Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:3554

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
01-10-2014
Datum publicatie
01-10-2014
Zaaknummer
201307140/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 2 juli 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Landelijk Gebied Zuid" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Wet ruimtelijke ordening
Wet milieubeheer
Besluit milieu-effectrapportage 1994
Natuurbeschermingswet 1998
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Milieurecht Totaal 2014/5917
Module Ruimtelijke ordening 2015/7269
JOM 2014/1007
JBO 2014/211 met annotatie van D. van der Meijden
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201307140/1/R1.

Datum uitspraak: 1 oktober 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellante sub 1A] en [appellant sub 1B], gevestigd onderscheidenlijk wonend te Egmond-Binnen, gemeente Bergen (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 1]),

2. [appellant sub 2], wonend te Egmond aan den Hoef, gemeente Bergen,

3. [appellant sub 3], wonend te Bergen,

4. [appellant sub 4], wonend te Egmond aan den Hoef, gemeente Bergen,

5. [appellant sub 5], wonend te Bergen,

6. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Bungalowpark Mooyeveld B.V., gevestigd te Egmond-Binnen, gemeente Bergen,

7. [appellante sub 7A] en [appellant sub 7B], gevestigd onderscheidenlijk wonend te Castricum (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 7]),

8. [appellante sub 8], wonend te Bergen,

9. [appellant sub 9A] en [appellant sub 9B], beiden wonend te Bergen,

10. [appellant sub 10A] en [appellante sub 10B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 10]), beiden wonend te Bergen,

11. de vereniging Land- en Tuinbouw Organisatie Noord (hierna: LTO Noord), gevestigd te Zwolle,

12. de stichting Stichting Behoud Historisch Landschap Bergen-Egmond-Schoorl (hierna: Stichting BHL), gevestigd te Bergen,

13. [appellant sub 13A] en [appellante sub 13B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 13A]), beiden wonend te Bergen,

14. [appellante sub 14], wonend te Egmond aan Zee, gemeente Bergen,

15. [appellante sub 15], gevestigd te Egmond-Binnen, gemeente Bergen, en anderen,

en

de raad van de gemeente Bergen (NH),

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 2 juli 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Landelijk Gebied Zuid" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben alle appellanten beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

Een aantal partijen heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 juli 2014, waar appellanten in persoon zijn verschenen en/of zich hebben doen vertegenwoordigen, behoudens [appellant sub 3] en [appellante sub 14]. De raad heeft zich doen vertegenwoordigen.

De Afdeling heeft de behandeling van het beroep van [belanghebbende] en anderen afgesplitst en voortgezet onder zaak nr. 201307140/3/R1.

Overwegingen

Het plan

1. Het plan voorziet in een actualisering van het planologisch-juridisch kader voor het landelijke gebied ten zuiden van de kern Bergen. Het plan is overwegend conserverend van aard.

Toetsingskader

2. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Milieueffectrapportage

Ontvankelijkheid

3. De raad stelt zich op het standpunt dat het beroep van Stichting BHL voor zover zij aanvoert dat ten onrechte geen milieueffectrapport voor een plan (hierna: plan-MER) is gemaakt niet-ontvankelijk is, omdat zij deze beroepsgrond niet in haar zienswijze heeft aangevoerd.

De Afdeling overweegt dat binnen de door de wet en de goede procesorde begrensde mogelijkheden, geen rechtsregel eraan in de weg staat dat bij de beoordeling van het beroep gronden worden betrokken die na het nemen van het bestreden besluit zijn aangevoerd en niet als zodanig in de uniforme openbare voorbereidingsprocedure met betrekking tot het desbetreffende besluitonderdeel naar voren zijn gebracht. Gelet hierop bestaat geen aanleiding het beroep van Stichting BHL in zoverre niet-ontvankelijk te verklaren.

Inhoudelijk

4. [appellant sub 2] en Stichting BHL richten zich tegen de mogelijkheden om binnen de agrarische bestemmingen het bouwvlak volledig te bebouwen, het bouwvlak tot een maximum van 1,5 ha te vergroten en buiten het bouwvlak sleufsilo’s en boogkassen op te richten. [appellant sub 2] en Stichting BHL betogen dat ten onrechte geen plan-MER is gemaakt. Zij voeren daartoe aan dat een plan-MER diende te worden gemaakt omdat als gevolg van het plan melkveehouderijen kunnen uitbreiden waardoor de drempelwaarden in categorie 14 in onderdeel D van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage 1994 (hierna: Besluit m.e.r.) worden overschreden. Ook diende volgens hen een plan-MER te worden gemaakt omdat niet is uitgesloten dat deze uitbreidingsmogelijkheden significante gevolgen kunnen hebben op nabijgelegen Natura 2000-gebieden en daarom een passende beoordeling diende te worden gemaakt.

4.1. Ingevolge artikel 1.1, tweede lid, onder a, van de Wet milieubeheer worden onder gevolgen voor het milieu in ieder geval verstaan gevolgen voor het fysieke milieu, gezien vanuit het belang van de bescherming van mensen, dieren, planten en goederen, van water, bodem en lucht en van landschappelijke, natuurwetenschappelijke en cultuurhistorische waarden en van de beheersing van het klimaat, alsmede van de relaties daartussen.

Ingevolge artikel 7.2, eerste lid, aanhef en onder a, en tweede lid, in samenhang met artikel 2, eerste en derde lid, van het Besluit m.e.r. en onderdeel D, categorie 14, van de bijlage bij dit besluit, dient bij de voorbereiding van een bestemmingsplan dat voorziet in de oprichting, wijziging of uitbreiding van een installatie voor het fokken, mesten of houden van onder meer 200 stuks melk-, kalf- of zoogkoeien ouder dan 2 jaar, 340 stuks vrouwelijk jongvee tot 2 jaar, 340 stuks melk-, kalf- en zoogkoeien ouder dan 2 jaar en vrouwelijk jongvee tot 2 jaar, 1.200 stuks vleesrunderen, 2.000 stuks schapen of geiten of 100 stuks paarden of pony’s, waarbij het aantal bijbehorende dieren in opfok jonger dan 3 jaar niet wordt meegeteld, een plan-MER te worden gemaakt voor zover dit plan een kader vormt voor een besluit als omschreven in kolom 4. Dit betreft een besluit waarvoor een besluit-MER moet worden gemaakt.

Ingevolge artikel 7.2a, eerste lid wordt een MER gemaakt bij de voorbereiding van een op grond van een wettelijke of bestuursrechtelijke bepaling verplicht vast te stellen plan waarvoor, in verband met een daarin opgenomen activiteit, een passende beoordeling moet worden gemaakt op grond van artikel 19j, tweede lid, van de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: Nbw 1998).

