Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:3572

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
01-10-2014
Datum publicatie
01-10-2014
Zaaknummer
201400104/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 31 oktober 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Nieuw Hoog Catharijne" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Wet ruimtelijke ordening
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2015/6461
JOM 2014/1009
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201400104/1/R2.

Datum uitspraak: 1 oktober 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de stichting Stichting Samenwerkingsverband IKV - Pax Christi (thans: Stichting Vredesbeweging Pax Nederland), gevestigd te Utrecht,

appellante,

en

de raad van de gemeente Utrecht,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 31 oktober 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Nieuw Hoog Catharijne" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft de Stichting beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De Stichting en Hoog Catharijne B.V. hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 juni 2014, waar de Stichting, vertegenwoordigd door R.S. Teulen, bijgestaan door mr. W.J.E. van der Werf, advocaat te 's-Gravenhage, en de raad, vertegenwoordigd door mr. T. Brouwer, vergezeld door drs. R.W.C. Crusio, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Voorts is ter zitting de besloten vennootschap Hoog Catharijne B.V., vertegenwoordigd door M.Y.C.L. de Wit, advocaat te Rotterdam, vergezeld door drs. A.M. Elzenaar, als partij gehoord.

Overwegingen

1. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

2. Het plan voorziet in de renovatie en herontwikkeling van het bestaande woon-, winkel- en kantorencomplex Hoog Catharijne, dat grenst aan het station Utrecht Centraal. Het plangebied beslaat het Gildenkwartier, Godebaldkwartier, Radboudkwartier, de Radboudtraverse en een deel van het Stationsplein Oost. In de bestaande situatie is een stiltecentrum met kapel gevestigd in het Godebaldkwartier van Hoog Catharijne, dat eigendom is van de kerkelijke orde 'Zusters van de Eeuwigdurende Aanbidding' (thans: Zusters van de Eucharistie).

3. De Stichting keert zich tegen het plan, omdat daarin volgens haar niet voldoende is verzekerd dat het stiltecentrum na de renovatie op de huidige plaats of op een andere passende plaats in Hoog Catharijne kan terugkeren. Daarbij heeft de Stichting uiteengezet dat zij de enig gebruiker en beheerder van het stiltecentrum is en dat zij hier een plek biedt van stilte, bezinning, inspiratie en ontmoeting in het drukke winkelcentrum Hoog Catharijne, waar haar medewerkers ter plekke, met steun van de gemeente Utrecht en alle Utrechtse kerken, ook hulp bieden aan mensen, die daaraan behoefte hebben. Nu niet is uitgesloten dat de Stichting als gebruiker en beheerder van het stiltecentrum gevolgen van het plan kan ondervinden, is haar belang, anders dan de raad en Hoog Catharijne B.V. betogen, rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken als bedoeld in artikel 1:2 van de Algemene wet bestuursrecht. Het beroep is ontvankelijk.

4. De Stichting betoogt dat ten onrechte in de planregels van de bestemming "Centrum" geen minimumoppervlakte is opgenomen voor maatschappelijke doeleinden. Hierdoor is volgens haar niet verzekerd dat haar stiltecentrum op de huidige plaats of elders in Hoog Catharijne kan terugkeren na de renovatie en is het bestaande stiltecentrum in feite wegbestemd, hetgeen niet de bedoeling is geweest van de raad. Daarnaast voert de Stichting aan dat de bepalingen van artikel 3, lid 3.1, aanhef en onder f, van de planregels voor meerdere uitleg vatbaar zijn en derhalve in strijd zijn met de rechtszekerheid. De Stichting heeft een voorstel gedaan voor het toevoegen van een bouwregel in artikel 3, lid 3.2.1, onder e, van de planregels, waarmee de zichtbaarheid en bereikbaarheid van haar stiltecentrum volgens haar duidelijk zijn gewaarborgd. Dat voorstel heeft de raad ten onrechte niet overgenomen, aldus de Stichting.

5. De raad stelt zich op het standpunt dat de maximaal toegestane oppervlakte van 925 m2 voor 'niet geluidgevoelige maatschappelijke voorzieningen' binnen de bestemming "Centrum" overeenkomt met de huidige oppervlakte van de bestaande functies en dat naast het stiltecentrum geen andere maatschappelijke voorzieningen in Hoog Catharijne aanwezig zijn. Deze maximale maatvoering is ten opzichte van het ontwerpplan gewijzigd naar aanleiding van de zienswijze van de Stichting. Volgens de raad is het stiltecentrum derhalve niet wegbestemd. Voorts wijst de raad erop dat de huidige erfpachtovereenkomst inzake de ruimte voor het stiltecentrum nog tot het jaar 2070 loopt en de projectontwikkelaar van Hoog Catharijne met dit bestaande recht rekening moet houden. Er is geen aanduiding 'maatschappelijke voorzieningen' in de verbeelding opgenomen ter hoogte van de huidige locatie van het stiltecentrum, om een eventuele verplaatsing van het stiltecentrum niet onmogelijk te maken. De door de Stichting voorgestelde toevoeging van een nieuwe bouwregel aan artikel 3, lid 3.2.1, van de planregels - onder andere inhoudende een bepaling over een minimale gevelbreedte van 10 meter - hoeft niet in de planregels te worden opgenomen, aldus de raad.

