Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:3575

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
01-10-2014
Datum publicatie
01-10-2014
Zaaknummer
201400143/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMNE:2013:5836, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 11 juli 2012 heeft het college [appellant] onder oplegging van een dwangsom gelast om uiterlijk 1 oktober 2012 twee mestsilo's uit de bouwvrije tienmeterzone van het perceel [locatie] te Dronten (hierna: het perceel) te verwijderen en verwijderd te houden.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Gemeentewet
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2015/6506
JOM 2015/152
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201400143/1/A1.

Datum uitspraak: 1 oktober 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 22 november 2013 in zaak nr. 13/1598 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Dronten.

Procesverloop

Bij besluit van 11 juli 2012 heeft het college [appellant] onder oplegging van een dwangsom gelast om uiterlijk 1 oktober 2012 twee mestsilo's uit de bouwvrije tienmeterzone van het perceel [locatie] te Dronten (hierna: het perceel) te verwijderen en verwijderd te houden.

Bij besluit van 6 februari 2013 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard en het besluit van 11 juli 2012 onder aanvulling van de motivering in stand gelaten.

Bij uitspraak van 22 november 2013 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard en het door hem ingediende verzoek om schadevergoeding afgewezen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 september 2014, waar [appellant], bijgestaan door mr. F.R.H. Kuiper, advocaat te Hattem, en S. van Westreenen, en het college, vertegenwoordigd door mr. M. Bekooy, advocaat te Zwolle, en J.G. van der Struik zijn verschenen.

Overwegingen

1. Op het perceel rust ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Buitengebied Dronten 9010" (hierna: het bestemmingsplan) de bestemming "Agrarisch gebied". Ingevolge artikel 4, onder b, tweede lid, aanhef en onder e, van de planvoorschriften geldt voor het bouwen van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, de bepaling dat de afstand van de overige bouwwerken geen gebouwen zijnde tot de niet naar de weg gekeerde grenzen van het bouwperceel ten minste tien meter zal bedragen.

2. Vast staat dat de twee mestsilo's zijn gebouwd in strijd met het bestemmingsplan nu deze silo's zijn gelegen binnen de bouwvrije zone van tien meter van de niet naar de weg gekeerde grenzen van het bouwperceel. Voor de bouw van de mestsilo's binnen deze zone is geen omgevingsvergunning als bedoeld in art 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) verleend. Het college was bevoegd om ter zake handhavend op te treden.

3. Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met een last onder bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisering bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

4. [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college van handhavend optreden had behoren af te zien, omdat concreet zicht op legalisering bestond. Daartoe voert hij aan dat voorbereidingen worden getroffen voor een nieuw bestemmingsplan Buitengebied. In dit nieuwe bestemmingsplan neemt de grootte van bouwblokken mogelijk toe van 2,5 hectare naar 3 hectare, aldus [appellant]. Deze toename heeft volgens [appellant] tot gevolg dat de strijdigheid met het bestemmingsplan wordt weggenomen.

4.1 Zoals de Afdeling ook eerder heeft overwogen (uitspraak van 26 juni 2014 in zaak nrs. 201403925/1/A1 en 201403925/2/A1), volstaat in beginsel het enkele feit dat het desbetreffende college van burgemeester en wethouders niet bereid is omgevingsvergunning te verlenen voor het oordeel dat geen concreet zicht op legalisering bestaat.

4.2 Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat het niet bereid is mee te werken aan legalisering van de overtreding. Daarbij heeft het van belang geacht dat de rechthoekige vorm en de maximale oppervlakte van 2,5 hectare van de agrarische bouwpercelen fundamentele uitgangspunten van het bestemmingsplan zijn en met het legaliseren van de overtreding hiervan wordt afgeweken. Het college wil van deze uitgangspunten niet afwijken. Er bestaan geen aanknopingspunten voor het oordeel dat op voorhand moet worden geconcludeerd dat het door het college ingenomen standpunt rechtens onhoudbaar is en de vereiste bestuurlijke medewerking niet zal kunnen worden geweigerd, zodat de rechtbank reeds om die reden terecht heeft overwogen dat geen concreet zicht op legalisering bestond. Voor zover [appellant] aanvoert dat in het nieuwe bestemmingsplan Buitengebied de perceeloppervlakte mogelijk toe zal nemen tot 3 hectare, wordt overwogen dat ten tijde van belang nog geen ontwerp van dit bestemmingsplan ter inzage was gelegd, zodat op dat moment geen concreet zicht op legalisering bestond. Bovendien is in het inmiddels op 27 maart 2014 ter inzage gelegde ontwerpbestemmingsplan "Buitengebied (9100)" de maximale grootte van een agrarisch bedrijfskavel ook op 2,5 hectare gesteld.

Het betoog faalt.

5. [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het handhavend optreden in strijd is met het vertrouwensbeginsel. Daartoe voert hij aan dat hij bij het bepalen van de locatie waar de mestsilo's konden worden gebouwd een op het perceel aanwezige aardappelbewaarschuur als referentiepunt heeft gebruikt. In januari 2011 heeft hij een ambtenaar van de gemeente Dronten gevraagd wat de afstand van de aardappelbewaarschuur tot aan de achterkant van het bouwperceel was. Aan de hand van de door de ambtenaar per sms-bericht aan [appellant] opgegeven afstand heeft [appellant] de bouwvrije zone van tien meter en de locatie waar de mestsilo's konden worden gebouwd, bepaald. De gevolgen van de omstandigheid dat hij de aardappelbewaarschuur vijf meter langer heeft gebouwd dan volgens de bouwvergunning was toegestaan met als gevolg dat zijn berekening van de bouwvrije zone niet klopte, dient niet voor zijn rekening en risico te komen, aldus [appellant]. Daartoe voert hij aan dat het college nooit eerder een opmerking heeft gemaakt over de lengte van de aardappelbewaarschuur terwijl het van de overschrijding wel op de hoogte kon zijn.

