Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:3558

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
01-10-2014
Datum publicatie
01-10-2014
Zaaknummer
201308638/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMNE:2013:2968, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 17 april 2013 heeft het college aan [vergunninghouder] omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van een vrijstaande woning op het perceel [locatie] (hierna: het perceel) te IJsselstein.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2015/111
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201308638/1/A1.

Datum uitspraak: 1 oktober 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant] en anderen,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Midden-Nederland van 2 augustus 2013 in zaken nrs. 13/2848, 13/2849, 13/2828 en 13/2739 in het geding tussen:

[appellant] en anderen en [vergunninghouder],

en

het college van burgemeester en wethouders van IJsselstein.

Procesverloop

Bij besluit van 17 april 2013 heeft het college aan [vergunninghouder] omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van een vrijstaande woning op het perceel [locatie] (hierna: het perceel) te IJsselstein.

Bij uitspraak van 2 augustus 2013 heeft de voorzieningenrechter de door

[appellant] en anderen alsmede door [vergunninghouder] daartegen ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellant] en anderen hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] en anderen en het college hebben nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 juni 2014, waar [appellant] en anderen, vertegenwoordigd door [appellant] en [appellant A], en het college, vertegenwoordigd door mr. M. de Jong, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is daar [vergunninghouder], bijgestaan door H. Beenen, architect, gehoord.

Na het sluiten van het onderzoek ter zitting heeft de Afdeling het onderzoek heropend en het college bij brief van 30 juni 2014 om nadere informatie verzocht. Bij brieven van 24 en 25 juli 2014 met daarbij bijbehorende bijlagen heeft het college op dit verzoek gereageerd. [appellant] en anderen hebben bij brief van 4 augustus 2014 op deze stukken van het college gereageerd.

Met toestemming van partijen is afgezien van verdere behandeling van de zaak ter zitting, waarna de Afdeling het onderzoek heeft gesloten.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 6:13 kan geen beroep bij de administratieve rechter worden ingesteld door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat hij geen zienswijzen als bedoeld in artikel 3:15 van de Awb naar voren heeft gebracht, geen bezwaar heeft gemaakt of geen administratief beroep heeft ingesteld.

Ingevolge artikel 6:24 van de Awb, is deze bepaling in hoger beroep van overeenkomstige toepassing.

2. [appellant] en anderen hebben mede namens [de 2 families] hoger beroep ingesteld. [de 2 families] hebben, anders dan de overige appellanten, tegen het besluit van 17 april 2013 echter geen beroep ingesteld bij de rechtbank. Niet is gebleken van feiten of omstandigheden die meebrengen dat dit achterwege blijven van beroep [de 2 families] redelijkerwijs niet kan worden verweten. Dit leidt er ingevolge artikel 6:13, gelezen in samenhang met artikel 6:24 van de Awb, toe dat [de 2 families] geen hoger beroep konden instellen. Het hoger beroep is, voor zover door hen ingesteld, niet-ontvankelijk.

3. Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo), is het verboden zonder een omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:

a. het bouwen van een bouwwerk,

[…]

c. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan.

[…]

Ingevolge artikel 2.10, eerste lid, wordt, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, de omgevingsvergunning geweigerd, indien:

[…]

c. de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan;

d. het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, in strijd is met redelijke eisen van welstand.

[…]

Ingevolge het tweede lid wordt in gevallen als bedoeld in het eerste lid, onder c, de aanvraag mede aangemerkt als een aanvraag om een vergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, en wordt de vergunning slechts geweigerd indien een vergunningverlening met toepassing van artikel 2.12 niet mogelijk is.

Ingevolge artikel 2.12, aanhef en onder a, 3o, kan, indien de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening en de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat.

4. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "IJsselstein Zuidoost" rust op het perceel de bestemming "Wonen". Het bouwplan is met het bestemmingsplan in strijd, omdat ingevolge de planvoorschriften hoofdgebouwen uitsluitend binnen een bouwvlak mogen worden gebouwd en ter plaatse van het perceel op de plankaart geen bouwvlak is opgenomen.

Om realisering van het bouwplan niettemin mogelijk te maken, heeft het college de omgevingsvergunning, voor zover deze ziet op de activiteit ‘gebruiken van gronden in strijd met het bestemmingsplan’, verleend met toepassing van artikel 2.12, aanhef en onder a, 3o van de Wabo.

5. Het perceel bevindt zich in de nabijheid van het recentelijk aangelegde hofje Hof van Panoven (hierna: het hofje). Afgezien van [appellant] en [appellant B], die aan de nabijgelegen straat Panoven wonen, wonen alle appellanten in het hofje.

