden met de brandveiligheid op het woonwagenterrein.

8.1. De raad stelt dat de vijf woonwagens die in het bestemmingsplan "Oosteindsepolder" onder het overgangsrecht waren gebracht in het onderhavige plan als zodanig zijn bestemd. Volgens de raad zijn in het onderhavige plan geen extra woonwagens toegestaan, omdat het terrein heringericht moet worden en de afstand tussen de woonwagens uit het oogpunt van brandveiligheid moet worden vergroot tot 5 m, waardoor er geen ruimte is voor een extra woonwagen. Volgens de raad zal na de herinrichting van de woonwagenstandplaats worden bekeken of het mogelijk is om ter plaatse een extra woonwagen toe te staan.

8.2. Ingevolge artikel 15, lid 15.1.1, van de planregels zijn de voor "Wonen - Woonwagenstandplaats" aangewezen gronden bestemd voor:

a. vijf woonwagenstandplaatsen, met dien verstande dat per woonwagenstandplaats maximaal één woonwagen is toegestaan;

b. woonwagens, al dan niet in combinatie met aan huis verbonden beroep of bedrijf;

c. aanbouwen, bijgebouwen en overkappingen;

[…]

Ingevolge lid 15.2.2, sub a, mag een woonwagen uitsluitend binnen het aangegeven bouwvlak worden gebouwd.

8.3. Blijkens de verbeelding is aan het woonwagenkamp aan de Bosland de bestemming "Wonen - Woonwagenstandplaats" toegekend. Binnen deze bestemming zijn binnen het bouwvlak vijf woonwagens toegestaan.

8.4. In 1969 is een woonwagenstandplaats met vijf standplaatsen aan de Bosland in Bergschenhoek opgericht. In het bestemmingsplan "Oosteindsepolder" uit 1986 is dit woonwagenkamp onder het overgangsrecht gebracht. In 1992 is binnen het bouwvlak een woonwagen bijgeplaatst en in 2000 is ter vervanging van een verouderde en onbewoonbare woonwagen nog een woonwagen geplaatst. Op het westelijke deel van het terrein staan derhalve zeven woonwagens, waarvan er zes worden bewoond. Het onderhavige plan voorziet in een bouwvlak op het westelijke deel van het woonwagenkamp, waarbinnen vijf woonwagens zijn toegestaan. Verder voorziet het plan voor het oostelijke deel van het woonwagenkamp in ruimte voor bedrijfsactiviteiten. Ter zitting is gebleken dat onduidelijk is welke woonwagens ter plaatse legaal aanwezig zijn en welke woonwagen bij de herinrichting van het terrein verwijderd moet worden. Voorts staat binnen het bouwvlak voor de woonwagens een romneyloods en staan op het oostelijke deel van het woonwagenterrein enkele bedrijfsopstallen.

De raad heeft uiteengezet dat het gemeentebestuur met de bewoners in gesprek gaat over de herinrichting van het terrein, zodra het bestemmingsplan onherroepelijk is. De raad heeft ter zitting toegelicht dat de herinrichting van het terrein vanuit het oogpunt van milieuhygiëne en brandveiligheid gewenst is. Daarbij wil de raad uit een oogpunt van brandveiligheid een minimale afstand van 5 m tussen de woonwagens realiseren. Ter zitting hebben [appellant sub 2] en anderen echter onweersproken gesteld dat, al dan niet met het treffen van aanvullende maatregelen, een kleinere afstand tussen de woonwagens kan worden gerealiseerd zonder dat dit ten koste gaat van de brandveiligheid. Verder is ter zitting gebleken dat indien de onbewoonbare woonwagen wordt afgevoerd en indien de aanwezige romneyloods bij de herinrichting van het terrein wordt verplaatst naar het oostelijke deel van het woonwagenterrein, binnen het bouwvlak ruimte vrijkomt voor de woonwagens, welke ruimte de raad niet heeft betrokken bij de beoordeling van het toelaatbare aantal woonwagens op het terrein. Bovendien heeft de raad zich ter zitting op het standpunt gesteld dat na de herinrichting van het woonwagenkamp alsnog besloten kan worden tot vergroting van het bouwvlak en het vergroten van het toegestane aantal woonwagens binnen het bouwvlak, indien blijkt dat de beschikbare ruimte binnen het bouwvlak dit toelaat. Gelet op het voorgaande heeft de raad naar het oordeel van de Afdeling onvoldoende gemotiveerd dat, na herinrichting en eventuele aanvullende maatregelen in het kader van de brandveiligheid, een zesde woonwagen op de woonwagenstandplaats niet ruimtelijk aanvaardbaar is. Het besluit is in zoverre genomen in strijd met artikel 3:46 van de Awb.

Het betoog slaagt.

9. Met het oog op een spoedige beslechting van het geschil zal de Afdeling de raad opdragen om binnen 26 weken na verzending van deze uitspraak met inachtneming van rechtsoverweging 8.4 toereikend te motiveren waarom binnen het plandeel met de bestemming "Wonen - Woonwagenstandplaats" voor het woonwagenkamp aan de Bosland te Bergschenhoek maximaal vijf woonwagens zijn toegestaan, dan wel een andere planregeling vast te stellen voor het plandeel met de bestemming "Wonen - Woonwagenstandplaats".

De raad dient de Afdeling en [appellant sub 2] en anderen de uitkomst van de uitvoering van de voormelde opdracht mede te delen en een eventueel gewijzigd of nieuw besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken en mede te delen. Afdeling 3.4 van de Awb behoeft bij de voorbereiding van een gewijzigd of nieuw besluit niet opnieuw te worden toegepast.

Proceskosten

10. Ten aanzien van [appellant sub 1] en [appellante sub 3] en anderen bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Ten aanzien van [appellant sub 2] en anderen zal in de einduitspraak worden beslist over de proceskosten en vergoeding van het betaalde griffierecht.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart de beroepen van [appellant sub 1] en [appellante sub 3] en anderen ongegrond;

II. draagt de raad van de gemeente Lansingerland naar aanleiding van het beroep van [appellant sub 2] en anderen op om binnen 26 weken na de verzending van deze tussenuitspraak:

- met inachtneming van rechtsoverwegingen 8.4 en 9 het daar omschreven gebrek te herstellen; en

- de Afdeling en [appellant sub 2] en anderen de uitkomst mede te delen en een eventuele wijziging van het besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken en mede te delen.

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Kuipers, griffier.

w.g. Van Buuren w.g. Kuipers

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 8 oktober 2014

271-767.