Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:3610

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
08-10-2014
Datum publicatie
08-10-2014
Zaaknummer
201307896/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 25 juni 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201307896/1/R1.

Datum uitspraak: 8 oktober 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak onderscheidenlijk tussenuitspraak met toepassing van artikel 8:51d van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te Punthorst, gemeente Staphorst,

2. [appellant sub 2], wonend te IJhorst, gemeente Staphorst,

3. [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B], handelend onder de naam [bedrijf], gevestigd te Staphorst,

4. [appellant sub 4A] en [appellant sub 4B], wonend te Goes onderscheidenlijk Leiden,

5. [appellant sub 5], wonend te Punthorst, gemeente Staphorst,

en

de raad van de gemeente Staphorst,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 25 juni 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1], [appellant sub 2], [bedrijf], [appellanten sub 4] en [appellant sub 5] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant sub 1], [appellant sub 2], [bedrijf] en de raad hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 augustus 2014, waar [appellant sub 1], bijgestaan door E.J.C. Verbaan, [appellant sub 2], bijgestaan door ing. R. van Bezoen, werkzaam bij Van Bezoen Grondzaken taxatie & adviesbureau, [bedrijf], bijgestaan door mr. T. de Beet, advocaat te Zaandam, [appellanten sub 4], bij monde van [appellant sub 4A], en [appellant sub 5], bijgestaan door mr. J.T. Fuller, advocaat te Zwolle, en de raad, vertegenwoordigd door ing. R. Stegeman en mr. R. Halfwerk, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

Toetsingskader

1. Ingevolge artikel 8:51d van de Awb kan de Afdeling het bestuursorgaan opdragen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen.

2. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het plan

3. Met het plan beoogt de raad te voorzien in een actueel planologisch kader voor het buitengebied van Staphorst, dat tevens in overeenstemming is met het geldende beleid van de gemeente.

Het beroep van [appellant sub 1]

4. Het beroep van [appellant sub 1] richt zich tegen het plan voor zover dat niet mogelijk maakt dat op zijn perceel aan de [locatie 1] te Punthorst (hierna: het perceel van [appellant sub 1]), waarop zijn atelier is gevestigd, gewoond mag worden.

5. [appellant sub 1] betoogt dat het ontwerpplan voorzag in de mogelijkheid om in het op het perceel van [appellant sub 1] aanwezige pand te wonen en dat het na zijn zienswijze ten onrechte zodanig gewijzigd is vastgesteld dat dit niet meer mogelijk is. Volgens [appellant sub 1] heeft de raad daarmee gehandeld in strijd met het vertrouwensbeginsel. Ook heeft de raad volgens [appellant sub 1] misbruik gemaakt van zijn bevoegdheid, doordat de wijziging geen verduidelijking van het plan is zoals de raad heeft gesteld, maar fundamenteel is.

5.1. De raad stelt zich op het standpunt dat verwarring kon ontstaan, omdat in het ontwerpbestemmingsplan in de doeleindenomschrijving van de bestemming "Maatschappelijk" stond dat de gronden mede zijn bestemd voor wonen ten behoeve van de maatschappelijke bestemming waaruit zou kunnen worden begrepen dat gebruik voor wonen was toegestaan. Hoewel in de bouwregels van het ontwerpbestemmingsplan was opgenomen dat een bedrijfswoning ter plaatse van de aanduiding "bedrijfswoning uitgesloten" niet is toegestaan, heeft de raad heeft het bestemmingsplan op dit punt daarom gewijzigd vastgesteld.

5.2. Aan het perceel van [appellant sub 1] is de bestemming "Maatschappelijk" toegekend, met de aanduidingen "atelier" en "bedrijfswoning uitgesloten". Dit verschilt niet van hetgeen in het ontwerpbestemmingsplan aan het perceel van [appellant sub 1] was toegekend.

5.3. Ingevolge artikel 18, lid 18.1, van de planregels zijn de voor "Maatschappelijk" aangewezen gronden bestemd voor maatschappelijke doeleinden en een atelier en dierenpension, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "atelier", met daaraan ondergeschikt het wonen ten behoeve van de maatschappelijke functie, al dan niet in combinatie met een aan huis verbonden beroep of bedrijf, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding "bedrijfswoning uitgesloten" wonen niet is toegestaan, en de daarbij behorende bedrijfsgebouwen en bedrijfswoningen.

Ingevolge lid 18.2, onder a, sub, 1, sub 4, mag per bestemmingsvlak ten hoogste één bedrijfswoning worden gebouwd, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding "bedrijfswoning uitgesloten" geen bedrijfswoning is toegestaan.

5.4. Ingevolge artikel 19, lid 19.1, van de planregels van het ontwerpbestemmingsplan waren de voor "Maatschappelijk" aangewezen gronden bestemd voor maatschappelijke doeleinden en een atelier en dierenpension, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "atelier", met daaraan ondergeschikt het wonen ten behoeve van de maatschappelijke functie, al dan niet in combinatie met een aan huis verbonden beroep of bedrijf, en de daarbij behorende bedrijfsgebouwen en bedrijfswoningen.

Ingevolge lid 19.2. onder a, sub 4, mocht per bestemmingsvlak ten hoogste één bedrijfswoning worden gebouwd, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding "bedrijfswoning uitgesloten" geen bedrijfswoning was toegestaan.