Ingevolge artikel 7.7, eerste lid, aanhef en onder e, wordt een plan-MER opgesteld door het bevoegd gezag en bevat dat ten minste onder meer een beschrijving van de gevolgen voor het milieu, die de voorgenomen activiteit, onderscheidenlijk de beschreven alternatieven kunnen hebben, alsmede een motivering van de wijze waarop deze gevolgen zijn bepaald en beschreven;

Ingevolge artikel 7.13, eerste lid, aanhef en onder a, stelt het bevoegd gezag een plan niet vast dan nadat het toepassing heeft gegeven aan paragraaf 7.4 van de Wet milieubeheer, die ziet op de voorbereiding van een plan-MER.

4.2. Aan agrarische gronden in het plangebied zijn de bestemmingen "Agrarisch - Bollenconcentratiegebied", "Agrarisch - Landschapsbehoud" en "Agrarisch - Natuurontwikkeling" toegekend. [appellant sub 2] woont op het perceel [locatie 4] te Egmond aan den Hoef. Zijn perceel wordt omringd door gronden met de bestemming "Agrarisch - Landschapsbehoud".

Ingevolge artikel 1, lid 1.8, aanhef en onder a, b en g, wordt onder een agrarisch bedrijf verstaan een bedrijf, gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen en/of het houden van dieren, nader te onderscheiden in onder meer akker- en vollegrondstuinbouw, grondgebonden veehouderij en bollenteelt. Onder akker- en vollegrondstuinbouw wordt verstaan de teelt van gewassen op open grond, daaronder niet begrepen bosbouw, sier- en fruitteelt. Onder grondgebonden veehouderij wordt verstaan het houden van melk- en ander vee (nagenoeg) geheel op open grond (waaronder ook paardenfokkerij verstaan wordt). Onder bollenteelt wordt verstaan de teelt van bloembollen, bolbloemen en knolgewassen, de teelt van snijbloemen en van vergelijkbare laag blijvende eenjarige en vastbloeiende tuinplanten, dan wel de teelt van vollegronds laagblijvende tuinbouwproducten als eenjarige wisselteelt, niet zijnde sierteelt, boomkwekerij/-teelt, fruitteelt en bosbouw.

Ingevolge artikel 3, lid 3.1, aanhef en onder a en b, zijn de voor "Agrarisch - Bollenconcentratiegebied" aangewezen gronden onder meer bestemd voor bollenteelt, zoals bedoeld in artikel 1 lid 1.8, onder g, en grondgebonden veehouderij, zoals bedoeld in artikel 1 lid 1.8, onder b.

Ingevolge lid 3.2.1, onder c, zijn overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, waaronder sleufsilo's en gaas- of boogkassen, zowel binnen als buiten het bouwvlak toegestaan.

Ingevolge lid 3.2.2, onder c, mag het bouwvlak volledig worden bebouwd, met dien verstande dat de bedrijfsgebouwen uitsluitend mogen worden gebouwd ten behoeve van een volwaardig agrarisch bedrijf.

Ingevolge lid 3.7.2 is het college van burgemeester en wethouders bevoegd ten behoeve van volwaardige agrarische bedrijven de op de kaart aangegeven begrenzing van het bouwvlak te wijzigen, met inachtneming van het volgende:

a. planwijziging wordt uitsluitend toegestaan, indien dit voor een doelmatige bedrijfsvoering noodzakelijk is; hiervan is in ieder geval sprake indien wijziging van het bouwvlak op grond van de milieuwetgeving of uit oogpunt van dierwelzijn noodzakelijk is;

b. planwijziging wordt uitsluitend toegepast indien aanwezige landschappelijke, cultuurhistorische en natuurwaarden niet in onevenredige mate worden geschaad;

c. de bedrijfsvoering en ontwikkelingsmogelijkheden van de omliggende (agrarische) bedrijven mogen niet onevenredig worden beperkt;

d. planwijziging mag niet leiden tot onaanvaardbare milieuhinder ter plaatse van omliggende gevoelige functies;

e. het oppervlak van het bouwvlak mag met maximaal 50% worden vergroot tot een maximum van 1,5 ha;

f. een verzoek om toepassing van deze wijzigingsbevoegdheid wordt ter toetsing voorgelegd aan de agrarisch deskundige omtrent de vraag of aan het gestelde onder a van deze regel wordt voldaan;

g. een verzoek om toepassing van deze wijzigingsbevoegdheid wordt ter toetsing voorgelegd aan de natuur- en landschapsdeskundige;

h. een verzoek om toepassing van de wijzigingsbevoegdheid wordt ter toetsing voorgelegd aan de waterbeheerder.

Ingevolge artikel 4, lid 4.1, aanhef en onder a en b, zijn de voor "Agrarisch - Landschapsbehoud" aangewezen gronden onder meer bestemd voor grondgebonden veehouderij, zoals bedoeld in artikel 1 lid 1.8, onder b en ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch-bollenteelt' tevens voor bollenteelt", zoals bedoeld in artikel 1 lid 1.8 onder g.

Ingevolge artikel 5, lid 5.1, aanhef en onder a en b, zijn de voor "Agrarisch - Natuurontwikkeling" aangewezen gronden onder meer bestemd voor grondgebonden veehouderij, zoals bedoeld in artikel 1 lid 1.8, onder b en ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch-bollenteelt" tevens voor bollenteelt", zoals bedoeld in artikel 1 lid 1.8 onder g.

Binnen de bestemmingen "Agrarisch - Landschapsbehoud" en "Agrarisch - Natuurontwikkeling" zijn evenals binnen de bestemming "Agrarisch - Bollenconcentratiegebied" overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, waaronder sleufsilo's en gaas- of boogkassen, zowel binnen als buiten het bouwvlak toegestaan en mogen de bouwvlakken volledig worden bebouwd. Voorts zijn binnen deze bestemmingen ook wijzigingsbevoegdheden voor vergroting van het agrarisch bouwvlak opgenomen. De voorwaarden voor toepassing zijn gelijk aan de voorwaarden voor toepassing van de wijzigingsbevoegdheid voor vergroting van het bouwvlak binnen de bestemming "Agrarisch - Bollenconcentratiegebied".

4.3. De voorheen geldende bestemmingsplannen voor het plangebied zijn de bestemmingsplannen "Weidegebied 1993" van de gemeente Bergen en "Landelijk Gebied 1998" van de voormalige gemeente Egmond.

In het bestemmingsplan "Weidegebied 1993" was aan agrarische bouwpercelen de aanduiding "Agrarische bouwpercelen" toegekend. De agrarische bouwpercelen mochten volledig worden gebouwd.

In het bestemmingsplan "Landelijk Gebied 1998" was aan agrarische gronden de bestemmingen "Open agrarisch gebied (Ao)" en "Agrarisch gebied met landschappelijke en natuurlijke waarden (Aln)" toegekend. Binnen deze bestemmingen mocht de bebouwde oppervlakte per bouwvlak van alle bouwvlakken die ten oosten van de Herenweg waren gelegen niet meer dan 60% van het bouwvlak bedragen of maximaal 6.000 m2 indien het bouwperceel kleiner was dan 1 ha.

