Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:3562

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
01-10-2014
Datum publicatie
01-10-2014
Zaaknummer
201309862/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2013:7180, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 11 september 2012 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het aan [wederpartij] over 2009 toegekende voorschot kinderopvangtoeslag herzien en vastgesteld op nihil.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201309862/1/A2.

Datum uitspraak: 1 oktober 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de Belastingdienst/Toeslagen,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 19 september 2013 in zaak nr. 12/5329 in het geding tussen:

[wederpartij],

en

de Belastingdienst/Toeslagen.

Procesverloop

Bij besluit van 11 september 2012 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het aan [wederpartij] over 2009 toegekende voorschot kinderopvangtoeslag herzien en vastgesteld op nihil.

Bij besluit van 2 november 2012 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 19 september 2013 heeft de rechtbank het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en de dienst opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van de uitspraak. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de Belastingdienst/Toeslagen hoger beroep ingesteld.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 september 2014, waar de Belastingdienst/Toeslagen, vertegenwoordigd door mr. H.J.E. van der Meer, werkzaam bij de dienst, en [wederpartij], vertegenwoordigd door mr. H.J. Ruysendaal, advocaat te Rotterdam, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 1, eerste lid, van de Wet kinderopvang (hierna: de Wko), zoals deze wet luidde ten tijde van belang, wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen onder kinderopvang verstaan: het bedrijfsmatig of anders dan om niet verzorgen en opvoeden van kinderen tot de eerste dag van de maand, waarop het voortgezet onderwijs voor die kinderen begint.

Ingevolge artikel 5, eerste lid, heeft een ouder jegens het Rijk aanspraak op toeslag in de door hem of zijn partner te betalen kosten van kinderopvang, indien de opvang door tussenkomst van een geregistreerd gastouderbureau plaatsvindt.

Ingevolge artikel 52 geschiedt kinderopvang op basis van een schriftelijke overeenkomst tussen de houder en de ouder.

Ingevolge artikel 11, derde lid, aanhef en onder c, van de Regeling Wet kinderopvang (hierna: de Regeling), zoals deze regeling luidde ten tijde van belang, bevat de administratie van een gastouderbureau tevens de volgende gegevens: afschriften van alle met vraagouders overeengekomen schriftelijke overeenkomsten, vermeldende per overeenkomst: de voor de gastouderopvang te betalen prijs per uur en, indien van toepassing, de bemiddelingskosten, naam, geboortedatum, adres, postcode en woonplaats van het kind, het aantal uren gastouderopvang per kind per jaar, evenals de duur van de overeenkomst.

2. De Belastingdienst/Toeslagen heeft het voorschot kinderopvangtoeslag op nihil gesteld, omdat de kinderopvang niet heeft plaatsgehad op basis van een overeenkomst, als bedoeld in artikel 52 van de Wko, nu deze niet alle gegevens, vermeld in artikel 11, derde lid, aanhef en onder c, van de Regeling, bevat. Tevens heeft de dienst aan de nihilstelling ten grondslag gelegd dat [wederpartij] niet heeft aangetoond dat zij de kosten van kinderopvang volledig heeft voldaan.

3. De rechtbank heeft geoordeeld dat artikel 52 van de Wko slechts eist dat aan de kinderopvang een overeenkomst ten grondslag ligt en niet dat daarin de gegevens, vermeld in artikel 11, derde lid, aanhef en onder c, van de Regeling, zijn opgenomen. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat artikel 52 van de Wko slechts ziet op de administratie van een kindcentrum of gastouderbureau en niet is gericht tot de vraagouder. Daar komt bij dat de aanhef van de Regeling uitdrukkelijk verwijst naar artikel 53 van de Wko en niet naar artikel 52 van die wet. Volgens de rechtbank mag daarom niet aan [wederpartij] worden tegengeworpen dat in de overeenkomst de prijs per uur en het aantal uren kinderopvang niet zijn vermeld.

De rechtbank is daarnaast van oordeel dat de overeenkomst, gelezen in samenhang met een door [wederpartij] in beroep overgelegde nieuwe overeenkomst, moet worden geacht aan de eisen te voldoen, nu in de nieuwe overeenkomst de ontbrekende gegevens alsnog zijn opgenomen.

Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat nihilstelling van het voorschot onredelijk en buitenproportioneel moet worden geacht, indien [wederpartij] kan aantonen een deel van de kosten van kinderopvang te hebben betaald. Volgens de rechtbank dient [wederpartij] opnieuw in de gelegenheid te worden gesteld de betaling van die kosten aan te tonen, omdat de Belastingdienst/Toeslagen haar onvoldoende heeft geïnformeerd op welke wijze zij bewijs diende te leveren en aldus in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel, als bedoeld in artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht, heeft gehandeld.

4. De Belastingdienst/Toeslagen betoogt terecht dat de rechtbank niet heeft onderkend dat een overeenkomst de gegevens, vermeld in artikel 11, derde lid, aanhef en onder c, van de Regeling, dient te bevatten. Zoals de Afdeling reeds in haar uitspraak van 22 januari 2014 in zaak nr. 201308683/1/A2 heeft overwogen, valt uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 11, derde lid, aanhef en onder c, van de Regeling af te leiden dat bedoeld is dat onderzocht kan worden of de aanspraak van de ouder op en de hoogte van de overheidsbijdrage overeenkomt met de overeenkomst die de ouder heeft gesloten (Stcrt. 6 oktober 2004, nr. 192, blz. 6). Dit betekent dat de ouder, om aanspraak op kinderopvangtoeslag te kunnen maken, inzicht dient te geven in de met het gastouderbureau gemaakte afspraken over de kinderopvang, door een akte van een overeenkomst over te leggen, waaruit die afspraken blijken. De overeenkomst dient dan ook de gegevens, vermeld in artikel 11, derde lid, aanhef en onder c, van de Regeling, te bevatten.

Zoals in voormelde uitspraak eveneens is overwogen, doet daar, mede gezien de hiervoor weergegeven bedoeling van artikel 52 van de Wko, niet aan af dat in de aanhef van de Regeling niet uitdrukkelijk naar deze bepaling wordt verwezen.

Verder betoogt de Belastingdienst/Toeslagen terecht dat de prijs per uur en het aantal uren kinderopvang niet in de overeenkomst zijn vermeld, zodat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld de overeenkomst alle benodigde gegevens bevat. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, kan die overeenkomst voorts niet worden geacht de ontbrekende gegevens te bevatten, nu [wederpartij] ter zitting bij de rechtbank heeft erkend dat de in beroep overgelegde overeenkomst waarin deze gegevens wel zijn vermeld, achteraf is opgesteld.

5. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 2 november 2012 van de Belastingdienst/Toeslagen alsnog ongegrond verklaren.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 19 september 2013 in zaak nr. 12/5329;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. D. Krokké, griffier.

w.g. Van Altena w.g. Krokké

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 1 oktober 2014

686.