Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:3585

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
01-10-2014
Datum publicatie
01-10-2014
Zaaknummer
201402519/1/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 oktober 2012 heeft de staatssecretaris de aanvraag van [appellant] om afgifte van een Verklaring Omtrent het Gedrag (hierna: een VOG) voor de functie van parkeercontroleur/handhaver afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201402519/1/A3.

Datum uitspraak: 1 oktober 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 13 februari 2014 in zaak nr. 13/1224 in het geding tussen:

[appellant]

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie.

Procesverloop

Bij besluit van 8 oktober 2012 heeft de staatssecretaris de aanvraag van [appellant] om afgifte van een Verklaring Omtrent het Gedrag (hierna: een VOG) voor de functie van parkeercontroleur/handhaver afgewezen.

Bij besluit van 5 februari 2013 heeft de staatssecretaris het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 13 februari 2014 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 september 2014, waar [appellant], vertegenwoordigd door zijn [moeder], bijgestaan door mr. G.L.D. Thomas, advocaat te Amsterdam, en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. R. Faasse, werkzaam bij het ministerie, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 28 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens is een VOG een verklaring van de minister dat uit een onderzoek met betrekking tot het gedrag van de betrokken natuurlijke persoon of rechtspersoon ingesteld, gelet op het risico voor de samenleving in verband met het doel waarvoor de afgifte is gevraagd en na afweging van het belang van betrokkene, niet is gebleken van bezwaren tegen die natuurlijke persoon of rechtspersoon.

Ingevolge artikel 35, eerste lid, weigert de minister de afgifte van een VOG, indien in de justitiële documentatie met betrekking tot de aanvrager een strafbaar feit is vermeld, dat, indien herhaald, gelet op het risico voor de samenleving en de overige omstandigheden van het geval, aan het doel waarvoor een VOG wordt aangevraagd, in de weg zal staan.

Volgens paragraaf 3 van de Beleidsregels VOG NP-RP 2012 (Stcrt. 31 juli 2012, 16054; hierna: de beleidsregels) ontvangt de staatssecretaris ten behoeve van een VOG-aanvraag alle justitiële gegevens betreffende de aanvrager die zijn geregistreerd in het Justitieel Documentatieregister (hierna: het JDS). Aan de aanvrager die niet voorkomt in het JDS wordt zonder meer een VOG afgegeven. Wanneer de aanvrager voorkomt in het JDS wordt de vraag of een VOG kan worden afgegeven beoordeeld aan de hand van een objectief criterium en een subjectief criterium.

Volgens paragraaf 3.2 wordt de afgifte van een VOG in beginsel geweigerd, indien wordt voldaan aan het objectieve criterium strekkende tot de beoordeling of de justitiële gegevens die ten aanzien van de aanvrager zijn aangetroffen, indien herhaald, gelet op het risico voor de samenleving, een belemmering vormen voor een behoorlijke uitoefening van de functie, taak of bezigheid, waarvoor een VOG is aangevraagd.

Volgens paragraaf 3.3 strekt het subjectieve criterium tot de beoordeling of het belang dat een aanvrager bij het verstrekken van een VOG heeft zwaarder weegt dan dat van de samenleving bij bescherming tegen het op grond van het objectieve criterium vastgestelde risico voor de samenleving. In dat geval wordt een VOG afgegeven, hoewel aan het objectieve criterium wordt voldaan.

Volgens paragraaf 3.3.1 ziet het subjectieve criterium op de omstandigheden van het geval die ertoe kunnen leiden dat de objectieve vaststelling van een risico voor de samenleving ten aanzien van deze aanvrager niet zou moeten leiden tot een weigering van de afgifte van een VOG. Omstandigheden van het geval die altijd bij de beoordeling worden betrokken zijn de afdoening van de strafzaak, het tijdsverloop en de hoeveelheid antecedenten. In het geval dat de staatssecretaris na weging van de omstandigheden van het geval niet tot een goede oordeelsvorming kan komen en twijfel heeft over de vraag of een VOG kan worden afgegeven, worden de omstandigheden waaronder het strafbare feit heeft plaatsgevonden bij de beoordeling betrokken.

