Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:3560

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
01-10-2014
Datum publicatie
01-10-2014
Zaaknummer
201304456/2/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 2 april 2013, kenmerk 2008-021054, heeft het college aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Grintmaatschappij DOS BV krachtens artikel 19d van de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: de Nbw 1998) een vergunning verleend voor het wijzigen van de locatie voor het ontdiepen van een zandwinplas ten behoeve van natuurontwikkeling in het Natura 2000-gebied Gelderse Poort.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 3:2
Natuurbeschermingswet 1998
Natuurbeschermingswet 1998 19d
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2015/66
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201304456/2/R2.

Datum uitspraak: 1 oktober 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. de stichting Stichting Bewonerscomité Groenlanden, gevestigd te Ooij, gemeente Ubbergen,

2. [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] (hierna in enkelvoud: [appellant sub 2]), wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Gelderland,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 2 april 2013, kenmerk 2008-021054, heeft het college aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Grintmaatschappij DOS BV krachtens artikel 19d van de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: de Nbw 1998) een vergunning verleend voor het wijzigen van de locatie voor het ontdiepen van een zandwinplas ten behoeve van natuurontwikkeling in het Natura 2000-gebied Gelderse Poort.

Tegen dit besluit hebben Stichting Bewonerscomité Groenlanden en [appellant sub 2] beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 november 2013, waar Stichting Bewonerscomité Groenlanden, vertegenwoordigd door T.A.M. Meulemans, [appellant sub 2], vertegenwoordigd door [appellant sub 2B], bijgestaan door mr. E.D.M. Knegt, en het college, vertegenwoordigd door mr. R.A.A.H.H. van Rossum-Loomans, werkzaam bij de provincie, zijn verschenen. Voorts is Grintmaatschappij DOS, vertegenwoordigd door ing. R. Lensink en H. Hooijer, bijgestaan door mr. A.P.J. Blokland, advocaat te Ede, als partij gehoord.

Bij tussenuitspraak van 24 december 2013 in zaak nr. 201304456/1/R2 heeft de Afdeling de raad opgedragen om binnen 12 weken na verzending van deze tussenuitspraak het daarin omschreven gebrek in het besluit van 2 april 2013 te herstellen. Deze tussenuitspraak is aangehecht.

Bij besluit van 6 maart 2014 heeft het college het besluit van 2 april 2013 gewijzigd door het verbinden van een voorschrift aan de vergunning.

Partijen zijn in de gelegenheid gesteld om een zienswijze over het besluit van 6 maart 2014 naar voren te brengen. Stichting Bewonerscomité Groenlanden en [appellant sub 2] hebben van deze gelegenheid gebruik gemaakt.

De Afdeling heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft. Vervolgens heeft de Afdeling het onderzoek gesloten.

Overwegingen

Beroep van rechtswege

1. Het besluit van 6 maart 2014 is ingevolge artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) mede onderwerp van het geding. De beroepen van Stichting Bewonerscomité Groenlanden en [appellant sub 2] worden geacht mede te zijn gericht tegen dit besluit.

Het besluit van 2 april 2013

2. In de tussenuitspraak heeft de Afdeling in 5.2 overwogen dat de duur, de frequentie en het aantal vrachtwagens dat zal gaan rijden tussen de verondiepingslocatie en de haven ten onrechte niet zijn beperkt in de voorschriften van de Nbw-vergunning, terwijl bij de beoordeling van de effecten van het project op het Natura 2000-gebied wel is uitgegaan van een beperking. Het besluit is in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid.

2.1. Gelet hierop zijn de beroepen van Stichting Bewonerscomité Groenlanden en [appellant sub 2] tegen het besluit van 2 april 2013 gegrond. Dit besluit dient wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb te worden vernietigd.

De beroepen van Stichting Bewonerscomité Groenlanden en [appellant sub 2] zijn voor het overige ongegrond.

2.2. De Afdeling heeft de raad opgedragen om binnen 12 weken na de verzending van de tussenuitspraak, met inachtneming van hetgeen in 5.2 van die uitspraak is overwogen, het daarin omschreven gebrek in het besluit van 2 april 2013 te herstellen door alsnog een voorschrift te verbinden aan de Nbw-vergunning die ertoe strekt de duur, de frequentie en het aantal vrachtwagens te beperken.

Het besluit van 6 maart 2014

3. Bij het besluit van 6 maart 2014 heeft het college naar aanleiding van de tussenuitspraak opnieuw een Nbw-vergunning verleend met aanvulling van voorschrift 4.

