Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:356

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-02-2014
Datum publicatie
05-02-2014
Zaaknummer
201307375/1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 21 mei 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Bedrijventerrein Heteren" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201307375/1/R3.

Datum uitspraak: 5 februari 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Divoza Horseworld Heteren B.V. (hierna: Divoza), gevestigd te Heteren, gemeente Overbetuwe,

appellant,

en

de raad van de gemeente Overbetuwe,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 21 mei 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Bedrijventerrein Heteren" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft Divoza beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

Divoza heeft nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 december 2013, waar Divoza, vertegenwoordigd door G.A. Postema en mr. C.F.M. Jungerman, advocaat te Groningen, en de raad, vertegenwoordigd door A.H. van der Wielen, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

2. Divoza exploiteert een bedrijf in paardensportartikelen op het perceel Ressenerbroek 16 op het bedrijventerrein in Heteren, dat deel uitmaakt van het plan. Hij betoogt dat het plan ten onrechte niet toestaat op zijn perceel detailhandel in paardensportartikelen te bedrijven. Hij stelt hiertoe dat zijn bedrijfsassortiment bestaat uit volumineuze goederen, die vanwege hun omvang niet in een traditioneel winkelcentrum thuishoren.

2.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de bedrijfsactiviteiten van Divoza niet kunnen worden aangemerkt als detailhandel in volumineuze goederen. Hiertoe stelt de raad dat de door Divoza gevoerde artikelen, zoals kleding, laarzen, zadels en andere vergelijkbare paardensportartikelen, niet om een groot oppervlak voor de uitstalling vragen. Om deze reden is Divoza volgens de raad goed inpasbaar in een centrumgebied.

2.2. Aan het plandeel voor het perceel van Divoza is de bestemming "Bedrijventerrein" toegekend.

Ingevolge artikel 1, lid 1.42, van de planregels wordt onder detailhandel in volumineuze goederen verstaan detailhandel die vanwege de omvang van de gevoerde artikelen een groot oppervlak nodig heeft voor de uitstalling, zoals verkoop van auto's, boten, caravans, tuininrichtingsartikelen, grove bouwmaterialen, keukens, meubels en woninginrichting en sanitair.

Ingevolge artikel 1, lid 1.71, wordt onder perifere detailhandel verstaan detailhandel welke qua aard en omvang niet in de traditionele winkelcentra (binnenstad, buurt- en wijkcentra) kunnen worden gevestigd.

Ingevolge artikel 3, lid 3.1, onder 3.1.2, is detailhandel op de voor "Bedrijventerrein" aangewezen gronden als zelfstandige activiteit niet toegestaan, met dien verstande dat wel is toegestaan bestaande volumineuze detailhandel en de volgende detailhandel tot een maximum van 1500 m² bruto vloeroppervlak per bedrijf:

a. detailhandel in auto's, motoren, boten, caravans en landbouwwerktuigen;

b. detailhandel in grove bouwmaterialen;

c. detailhandel in bedden, keukens, meubels, kringloop, sanitair en andere vergelijkbare volumineuze goederen;

d. ophaalcentra van internetwinkels, waarbij geen showroom aanwezig is;

e. detailhandel in verwarmingsmaterialen;

f. tuincentra

g. bouwmarkten.

2.3. Niet in geschil is dat het plan op het perceel van Divoza detailhandel in volumineuze goederen toestaat. De raad heeft als beleid gehanteerd dat ter behoud van de bestaande detailhandelsstructuur op het bedrijventerrein alleen detailhandel in volumineuze goederen is toegestaan. De raad heeft toegelicht dat niet-volumineuze detailhandel niet thuishoort op een bedrijventerrein, maar in traditionele winkelcentra. Het toestaan van niet-volumineuze detailhandel op een bedrijventerrein vergroot, volgens de raad, de kans op onwenselijke leegstand in traditionele winkelcentra. De Afdeling acht dit beleid niet onredelijk.