5.5. De Afdeling overweegt dat de raad bij de vaststelling van het plan daarin wijzigingen kan aanbrengen ten opzichte van het ontwerpbestemmingsplan. De raad heeft de bevoegdheid daarmee de planologische mogelijkheden op het perceel van [appellant sub 1] te beperken. De bevoegdheid het plan gewijzigd vast te stellen brengt met zich dat aan het ontwerpbestemmingsplan niet het vertrouwen kan worden ontleend dat de daarin toegekende planregeling in het vastgestelde plan gelijkluidend zal zijn. Daarbij betrekt de Afdeling dat aan [appellant sub 1] ook steeds te kennen is gegeven dat wonen op het perceel van [appellant sub 1] niet toegestaan was. Van strijd met het vertrouwensbeginsel is dan ook geen sprake. Evenmin kan de stelling van [appellant sub 1] tot de conclusie leiden dat de raad misbruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid.

Voorts is van belang dat slechts indien de afwijking van het ontwerp naar aard en omvang zo groot is dat een wezenlijk ander plan is vastgesteld, de wettelijke procedure opnieuw dient te worden doorlopen. Het plan is ten opzichte van het ontwerpbestemmingsplan in die zin gewijzigd dat het ondergeschikte gebruik voor wonen ten behoeve van de maatschappelijke functie niet is toegestaan. Deze wijziging is echter niet van dusdanige aard en omvang dat daardoor een wezenlijk ander plan voorligt.

Het betoog faalt.

6. [appellant sub 1] betoogt dat het toestaan van wonen in het bedrijfsgebouw op het perceel van [appellant sub 1] binnen het beleid "Uitvoeringskader hergebruik Vrijkomende Agrarische Bebouwing (VAB)"(hierna: het VAB-beleid) past, zodat de raad dit ten onrechte niet heeft toegestaan. Voorts betoogt [appellant sub 1] dat het niet toestaan van nieuwe woningen in het buitengebied geen redelijk doel dient, dat het toestaan van wonen in zijn pand geen planologisch ongewenste situatie met zich zal brengen en dat ook precedentwerking niet aan de orde is.

6.1. De raad stelt zich op het standpunt dat hij als uitgangspunt hanteert in het geheel geen nieuwe woningen toe te staan in het buitengebied, anders dan wanneer er sprake is van agrarische bedrijven, de toepassing van het rood-voor-rood-beleid, vestiging van een nieuw landgoed of toepassing van het VAB-beleid. Voorts stelt de raad dat het VAB-beleid uitgaat van de situatie van wonen en werken zoals deze ook aanwezig was toen de bebouwing nog agrarisch werd gebruikt. Omdat op de gronden van [appellant sub 1] ook tijdens het agrarische gebruik geen bedrijfswoning was toegestaan, stelt de raad dat op grond van het VAB-beleid geen recht op een woning bestaat.

6.2. In het VAB-beleid staat dat bij nieuwe bedrijvigheid het beleid uitgaat van dezelfde combinatie van wonen en werken als bij het agrarische bedrijf het geval was, derhalve op basis van de bestaande (bedrijfs)woning. Er bestaat geen recht op een extra (bedrijfs)woning.

6.3. De raad stelt zich terecht op het standpunt dat het toestaan van wonen op het perceel van [appellant sub 1] in strijd is met zijn uitgangspunt om uit het oogpunt van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik geen nieuwe woningen in het buitengebied toe te staan anders dan wanneer er sprake is van toepassing van het VAB-beleid. Niet in geschil is dat op het perceel van [appellant sub 1] ook ten tijde van het agrarisch gebruik ervan geen bewoning was toegestaan, en dat geen sprake is van toepassing van het rood-voor-rood-beleid of het oprichten van een landgoed. Voorts overweegt de Afdeling dat het niet toestaan van wonen op het perceel van [appellant sub 1] in overeenstemming is met het VAB-beleid, nu wonen er ook tijdens het agrarische gebruik niet was toegestaan. [appellant sub 1] heeft voorts niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan de raad dit uitgangspunt en dit beleid redelijkerwijs niet heeft kunnen toepassen.

Het betoog faalt.

7. Over het betoog van [appellant sub 1] dat in alle andere panden in het buitengebied gewoond mag worden, zodat het niet toestaan van wonen in zijn pand in strijd is met het gelijkheidsbeginsel, wordt overwogen dat de raad zich op het standpunt heeft gesteld dat deze situaties verschillen van de aan de orde zijnde situatie omdat overal waar wonen in het buitengebied is toegestaan geen sprake is van een nieuwe situatie, hetgeen voor het perceel van [appellant sub 1] wel het geval zou zijn. Voor zover [appellant sub 1] wijst op het ontwerpbestemmingsplan "Buitengebied, partiële herziening Schotsweg 5" wijst de raad erop dat dit een ontwerpbestemmingsplan betreft en geen vastgesteld plan. Wat betreft het bestemmingsplan "Buitengebied, partiële herziening Leijendwarsweg 6" dat op 14 mei 2013 is vastgesteld en waarmee de splitsing van een woonboerderij in twee woningen mogelijk is gemaakt, stelt de raad dat dat op grond van het VAB-beleid is toegestaan en dat het VAB-beleid niet ziet op de aan de orde zijnde situatie.