6. [appellant] en anderen betogen dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat het college tot het verlenen van de omgevingsvergunning is overgegaan zonder met hun belangen rekening te gehouden. Voor zover zij in het hofje wonen, voeren zij daartoe aan dat zij er bewust voor hebben gekozen om daar te wonen en dat niet meer van een hof kan worden gesproken wanneer, in het kader van realisering van het bouwplan, de muur die als afsluiting daarvan is geplaatst, wordt afgebroken. [appellant] voert aan dat hij door de voorziene bebouwing wordt ingesloten.

6.1. Ter zitting is bevestigd dat de bedoelde muur, die aan de noordwestelijke zijde van het hofje het einde daarvan markeert en die een verbinding vormt tussen schuttingen van tegenover elkaar gelegen woningen, als onderdeel van het bouwplan zal worden verwijderd. De voorzieningenrechter heeft terecht geen aanleiding gevonden voor het oordeel dat door verwijdering van de muur het besloten karakter van het hofje zodanig wordt aangetast dat het college om die reden de omgevingsvergunning in redelijkheid niet heeft kunnen verlenen. Hierbij is van belang dat dat karakter reeds wordt gevormd door de ligging van de woningen, en dat de muur, door zijn relatief geringe hoogte en lengte, daaraan slechts in beperkte mate bijdraagt.

De voorzieningenrechter heeft voorts terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat het college in het betoog van [appellant] dat hij door realisering van het bouwplan wordt ingesloten, aanleiding had behoren te zien de omgevingsvergunning te weigeren. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat de woonomgeving van [appellant] zich reeds kenmerkt door op betrekkelijk korte afstand van elkaar gelegen woningen, terwijl hij vanuit de diepe tuin die tot zijn perceel behoort, in het bijzonder in noordelijke en westelijke richting een relatief vrij zicht heeft. Dat de voorziene woning gedeeltelijk aan de noordoostelijke zijde van zijn tuin grenst en een deel van het zicht vanuit zijn tuin op het hofje wegneemt, leidt aldus niet tot een ander oordeel.

Het betoog faalt.

7. [appellant] en anderen betogen verder dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat het college de omgevingsvergunning in redelijkheid niet heeft kunnen verlenen, omdat het verschil in hoogte tussen het perceel en dat van de aangrenzende percelen onacceptabel is en [appellant] als gevolg van het hoogteverschil tussen zijn tuin en het perceel, bij regenval met onaanvaardbare wateroverlast te maken zal krijgen.

7.1. Bij de brieven van 24 en 25 juli 2014 heeft het college een nadere toelichting gegeven bij twee zich in het dossier bevindende en tot de omgevingsvergunning behorende bouwtekeningen, waarop ter plaatse van het perceel de afvoer van hemelwater naar een sloot is ingetekend. In deze brieven heeft het college vermeld dat vergunninghouder bij hem een verzoek heeft ingediend dat ziet op de afvoer van hemelwater naar het riool in plaats van naar de sloot. Het college heeft twee dienovereenkomstig aangepaste bouwtekeningen als revisietekeningen toegevoegd aan de omgevingsvergunning en heeft de Afdeling deze tekeningen als bijlage bij de voormelde brieven toegestuurd. Het college heeft tevens verklaard dat de hemelwaterafvoer is gecontroleerd door een toezichthouder van de gemeente. Verder heeft het vermeld geen aanwijzingen te hebben voor het standpunt dat het gemeentelijk riool onvoldoende capaciteit heeft voor de verwerking van dat hemelwater, in welk verband het een tekening heeft bijgevoegd waarop de diameter van het gemeentelijk riool is aangegeven. Gelet op het voorgaande wordt overwogen dat voor het oordeel dat voor de afvoer van hemelwater een onvoldoende voorziening is getroffen, geen aanleiding bestaat. De voorzieningenrechter heeft daarom met juistheid geen grond gevonden voor het oordeel dat het college in zoverre onvoldoende rekening heeft gehouden met de belangen van [appellant] en anderen. Hierbij wordt nog in aanmerking genomen dat, zoals ook de voorzieningenrechter heeft overwogen, de hoogte van het vloerpeil van het bouwplan door vergunninghouder is verlaagd van 1,6 m naar 1,3 m boven NAP naar aanleiding van een zienswijze van onder meer [appellant]. Verder bestaat geen aanleiding het oordeel de overweging van de voorzieningenrechter dat bij een vloerpeil van 1,3 m boven NAP de ontwateringsdiepte ter plaatse 0,83 m bedraagt, zodat aan de door het hoogheemraadschap geadviseerde minimale ontwateringsdiepte van 0,8 m wordt voldaan, voor onjuist te houden. Tevens wordt in aanmerking genomen dat een keermuur aan onder meer de zijde van het perceel van [appellant], onderdeel uitmaakt van het bouwplan. Ook voor het overige hebben [appellant] en anderen hebben niet aannemelijk gemaakt dat het hoogteverschil tussen het perceel en de daaraan grenzende percelen zodanig de belangen van de bewoners van die percelen schaadt, dat het college de omgevingsvergunning om die reden in redelijkheid niet heeft kunnen verlenen.