Gelet op hetgeen ter zitting is verhandeld, alsmede in aanmerking genomen het assortiment van de door Divoza voor verkoop aangeboden goederen, zoals onder meer te zien op de website van Divoza, stelt de Afdeling vast dat dit assortiment hoofdzakelijk bestaat uit goederen die geen groot oppervlak voor de uitstalling behoeven. Gelet hierop heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de bedrijfsactiviteiten van Divoza niet kunnen worden aangemerkt als detailhandel in volumineuze goederen, als bedoeld in artikel 1, lid 1.42, van de planregels. In het door Divoza gevoerde betoog dat zijn bedrijfsassortiment vanwege de omvang van daarvan deel uitmakende goederen niet in een traditioneel winkelcentrum thuishoort, behoefde de raad in redelijkheid geen aanleiding te zien van het terzake gevoerde beleid af te wijken en de door Divoza gevoerde detailhandel in het plan toe te staan.

Het betoog faalt.

3. Divoza betoogt dat het plan ten onrechte kringloopwinkels op het bedrijventerrein toestaat. Divoza wijst erop dat een gemiddelde kringloopwinkel serviesgoed, bestek, kinderspeelgoed, boeken en kleding verkoopt en dat deze artikelen niet als volumineus kunnen worden aangemerkt. Door het Divoza niet toe te staan op het bedrijventerrein detailhandel in paardensportartikelen te bedrijven, handelt de raad in strijd met het verbod op willekeur, aldus Divoza.

3.1. De raad stelt zich op het standpunt dat een kringloopwinkel op het bedrijventerrein is toegestaan, omdat de voor de verkoop aangeboden artikelen een groot oppervlak behoeven voor de uitstalling daarvan. De raad wijst erop dat het gaat om uitstalling van goederen, zoals bankstellen, bedden en kasten. De raad stelt dat er weliswaar ook niet-volumineuze goederen worden verkocht in een kringloopwinkel, maar dat dit wat betreft het daardoor ingenomen verkoopoppervlak ondergeschikt is.

3.2. De Afdeling overweegt dat de raad zich in redelijkheid op dit standpunt heeft kunnen stellen. Hierbij is mede van belang dat dit standpunt in overeenstemming is met de in artikel 1, lid 1.42, van de planregels gegeven begripsomschrijving van detailhandel in volumineuze goederen. In hetgeen Divoza heeft aangevoerd bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de raad door kringloopwinkels toe te staan op het bedrijventerrein heeft gehandeld in strijd met het verbod van willekeur.

Het betoog faalt.

4. Divoza betoogt dat het Epplejeck, een bedrijf in dezelfde branche als Divoza in Breda, na een handhavingsprocedure wel was toegestaan zich te vestigen op een perifere locatie.

4.1. Over de door Divoza gemaakte vergelijking met Epplejeck wordt overwogen dat de raad zich op het standpunt heeft gesteld dat deze situatie verschilt van de aan de orde zijnde situatie omdat het gaat om een ander bedrijf in een andere gemeente, alwaar een ander bestemmingsplan geldt. In hetgeen Divoza heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de door Divoza genoemde situatie niet overeenkomt met de thans aan de orde zijnde situatie.

Het betoog faalt.

5. Divoza beroept zich op een brief van 23 januari 2007 van het college van burgemeester en wethouders van Overbetuwe, waarbij in antwoord op een door Divoza ingediend bezwaarschrift een door het college opgelegde last onder dwangsom is herroepen. Divoza stelt dat de raad zich niet houdt aan de toezeggingen die in deze brief zijn gedaan.

5.1. De brief waarnaar Divoza verwijst, betreft een besluit op bezwaar in een handhavingsprocedure. Het in die procedure door Divoza gemaakte bezwaar is gegrond verklaard, omdat het besluit tot het opleggen van een dwangsom onvoldoende op feiten steunde, zodat niet kon worden vastgesteld of sprake was van een overtreding aan de zijde van Divoza. De Afdeling stelt vast dat deze brief geen toezeggingen bevat op grond waarvan de raad is gehouden in het plan te voorzien in de mogelijkheid om op het perceel van Divoza ook detailhandel in niet-volumineuze artikelen te bedrijven. Divoza heeft evenmin anderszins aannemelijk gemaakt dat door of namens de raad verwachtingen zijn gewekt dat het plan hierin zou voorzien.

Het betoog faalt.

6. Gelet op het voorgaande is het beroep ongegrond.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J. Hoekstra, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.S.D. Ramrattansing, ambtenaar van staat.

w.g. Hoekstra w.g. Ramrattansing

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 5 februari 2014

408.