Over de door [appellant sub 1] gemaakte vergelijking met de bevoegdheid uit artikel 18, lid 18.4, onder b, van de planregels om bij omgevingsvergunning toe te staan dat, behalve ter plaatse van de aanduiding "bedrijfswoning uitgesloten", een tweede bedrijfswoning wordt gebouwd, wordt overwogen dat de raad zich op het standpunt heeft gesteld dat deze situatie verschilt van de aan de orde zijnde situatie omdat bij toepassing van dit artikel reeds een recht op een bedrijfswoning bestaat, hetgeen hier niet het geval is.

In hetgeen [appellant sub 1] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de door [appellant sub 1] genoemde situaties niet overeenkomen met de thans aan de orde zijnde situatie.

Het betoog faalt.

8. Gelet op het voorgaande is het beroep ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 2]

9. Het beroep van [appellant sub 2] richt zich tegen de planregeling voor het verblijfsrecreatieterrein De Vossenburcht te IJhorst.

10. [appellant sub 2] betoogt dat de wijze van bestemmen met bouwvlakken onpraktisch is en dat het beter zou zijn om een maximaal bebouwingspercentage aan de gronden voor het verblijfsrecreatieterrein toe te kennen. In dat geval zou [appellant sub 2] er voor kunnen kiezen om een kleiner aantal grotere toiletgebouwen te bouwen en zou hij zelf de locaties kunnen bepalen. Ook kan dan het bestaande zwembad vervangen worden door een semi-overdekt zwembad.

10.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het bestemmingsplan dezelfde regeling voor het verblijfsrecreatieterrein kent als het voorheen geldende bestemmingsplan "Camping De Vossenburcht te IJhorst", dat op 27 september 2011 is vastgesteld, en zodoende met het nu voorliggende plan een moderne en praktische bestemmingsregeling voor het verblijfsrecreatieterrein is vastgesteld. Voors stelt de raad dat de plaatsing van de bouwvlakken voortvloeit uit het integrale plan voor de ruimtelijke kwaliteitsverbetering voor het verblijfsrecreatieterrein, dat aan het bestemmingsplan "Camping De Vossenburcht te IJhorst" ten grondslag ligt en bij de opstelling waarvan [appellant sub 2] is betrokken. Omdat in het bestemmingsplan "Camping De Vossenburcht te IJhorst" 1143 m² aan uitbreidingsmogelijkheden voor centrale voorzieningen aan de gronden voor de camping is toegekend en daarvan thans nog 898,2 m² resteert, kan volgens de raad ook het bestaande zwembad vervangen worden. De vervanging van het zwembad maakte volgens de raad ook deel uit van de plannen die aan het bestemmingsplan "Camping De Vossenburcht te IJhorst" ten grondslag liggen.

10.2. Aan de gronden voor het verblijfsrecreatieterrein is de bestemming "Recreatie - Verblijfsrecreatie" toegekend, met een aantal bouwvlakken.

Ingevolge artikel 29, lid 29.2, onder c, sub 1, van de planregels dienen, voor zover in een bestemmingsvlak bouwvlakken zijn opgenomen, de gebouwen en overkappingen binnen deze bouwvlakken te worden gebouwd, met dien verstande dat in dat geval de totale oppervlakte aan gebouwen niet meer mag bedragen dan 2.550 m².

10.3. De Afdeling overweegt dat in hetgeen [appellant sub 2] heeft aangevoerd geen aanleiding wordt gezien voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid heeft kunnen bepalen dat bebouwing binnen het bouwvlak gebouwd moet worden. Aan de locatie van de bouwvlakken ligt een integraal plan voor de ruimtelijke kwaliteitsverbetering voor het verblijfsrecreatieterrein ten grondslag en binnen de bouwvlakken zelf heeft [appellant sub 2] nog ruimte om de gebouwen en bouwwerken zoals het zwembad anders te positioneren en uit te breiden. De omstandigheid dat het praktischer voor [appellant sub 2] is om meer vrijheid in de locatie en positionering van de gebouwen te hebben, maakt niet dat de raad daarom deze regeling niet in redelijkheid heeft kunnen vaststellen.

Het betoog faalt.

11. [appellant sub 2] betoogt voorts dat een deel van zijn gronden ten onrechte niet als kampeerplaats gebruikt mag worden, terwijl dergelijke gebruiksmogelijkheden aan nabijgelegen gronden wel zijn toegekend. Hij wijst er voorts op dat anders dan de raad stelt zijn gronden niet in de Ecologische Hoofdstructuur (hierna: EHS) liggen, zodat dit niet aan de motivering van het besluit op dit punt ten grondslag kan worden gelegd.

11.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het toekennen van een bestemming voor verblijfsrecreatie aan de bedoelde gronden in strijd is met zijn uitgangspunt dat verdere uitbreiding van het verblijfsrecreatieterrein niet gewenst is. Voorts stelt de raad dat de bestemming van de gronden bij de voorbereiding van het bestemmingsplan "Camping De Vossenburcht te IJhorst" aan de orde is geweest en dat ter compensatie in dat bestemmingsplan 25 extra standplaatsen zijn toegekend op andere gronden.

