Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:3571

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
01-10-2014
Datum publicatie
01-10-2014
Zaaknummer
201400608/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOVE:2013:4301, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 21 november 2012 heeft het college aan [vergunninghouder] ontheffing en bouwvergunning verleend voor het vergroten van een woning op het perceel [locatie] te Zwolle (hierna: het perceel).

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Wet ruimtelijke ordening
Woningwet
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2015/157
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201400608/1/A1.

Datum uitspraak: 1 oktober 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Zwolle,

tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 16 december 2013 in zaak nr. 13/1911 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Zwolle.

Procesverloop

Bij besluit van 21 november 2012 heeft het college aan [vergunninghouder] ontheffing en bouwvergunning verleend voor het vergroten van een woning op het perceel [locatie] te Zwolle (hierna: het perceel).

Bij besluit van 11 juli 2013 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 16 december 2013 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld heeft [vergunninghouder] een schriftelijke uiteenzetting gegeven

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 augustus 2014, waar [appellant], en het college, vertegenwoordigd door A.W. voor ‘t Hekke, ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college de aanvraag om bouwvergunning ten onrechte heeft getoetst aan het bestemmingsplan "Spoolde Zuid". Hij voert daartoe onder meer aan dat dit bestemmingsplan niet bestond ten tijde van het doen van de aanvraag en dat er geen reden was de aanvraag om bouwvergunning aan te houden.

Verder voert hij aan dat de vergroting van de woning waarin de aanvraag om bouwvergunning voorziet (hierna: het bouwplan) illegaal heeft plaatsgevonden in 2009 omdat de Afdeling de bij besluit van 5 juni 2009 verleende ontheffing en bouwvergunning bij uitspraak van 10 maart 2010 in zaak nr. 200905292/1/H1 heeft vernietigd.

Voorts voert hij aan dat het bouwplan niet onder het in artikel 23 van de planregels neergelegde overgangsrecht kan worden gebracht.

Verder voert hij aan dat op grond van het bestemmingsplan alleen omgevingsvergunningen mogen worden vergund en geen bouwvergunningen, nu in het bestemmingsplan alleen wordt gesproken over omgevingsvergunningen.

1.1. Op 23 augustus 2012 is het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Spoolde Zuid" in werking getreden. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 16 januari 2013 in zaak nr. 201204756/1/A1) heeft als uitgangspunt te gelden dat de beslissing op de aanvraag om bouwvergunning ex nunc geschiedt, hetgeen betekent dat het recht moet worden toegepast zoals dat op het moment van de beslissing op de aanvraag geldt. Het moment waarop de aanvraag werd gedaan is derhalve niet bepalend. Ten tijde van het besluit van 21 november 2012 gold het bestemmingsplan. Het college heeft de aanvraag om bouwvergunning daarom terecht aan het bestemmingsplan getoetst.

Dat de vergroting van de woning als voorzien in het bouwplan reeds heeft plaatsgevonden in 2009, de bij besluit van 5 juni 2009 verleende ontheffing en bouwvergunning is vernietigd, het bouwplan niet onder het in artikel 23 van de planregels neergelegde overgangsrecht kan worden gebracht en in het bestemmingsplan alleen wordt gesproken over omgevingsvergunningen, leidt niet tot een ander oordeel, reeds omdat deze omstandigheden onverlet laten dat het recht moet worden toegepast zoals dat op het moment van de beslissing op de aanvraag geldt.

Het betoog faalt.

2. Verder betoogt [appellant] dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college door te toetsen aan het bestemmingsplan heeft gehandeld in strijd met het verbod van reformatio in peius.

2.1. [appellant] is door het maken van bezwaar en het instellen van beroep niet in een nadeliger positie geraakt. In alle besluiten die het college op de aanvraag om bouwvergunning heeft genomen, heeft het college de gevraagde ontheffing en bouwvergunning verleend. Reeds daarom faalt het betoog.

3. De rechtbank heeft overwogen dat het college het bouwplan terecht heeft getoetst aan het Bouwbesluit 2003 en de Bouwverordening 2008.

[appellant] betoogt dat de rechtbank aldus niet heeft onderkend dat het bouwplan getoetst had moeten worden aan het Bouwbesluit 2012 en de Bouwverordening 2012. Hij voert daartoe aan dat er reeds twee maal een besluit is genomen op de aanvraag om bouwvergunning.

3.1. Ingevolge artikel 9.1, eerste lid, van het Bouwbesluit 2012 blijven op een aanvraag om vergunning voor het bouwen, ingediend voor het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit, alsmede op enig bezwaar of beroep, ingesteld tegen een beslissing over een dergelijke aanvraag, de voorschriften van het Bouwbesluit 2003, de bouwverordening, bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de wet en de daarop berustende bepalingen van toepassing, zoals deze luidden op het tijdstip waarop de aanvraag werd ingediend.

3.2. Ten tijde van het nemen van het besluit op bezwaar golden het Bouwbesluit 2012 (hierna: het Bouwbesluit) en de Bouwverordening 2012. Niet in geschil is dat de aanvraag om bouwvergunning is ingediend op 29 december 2008, voordat het Bouwbesluit in werking was getreden. Artikel 9.1 van het Bouwbesluit bepaalt dat in zo’n geval de voorschriften van het Bouwbesluit 2003 en de bouwverordening van toepassing zijn, zoals deze luidden op het tijdstip waarop de aanvraag werd ingediend.

