Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:3582

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
01-10-2014
Datum publicatie
01-10-2014
Zaaknummer
201401938/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2014:571, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 februari 2013 heeft de raad een aanvraag van [appellant] om een toevoeging voor rechtsbijstand afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201401938/1/A2.

Datum uitspraak: 1 oktober 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 20 januari 2014 in zaak nr. 13/6465 in het geding tussen:

[appellant]

en

het bestuur van de raad voor rechtsbijstand (hierna: de raad).

Procesverloop

Bij besluit van 28 februari 2013 heeft de raad een aanvraag van [appellant] om een toevoeging voor rechtsbijstand afgewezen.

Bij besluit van 21 juni 2013 heeft de raad het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 20 januari 2014 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 september 2014, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. W.H. van Zundert, advocaat te Rotterdam, is verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 28, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet op de Rechtsbijstand (hierna: de Wrb) kan het bestuur de toevoeging weigeren indien de aanvraag betrekking heeft op een rechtsbelang ter zake waarvan de aanvrager aanspraak kan maken op rechtsbijstand op grond van een eerder afgegeven toevoeging.

Ingevolge artikel 32 geldt de toevoeging uitsluitend voor het rechtsbelang ter zake waarvoor zij is verleend en, in het geval van een procedure, voor de behandeling daarvan in één instantie, de tenuitvoerlegging van de rechterlijke uitspraak daaronder begrepen.

De raad voert bij de toepassing van de Wrb het beleid neergelegd in het Handboek Toevoegen, uitgave april 2007.

Volgens aantekening 2 bij artikel 32 van de Wrb zijn voor de beoordeling van de vraag of sprake is van hetzelfde rechtsbelang geen exacte criteria te formuleren. De beoordeling zal veelal plaatsvinden aan de hand van de concrete omstandigheden van het geval. Voor de beoordeling zijn wel indicatoren aan te reiken. Het begrip rechtsbelang is in artikel 1 van het Besluit rechtsbijstand- en toevoegcriteria gedefinieerd als het belang waarvoor de rechtzoekende rechtsbijstand aanvraagt. Aldus gedefinieerd zal in de beoordeling moeten worden betrokken wat het door de rechtzoekende met de rechtsbijstand beoogde eindresultaat is, met welk oogmerk rechtsbijstand is verzocht. De wijze waarop het belang behartigd wordt en de wegen die daartoe bewandeld worden, zijn voor de beoordeling minder bepalend. Bij de beoordeling van vervolgaanvragen gaat het veeleer om de vraag of de werkzaamheden waarvoor toevoeging wordt aangevraagd, dienen ter behartiging van hetzelfde rechtsbelang waarvoor reeds eerder is toegevoegd.

Indien sprake is van een samenstel van belangen, zal moeten worden beoordeeld of deze ieder afzonderlijk een zelfstandige betekenis hebben, dan wel zo nauw met elkaar samenhangen dat niet gesproken kan worden van een zelfstandig rechtsbelang. De vraag of een nieuwe, afzonderlijke toevoeging aan de orde is, is afhankelijk van het zelfstandig karakter van het geschil waarvoor de nieuwe toevoeging wordt aangevraagd en van de verschillende procedurele, feitelijke en inhoudelijke juridische omstandigheden van de gevallen. De omvang van de door de rechtsbijstandverlener te verrichten werkzaamheden is een bijkomende maatstaf zonder zelfstandige betekenis, aldus die aantekening.

2. [appellant] heeft een toevoeging aangevraagd voor het maken van bezwaar tegen een fictieve weigering van het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam om een beslissing te nemen op zijn aanvraag van 4 oktober 2012 om een bijstandsuitkering, alsmede voor het vragen om herziening van eerdere beslissingen van het college om zijn aanvragen om een bijstandsuitkering niet te behandelen. In bezwaar heeft [appellant] nader toegelicht dat zijn aanvraag om een toevoeging ziet op het maken van bezwaar tegen de categorische weigering van het college om een aanvraag van hem om een bijstandsuitkering in behandeling te nemen.

Bij het besluit van 21 juni 2013 heeft de raad zich op het standpunt gesteld dat de aanvraag om een toevoeging betrekking heeft op een rechtsbelang ter zake waarvan [appellant] aanspraak kan maken op rechtsbijstand op grond van een eerder aan hem verleende toevoeging voor het voeren van een bezwaarprocedure tegen een buiten behandeling stelling van een eerdere aanvraag van 26 juni 2012 om een bijstandsuitkering en een terugvordering van een voorschot. Het rechtsbelang bij die eerdere en deze aanvraag is ‘het recht op een uitkering’, aldus de raad.

3. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de raad aan de in het besluit van 4 maart 2013 neergelegde weigering ten onrechte ten grondslag heeft gelegd dat de zaak onvoldoende kans van slagen heeft, aangezien de bijstandsuitkering op basis van zijn bezwaar alsnog is toegekend. De raad had zijn bezwaar tegen het besluit van 4 maart 2013 reeds daarom gegrond moeten verklaren en hem een vergoeding voor de kosten van rechtsbijstand moeten toekennen.