11.2. De Afdeling overweegt dat de raad zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het toekennen van gebruiksmogelijkheden voor kampeerplaatsen aan een deel van de gronden van [appellant sub 2] in strijd is met dit door hem gehanteerde uitgangspunt. [appellant sub 2] heeft voorts niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan de raad dit uitgangspunt redelijkerwijs niet heeft kunnen toepassen. Dat de gronden inmiddels niet meer in de EHS liggen, wat daar ook van zij, doet aan het voorgaande niet af nu daarmee niet een recht op uitbreidingsmogelijkheden is ontstaan.

Het betoog faalt.

12. Gelet op het voorgaande is het beroep ongegrond.

Het beroep van [appellanten sub 4]

13. [appellanten sub 4] betogen dat aan een deel van de gronden voor De Witte Bergen een natuurbestemming toegekend moet worden om zo ten onrechte verdwenen natuur te compenseren. Zij wijzen er in dat kader op dat op 24 maart 1998 op onjuiste gronden een bouwvergunning is verleend voor 18 recreatiewoningen, omdat de toen geldende bestemming dit niet toestond. Volgens [appellanten sub 4] hadden met de vaststelling van het bestemmingsplan de door deze fout verloren gegane natuurwaarden moeten worden gecompenseerd.

13.1. De raad stelt zich op het standpunt dat aan het beroep van [appellanten sub 4] artikel 8:69a van de Awb in de weg staat. Voorts stelt de raad dat de op 24 maart 1998 verleende bouwvergunning inmiddels onherroepelijk is, zodat hij de 18 recreatiewoningen als zodanig heeft bestemd. Compensatie acht de raad niet nodig, maar hij zal dit aspect wel betrekken in gesprekken over nieuwe ontwikkelingen in het park.

13.2. Aan de gronden voor het recreatiepark De Witte Bergen is de bestemming "Recreatie - Verblijfsrecreatie" toegekend. Aan de gronden waaraan [appellanten sub 4] een natuurbestemming toegekend willen zien was in het voorheen geldende bestemmingsplan eveneens een recreatiebestemming toegekend.

13.3. Vaststaat dat de bouwvergunningen voor de 18 recreatiewoningen in rechte onaantastbaar zijn, zodat de recreatiewoningen legaal aanwezig zijn. Bestaande legale bebouwing dient in beginsel als zodanig te worden bestemd, tenzij het dienovereenkomstig bestemmen niet in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. Daarvan is in dit geval niet gebleken. Voor zover [appellanten sub 4] wijzen op de Boswet overweegt de Afdeling dat uit die wet geen verplichting voortvloeit om in een geval als het onderhavige in een bestemmingsplan aan gronden een natuurbestemming te geven. Evenmin volgt deze verplichting uit enige andere wettelijke bepaling, waarbij de Afdeling in aanmerking neemt dat de gronden waarop de vergunde 18 recreatiewoningen liggen ten tijde van het bestreden besluit niet in de EHS lagen. De raad heeft voorts in redelijkheid kunnen besluiten geen natuurbestemming toe te kennen aan het deel van de gronden van De Witte Bergen waaraan [appellanten sub 4] een natuurbestemming toegekend willen zien, nu deze gronden in het voorheen geldende bestemmingsplan eveneens een recreatiebestemming hadden en de raad wil voorkomen schadeplichtig te worden jegens de eigenaar van deze gronden.

Het betoog faalt.

13.4. Gelet op hetgeen in 13.3 is overwogen wordt aan een bespreking van het betoog dat artikel 8:69a van de Awb aan het beroep in de weg staat niet toegekomen.

14. Gelet op het voorgaande is het beroep ongegrond.

Het beroep van [bedrijf]

15. Wat betreft de door [bedrijf] voor het eerst ter zitting aangevoerde beroepsgrond dat aan de gronden met de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschap en natuur" en de aanduiding "tuin" een bestemming voor erf had moeten worden toegekend overweegt de Afdeling als volgt.

Behoudens in geschillen waar de wet anders bepaalt, kunnen ook na afloop van de beroepstermijn nieuwe gronden worden ingediend, zij het dat die mogelijkheid wordt begrensd door de goede procesorde. Voor het antwoord op de vraag of de goede procesorde in geding is, is in het algemeen bepalend een afweging van de proceseconomie, de reden waarom de desbetreffende beroepsgrond pas in een laat stadium is aangevoerd, de mogelijkheid voor de andere partijen om adequaat op die beroepsgrond te reageren en de processuele belangen van de partijen over en weer.

De Afdeling is van oordeel dat het in dit stadium van de procedure aanvoeren van deze beroepsgrond in strijd is met de goede procesorde. Voorts zijn geen feiten en omstandigheden aangevoerd op grond waarvan moet worden geoordeeld dat het voor [bedrijf] redelijkerwijs niet mogelijk was deze beroepsgrond eerder in beroep aan te voeren.

16. Voor zover [bedrijf] wijst op de reactie op haar inspraakreactie op het voorontwerpbestemmingsplan, overweegt de Afdeling dat dit, wat daar ook van zij, niet kan leiden tot een

vernietiging van het bestreden besluit, nu de wettelijke procedure aanvangt met de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan.