4.4. De Afdeling stelt vast dat als gevolg van de uitbreidingsmogelijkheden binnen de agrarische bestemmingen uitbreidingen van grondgebonden veehouderijen toegestaan zijn waardoor de drempelwaarden in onderdeel D, categorie 14, van de bijlage bij het Besluit m.e.r. worden overschreden. Nu het plan een kader vormt voor een besluit als genoemd in kolom 4 diende derhalve bij de vaststelling van het plan een plan-MER te worden gemaakt. De raad heeft evenwel nagelaten een plan-MER te maken. Het plan is derhalve vastgesteld in strijd met artikel 7:13, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet milieubeheer, gelezen in samenhang met artikel 7.2, eerste lid, aanhef en onder a, en tweede lid, van de Wet milieubeheer en artikel 2, eerste en derde lid, van het Besluit m.e.r. en onderdeel D, categorie 14, van de bijlage bij dit besluit. Het betoog slaagt. Gelet hierop behoeft het betoog van [appellant sub 2] en Stichting BHL dat een plan-MER diende te worden gemaakt omdat ook een passende beoordeling diende te worden gemaakt niet te worden besproken.

4.5. De raad stelt zich op het standpunt dat het relativiteitsvereiste in de weg staat aan vernietiging vanwege deze grond. Volgens de raad strekt de verplichting tot het maken van een plan-MER alleen ter bescherming van het milieu en niet tot bescherming van de belangen van individuele omwonenden zoals [appellant sub 2].

4.6. Ingevolge artikel 8:69a van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) vernietigt de bestuursrechter een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept.

4.7. Ingevolge artikel 1 van de richtlijn 2001/42 EG betreffende de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma's (PB L 197 van 21 juli 2001, blz. 30; hierna: SMB-richtlijn) heeft de SMB-richtlijn ten doel te voorzien in een hoog milieubeschermingsniveau en bij te dragen tot de integratie van milieuoverwegingen in de voorbereiding en vaststelling van plannen en programma's, met het oog op de bevordering van duurzame ontwikkeling, door ervoor te zorgen dat bepaalde plannen en programma's die aanzienlijke effecten op het milieu kunnen hebben overeenkomstig deze richtlijn aan een milieubeoordeling worden onderworpen.

4.8. De Afdeling overweegt dat het doel van de verplichting om bij een overschrijding van de drempelwaarden in categorie 14 in onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. een plan-MER te maken is om te voorzien in een hoog milieubeschermingsniveau en bij te dragen aan de integratie van milieuoverwegingen in de voorbereiding en vaststelling van plannen en programma's door ervoor te zorgen dat bepaalde plannen en programma's die aanzienlijke effecten op het milieu kunnen hebben aan een milieubeoordeling worden onderworpen. Blijkens haar statuten is het belang van Stichting BHL het behoud van de cultuurhistorische waarden in het landelijk gebied van de gemeente Bergen (NH) en aangrenzende gebieden in de buurgemeenten. Het belang van [appellant sub 2] is het behoud van een goed woon- en leefklimaat. Deze verplichting strekt ter bescherming van hun belangen, omdat in een plan-MER onder meer de mogelijke effecten voor mensen en cultuurhistorische waarden dienen te worden beschreven. Gelet hierop staat artikel 8:69a van de Awb niet in de weg aan vernietiging van het bestreden besluit vanwege strijd met artikel 7.13, eerste lid, aanhef en onder a, gelezen in samenhang met artikel 7.2, eerste lid, aanhef en onder a, en tweede lid, van de Wet milieubeheer en artikel 2, eerste en derde lid, van het Besluit m.e.r. en onderdeel D, categorie 14, van de bijlage bij dit besluit. Het betoog van de raad faalt.

5. In hetgeen [appellant sub 2] en Stichting BHL hebben aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover het betreft de plandelen met de bestemmingen "Agrarisch - Bollenconcentratiegebied", "Agrarisch - Landschapsbehoud" en "Agrarisch - Natuurontwikkeling" is vastgesteld in strijd met artikel 7.13, eerste lid, aanhef en onder a, gelezen in samenhang met artikel 7.2, eerste lid, aanhef en onder a, en tweede lid, van de Wet milieubeheer en artikel 2, eerste en derde lid, van het Besluit m.e.r. en onderdeel D, categorie 14, van de bijlage bij dit besluit. De beroepen van [appellant sub 2] en Stichting BHL zijn gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

Dubbelbestemming "Waarde - Archeologie - 4"

6. LTO Noord en [appellant sub 7] betogen dat ten onrechte de bestemming "Waarde - Archeologie - 4" is toegekend aan gronden die in gebruik zijn voor de teelt van bloembollen onderscheidenlijk aan de gronden in de Sammerpolder, gelegen tussen de [locatie 1] en de Heilooërzeeweg, waarvan [appellant sub 7] eigenaar is.

Volgens LTO Noord zijn de gronden reeds tot een grotere diepte dan 40 cm bewerkt ten behoeve van de bollenteelt. Volgens LTO Noord wordt bij bollenteelt veelal gebruik gemaakt van zandgrond en zijn gronden diep bewerkt om de dieper gelegen zandlagen in de bodem te kunnen gebruiken. Zij stelt dat gronden die al een eeuw geleden in gebruik waren voor de bollenteelt tot een diepte van ongeveer 80 tot 100 cm zijn bewerkt. Gronden die de afgelopen 30 tot 40 jaar in gebruik zijn genomen voor de bollenteelt zijn volgens LTO Noord tot een diepte van 3 tot 4 m bewerkt, omdat bij deze gronden de zandlagen dieper lagen dan bij gronden die een eeuw geleden al in gebruik waren voor bollenteelt. Volgens haar is het daarom onevenredig bezwarend voor agrarische ondernemers om bij iedere vergunningplichtige activiteit aan te moeten tonen dat de gronden reeds diep zijn bewerkt.

[appellant sub 7] voert ter ondersteuning van zijn betoog aan dat hij door de bestemming in zijn bedrijfsvoering wordt beperkt, omdat hij als gevolg van die bestemming voor diepploegen een aanlegvergunning moet aanvragen. [appellant sub 7] licht toe dat diepploegen noodzakelijk is voor de drainering van de bollenpercelen en reeds sinds lange tijd op zijn gronden plaatsvindt.

