Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:3563

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
01-10-2014
Datum publicatie
01-10-2014
Zaaknummer
201309886/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2013:7383, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 14 augustus 2012 heeft het college [appellante] een boete van € 16.000,00 opgelegd wegens het voor bewoning in gebruik geven van een woonruimte aan een huishouden dat niet beschikt over een huisvestingsvergunning voor deze woonruimte.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2014/405 met annotatie van R. Stijnen
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201309886/1/A3.

Datum uitspraak: 1 oktober 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], gevestigd te Rotterdam,

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 26 september 2013 in zaak nr. 13/480 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam.

Procesverloop

Bij besluit van 14 augustus 2012 heeft het college [appellante] een boete van € 16.000,00 opgelegd wegens het voor bewoning in gebruik geven van een woonruimte aan een huishouden dat niet beschikt over een huisvestingsvergunning voor deze woonruimte.

Bij besluit van 13 december 2012 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 26 september 2013 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 juli 2014, waar [appellante], vertegenwoordigd door M.E. van Maris-Vliegenthart, werkzaam bij Duijvestein Incasso en Rechtshulp, en het college, vertegenwoordigd door mr. M.C. Rolle, werkzaam bij de gemeente Rotterdam, zijn verschenen.

Na sluiting van het onderzoek ter zitting heeft de Afdeling het onderzoek heropend en bij brief van 18 juli 2014 nadere schriftelijke inlichtingen bij het college ingewonnen. Bij brieven van 28 en 30 juli 2014 heeft het college gereageerd. Bij brief van 26 augustus 2014 heeft [appellante] hierop gereageerd.

Met toestemming van partijen is afgezien van verdere behandeling van de zaak ter zitting, waarna de Afdeling het onderzoek heeft gesloten.

Overwegingen

1. Aan het besluit van 13 december 2012 heeft het college ten grondslag gelegd dat [appellante] de woning aan de [locatie] te Rotterdam (hierna: de woning) in strijd met artikel 7, tweede lid, van de Huisvestingswet en artikel 2.2, tweede lid, van de Huisvestingsverordening aangewezen gebieden Rotterdam, vanuit een bedrijfsmatige exploitatie, in gebruik heeft gegeven aan een huishouden dat niet beschikt over een huisvestingsvergunning voor deze woning. Er is sprake van een derde overtreding van voornoemde bepalingen.

2. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de maximale huurprijs van de woning lager is dan de geldende huurprijsgrens van € 664,66 per maand, zodat voor de woning een huisvestingsvergunning is vereist. Zij voert aan dat het college zich ten onrechte heeft gebaseerd op de door het huurteam berekende huurprijs voor de woning van € 509,46 per maand. Volgens haar heeft het huurteam bij de berekening van de huurprijs een onjuiste puntentelling gemaakt.

2.1. Het college heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de grond in strijd met de goede procesorde is aangevoerd, omdat deze eerst ter zitting van de Afdeling naar voren is gebracht. Dit standpunt wordt niet gevolgd, gelet op het punitieve karakter van het geschil en nu de grond strekt tot het betoog dat geen overtreding is begaan.

2.2. Het college heeft in eerdergenoemde brief van 30 juli 2014 onderkend dat de door het huurteam opgemaakte puntentelling onjuist is en de boete ten onrechte is opgelegd. De Afdeling ziet geen aanleiding hieromtrent anders te oordelen. Het betoog slaagt derhalve.

3. Het hoger beroep is gegrond. Hetgeen [appellante] overigens heeft aangevoerd, behoeft geen bespreking. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, wordt het inleidend beroep tegen het besluit van 13 december 2012 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en het besluit van 14 augustus 2012 herroepen.

4. Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 26 september 2013 in zaak nr. 13/480;

III. verklaart het in die zaak ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam van 13 december 2012, met kenmerk A.B.2012.2.11744/2012.2.1174/SK;

V. herroept het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam van 14 augustus 2012, met kenmerk IAI.12.05.00049 STZ 12/8145;

VI. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

VII. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam tot vergoeding van bij [appellante] in verband met de behandeling van het bezwaar opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 487,00 (zegge: vierhonderdzevenentachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VIII. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam tot vergoeding van bij [appellante] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.191,50 (zegge: tweeduizend honderdeenennegentig euro en vijftig cent), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

IX. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam aan [appellante] het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 788,00 (zegge: zevenhonderdachtentachtig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, voorzitter, en mr. G.M.H. Hoogvliet en mr. C.M. Wissels, leden, in tegenwoordigheid van mr. F.S.N. Nasrullah-Oemar, griffier.

w.g. Van Altena w.g. Nasrullah-Oemar

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 1 oktober 2014

404.