Wat betreft het betoog dat het college van burgemeester en wethouders (hierna: het college) in de procedure tot verlening van een omgevingsvergunning voor het bouwen ervan is uitgegaan dat aan de percelen van [bedrijf] uitsluitend een bedrijfsbestemming was toegekend, overweegt de Afdeling dat in deze procedure het bestemmingsplan voorligt. Dit betoog en evenmin het betoog dat door een ambtenaar van de gemeente is aangegeven dat op de achterste gronden van het perceel [locatie 2] een bedrijfsbestemming zou kunnen rusten kan voorts tot een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel leiden. De bevoegdheid tot het vaststellen van een bestemmingsplan ligt immers niet bij het college of een ambtenaar, maar bij de raad. De raad heeft het plan op dit punt derhalve niet in strijd met het vertrouwensbeginsel vastgesteld.

Het betoog faalt.

17. [bedrijf] betoogt dat met het toekennen van de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschap en natuur" aan het achterste deel van het perceel [locatie 2] ten onrechte uitbreidings- en exploitatiemogelijkheden zijn ontnomen. Hoewel in het voorheen geldende bestemmingsplan "Buitengebied 1994" (hierna: het voorheen geldende bestemmingsplan) het plandeel met een bedrijfsbestemming ongeveer 47 m diep was en de overige gronden de bestemming "Agrarisch gebied met landschappelijke en natuurlijke waarden" hadden, is volgens [bedrijf] door de verlening van de bouwvergunning voor de bedrijfswoning op de gronden met de bestemming "Agrarisch gebied met landschappelijke en natuurlijke waarden" impliciet vrijstelling verleend voor gebruik van het gehele perceel voor bedrijfsdoeleinden.

17.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de bouwvergunning voor de bedrijfswoning in 2010 deels in strijd met het voorheen geldende bestemmingsplan is verleend omdat aan een deel van de gronden voor de woning de bestemming "Agrarisch gebied met landschappelijke en natuurlijke waarden" was toegekend. Volgens de raad kan daaraan niet de consequentie verbonden worden dat het gehele perceel voor bedrijfsdoeleinden gebruikt mag worden. Volgens de raad is met het nu voorliggende bestemmingsplan beoogd het bestemmingsplan in overeenstemming te brengen met de vergunde situatie. Het plandeel met de bestemming "Bedrijfsdoeleinden" was in het voorheen geldende plan 55 m diep en in het nu voorliggende bestemmingsplan is het plandeel met de bestemming "Bedrijf" 60 m diep. Volgens de raad zijn de uitbreidings- en exploitatiemogelijkheden voor [bedrijf] door het grotere plandeel met de bedrijfsbestemming met het nu geldende bestemmingsplan toegenomen, en tevens doordat meer bebouwing is toegestaan.

17.2. Voor het perceel [locatie 2] is aan het voorste deel ervan de bestemming "Bedrijf" toegekend. Dit plandeel is ongeveer 60 m diep. Aan de overige gronden is de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschap en natuur" toegekend, met de aanduiding "tuin".

In het voorheen geldende bestemmingsplan waren aan het perceel [locatie 2] de bestemmingen "Bedrijfsdoeleinden" en "Agrarisch gebied met landschappelijke en natuurlijke waarden" toegekend.

17.3. De Afdeling overweegt dat anders dan [bedrijf] betoogt uit de omstandigheid dat een bouwvergunning deels in strijd met het voorheen geldende bestemmingsplan is verleend, niet volgt dat daarom het gehele perceel ten behoeve van de bedrijfsbestemming gebruikt mag worden. Dat een bouwvergunning is verleend laat de bestemming van de gronden immers onverlet.

Voor zover [bedrijf] betoogt dat ten onrechte niet aan zijn gehele perceel een bedrijfsbestemming is toegekend, overweegt de Afdeling dat de raad als uitgangspunt hanteert dat bouwvlakken ten behoeve van niet-agrarische bedrijven niet worden vergroot, omdat niet-agrarische bedrijven niet aan het buitengebied zijn gebonden en bij grootschalige uitbreidingen naar een bedrijventerrein kunnen verplaatsen en dat hij in het gebied nabij de Reest restrictiever omgaat met het toestaan van uitbreiding van bestemmings- en bouwvlakken. De raad heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat het toekennen van een bedrijfsbestemming aan het gehele perceel [locatie 2] in strijd is met het door hem gehanteerde uitgangspunt. [bedrijf] heeft voorts niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan de raad dit uitgangspunt redelijkerwijs niet heeft kunnen toepassen.

Het betoog faalt.

18. [bedrijf] betoogt dat zijn bedrijf ten onrechte niet als zodanig is bestemd, nu de planregels uitsluitend bedrijven van categorie 1 en 2 van de Staat van Bedrijven toestaan en het bedrijf van [bedrijf] een bedrijf van categorie 3.1 is. De regeling dat bestaande bedrijven beschouwd moeten worden alsof deze als zodanig zijn bestemd biedt volgens [bedrijf] geen soelaas, omdat hij daarmee beperkt wordt in zijn uitbreidingsmogelijkheden. Voorts wenst hij dat een aanduiding voor zijn bedrijf wordt opgenomen, omdat in het voorheen geldende bestemmingsplan de planregeling ook op die manier was vormgegeven en er andere bedrijven zijn waarvoor wel een dergelijke planregeling is opgenomen.