6.1. Volgens de raad vloeit de dubbelbestemming

"Waarde - Archeologie - 4" voort uit de beleidskaart archeologie die gebaseerd is op verscheidene bureauonderzoeken. Dit betekent dat in bepaalde gevallen voorafgaand aan verstoringen in de bodem archeologisch onderzoek moet worden uitgevoerd. Op locaties waar de bodem reeds tot op grote diepte is verstoord, is volgens de raad geen archeologisch onderzoek vereist. De raad acht het redelijk dat degene die werkzaamheden wil uitvoeren moet aantonen dat de grond reeds tot op grote diepte is verstoord. Volgens de raad hebben LTO Noord en [appellant sub 7] niet aannemelijk gemaakt dat gronden die in gebruik zijn voor bollenteel tot een grotere diepte dan

40 cm zijn bewerkt.

6.2. Aan de percelen van [appellant sub 7] in de Sammerpolder is de bestemming "Agrarisch - Bollenconcentratiegebied" toegekend en de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie - 4".

Aan andere gronden met de bestemming "Agrarisch - Bollenconcentratiegebied" en gronden met de bestemming "Agrarisch - Landschapsbehoud" met de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch-bollenteelt" en "Agrarisch - Natuurontwikkeling" met de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch-bollenteelt" is eveneens de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie 4" toegekend.

Ingevolge artikel 28, lid 28.1, van de planregels zijn de voor "Waarde - Archeologie - 4" aangewezen gronden mede bestemd voor de bescherming en de veiligstelling van archeologische waarden.

Ingevolge lid 28.4.1 is het verboden op of in de gronden met de bestemming "Waarde - Archeologie - 4" zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, aan te leggen, of werkzaamheden met een grotere omvang dan 2.500 m² uit te voeren:

a. het uitvoeren van grondbewerkingen op een grotere diepte dan 40 cm, waartoe worden gerekend afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen aanleggen van drainage, tenzij deze werkzaamheden noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een bouwplan waarvoor afwijking, zoals in lid 28.3.1 bedoeld, is verleend;

b. het aanleggen of rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd;

c. het aanleggen van ondergrondse kabels en leidingen en het aanbrengen van daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur.

Ingevolge lid 28.4.2 is het verbod in lid 28.4.1 niet van toepassing, indien de werken en werkzaamheden:

a. noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een bouwplan waarbij lid 28.2 in acht is genomen;

b. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan;

c. ten dienste van archeologisch onderzoek worden uitgevoerd;

d. normaal onderhoud en beheer ten dienste van de bestemming betreffen. Het verbod in lid 28.4.1 is evenmin van toepassing indien de grond aantoonbaar al dieper bewerkt is dan de diepte waarop de werken en werkzaamheden toezien.

Ingevolge lid 28.4.3 zijn de werken en werkzaamheden, zoals bedoeld in lid 28.4.1, slechts toelaatbaar, indien de aanvrager van de omgevingsvergunning aan de hand van nader archeologisch onderzoek kan aantonen dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden aanwezig zijn. Voorts zijn de werken en werkzaamheden toelaatbaar, indien:

a. de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken of werkzaamheden een rapport heeft overlegd waarin de archeologische waarde van de betrokken locatie naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld;

b. de betrokken archeologische waarden, gelet op dit rapport, door de activiteiten niet worden geschaad of mogelijke schade kan worden voorkomen door aan de omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken of werkzaamheden regels te verbinden, gericht op het behoud van de archeologische resten in de bodem, het doen van opgravingen dan wel het begeleiden van de bouwactiviteiten door een archeologische deskundige.

6.3. In paragraaf 3.6 van de plantoelichting is de beleidskaart Archeologische verwachtingswaarden opgenomen. Die kaart is tot stand gekomen op basis van verschillende bureauonderzoeken van de Cultuurcompagnie. Op deze kaart zijn de percelen met de agrarische bestemmingen en de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie - 4" aangeduid als "plangebieden groter dan 2.500 m² en dieper dan 40 cm". In de plantoelichting staat dat archeologisch onderzoek achterwege kan blijven als de grond aantoonbaar reeds is verstoord in het verleden.

6.4. Ingevolge artikel 38a, eerste lid, van de Monumentenwet 1988 (hierna: Monumentenwet) houdt de raad bij de vaststelling van een bestemmingsplan als bedoeld in artikel 3.1 van de Wro en bij de bestemming van de in het plan begrepen grond, rekening met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten.

Ingevolge artikel 39, eerste lid kan bij een bestemmingsplan in het belang van de archeologische monumentenzorg een omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onderdeel b, van de Wabo verplicht worden gesteld.

6.5. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraken van 9 december 2009 in zaak nr. 200801932/1 en 29 september 2010 in zaak nr. 200809200/1/R1) rust op het gemeentebestuur de plicht zich voldoende te informeren omtrent de archeologische situatie in een gebied alvorens bij een plan uitvoerbare bestemmingen kunnen worden aangewezen en concrete bouwregels voor die bestemmingen kunnen worden vastgesteld. Het onderzoek dat nodig is voor de bescherming van archeologische (verwachtings)waarden kan blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 38a van de Monumentenwet (Kamerstukken II 2003/04, 29 259, nr. 3, blz. 46) bestaan uit het raadplegen van beschikbaar kaartmateriaal, maar wanneer het beschikbare kaartmateriaal ontoereikend is, zal plaatselijk bodemonderzoek in de vorm van proefboringen, proefsleuven of anderszins nodig zijn. Het voldoen aan deze verplichting klemt temeer indien gebruik wordt gemaakt van de wettelijke mogelijkheid om de kosten voor het archeologische vooronderzoek voor rekening te laten komen van de grondeigenaren of gebruikers.

6.6. De Afdeling stelt vast dat in de nota inspraak en overleg naar aanleiding van de inspraakreactie van LTO Noord is vermeld dat gebleken is dat op diverse percelen, in het bijzonder op percelen die in gebruik zijn voor de bollenteelt, de grond in het verleden al diep is bewerkt en derhalve reeds is verstoord. Er bestaan derhalve aanknopingspunten om aan te nemen dat gronden die in gebruik zijn voor de bollenteelt reeds diep zijn verstoord.

Gelet hierop diende de raad naar het oordeel van de Afdeling nader onderzoek te laten uitvoeren naar de mate van verstoring van gronden die in gebruik zijn voor bollenteelt, bijvoorbeeld in de vorm van een veldonderzoek aan de hand van een representatieve steekproef. De raad heeft dit ten onrechte nagelaten. Het plan is derhalve wat betreft de plandelen met de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie - 4" voor zover deze betrekking hebben op gronden met de bestemmingen "Agrarisch - Bollenconcentratiegebied", "Agrarisch - Landschapsbehoud" met de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch-bollenteelt" en "Agrarisch - Natuurontwikkeling" met de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch-bollenteelt" vastgesteld in strijd met de vereiste zorgvuldigheid. Voor zover de raad zich op het standpunt stelt dat het aan degene die werkzaamheden wil uitvoeren is om aan te tonen dat de grond reeds tot op grote diepte is verstoord, overweegt de Afdeling dat het onderzoek dat nodig is voor de bescherming van archeologische (verwachtings)waarden in beginsel kan bestaan uit het raadplegen van beschikbaar kaartmateriaal. Wanneer evenwel aanknopingspunten bestaan om aan te nemen dat gronden in het plangebied reeds diep verstoord zijn waardoor archeologische waarden niet meer aanwezig zijn, zoals in dit geval, dient de raad naar het oordeel van de Afdeling het benodigde aanvullend onderzoek uit te laten voeren (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 7 december 2011 in zaak nr. 201000412/1/R1). Het betoog slaagt.