6. Ingevolge artikel 3, lid 3.1, aanhef en onder a, van de planregels zijn de gronden met de bestemming "Centrum" onder meer bestemd voor niet geluidgevoelige maatschappelijke voorzieningen, met een maximale oppervlakte van 925 m2 en is die functie toegestaan op alle bouwlagen.

Ingevolge artikel 3, lid 3.1, aanhef en onder f, van de planregels dient de maatschappelijke voorziening te allen tijde goed zichtbaar en bereikbaar te zijn, direct gelegen aan een voetgangersroute.

7. Ten aanzien van het betoog dat het stiltecentrum niet als zodanig is bestemd en ten onrechte geen minimumoppervlakte in de planregels is opgenomen, overweegt de Afdeling als volgt.

Anders dan appellante veronderstelt, zou met het opnemen van een minimumoppervlakte van 925 m2 in de planregels voor de functie maatschappelijke doeleinden op zichzelf niet verzekerd zijn dat die totale oppervlakte uitsluitend door het stiltecentrum kan wordt gebruikt en niet eventueel door andere, nieuwe maatschappelijke voorzieningen. In zoverre zou voor de Stichting met het opnemen van een dergelijke bepaling in de planregels niet bereikt kunnen worden, hetgeen door haar daarmee is beoogd.

Nu voorts met het bestaande stiltecentrum de totaal toegestane oppervlakte binnen de bestemming "Centrum" reeds is benut, zijn geen andere maatschappelijke voorzieningen mogelijk. Niet in geschil is immers dat de maximale oppervlakte van 925 m2 voor maatschappelijke voorzieningen overeenstemt met de huidige oppervlakte van het stiltecentrum en dat er geen andere maatschappelijke voorzieningen in Hoog Catharijne zijn gevestigd. Het plan maakt de vestiging van het stiltecentrum in de huidige omvang en op dezelfde of een andere locatie binnen Hoog Catharijne mogelijk. Het stiltecentrum is derhalve niet wegbestemd, zoals de Stichting betoogt. Dat in het voorliggende plan de exacte, huidige locatie van het stiltecentrum niet is vastgelegd, maakt dat niet anders. Deze betogen treffen dan ook geen doel.

8. Aan de door de Stichting gewenste wijzigingen van het voorliggende plan, bestaande uit het opnemen van een aanduiding in de verbeelding ter hoogte van de huidige locatie van het stiltecentrum, eventueel in combinatie met een wijzigingsbevoegdheid om verplaatsing daarvan mogelijk te maken, het aanpassen van artikel 3, lid 3.1, aanhef en onder f, van de planregels en het toevoegen van een bouwregel aan artikel 3.1, lid 3.2.1, van de planregels, heeft de raad niet tegemoet behoeven te komen. Hierbij neemt de Afdeling het volgende in aanmerking. Het plan maakt reeds zowel handhaving van het stiltecentrum op de huidige locatie als verplaatsing daarvan mogelijk en in zoverre zijn de gewenste aanduiding en wijzigingsbevoegdheid dan ook niet noodzakelijk. Voorts is artikel 3, lid 3.1, aanhef en onder f, van de planregels aangepast naar aanleiding van de zienswijze van de Stichting en waarborgt de huidige formulering daarvan naar het oordeel van de Afdeling dat het stiltecentrum bereikbaar en zichtbaar blijft. Daarbij heeft de raad er terecht op gewezen dat het vastleggen van een minimale gevelbreedte zoals de Stichting wenst niet past binnen de gehanteerde plansystematiek, waarbij is gekozen voor een flexibele planvorm en voor geen enkele bestemming planregels zijn opgenomen over de aan te houden gevelbreedte. Dit betoog faalt.

9. Gelet op het voorgaande is het beroep ongegrond.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, voorzitter, en mr. J. Kramer en mr. J.W. van de Gronden, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.V. Vreugdenhil, griffier.

w.g. Scholten-Hinloopen w.g. Vreugdenhil

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 1 oktober 2014

571.