18.1. Volgens de raad is het bedrijf van [bedrijf] door artikel 12, lid 12.2, van de planregels als zodanig bestemd. Het bestaande gebruik in de zin van het bestemmingsplan is een autoschadeherstelbedrijf met autospuiterij van categorie 3.1 en zo lang het bedrijf van [bedrijf] een autoschadeherstelbedrijf met autospuiterij van categorie 3.1 blijft is het als zodanig bestemd. Omdat onder het voorheen geldende bestemmingsplan op het perceel alleen een autobedrijf was toegestaan en nu meer soorten bedrijven worden toegestaan, worden volgens de raad de gebruiksmogelijkheden van het perceel door deze regeling niet beperkt. Omdat meer bebouwing op het perceel aanwezig is dan ingevolge het voorheen geldende plan was toegestaan en de aanwezige bebouwing ook als zodanig is bestemd, is volgens de raad evenmin sprake van beperking van de uitbreidingsmogelijkheden.

18.2. Ingevolge artikel 1, lid 1.22, van de planregels moet onder bestaand worden verstaan:

a. het gebruik dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig is en/of bebouwing die op dat tijdstip aanwezig of in uitvoering is, dan wel kan worden gebouwd krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen;

b. het onder a bedoelde geldt niet voor zover sprake was van strijd met het voorheen geldende bestemmingsplan, de voorheen geldende beheersverordening, daaronder mede begrepen het overgangsrecht van het bestemmingsplan, of een andere planologische toestemming.

Ingevolge artikel 8, lid 8.1, zijn de voor "Bedrijf" aangewezen gronden bestemd voor:

a. bedrijven behorend tot de categorieën 1 en 2 van de bij de planregels behorende Staat van bedrijven;

b. bedrijven die bestaan ten tijde van terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan;

[…]

h. het wonen ten behoeve van het bedrijf, al dan niet in combinatie met een aan huis verbonden beroep of bedrijf.

Ingevolge lid 8.2, onder a, sub 3, bedraagt de oppervlakte van bedrijfsgebouwen per bedrijf niet meer dan de bestaande oppervlakte.

18.3. In het voorheen geldende bestemmingsplan waren aan het perceel [locatie 2] de bestemmingen "Bedrijfsdoeleinden" en "Agrarisch gebied met landschappelijke en natuurlijke waarden" toegekend. Aan de gronden met de bestemming "Bedrijfsdoeleinden" waren de aanduidingen "au" en "380" toegekend.

Ingevolge artikel 13, lid A, onder 1, van de voorschriften van het voorheen geldende bestemmingsplan waren de gronden die op de plankaart waren aangewezen voor "Bedrijfsdoeleinden" ter plaatse van de aanduiding "au" bestemd voor een autoherstelinrichting.

Ingevolge onder B, sub 1, gold voor het bouwen van gebouwen dat de gezamenlijke oppervlakte niet meer mocht bedragen dan op de plankaart was aangegeven.

Ingevolge artikel 6, lid A, onder 1, waren de gronden die op de plankaart waren aangewezen voor "Agrarisch gebied met landschappelijke en natuurlijke waarden" bestemd voor de uitoefening van het agrarisch bedrijf met uitzondering van het tuinbouwbedrijf en het boomkwekerijbedrijf en het behoud, de bescherming en/of het herstel van de landschappelijke en natuurlijke waarden.

18.4. Niet in geschil is dat op de gronden met de bestemming "Bedrijf" voor het perceel [locatie 2] een autoschadeherstelbedrijf met autospuiterij van categorie 3.1 wordt uitgeoefend. De raad heeft toegelicht dat onder het begrip autoherstelinrichting uit het voorheen geldende bestemmingsplan mede een autoschadeherstelbedrijf met autospuiterij van categorie 3.1 moet worden verstaan. De Afdeling overweegt dat gelet op artikel 8, lid 8.1, onder b, van de planregels, gelezen in samenhang met artikel 1, lid 1.22, ter plaatse van de gronden die in het voorheen geldende bestemmingsplan eveneens een bedrijfsbestemming hadden het autoschadeherstelbedrijf met autospuiterij van [bedrijf] is toegestaan. Voor zover [bedrijf] betoogt dat hij beperkt is in zijn uitbreidingsmogelijkheden overweegt de Afdeling dat onweersproken is dat thans meer dan 380 m² aan bebouwing op het perceel [locatie 2] aanwezig is op de gronden waaraan in het voorheen geldende bestemmingsplan de bestemming "Bedrijfsdoeleinden" was toegekend. Doordat ingevolge lid 8.2, onder a, sub 3, de bestaande bebouwing als zodanig is bestemd, zijn ruimere bouwmogelijkheden toegekend dan onder het voorheen geldende bestemmingsplan waren toegestaan.

Wat betreft de gronden waaraan in het voorheen geldende bestemmingsplan de bestemming "Agrarisch gebied met landschappelijke en natuurlijke waarden" was toegekend overweegt de Afdeling als volgt. Ingevolge artikel 1, lid 1.22, onder b, kan het bedrijf voor zover het op die gronden is gevestigd niet als bestaand worden aangemerkt, nu op deze gronden ingevolge het voorheen geldende bestemmingsplan geen autoschadeherstelbedrijf met autospuiterij was toegestaan. Nu dit een bedrijf van categorie 3.1 is en een dergelijk bedrijf ingevolge artikel 8, lid 8.1, aanhef en onder a, niet is toegestaan, heeft de raad zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat het gehele bedrijf van [bedrijf] als zodanig is bestemd.