7. In hetgeen LTO Noord en [appellant sub 7] hebben aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover het betreft de plandelen met de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie - 4" voor zover deze betrekking hebben op gronden met de bestemmingen "Agrarisch - Bollenconcentratiegebied", "Agrarisch - Landschapsbehoud" met de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch-bollenteelt" en "Agrarisch - Natuurontwikkeling" met de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch-bollenteelt", is vastgesteld in strijd met artikel 3:2 van de Awb. De beroepen van LTO Noord en [appellant sub 7] zijn gegrond. De Afdeling zal de voormelde plandelen niet vernietigen, nu dat niet nodig is. Als gevolg van de vernietiging van de plandelen met de bestemmingen "Agrarisch - Bollenconcentratiegebied", "Agrarisch - Landschapsbehoud" en "Agrarisch - Natuurontwikkeling", zie daarvoor overweging 5, zullen voor deze plandelen ook de archeologische dubbelbestemmingen niet meer gelden.

Het beroep van [appellant sub 1]

8. [appellant sub 1], sinds 2012 eigenaar van de percelen [locatie 2] en [locatie 3] te Egmond-Binnen, betoogt dat aan zijn percelen ten onrechte de bestemming "Bedrijf" is toegekend, omdat sinds tien jaar geen bedrijf meer ter plaatse wordt geëxploiteerd. Volgens hem is het feitelijk gebruik sinds 1991 van het perceel [locatie 2] een burgerwoning met kantoorruimte en van het perceel [locatie 3] een recreatiewoning en opslagruimte. Volgens [appellant sub 1] past de wijze waarop de percelen thans worden gebruikt in het gemeentelijk beleid en dient het gebruik derhalve als zodanig te worden bestemd.

8.1. De raad stelt zich op het standpunt dat niet is gebleken dat ten tijde van de vaststelling van het plan geen bedrijf meer op de percelen van [appellant sub 1] aanwezig was. Voorts is gebleken, noch aangetoond dat de percelen sinds 1991 worden gebruikt op de wijze zoals [appellant sub 1] beschrijft, aldus de raad. Voor zover [appellant sub 1] recreatieve nevenfuncties wenst op zijn percelen, zijn die volgens de raad enkel toegestaan bij agrarische bedrijven en niet bij niet-agrarische bedrijven.

Ten aanzien van het perceel [locatie 2] stelt de raad zich in het bijzonder op het standpunt dat een burgerwoning ter plaatse niet mogelijk is, omdat dat negatieve milieuhygiënische gevolgen heeft voor de mogelijkheden in de op perceel [locatie 3] aanwezige loods. Dat de loods van beperkte omvang is en er op dit moment geen milieubelastende activiteiten plaatsvinden doet hier volgens de raad niet aan af.

Wat betreft het perceel [locatie 3] stelt de raad zich specifiek op het standpunt dat de recreatieve bewoning die volgens [appellant sub 1] sinds 20 jaar bestaat, illegaal is. Er is volgens de raad geen sprake van overgangsrecht. Gelet op het gemeentelijk beleid is het ook niet gewenst om het gebruik van de woning als recreatiewoning in het plan mogelijk te maken, aldus de raad. Voorts is in 2013 nog een omgevingsvergunning voor bouwen verleend voor de verbouwing van een loods voor kantoorruimte.

8.2. Aan de percelen [locatie 2] en [locatie 3] is de bestemming "Bedrijf" toegekend.

Ingevolge artikel 6, lid 6.1, van de planregels zijn de voor "Bedrijf" aangewezen gronden bestemd voor: bedrijven t/m categorie 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten;

a. bedrijfswoningen en in samenhang daarmee voor de uitoefening van aan-huis-gebonden beroepen en kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten;

[…]

Ingevolge artikel 37, tweede lid, luidt het overgangsrecht voor gebruik als volgt:

a. het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet;

b. het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in dit lid onder a, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind;

c. indien het gebruik, bedoeld in dit lid onder a, na het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten;

d. dit lid onder a is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.

8.3. In het voorgaande bestemmingsplan "Landelijk gebied", vastgesteld door de raad op 26 oktober 1998, goedgekeurd door het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland op 8 juni 1999 (hierna: het plan "Landelijk gebied 1998"), was aan de percelen [locatie 2] en 14z de bestemming "Bedrijfsdoeleinden - bedrijven (BII)" toegekend.

Ingevolge artikel 8, eerste lid, aanhef en onder a, van de voorschriften bij dat plan waren de gronden op de plankaart met de bestemming "Bedrijfsdoeleinden" ter plaatse van de subbestemming "BII" bestemd voor het uitoefenen van de bedrijven als genoemd in de categorieën 1 en 2 van de Staat van Bedrijven.

Ingevolge het tweede lid, onder a, mochten op deze gronden uitsluitend ten dienste van de genoemde bestemmingen worden gebouwd:

1. bedrijfsgebouwen, waaronder tevens kantoorgebouwen als onderdeel van het bedrijf;

2. bedrijfswoningen;

3. bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

Ingevolge het bepaalde onder b golden voor het bouwen de nadere aanwijzingen op de plankaart en de volgende bepalingen:

1. de gebouwen mogen uitsluitend in één bouwvlak gebouwd worden tot een bebouwde oppervlakte als en voor zover ter plaatse aangegeven;

2. per bouwvlak is ten hoogste één bedrijfswoning toegestaan […];

[…]

Ingevolge artikel 25, eerste lid, mocht het gebruik van gronden en bouwwerken dat afweek van het plan op het tijdstip waarop het plan rechtskracht verkreeg, worden voortgezet, tenzij het een gebruik betrof dat met de in het voorgaande bestemmingsplan aangewezen bestemming strijdig was en welk strijdig gebruik een aanvang had genomen, nadat dit voorgaande bestemmingsplan rechtskracht had verkregen.

8.4. Ter zitting is vast komen te staan dat op het perceel [locatie 2] bebouwing staat waarin het kantoor van het [appellante sub 1A], een bedrijf in vastgoedbeheer, is gevestigd. [appellant sub 1B], vennoot van het bedrijf, woont in de woning op dat perceel.