5.1. Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is nodig dat aan het college toe te rekenen concrete, ondubbelzinnige toezeggingen zijn gedaan door een daartoe bevoegde derde, waaraan rechtens te honoreren verwachtingen kunnen worden ontleend. De rechtbank heeft terecht overwogen dat niet is gebleken van een dergelijke toezegging. De omstandigheid dat [appellant] een ambtenaar van de gemeente Dronten heeft gevraagd wat de afstand van de aardappelbewaarschuur tot aan de achterkant van het bouwperceel was waarna deze ambtenaar [appellant] per sms-bericht heeft geïnformeerd over de gevraagde afstand, biedt voor dat oordeel geen aanleiding. Daarbij is van belang dat de opgegeven afstand niet onjuist was, maar was gebaseerd op de voor de aardappelbewaarschuur verleende bouwvergunning, hetgeen aan [appellant] ook bekend was, en dat de werkelijke afmetingen van de aardappelbewaarschuur afweken van de verleende bouwvergunning. De omstandigheid dat het college nooit een opmerking heeft gemaakt over de, naar [appellant] stelt abusievelijk, te groot gebouwde aardappelbewaarschuur op het perceel die hij als referentiepunt voor de locatie van de mestsilo's heeft gebruikt, biedt voor dat oordeel evenmin aanleiding. Dat de aardappelbewaarschuur groter is gebouwd dan vergund en dat [appellant] om die reden de bouwvrije zone van tien meter verkeerd heeft berekend, komt voor rekening en risico van [appellant].

Het betoog faalt.

6. [appellant] betoogt verder dat de rechtbank niet heeft onderkend dat handhavend optreden in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. Daartoe voert hij aan dat het bouwperceel 292 meter lang is en dat de mestsilo's, vanaf de Hondweg gezien, aan de achterzijde zijn gebouwd. Voorts zijn de mestsilo's van de openbare weg niet zichtbaar, omdat er een groensingel om het perceel wordt aangelegd. [appellant] voert voorts aan dat de overschrijding van 4,5 meter van de grens van het bouwvlak, gelet op de totale lengte van het bouwperceel van 292 meter, verwaarloosbaar is. Hij stelt dat het verwijderen van de mestsilo's en het opnieuw opbouwen daarvan hem in totaal € 686.595,61 schade heeft opgeleverd, bestaande uit de kosten voor de mestsilo's, de huur van vervangende silo's, alsmede de kosten voor rechtsbijstand en ruimtelijk advies. [appellant] voert voorts aan dat er, anders dan het college heeft gesteld, geen gevaar bestaat voor precedentwerking en dat de omstandigheid dat derden hebben verzocht om handhavend optreden is veroorzaakt door het opleggen van de bouwstop door het college.

6.1. De rechtbank heeft in hetgeen [appellant] heeft aangevoerd terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat handhavend optreden in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. Zoals hiervoor onder 3 is overwogen, is het algemeen belang gediend met handhaving. De mestsilo's zijn gebouwd op een afstand van 5,5 meter van de niet naar de weg gekeerde grenzen van het bouwperceel terwijl deze afstand ingevolge artikel 4, onder b, tweede lid, aanhef en onder e, van de planvoorschriften ten minste tien meter dient te bedragen. Daargelaten hoe de overschrijding van de aan te houden afstand ten opzichte van de totale lengte van het perceel moet worden gewaardeerd, geldt dat op grond van het bestemmingsplan een afstand van tien meter moet worden aangehouden van de overige bouwwerken geen gebouwen zijnde tot de niet naar de weg gekeerde grenzen van het bouwperceel. Een overschrijding van de aan te houden afstand van 10 meter met 4,5 meter kan niet als gering worden beschouwd. De financiële gevolgen daarvan dienen voor rekening en risico van [appellant] te blijven. Dat de mestsilo's vanaf de openbare weg niet zichtbaar zijn en aan het oog zullen worden onttrokken door een groensingel, maakt dat niet anders. De rechtbank heeft voorts terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat afzien van handhavend optreden tegen een overtreding van de planvoorschriften zal leiden tot precedentwerking. Dat, naar [appellant] stelt, de verzoeken om handhaving zijn ingediend na het opleggen van de bouwstop door het college, geeft geen grond voor het oordeel dat het college deze verzoeken niet in de te maken afweging van de betrokken belangen heeft kunnen betrekken.

Het betoog faalt.

7. [appellant] betoogt tevergeefs dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college misbruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd, heeft de rechtbank terecht geen aanleiding gevonden voor het oordeel dat het college zijn bevoegdheid om handhavend op te treden tegen de overtreding van het bestemmingsplan louter heeft gebruikt om [appellant] te tonen dat het hem kan laten doen wat het college wil.

8. Het verzoek van [appellant] om schadevergoeding wordt afgewezen, nu daarvoor geen grond aanwezig is.

9. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Aldus vastgesteld door mr. J.A. Hagen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.M. van Driel, griffier.

w.g. Hagen w.g. Van Driel

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 1 oktober 2014

414-724.