Het betoog slaagt.

19. [bedrijf] betoogt voorts dat het plandeel met de bestemming "Wonen - 1" voor het naastgelegen perceel [locatie 3] ten onrechte is vergroot ten opzichte van het voorheen geldende bestemmingsplan. Hij wijst erop dat ter plaatse geen bebouwing aanwezig is die een dergelijke vergroting van het plandeel zou rechtvaardigen. Ook komen volgens hem in de omgeving plandelen met verschillende afmetingen voor, zodat het gelijk trekken van de omvang van de plandelen op naastgelegen percelen niet noodzakelijk is. [bedrijf] vreest vermindering van zijn privacy en woongenot in zijn bedrijfswoning, nu door de vergroting van het plandeel met de bestemming "Wonen" verder achterop het perceel gebouwd kan worden.

19.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de vergroting van het plandeel met de bestemming "Wonen - 1" voor het perceel [locatie 3] redelijk is om redenen van stedenbouwkundige aard. De raad wijst erop dat de percelen [locatie 2] en [locatie 3] zich planologisch gezien in het voorheen geldende bestemmingsplan in dezelfde positie bevonden, omdat de bestemmingsvlakken dezelfde diepte hadden. Voorts stelt de raad dat het plandeel met de bestemming "Wonen  1" als tegengewicht dient tegen de bedrijfsbestemming op het naastgelegen perceel.

19.2. Aan een deel van het perceel [locatie 3] is de bestemming "Wonen - 1" toegekend. Dit plandeel grenst aan het plandeel met de bestemming "Bedrijf" voor het perceel [locatie 2]. De grens van het plandeel met de bestemming "Wonen - 1" met het achtergelegen plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschap en natuur" ligt in het verlengde van de grens van het plandeel met de bestemming

"Bedrijf" met het achtergelegen plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschap en natuur".

Ingevolge artikel 38, lid 38.1, aanhef en onder a, van de planregels zijn de voor "Wonen - 1" aangewezen gronden bestemd voor wonen, al dan niet in combinatie met een aan huis verbonden beroep of aan huis verbonden bedrijfs- of kantooractiviteiten, bed and breakfast in het hoofdgebouw, alsmede bestaande bedrijven.

Ingevolge lid 38.2, onder a, aanhef en sub 2, geldt voor het bouwen van hoofdgebouwen dat de afstand van een woning ten opzichte van de weg ten minste de bestaande afstand zal bedragen.

Ingevolge lid 38.2, onder b, geldt voor het bouwen van vrijstaande bijgebouwen en overkappingen dat deze bouwwerken niet minder dan 1 m achter het verlengde van de voorgevel van het hoofdgebouw mogen worden gebouwd, dan wel niet minder dan de afstand van het bestaande bijgebouw of overkapping tot het verlengde van de voorgevel van het hoofdgebouw indien deze minder bedraagt.

19.3. De Afdeling overweegt dat in de omgeving van de percelen [locatie 3] en [locatie 2] verschillende percelen naast elkaar liggen, waarvan het ene perceel een bedrijfsbestemming heeft en het andere perceel een woonbestemming, waarbij het perceel met de bedrijfsbestemming groter is dan het perceel met de woonbestemming. De raad heeft niet aangegeven op welke wijze of om welke redenen het vergroten van het plandeel met de bestemming "Wonen 1" voor het perceel [locatie 3] als tegenwicht dient of waarom anderszins de vergroting van dat plandeel nodig is. De Afdeling is er niet van overtuigd dat dit vanuit stedenbouwkundig oogpunt aangewezen zou zijn, nu in de omgeving van de percelen [locatie 3] en [locatie 2] percelen van verschillende afmetingen naast elkaar vaker voorkomen dan percelen van gelijke lengte. Daarbij betrekt de Afdeling dat evenmin duidelijk is geworden waarom de raad is afgeweken van zijn uitgangspunt dat hij in het gebied nabij de Reest restrictiever omgaat met het toestaan van uitbreiding van bestemmings- en bouwvlakken. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat de raad de vergroting van het plandeel met de bestemming "Wonen - 1" voor het perceel [locatie 3] onvoldoende heeft gemotiveerd.

Het betoog slaagt.

20. De Afdeling ziet in het belang bij een spoedige beëindiging van het geschil aanleiding de raad op te dragen de gebreken in het bestreden besluit te herstellen, zonder dat daarbij toepassing behoeft te worden gegeven aan afdeling 3.4 van de Awb. Daartoe zal de Afdeling een termijn stellen.

De raad dient daartoe voor het perceel [locatie 3] voor de gronden waaraan in het voorheen geldende bestemmingsplan de bestemming "Agrarisch gebied met landschappelijke en natuurlijke waarden" was toegekend en in het nu voorliggende plan de bestemming "Bedrijf" is toegekend een planregeling op te nemen die het gebruik van de gronden voor een autoschadeherstelbedrijf met autospuiterij toestaat. Voorts dient de raad voor het perceel [locatie 2] te motiveren of en zo ja, waarom aanleiding bestaat voor vergroting van het plandeel met de bestemming "Wonen 1" ten opzichte van de afmetingen die het plandeel in het voorheen geldende bestemmingsplan had.