Op het perceel [locatie 3] staat een loods met een inpandige recreatiewoning. Voor dit perceel is in 2013 een omgevingsvergunning voor bouwen voor de bouw van een loods verleend aan [appellant sub 1B].

8.5. Voor zover het betoog van [appellant sub 1] aldus moet worden opgevat dat het gebruik dat volgens [appellant sub 1] reeds sinds jaren plaatsvindt onder het overgangsrecht van het voorgaande bestemmingsplan valt en derhalve niet opnieuw onder het overgangsrecht kan worden gebracht, overweegt de Afdeling als volgt. Het gebruik van het perceel [locatie 2] voor kantoorruimte en van het perceel [locatie 3] voor opslagruimte past binnen de toegekende bedrijfsbestemming en is derhalve als zodanig bestemd. Wat betreft het gebruik van de woning op het perceel [locatie 2] als burgerwoning en van de aanwezige loods op het perceel [locatie 3] als recreatiewoning overweegt de Afdeling dat [appellant sub 1] niet aannemelijk heeft gemaakt dat dit gebruik ten tijde van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan "Landelijk gebied 1998" reeds bestond. Reeds hierom faalt het betoog.

8.6. De Afdeling ziet zich voorts gesteld voor de vraag of er andere omstandigheden zijn op grond waarvan de raad niet in redelijkheid een bedrijfsbestemming aan de percelen heeft kunnen toekennen.

Ter zitting heeft [appellant sub 1] te kennen gegeven dat hij een bestemming wenst voor beide percelen die voor hem meer mogelijkheden biedt dan alleen het vestigen van een bedrijf ter plaatse. Hij heeft toegelicht dat hij wellicht in de toekomst een deel van het perceel [locatie 2] wil verkopen, maar dat hij daarin door de toegekende bedrijfsbestemming beperkt wordt. Het gebruik van de bedrijfswoning is immers gekoppeld aan het bedrijf op dat perceel. Voorts wenst hij dat recreatieve bewoning op het perceel mogelijk wordt gemaakt. Ook ten aanzien van het perceel [locatie 3] stelt [appellant sub 1] door de bedrijfsbestemming te worden beperkt, omdat hij ook op dit perceel recreatieve bewoning planologisch mogelijk wil maken.

De Afdeling overweegt dat niet is gebleken van concrete bouwplannen of voornemens tot verkoop aan de zijde van [appellant sub 1] ten tijde van de vaststelling van het plan. Gelet hierop en nu op het perceel [locatie 2] thans een kantoor is gevestigd en voor wat betreft het perceel [locatie 3] een omgevingsvergunning is verleend voor de verbouwing van een loods voor opslag en kantoorruimte, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid de bestemming "Bedrijf" aan de percelen [locatie 2] en [locatie 3] heeft kunnen toekennen. Dit geldt tevens voor het niet toestaan van recreatieve bewoning. De Afdeling overweegt in dat verband dat [appellant sub 1] niet heeft aangetoond dat de inpandige recreatiewoning ter plaatse legaal is opgericht, zodat moet worden vastgesteld dat de inpandige recreatiewoning illegaal is. De Afdeling neemt hierbij in aanmerking dat recreatieve bewoning op de percelen [locatie 2] en [locatie 3] op grond van het voorgaande bestemmingsplan ook niet was toegestaan. Gelet hierop heeft de raad in redelijkheid ervoor kunnen kiezen geen recreatieve bewoning toe te staan. De Afdeling neemt hierbij in aanmerking dat de raad bij de vaststelling van het plan als uitgangspunt heeft genomen om conserverend te bestemmen.

Het betoog faalt.

9. [appellant sub 1] betoogt dat ten opzichte van het voorgaande bestemmingsplan ten onrechte sprake is van een beperking van het maximale percentage waarmee de bebouwing op zijn percelen mag worden vergroot.

9.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het gemeentelijk beleid erop is gericht niet-agrarische bedrijven te weren uit het landelijk gebied en dat om die reden ervoor is gekozen de maximale uitbreidingsruimte te beperken tot 10%.

9.2. Ingevolge artikel 6, lid 6.2, onder b, van de planregels bedraagt de oppervlakte van gebouwen en overkappingen ten hoogste het met de aanduiding "maximumbebouwingspercentage" aangegeven percentage van het bouwvlak. Indien geen percentage is aangegeven bedraagt de oppervlakte ten hoogste de bestaande oppervlakte ten tijde van de inwerkingtreding van het plan plus 10%.

Op de verbeelding is voor de percelen [locatie 2] en [locatie 3] geen maximumbebouwingspercentage opgenomen, zodat voor deze percelen een maximumbebouwingsoppervlakte geldt van de bestaande oppervlakte ten tijde van de inwerkingtreding van het plan plus 10%.

In het voorgaande bestemmingsplan "Landelijk Gebied 1998" was geen maximumbebouwingspercentage opgenomen voor de percelen [locatie 2] en [locatie 3] en was ook anderszins in de voorschriften geen beperking gesteld aan het maximum te bebouwen oppervlak. Gelet hierop stelt [appellant sub 1] terecht dat in zoverre sprake is van een beperking ten opzichte van het voorgaande bestemmingsplan. De Afdeling is evenwel van oordeel dat het beleid van de raad om uitbreidingen tot maximaal 10% te beperken niet onredelijk is. Er is voorts niet gebleken van een voornemen van [appellant sub 1] ten tijde van de vaststelling van het plan om bebouwing op zijn percelen uit te breiden. Gelet hierop en nu [appellant sub 1] zijn bebouwing nog met 10% kan uitbreiden, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid het maximum te bebouwen oppervlak heeft kunnen beperken. Het betoog faalt.

Conclusie

10. Gelet op het voorgaande is het beroep ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 2] voor het overige

11. Op 24 juni 2014 is bij de Afdeling een nader stuk ingekomen van [appellant sub 2]. Het nadere stuk van [appellant sub 2] betreft een aanvulling op het beroepschrift.

11.1. Gelet op de datum waarop het nadere stuk is ingekomen, is het stuk meer dan tien dagen voor de zitting en derhalve ingevolge artikel 8:58, eerste lid, van de Awb, tijdig ingediend.

Behoudens in geschillen waar de wet anders bepaalt, kunnen ook na afloop van de beroepstermijn en, indien die termijn is gegeven, na de termijn als bedoeld in artikel 6:6 van de Awb, nieuwe gronden worden ingediend, zij het dat die mogelijkheid wordt begrensd door de goede procesorde. Voor het antwoord op de vraag of de goede procesorde in geding is, is in het algemeen bepalend een afweging van de proceseconomie, de reden waarom de desbetreffende beroepsgrond pas in een laat stadium is aangevoerd, de mogelijkheid voor de andere partijen om adequaat op die beroepsgrond te reageren en de processuele belangen van de partijen over en weer.