Het betoog faalt.

8. [appellant A] betoogt bij afzonderlijk hogerberoepschrift dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat het college was gehouden de omgevingsvergunning te weigeren wegens strijd van het bouwplan met redelijke eisen van welstand. Hij voert daartoe aan dat het bouwplan ten onrechte niet voldoet aan alle specifieke criteria voor het gebied H5.2, ‘Stroomruglint Panoven’ (hierna: de gebiedsgerichte criteria), die zijn opgenomen in de welstandsnota van de gemeente IJsselstein (hierna: de welstandsnota). Naar hij stelt volgt uit deze criteria dat bij nieuwbouw moet worden gestreefd naar zorgvuldige inpassing tussen de bestaande bebouwing, waarbij rekening wordt gehouden met de bouwstijl van de naastgelegen bebouwing. Het bouwplan voldoet hier volgens hem niet aan omdat de vorm, het materiaal en de kleur, afwijken van die van de bebouwing in het hofje. In dit verband wijst hij onder meer op het witte stucwerk en de vorm van het dak. Vanwege deze afwijkingen, en het feit dat in de brief van 4 juli 2013 van de welstandscommissie IJsselstein (hierna: de welstandscommissie) is vermeld dat het ten dele toepassen van ander materiaal en een andere kleur ook denkbaar zouden zijn, is het welstandsadvies dusdanig onevenwichtig dat de voorzieningenrechter hierin ten onrechte geen aanleiding heeft gezien het besluit van 17 april 2013 te vernietigen, aldus [appellant A].

8.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 11 december 2013 in zaak nr. 201300191/1/A1), mag het college, hoewel het niet aan een welstandsadvies is gebonden en de verantwoordelijkheid voor welstandstoetsing bij hem berust, aan het advies in beginsel doorslaggevende betekenis toekennen. Tenzij het advies naar inhoud of wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont dat het college dit niet - of niet zonder meer - aan zijn oordeel omtrent de welstand ten grondslag heeft mogen leggen, behoeft het overnemen van een welstandsadvies in beginsel geen nadere toelichting. Dit is anders indien de aanvrager of een derde-belanghebbende een advies overlegt van een andere deskundig te achten persoon of instantie, dan wel gemotiveerd aanvoert dat het welstandsadvies in strijd is met de volgens de welstandsnota geldende criteria. Ook laatstgenoemde omstandigheid kan aanleiding geven tot het oordeel dat het besluit van het college in strijd is met artikel 2.10, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wabo en niet berust op een deugdelijke motivering. Dit neemt echter niet weg dat een welstandsnota criteria kan bevatten die zich naar hun aard beter lenen voor beoordeling door een deskundige dan voor beoordeling door een aanvrager of derde-belanghebbende.

8.2. Het college heeft zijn standpunt dat het bouwplan niet in strijd is met redelijke eisen van welstand gebaseerd op het positieve advies van de welstandscommissie van 20 december 2012, alsmede op het advies van 4 juli 2013 dat de commissie heeft opgesteld naar aanleiding van het schrijven van 26 mei 2013 van architect W. Janssen dat [appellant A] in het kader van zijn beroep bij de rechtbank heeft overgelegd.