Het beroep van [appellant sub 5]

21. Het beroep van [appellant sub 5] is gericht tegen het plan voor zover daarmee geen bouwmogelijkheden zijn toegekend voor een schapenstal op het perceel achter zijn woning, kadastraal bekend gemeente Staphorst, sectie Y, nummer 1179 (hierna: het perceel van [appellant sub 5]).

22. Wat betreft het betoog van [appellant sub 5] dat het besluit niet in stand kan blijven omdat de raad hem niet nader heeft gehoord, nu hij verschillende malen zijn visie heeft gegeven en om overleg heeft verzocht, overweegt de Afdeling dat de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) noch enige andere wettelijke bepaling de raad verplicht in een dergelijk geval de indiener van een zienswijze te horen.

Het betoog faalt.

23. [appellant sub 5] betoogt voorts dat het niet opnemen van bouwmogelijkheden voor een schapenstal op zijn gronden onvoldoende is gemotiveerd, omdat hem niet duidelijk is waarom een schapenstal ter plaatse ruimtelijk of milieutechnisch niet wenselijk zou zijn. Ook is volgens hem ten onrechte niet ingegaan op de omstandigheid dat naast zijn gronden een fietspad zal worden aangelegd en dat de schapenstal een ruimtelijke verbetering zal betekenen. [appellant sub 5] betoogt voorts dat zijn schapenhouderij een normale bedrijfsvoering kent van 30 nge. Voorts wijst hij erop dat zijn positie als eigenaar van een groot perceel nabij Punthorst en nabij zijn woning tot een andere afweging door de raad had moeten leiden. Tevens doet [appellant sub 5] een beroep op het gelijkheidsbeginsel, omdat in andere gevallen in het buitengebied wel bouwmogelijkheden zijn toegekend.

23.1. De raad stelt zich op het standpunt dat een schapenstal op het perceel van [appellant sub 5] ruimtelijk niet gewenst is, omdat dit een aantasting van het open agrarische gebied betekent, waarbij ook het zicht op de kern Punthorst vanaf de mr. J.B. Kanlaan wordt belemmerd. Dat de raad voornemens is een fietspad aan de leggen langs de mr. J.B. Kanlaan doet er volgens hem niet aan af dat sprake is van een relatief open agrarisch weidegebied.

23.2. Aan het perceel van [appellant sub 5] is de bestemming "Agrarisch" toegekend. Aan het perceel van [appellant sub 5] is geen bouwvlak toegekend.

Ingevolge artikel 3, lid 3.1, aanhef en onder a en b, van de planregels zijn de voor "Agrarisch" aangewezen gronden bestemd voor agrarische cultuurgrond en een grondgebonden agrarisch bedrijf, al dan niet met een neventak voor intensieve veehouderij.

Ingevolge lid 3.2, onder a, aanhef en sub 2, geldt voor het bouwen van gebouwen en overkappingen dat gebouwen en overkappingen binnen het bouwvlak worden gebouwd, dan wel overeenkomstig de bestaande situering en afmetingen.

23.3. De Afdeling overweegt dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat door de bouw van een schapenstal de openheid van het gebied zal worden aangetast en het zicht op de kern Punthorst zal worden belemmerd, gelet op de ligging van het perceel van [appellant sub 5] in relatief open agrarisch gebied en nabij de kern Punthorst. Daarbij betrekt de Afdeling dat een fietspad een andere ruimtelijke uitstraling heeft dan een stal, zodat het voornemen een fietspad nabij het perceel van [appellant sub 5] aan te leggen niet tot een ander oordeel leidt. Dat [appellant sub 5] eigenaar is van een groot perceel nabij Punthorst en nabij zijn woning maakt het voorgaande niet anders, nu dat niet afdoet aan de ruimtelijke bezwaren van de raad. Het betoog van [appellant sub 5] dat de raad in andere gevallen wel bouwmogelijkheden heeft toegekend kan niet slagen, nu hij niet heeft aangegeven op welke gevallen hij doelt en waarom deze gelijk zijn aan zijn situatie.

Het betoog faalt.

24. Gelet op het voorgaande is het beroep ongegrond.

Proceskostenveroordeling

25. Wat betreft [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellanten sub 4] en [appellant sub 5] bestaat voor een proceskostenveroordeling geen aanleiding. In de einduitspraak zal wat betreft [bedrijf] worden beslist over de proceskosten en de vergoeding van het betaalde griffierecht.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart de beroepen van [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 4A] en [appellant sub 4B] en [appellant sub 5] ongegrond;

II. draagt in het beroep van [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B], handelend onder de naam [bedrijf], de raad van de gemeente Staphorst op om binnen 16 weken na verzending van deze uitspraak:

- met inachtneming van overweging 20 de daar omschreven gebreken te herstellen, en;

- de Afdeling de uitkomst mede te delen en een eventuele wijziging van het besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken en mede te delen.

Aldus vastgesteld door mr. B.J. van Ettekoven, voorzitter, en mr. S.J.E. Horstink-von Meyenfeldt en mr. N.S.J. Koeman, leden, in tegenwoordigheid van mr. Y. Verhage, griffier.

w.g. Van Ettekoven w.g. Verhage

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 8 oktober 2014

655.