De Afdeling is van oordeel dat enkele in het nadere stuk genoemde nieuwe beroepsgronden weliswaar betrekking hebben op eerder aangevochten besluitonderdelen, maar niettemin in strijd moeten worden geacht met een goede procesorde. De Afdeling acht in dat verband van belang dat [appellant sub 2] in zijn beroepschrift, dat drie pagina’s telt, twee beroepsgronden naar voren heeft gebracht en in zijn nadere stuk, dat 29 pagina’s omvat, ruim twintig beroepsgronden staan die betrekking hebben op de eerder aangevochten planonderdelen met de bestemming "Agrarisch - Landschapsbehoud". [appellant sub 2] heeft geen feiten en omstandigheden aangevoerd op grond waarvan moet worden geoordeeld dat het voor hem redelijkerwijs niet mogelijk was deze beroepsgronden eerder in beroep aan te voeren. Het nader stuk is daarnaast weliswaar tijdig, maar zodanig laat in de procedure gebracht en voorts zodanig van omvang, dat partijen niet de mogelijkheid hebben gehad op het stuk adequaat te reageren.

11.2. [appellant sub 2] heeft verder beoogd de omvang van het geschil uit te breiden door na afloop van de beroepstermijn nog andere besluitonderdelen aan te vechten dan de besluitonderdelen, zijnde de plandelen met de bestemming "Agrarisch - Landschapsbehoud", die zijn aangevochten in het beroepschrift. Binnen de beroepstermijn of, als een nadere termijn voor het aanvullen van de gronden is gegeven, uiterlijk binnen die termijn, dient vast te staan waartegen de beroepsgronden zijn gericht. Gelet op het belang van een efficiënte geschilbeslechting, dat ook ten grondslag ligt aan artikel 6:13 van de Awb, alsmede de rechtszekerheid van de andere partijen, kan niet worden aanvaard dat de omvang van het geschil na afloop van die termijn wordt uitgebreid. Hetgeen alsnog met betrekking tot de niet eerder aangevochten besluitonderdelen naar voren is gebracht, moet daarom in deze procedure buiten beschouwing worden gelaten.

12. [appellant sub 2], eigenaar van het perceel [locatie 4] te Egmond aan den Hoef, voert aan dat de raad uitgaat van te korte minimale afstanden die moeten worden aangehouden tussen het emissiepunt en de gevel van een geurgevoelig object enerzijds en de gevel van een dierenverblijf en de gevel van een geurgevoelig object anderzijds.

Voorts betoogt hij dat in de Wet geurhinder en veehouderij (hierna: Wgv) en het Activiteitenbesluit milieubeheer (hierna: het Activiteitenbesluit) ten onrechte geen rekening wordt gehouden met het woon- en leefklimaat in de tuin bij een woning.

12.1. De raad stelt zich op het standpunt dat agrarische bedrijven enkel door middel van een afwijkings- of wijzigingsbevoegdheid uitbreidingsmogelijkheden worden geboden. De afstanden die in de plantoelichting staan zijn in overeenstemming met het Activiteitenbesluit en met de Wgv.

12.2. In de plantoelichting staat dat voor diercategorieën bij landbouwbedrijven waarvoor geen geuremissiefactor is vastgesteld, bepaalde minimumafstanden gelden. Tussen het emissiepunt en de gevel van een geurgevoelig object dient binnen de bebouwde kom een minimale afstand van 100 m te worden aangehouden en buiten de bebouwde kom een minimale afstand van 50 m.

Voor de minimale afstand tussen de gevel van een dierenverblijf en de gevel van een geurgevoelig object geldt binnen de bebouwde kom een afstand van 50 m en buiten de bebouwde kom een afstand van 25 m.

12.3. Ingevolge artikel 4, eerste lid, van de Wgv bedraagt de afstand tussen een veehouderij waar dieren worden gehouden van een diercategorie waarvoor niet bij ministeriële regeling een geuremissiefactor is vastgesteld, en een geurgevoelig object:

a. ten minste 100 m indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen;

b. ten minste 50 m indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen.

Ingevolge artikel 5, eerste lid, bedraagt de afstand van de buitenzijde van een dierenverblijf tot de buitenzijde van een geurgevoelig object, onverminderd de artikelen 3 en 4:

a. ten minste 50 m indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen;

b. ten minste 25 m indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen.

12.4. Ingevolge artikel 3.117, eerste lid, van het Activiteitenbesluit vindt het oprichten, uitbreiden of wijzigen van een dierenverblijf met dieren zonder geuremissiefactor niet plaats, indien binnen de inrichting de afstand tussen enig dierenverblijf waar dieren zonder geuremissiefactor worden gehouden en een geurgevoelig object, na de oprichting, uitbreiding of wijziging:

a. minder dan 100 m bedraagt, indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen, of

b. minder dan 50 m bedraagt, indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen.

Ingevolge artikel 3.119, eerste lid, is, onverminderd het bepaalde in de artikelen 3.115 tot en met 3.117, het oprichten, uitbreiden of wijzigen van een dierenverblijf verboden, indien na de oprichting, uitbreiding of wijziging de afstand van de buitenzijde van een dierenverblijf tot de dichtstbijzijnde buitenzijde van een geurgevoelig object:

a. minder dan 50 m bedraagt, indien het geurgevoelig object binnen de bebouwde kom is gelegen, of

b. minder dan 25 m bedraagt, indien het geurgevoelig object buiten de bebouwde kom is gelegen.

12.5. De Afdeling stelt vast dat de minimale afstanden genoemd in de plantoelichting zoals weergegeven in 12.2, overeenstemmen met de minimale afstanden uit de Wgv en het Activiteitenbesluit, zoals weergegeven in 12.3, onderscheidenlijk 12.4. Gelet hierop ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad ten onrechte van die afstanden uitgaat. Voor zover [appellant sub 2] ter zitting heeft toegelicht dat bedrijven in zijn leefomgeving zich niet aan die afstanden houden, overweegt de Afdeling dat dit betoog in het kader van deze bestemmingsplanprocedure niet aan de orde kan komen, omdat dit een kwestie van handhaving is.

Over het betoog over de tuin overweegt de Afdeling dat die beroepsgrond is gericht tegen de Wgv en het Activiteitenbesluit en derhalve niet in deze procedure aan de orde kan komen. In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient te worden bezien of sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat als gevolg van het bestemmingsplan. Voor zover het betoog van [appellant sub 2] moet worden opgevat dat geen sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat in zijn tuin, overweegt de Afdeling dat hij die stelling niet heeft onderbouwd. Reeds hierom faalt het betoog.

13. In de enkele stelling van [appellant sub 2] dat de raad bij de vaststelling van het plan een zwaarder gewicht heeft toegekend aan het belang van de ondernemers in het plangebied dan aan het belang van de omwonenden, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat daarvan sprake is.