In het welstandsadvies van 20 december 2012 heeft de welstandscommissie overwogen dat, nu de gebiedsgerichte criteria met name zijn afgeleid uit de karakteristiek van het oorspronkelijke bebouwingslint aan de straat Panoven, en het hofje en de voorziene woning als een op zichzelf staand nieuw woonbuurtje aan die oorspronkelijke bebouwing worden toegevoegd, het bouwplan met name dient te worden getoetst aan de algemene criteria. In verband met aansluiting op het bebouwingslint, is toetsing aan de gebiedsgerichte criteria volgens de commissie eveneens relevant. De commissie vermeldt voorts dat de woning in hoofdlijnen ook aan het van toepassing zijnde ‘type B’ van de gebiedsgerichte criteria voldoet, omdat de hoogte van de woning passend is binnen het afwisselende bebouwingsbeeld van een tot twee lagen, en afgedekte bouwmassa’s in de omgeving veel voorkomen. Verder is met betrekking tot kleur- en materiaalgebruik vermeld dat hiermee in voldoende mate wordt aangesloten bij de omgeving, die bestaat uit de dubbele en vrijstaande woningen met erkers (horizontale belijning) aan het hofje en de dubbele woningen aan de Nova Zemblastraat (gemengd lichte en donkere kleurstelling). In het welstandsadvies van 4 juli 2013 staat dat de woning bestaat uit een gedeelte metselwerk en een gedeelte stucwerk. Het metselwerk voegt zich naar de omgeving en past bij de donkere plinten van de andere woningen, aldus het advies. Het witte stucwerk wijkt af van de woningen van het hofje en maakt de woning meer prominent. Gezien de bijzondere ligging van de woning, te weten wat verder van de straat maar wel in de as ervan en vanwege het feit dat de woning wat de hoogte betreft ondergeschikt is, acht de commissie dit niet bezwaarlijk.

De voorzieningenrechter heeft terecht onvoldoende aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat het welstandsadvies van 20 december 2012, aangevuld met het advies van 4 juli 2013, onevenwichtig is dan wel anderszins zodanige gebreken vertoont dat het college dit niet aan zijn oordeel over de welstand ten grondslag mocht leggen. Anders dan [appellant A] betoogt, heeft het college aannemelijk gemaakt dat het bouwplan niet aan alle gebiedsgerichte criteria hoeft te voldoen. Ter zitting heeft het college dienaangaande verklaard dat in de welstandsnota is opgenomen dat het in bijzondere situaties, wanneer de gebiedsgerichte criteria ontoereikend zijn, nodig kan zijn terug te grijpen op de algemene welstandscriteria. Voorts heeft het verklaard dat in dit geval de gebiedsgerichte criteria weliswaar niet volledig van toepassing zijn omdat deze uitgaan van de oorspronkelijke lintbebouwing aan de straat Panoven, maar dat het bouwplan daarmee wel raakvlakken heeft, zodat ook de gebiedsgerichte criteria bij de welstandstoetsing zijn betrokken. Voorts wordt in aanmerking genomen dat [appellant A] door middel van het schrijven van 26 mei 2013 volstaat met de constateringen dat de woning op de voorziene locatie in het oog springende bebouwing zal zijn, dat kenmerken ervan afwijken van de verschijningsvorm van de ter plaatse aanwezige woningen, en dat de woning daarom niet past op de voorziene locatie, zonder daarbij echter te motiveren waarom de welstandsadviezen met de welstandscriteria in strijd zijn. Tevens is van belang dat de welstandscommissie in haar adviezen ook in acht heeft genomen het positieve advies van 18 juli 2011 van de stedenbouwkundige van de gemeente IJsselstein, waarin is overwogen dat de voorziene woning het straatbeeld van de lintbebouwing aan de Panoven niet verstoort. Ook is daarin vermeld dat de woning een goede toevoeging is voor de verdere ontwikkeling van het hofje, omdat bij het ontwerp daarvan al rekening is gehouden met een mogelijke uitbreiding van het aantal woningen in westelijke richting en de woning daarbinnen goed past.

De voorzieningenrechter heeft voorts in de vermelding in het schrijven van 4 juli 2013 dat het geheel uitvoeren van de woning in baksteen en het toepassen van een andere kleurstelling ook denkbaar zouden zijn, terecht evenmin aanleiding gezien voor het oordeel dat het college de welstandsadviezen niet aan zijn besluitvorming ten grondslag heeft kunnen leggen. Dit betreft een vermelding ten overvloede, die niet afdoet aan de omstandigheid dat de welstandscommissie, wier toetsing zich terecht heeft beperkt tot het bouwplan zoals dat is aangevraagd, met betrekking tot dit bouwplan heeft geconcludeerd dat het niet met redelijke eisen van welstand in strijd is.

Het betoog faalt.

9. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep, voor zover ingesteld door de families [de 2 families], niet-ontvankelijk;

II. bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J. Hoekstra, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. D.A.B. Montagne, griffier.

w.g. Hoekstra w.g. Montagne

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 1 oktober 2014

374-619.