3.1. Dit betoog faalt. Op grond van artikel 7:11, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht dient in de bezwaarprocedure een volledige heroverweging van het primaire besluit plaats te vinden op basis van de feiten en omstandigheden zoals die zijn op het tijdstip waarop het besluit op bezwaar wordt genomen. Die heroverweging is niet gebonden aan argumenten of omstandigheden die in het bezwaarschrift aan de orde zijn gesteld en staat evenmin in de weg aan handhaving van het primaire besluit op een andere grond dan die waarop dat besluit steunt. Nu de raad de afwijzing van het verzoek om rechtsbijstand in bezwaar onder wijziging van de motivering heeft gehandhaafd, bestond voor hem geen aanleiding de kosten van rechtsbijstand voor het maken van bezwaar aan [appellant] te vergoeden.

4. [appellant] betoogt verder dat de rechtbank ten onrechte tot het oordeel is gekomen dat in dit geval sprake is van hetzelfde rechtsbelang als in de eerdere bezwaarprocedure waarvoor een toevoeging is verleend. Daartoe voert hij aan dat de procedure waarvoor thans toevoeging is aangevraagd ziet op het maken van bezwaar naar aanleiding van de categorische weigering van het college om een aanvraag om een bijstandsuitkering in behandeling te nemen en derhalve is te onderscheiden van de eerdere procedure.

Volgens hem heeft de rechtbank voorts ten onrechte overwogen dat bij hetzelfde rechtsbelang alleen een toevoeging dient te worden verleend wanneer het verschillende procedures zijn, en daarvan geen sprake is als beide procedures worden gevoerd bij dezelfde instantie en wat betreft het onderwerp van geschil en het daaraan ten grondslag liggende feitencomplex vrijwel identiek zijn.

4.1. Zoals de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak van 10 september 2014 in zaak nr. 201307087/1/A2 moeten, gelet op de tekst van artikel 28, eerste lid, aanhef en onder b, en artikel 32 van de Wrb, in onderlinge samenhang bezien, in geval van verschillende rechtsbelangen ter zake waarvan rechtsbijstand wordt gevraagd, in beginsel meer toevoegingen worden verstrekt. Als er één rechtsbelang is, kan met één toevoeging worden volstaan, tenzij sprake is van behandeling van een procedure in meer dan één instantie.

Het gaat derhalve in de eerste plaats om de vraag of het verzoek om een toevoeging op hetzelfde rechtsbelang ziet als een eerder verzoek. Als dat zo is, dient vervolgens te worden bezien of sprake is van behandeling van een procedure in meer dan één instantie, waarbij naar gangbaar taalgebruik onder het begrip ‘instantie’ wordt verstaan 'aanleg' dan wel 'openbaar lichaam' of 'overheidsorgaan'. Een verzoek om rechtsbijstand behoeft daarom niet te worden getoetst aan het door de rechtbank genoemde criterium ‘verschillende procedures’ en de door de rechtbank daaraan gegeven uitleg.

4.2. De rechtbank heeft evenwel terecht overwogen dat de raad zich op het standpunt heeft mogen stellen dat tussen de procedure waarvoor eerder een toevoeging is verleend en de procedure waarvoor thans een toevoeging is aangevraagd, een zodanig grote mate van verwevenheid bestaat dat deze hetzelfde rechtsbelang betreffen. Daarbij heeft zij terecht van belang geacht dat beide bezwaarprocedures zijn gericht tegen het niet in behandeling nemen van bijstandsaanvragen van [appellant] . Verder is van belang dat beide bezwaarprocedures relatief kort na elkaar zijn gevoerd. Dat, naar [appellant] stelt, in de tweede procedure nadrukkelijk aan de orde wordt gesteld dat het college categorisch weigert zijn aanvragen in behandeling te nemen, betekent niet dat die procedure een ander rechtsbelang betreft. Het oogmerk is in beide procedures het in behandeling nemen van een bijstandsaanvraag en het verkrijgen van een bijstandsuitkering. [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat de tweede procedure feitelijk of juridisch zodanig van de eerste verschilt, dat de tweede procedure om die reden een zelfstandig rechtsbelang betreft.

Dat zijn advocaat voor beide procedures wellicht te onderscheiden werkzaamheden dient te verrichten, betekent evenmin dat de procedures niet hetzelfde rechtsbelang betreffen. De raad heeft in dat verband in het verweerschrift in hoger beroep te kennen gegeven dat de werkzaamheden voor de tweede procedure op de reeds verleende toevoeging kunnen worden gedeclareerd.

4.3. Nu sprake is van hetzelfde rechtsbelang en het niet gaat om behandeling van een procedure in meer dan één instantie, is de rechtbank terecht tot het oordeel gekomen dat de raad in redelijkheid geen tweede toevoeging hoefde te verlenen.

Het betoog faalt.

5. Gelet hierop behoeft hetgeen [appellant] verder heeft aangevoerd, geen bespreking.

6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd met verbetering van de gronden waarop deze rust.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.G. de Vries-Biharie, griffier.

w.g. Slump w.g. De Vries-Biharie

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 1 oktober 2014

611.