Op basis van een algemeen screeningsprofiel en specifieke screeningsprofielen wordt beoordeeld of een justitieel gegeven van belang is voor het doel van de aanvraag. In het screeningsprofiel "(buitengewoon) opsporingsambtenaar" (hierna: het screeningsprofiel) staat onder meer vermeld dat een (buitengewoon) opsporingsambtenaar belast is met de opsporing van strafbare feiten en uit hoofde van zijn functie personen aanspreekt op hun gedrag. Gelet op de aan een (buitengewoon) opsporingsambtenaar toegekende bevoegdheden wordt van hem een hoge mate van integriteit vereist. Bij de toets aan dit screeningsprofiel geldt een terugkijktermijn van tien jaren. Alle (buitengewoon) opsporingsambtenaren mogen verbaliseren en sommigen hebben ook geweldsbevoegdheden, waarbij zij verschillende geweldsmiddelen kunnen inzetten. Bij strafbare feiten die de veiligheid van personen in gevaar kunnen brengen, kan gedacht worden aan gewelds- en zedendelicten, maar bijvoorbeeld ook aan het rijden onder invloed.

2. De staatssecretaris heeft aan het in bezwaar gehandhaafde besluit van 8 oktober 2012 ten grondslag gelegd dat in het JDS is geregistreerd dat [appellant] bij strafbeschikking van 27 juli 2011 een geldboete van € 100,00 is opgelegd wegens wildplassen en dat hij op 3 februari 2009 wegens het overschrijden van de maximumsnelheid een transactie van € 240,00 is overeengekomen. Voorts heeft de staatssecretaris aan het besluit ten grondslag gelegd dat [appellant] op 18 juli 2008 is veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 3 weken met een proeftijd van 2 jaren wegens mishandeling onder strafverzwarende omstandigheden. Deze uitspraak is op 2 augustus 2008 onherroepelijk geworden. Tot slot heeft de staatssecretaris aan het besluit ten grondslag gelegd dat op 26 september 2007 een zaak jegens [appellant] wegens mishandeling is geseponeerd.

De staatssecretaris heeft zich op het standpunt gesteld dat is voldaan aan het objectieve criterium, omdat de geweldsdelicten, indien herhaald in de hoedanigheid van buitengewoon opsporingsambtenaar, een risico vormen voor de veiligheid en het welzijn van burgers. De overtredingen bestaande uit wildplassen en overschrijding van de maximumsnelheid zijn volgens de staatssecretaris eveneens niet te verenigen met de hoedanigheid van buitengewoon opsporingsambtenaar, waarin burgers moeten worden aangesproken op hun gedrag en zo mogelijk verbaliserend moet worden opgetreden. In het kader van het subjectieve criterium heeft de staatssecretaris zich op het standpunt gesteld dat het belang van de samenleving bij bescherming tegen de door middel van het objectieve criterium vastgestelde risico’s zwaarder moet wegen dan het belang de [appellant] heeft bij afgifte van de VOG. De staatssecretaris heeft hiertoe meegewogen dat [appellant] meermalen met justitie in aanraking is gekomen en geringe tijd is verlopen sinds de laatste keer dat hij met justitie in aanraking is geweest.

3. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de staatssecretaris zijn aanvraag voor een VOG terecht heeft afgewezen. Volgens hem is niet voldaan aan het objectieve criterium. Hiertoe voert hij aan dat de feiten wildplassen en overschrijden van de maximumsnelheid van geringe ernst en niet relevant voor de functie zijn, recidive zich niet zal voordoen en de geseponeerde zaak wegens mishandeling in strijd met de onschuldpresumptie mede aan de afwijzing ten grondslag is gelegd.

Voorts betoogt [appellant] dat de rechtbank ten onrechte niet heeft onderkend dat de belangenafweging op basis van het subjectieve criterium in zijn voordeel moet uitvallen. Volgens hem zijn de omstandigheden waaronder de strafbare feiten hebben plaatsgevonden en zijn belangen onvoldoende bij de beoordeling betrokken. Hij heeft opleidingen gevolgd tot parkeerwacht en deelname aan de maatschappij is bijzonder belangrijk, aldus [appellant]. Tot slot stelt hij dat zijn voormalig werkgevers zeer tevreden over hem zijn, hij als gevolg van de afwijzing van de aanvraag om afgifte van een VOG in een slechte psychische gesteldheid verkeert en het gezin hierdoor ontwricht raakt.