Dit voorschrift houdt in dat indien het transport wordt uitgevoerd middels vrachtwagens de volgende beperkingen gelden:

a. per dag mogen maximaal 3 vrachtwagens gelijktijdig worden ingezet voor de uitvoering van het transport;

b. het gebruik van vrachtwagens is niet toegestaan in het weekend en niet voor 07.00 uur in de ochtend en na 19:00 uur in de avond.

c. de werkzaamheden moeten worden uitgevoerd gedurende een aaneengesloten periode van maximaal 1 ¾ jaar, welke periode maximaal een voorjaar (1 april tot 1 juli) en twee zomers (1 juli tot 1 oktober) mag omvatten.

d. de datum van starten dient gemeld te worden aan het college.

Voor het overige heeft het college de vergunning niet gewijzigd ten opzichte van de bij besluit van 2 april 2013 verleende vergunning.

4. Stichting Bewonerscomité Groenlanden en [appellant sub 2] hebben in hun zienswijze aangevoerd dat de rijtijden dusdanig hadden moeten worden beperkt dat kunstmatige verlichting van de vrachtwagens in het Natura 2000-gebied wordt voorkomen, aangezien dit schadelijk is voor de flora en fauna in het gebied. Zij stellen daarnaast dat het vergunningvoorschrift ten onrechte niet is afgestemd op de ten behoeve van het project verleende milieuvergunning.

4.1. In de tussenuitspraak heeft de Afdeling geoordeeld dat het college zich heeft mogen baseren op de memo van Bureau Waardenburg van 13 februari 2013. Hetgeen is aangevoerd geeft geen aanleiding hier thans anders over te oordelen. In voornoemde memo wordt uitgegaan van drie vrachtwagens die dagelijks continue op en neer rijden van het fabrieksterrein naar de plas, tijdens reguliere werktijden en -dagen, niet in het weekend, en in de periode zomer 2013 tot en met voorjaar 2015. De conclusie is dat de werkzaamheden, conform deze wijze uitgevoerd, niet leiden tot significante gevolgen voor het Natura 2000-gebied. Nu in het besluit van 6 maart 2014 een vergunningvoorschrift aan de vergunning is verbonden dat aansluit op de gegevens zoals gebruikt in de memo, valt niet in te zien dat het college een verdere beperking in de vergunningvoorschriften had moeten opnemen. Dat aan de milieuvergunning wel een vergunningvoorschrift is verbonden met een verdere beperking van de mogelijkheden van vrachtwagenvervoer, doet hier niet aan af nu dit op zichzelf niet tot de conclusie leidt dat zonder een dergelijke beperking de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied zullen worden aangetast. Het betoog faalt.

5. Stichting Bewonerscomité Groenlanden stelt voorts dat in verband met cumulatie de geluidbelasting ten gevolge van het project onaanvaardbaar zal zijn. Volgens haar is dit gebrek ten onrechte niet door het college gerepareerd.

6. Stichting Bewonerscomité Groenlanden heeft hiermee haar beroepsgronden uitgebreid met nieuwe, niet eerder aangedragen beroepsgronden. Gelet op het belang van een efficiënte geschilbeslechting, dat ook ten grondslag ligt aan artikel 6:13 van de Awb, alsmede de rechtszekerheid van de andere partijen, kan niet worden aanvaard dat na de tussenuitspraak nieuwe beroepsgronden worden aangevoerd die reeds tegen het oorspronkelijke besluit naar voren hadden kunnen worden gebracht. Dit betekent dat hetgeen Stichting Bewonerscomité Groenlanden in dit opzicht aanvoert, buiten inhoudelijke bespreking blijft.

Proceskosten

7. Ten aanzien van Stichting Bewonerscomité Groenlanden is niet gebleken van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van [appellant sub 2] dient het college op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart de beroepen van stichting Stichting Bewonerscomité Groenlanden en [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] tegen het besluit van 2 april 2013 gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Gelderland van 2 april 2013, kenmerk 2008-021054;

III. verklaart de beroepen van stichting Stichting Bewonerscomité Groenlanden en [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] tegen het besluit van 6 maart 2014 ongegrond;

IV. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Gelderland tot vergoeding van bij [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1217,50 (zegge: twaalfhonderdzeventien euro en vijftig cent), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

V. gelast dat het college van gedeputeerde staten van Gelderland aan appellanten het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht vergoedt, ten bedrage van:

a. € 318,00 (zegge: driehonderdachttien euro) voor stichting Stichting Bewonerscomité Groenlanden;

b. € 160,00 (zegge: honderdzestig euro) voor [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B], met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander.

Aldus vastgesteld door mr. E. Helder, voorzitter, en mr. F.C.M.A. Michiels en mr. R. Uylenburg, leden, in tegenwoordigheid van mr. L.A. van Heusden, griffier.

w.g. Helder w.g. Van Heusden

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 1 oktober 2014

647.