Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:3597

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-09-2014
Datum publicatie
01-10-2014
Zaaknummer
201407108/1/V3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOVE:2014:4433, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 4 augustus 2014 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld. Dit besluit is aangehecht.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 59a
Vreemdelingenbesluit 2000
Vreemdelingenbesluit 2000 5.2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2014/357

Uitspraak

201407108/1/V3.

Datum uitspraak: 24 september 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[de vreemdeling],

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 19 augustus 2014 in zaak nr. 14/18258 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie.

Procesverloop

Bij besluit van 4 augustus 2014 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 19 augustus 2014 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Hetgeen in grief I is aangevoerd kan niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Omdat het aldus aangevoerde geen vragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, wordt, gelet op artikel 91, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000), met dat oordeel volstaan.

2. Uit het op ambtseed opgemaakte proces-verbaal van bevindingen van 5 augustus 2014 blijkt dat de vreemdeling op 24 juli 2014 was uitgenodigd voor een gesprek met de regievoerder van de Dienst Terugkeer en Vertrek (hierna: de DT&V), waarvoor hij niet verschenen is. Tevens staat in dit proces-verbaal dat in overleg met de DT&V is besloten de vreemdeling op te halen en in bewaring te stellen ter overdracht aan Duitsland. De vreemdeling is op 4 augustus 2014 in bewaring gesteld krachtens artikel 59a van de Vw 2000. Op 5 augustus 2014 is de vreemdeling overgeplaatst naar het detentiecentrum in Rotterdam. Vervolgens is op 11 augustus 2014 een vertrekgesprek met de vreemdeling gevoerd.

2.1. De vreemdeling klaagt in grief II dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de staatssecretaris voldoende voortvarend aan zijn overdracht heeft gewerkt. De vreemdeling voert hiertoe aan dat, mede in aanmerking genomen dat er reeds sinds 17 juni 2014 een claimakkoord was en omdat zijn medische situatie van meet af aan bekend was, de staatssecretaris door eerst een week na de inbewaringstelling de medische toestemmingsverklaring te laten ondertekenen de duur van de maatregel niet zo beperkt mogelijk heeft gehouden.

2.2. Vast staat dat er ten tijde van het opleggen van de maatregel van bewaring, ingevolge de Verordening (EU) nr. 604/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend (Pb 2013 L 180), een claimakkoord was.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen vormt een geplande inbewaringstelling een bijzondere omstandigheid die ertoe noopt bepaalde handelingen ter voorbereiding van de uitzetting of overdracht van een vreemdeling sneller te verrichten of achterwege te laten (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 26 oktober 2009 in zaak nr. 200905611/1/V3). Uit het op ambtseed opgemaakte proces-verbaal van gehoor als bedoeld in artikel 5.2, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 blijkt dat de vreemdeling de staatssecretaris reeds op 4 augustus 2014 op de hoogte heeft gebracht van zijn medische situatie. Pas op de achtste dag van de inbewaringstelling heeft de staatssecretaris de vreemdeling echter de voor diens overdracht noodzakelijke medische toestemmingsverklaring laten ondertekenen. Gelet hierop en in aanmerking genomen dat niet is gebleken dat daarvóór andere daadwerkelijke handelingen ter voorbereiding van zijn overdracht zijn verricht, klaagt de vreemdeling terecht dat de staatssecretaris onvoldoende voortvarend aan zijn overdracht heeft gewerkt.

De grief slaagt.

3. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van de vreemdeling tegen het besluit van 4 augustus 2014 alsnog gegrond verklaren. Nu de vrijheidsontnemende maatregel reeds is opgeheven, kan een daartoe strekkend bevel achterwege blijven. Aan de vreemdeling wordt met toepassing van artikel 106, eerste lid, van de Vw 2000 na te melden vergoeding toegekend over de periode van 4 augustus 2014 tot 26 augustus 2014, de dag waarop de vrijheidsontnemende maatregel is opgeheven.

4. De staatssecretaris dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 19 augustus 2014 in zaak nr. 14/18258;

III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep gegrond;

IV. kent aan de vreemdeling een vergoeding toe van € 1.785,00 (zegge: zeventienhonderdvijfentachtig euro), ten laste van de Staat der Nederlanden, te betalen door de griffier van de Raad van State;

V. veroordeelt de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.461,00 (zegge: veertienhonderdeenenzestig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. G. van der Wiel en mr. E. Steendijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Bechinka, griffier.

w.g. Lubberdink w.g. Bechinka

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 24 september 2014

371-765.