Ten tijde van het indienen van de aanvraag om bouwvergunning golden het Bouwbesluit 2003 en de Bouwverordening 2008. De rechtbank heeft derhalve met juistheid overwogen dat het college het bouwplan terecht heeft getoetst aan het Bouwbesluit 2003 en de Bouwverordening 2008.

Dat er reeds twee maal een besluit is genomen op de aanvraag om bouwvergunning, maar dat deze besluiten zijn vernietigd, is voor de toepassing van artikel 9.1 van het Bouwbesluit niet relevant en leidt niet tot een ander oordeel.

4. [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat in de Bouwverordening 2008 is vermeld dat de op 9 maart 2000 vastgestelde beleidsnotitie "Algemene bijgebouwen regeling" moet worden toegepast. Volgens [appellant] is het bouwplan in strijd met deze beleidsregel.

4.1. In de Bouwverordening 2008 is vermeld dat deze is gebaseerd op voormelde beleidsnotitie. Er is evenwel niet bepaald dat een aanvraag om ontheffing en bouwvergunning moet worden getoetst aan die beleidsnotitie.

Het betoog faalt reeds daarom.

5. [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het bouwplan in strijd is met artikel 10.2.2, aanhef en onder c, van de planregels.

Hij voert daartoe aan dat op het perceel buiten het in de plankaart geprojecteerde bouwvlak een te groot oppervlak aan bijgebouwen is voorzien. Volgens [appellant] is de rechtbank bij het berekenen van dat oppervlak eraan voorbijgegaan dat de achterzijde van het bouwvlak samenvalt met de achtergevel van de woning op het perceel.

[appellant] verwijst hierbij naar een pagina uit de Nota van zienswijzen behorend bij het bestemmingsplan.

5.1. Ingevolge het bestemmingsplan rust op het perceel de bestemming "Wonen".

Ingevolge artikel 10.1 van de planregels zijn de als zodanig aangewezen gronden bestemd voor eengezinshuizen en bijbehorende bouwwerken.

Ingevolge artikel 10.2.1, aanhef en onder a, van de planregels mogen binnen het bouwvlak hoofdgebouwen en bijbehorende bouwwerken worden gebouwd;

Ingevolge artikel 10.2.2. gelden voor het bouwen van hoofdgebouwen en bijbehorende bouwwerken buiten het bouwvlak de volgende regels:

a. er mogen uitbreidingen van hoofdgebouwen en bijbehorende bouwwerken worden gebouwd;

b. (…)

c. de gezamenlijke oppervlakte van de uitbreidingen van hoofdgebouwen en bijbehorende bouwwerken, welke gelegen zijn op het erf dat zich bevindt:

- binnen deze bestemming;

- buiten het bouwvlak;

- achter de naar de weg toegekeerde grens van het bouwvlak en het verlengde daarvan;

mag niet meer bedragen dan 50% van de oppervlakte van dat gedeelte van het erf tot een maximum van 100 m²;

5.2. Volgens de door [appellant] overgelegde pagina uit de Nota van zienswijzen is de achtergevel van de woning op het perceel aan de zijde met het perceel nr. 29 gedeeltelijk buiten het bouwvlak gelegen.

Gelet daarop stelt [appellant] tevergeefs dat de achterzijde van het bouwvlak samenvalt met de achtergevel van de woning op het perceel.

De rechtbank is er daarom met juistheid vanuit gegaan dat de totale oppervlakte van bijbehorende bouwwerken buiten het bouwvlak ongeveer 94,8 m² bedraagt. Het betoog faalt.

6. In de toelichting op het bestemmingsplan staat dat bij de keuze van de bestemmingsplanmethodiek onder meer wordt uitgegaan van de nieuwe standaard bijgebouwenregeling van 2007.

[appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat hieruit volgt dat het bouwplan moet worden getoetst aan de standaard bijgebouwenregeling van 2007. Volgens [appellant] voldoet het bouwplan niet aan het daarin opgenomen vereiste dat er hoogstens 100 m² aan bijgebouwen mogen worden gebouwd, waarvan maximaal 75 m² vergunningsplichtig mogen zijn.

6.1. Zoals hiervoor is overwogen, voldoet het bouwplan voor wat betreft de oppervlakte aan bijgebouwen aan artikel 10.2.2, aanhef en onder c, van de planregels. Reeds daarom komt geen betekenis toe aan de door [appellant] aangehaalde passage uit de plantoelichting.

Het betoog faalt.

7. Voorts betoogt [appellant] dat de Afdeling het beroep van het college bij uitspraak van 20 december 2011 in zaak nr. 201110987/2/H1 ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard.

7.1. De uitspraak van de Afdeling van 20 december 2011 is in rechte onaantastbaar. Gelet daarop faalt het betoog.

8. [appellant] betoogt verder dat het hoger beroep zich richt tegen diverse aandachtspunten die door de rechtbank niet behandeld zijn.

8.1. Dit betoog faalt. [appellant] heeft geen redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende gronden en argumenten in de aangevallen uitspraak onvolledig zou zijn. In hetgeen [appellant] in zoverre heeft aangevoerd, bestaat dan ook geen aanleiding voor vernietiging van de aangevallen uitspraak.

9. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, voorzitter, en mr. A.B.M. Hent en mr. E. Steendijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.A.W. van Leeuwen, griffier.

w.g. Drupsteen w.g. Van Leeuwen

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 1 oktober 2014

543.