3.1. Het betoog van [appellant] dat de geringe feiten wildplassen en overschrijding van de maximumsnelheid niet relevant zijn voor de uitoefening van de functie als parkeercontroleur/handhaver kan niet slagen. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de staatssecretaris in redelijkheid deze strafbare feiten mede aan de weigering ten grondslag heeft kunnen leggen, nu van een buitengewoon opsporingsambtenaar wordt verwacht dat hij strafrechtelijk integer is, omdat hij burgers moet aanspreken op hun gedrag en zo mogelijk verbaliserend moet optreden.

Nu het volgens onderdeel 3.2.2 van de beleidsregels voor de toetsing van het objectieve criterium niet relevant is of er sprake is van reëel recidivegevaar, treft de stelling van [appellant], dat recidive zich niet zal voordoen, geen doel.

Anders dan [appellant] betoogt, is het voorts niet in strijd met de onschuldpresumptie dat de zaak wegens mishandeling mede aan de weigering ten grondslag is gelegd, omdat de staatssecretaris hiermee geen oordeel heeft gegeven over de vraag, of [appellant] schuldig is aan hetgeen waarvan hij werd verdacht.

Gelet op het vorenstaande heeft de rechtbank met juistheid geoordeeld dat de staatssecretaris zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat aan het objectieve criterium is voldaan.

Het betoog faalt.

3.2. Volgens onderdeel 3.3.1 van de beleidsregels strekt het gevoerde beleid ertoe dat de omstandigheden, waaronder het strafbare feit heeft plaatsgevonden, voor de beoordeling slechts van belang zijn, indien de staatssecretaris niet tot een goede oordeelsvorming kan komen en twijfel heeft over de vraag of een VOG kan worden afgegeven. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat de staatssecretaris zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat, gelet op het aantal strafbare feiten en het geringe tijdsverloop, geen twijfel bestond over vraag, of een VOG kon worden afgegeven en de omstandigheden waaronder de strafbare feiten hebben plaatsgevonden niet van belang zijn. De door [appellant] genoemde uitspraak van de Afdeling van 12 februari 2014 in zaak nr. 201204933/1/A3 maakt dit niet anders, nu deze uitspraak ziet op een geweigerde VOG wegens een misdrijf tegen de zeden, waarbij ingevolge paragraaf 3.3.2 van de beleidsregels, de omstandigheden van het geval bij de beoordeling moeten worden betrokken.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 13 juni 2012 in zaak nr. 201108483/1/A3) is de omstandigheid dat de aanvrager door de weigering van de afgifte van een VOG zijn functie niet kan uitoefenen, een bij het vaststellen van de beleidsregels voorzien mogelijk gevolg van die weigering. Om die reden is dit, anders dan [appellant] betoogt, geen bijzondere omstandigheid in verband waarmee de staatssecretaris niettemin tot afgifte van de VOG had moeten besluiten. Ook het door [appellant] aangevoerde samenstel van omstandigheden, dat hij opleidingen heeft gevolgd tot parkeerwacht, hij deelname aan de maatschappij bijzonder belangrijk vindt en zijn voormalig werkgevers zeer tevreden over hem zijn, leidt niet tot de conclusie dat de staatssecretaris niet in redelijkheid meer gewicht heeft kunnen toekennen aan het belang van de samenleving bij bescherming tegen het risico dan aan het belang van [appellant] bij afgifte van een VOG. Het door [appellant] gestelde effect van de afwijzing van de aanvraag om afgifte van een VOG op zijn geestelijke gezondheid, kan, nog daargelaten dat dit niet met een medische verklaring is gestaafd, niet in de beoordeling worden betrokken, nu dit zich heeft voorgedaan na het besluit op bezwaar van 5 februari 2013.

Gelet op het vorenstaande heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de staatssecretaris in redelijkheid meer gewicht heeft kunnen toekennen aan het belang van de samenleving bij bescherming tegen het risico voor de samenleving dan aan het belang van [appellant] bij afgifte van een VOG.

Het betoog faalt.

4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. B.J. van Ettekoven, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.J.C. Beerse, griffier.

w.g. Van Ettekoven w.g. Beerse

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 1 oktober 2014

382-819.