14. [appellant sub 2] heeft zich in het beroepschrift voor het overige beperkt tot het verwijzen naar de inhoud van de zienswijze. In de overwegingen van het bestreden besluit is ingegaan op deze zienswijze. [appellant sub 2] heeft in het beroepschrift, noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende zienswijze voor het overige in het bestreden besluit onjuist zou zijn.

Het beroep van [appellant sub 3]

15. [appellant sub 3], eigenaar van het [landgoed] aan de [locatie 5]-[locatie 6] te Bergen, betoogt dat het plan voor de twee voorziene woningen op zijn perceel wat betreft de maximuminhoudsmaat ten onrechte gewijzigd is vastgesteld. [appellant sub 3] vreest dat hij door de maximuminhoudsmaat van 600 m³ in plaats van 650 m³ per woning wordt beperkt in de keuze voor de vormgeving van deze woningen.

[appellant sub 3] betoogt dat de motivering bij het amendement dat volgens hem tot de wijziging heeft geleid onjuist is. In het voorgaande bestemmingsplan gold volgens hem immers geen inhoudsmaat. Daarnaast sluit de inhoudsmaat niet aan bij het bestemmingsplan "Landelijk gebied Noord", dat betrekking heeft op het landelijk gebied ten noorden van Bergen, waarin wel een maximuminhoudsmaat van 650 m³ per woning geldt, aldus [appellant sub 3].

Voorts voert [appellant sub 3] aan dat artikel 21 van de planregels waarin de maximuminhoudsmaat wordt genoemd onduidelijk is.

15.1. De raad stelt zich op het standpunt dat hij de openheid van het buitengebied zoveel mogelijk wenst te behouden en grotere woningen derhalve niet gewenst zijn.

De maximuminhoudsmaat voor een woning in dit plan stemt volgens de raad niet overeen met het plan "Landelijk gebied Noord", omdat de plannen die golden vóór het laatstgenoemde plan en het voorliggende plan ook op dat punt van elkaar verschilden, aldus de raad. Er is voor gekozen om aan te sluiten bij de staffel uit het bestemmingsplan "Landelijk gebied 1998", omdat die staffel ruimere mogelijkheden biedt dan de staffel uit het voorgaande plan "Weidegebied 1993", aldus de raad.

Voorts stelt de raad zich op het standpunt dat artikel 21, lid 21.2.2, van de planregels voldoende duidelijk is.

15.2. In het ontwerpbestemmingsplan bedroeg de inhoud van een hoofdgebouw ingevolge artikel 19, lid 19.2.2, onder e, van de planregels bij dat plan maximaal 650 m³.

15.3. In de oplegnotitie bij het plan staat bij amendement J dat wordt voorgesteld artikel 19, lid 19.2.2, onder e, van de planregels bij het ontwerpbestemmingsplan te wijzigen in:

Bij bovenstaande woningen is vergroting van de woningen toegestaan volgens onderstaande staffel:

categorie inhoud bestaande woning maximaal toegestane inhoud

I minder dan 300 m³ 450 m³

II van 300 tot en met 400 m³ 500 m³

III meer dan 400 m³ 600 m³

Bij de toelichting van amendement J staat dat in het vigerende bestemmingsplan een staffel geldt en het niet opnemen van een staffel in tegenspraak zou zijn met het conserverende uitgangspunt van het plan. Daarnaast staat er dat bij het bestemmingsplan "Landelijk Gebied Noord" ook sprake is van een staffel voor bestaande woningen. Door de staffel in artikel 12, derde lid, aanhef en onder c, van het bestemmingsplan "Landelijk gebied 1998" te handhaven in het voorliggende bestemmingsplan wordt rechtsongelijkheid en mogelijke harmonisering in beide bestemmingsplannen (lees: verruiming in bestemmingsplan "Landelijk gebied Noord" met alle ruimtelijke gevolgen) voorkomen."

15.4. Artikel 21, lid 21.2.2, van de planregels, dat betrekking heeft op de bestemming "Wonen", luidt als volgt:

"a. hoofdgebouwen zijn uitsluitend toegestaan binnen het bouwvlak;

b. per bouwvlak is ten hoogste één woning toegestaan, tenzij een ander aantal is aangeduid op de verbeelding;

c. de goothoogte bedraagt ten hoogste 4 m en de bouwhoogte ten hoogste 8 m;

d. in afwijking van het bepaalde in sub c geldt, voor wat betreft woningen die onderdeel uitmaken van een stolp, dat de goot- en bouwhoogte van de woning gelijk mag zijn aan de goot- en bouwhoogte van de stolp, met dien verstande dat de bestaande stolp gehandhaafd dient te blijven;

e. voor bestaande woningen geldt dat vergroting en herbouw is toegestaan volgens onderstaande staffel:

categorie inhoud bestaande woning maximaal toegestane inhoud

I minder dan 300 m³ 450 m³

II van 300 tot en met 400 m³ 500 m³

III meer dan 400 m³ 600 m³

f. nieuwe woningen op onbebouwde gronden mogen een inhoud hebben van ten mag bedragen;

g. in afwijking van het bepaalde in sub e geldt, voor wat betreft woningen die onderdeel uitmaken van een stolp, dat de inhoud van de woning gelijk mag zijn aan de inhoud van de stolp, met dien verstande dat de bestaande stolp gehandhaafd dient te blijven;

h. de breedte van een hoofdgebouw, gemeten in het verlengde van de voorgevel tot het meest zijwaarts gelegen gedeelte van het hoofdgebouw, mag ten hoogste 12 m bedragen;

a (lees: i). nieuwe woningen op onbebouwde gronden mogen een inhoud hebben van ten hoogste 600 m³;

b (lees: j). de afstand van een hoofdgebouw tot de zijdelingse perceelsgrens dient ten minste 3 m te bedragen."

15.5. In het hiervoor geldende bestemmingsplan "Uitbreidingsplan 1959", vastgesteld door de raad op 28 augustus 1959 en goedgekeurd door het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland op 19 oktober 1960, was aan het perceel [locatie 5]-[locatie 6] de bestemming "Agrarische doeleinden" toegekend. De bouw van burgerwoningen was ter plaatse niet toegestaan.

15.6. In het bestemmingsplan "Landelijk Gebied 1998" in artikel 12, derde lid, aanhef en onder c, van de voorschriften bij dat plan golden voor het bouwen de nadere aanwijzingen op de plankaart en de volgende bepalingen:

[…]

c. voor de inhoud van een bestaande woning dan wel een nieuwe woning geldt de volgende regeling:

- bestaande woningen die een inhoud hebben van minder dan 300 m³ mogen tot 450 m³ worden vergroot dan wel nieuwgebouwd;

- bestaande woningen die een inhoud hebben van 300 m³ of meer mogen tot 500 m³ worden vergroot dan wel nieuwgebouwd;

- bestaande woningen die een inhoud hebben van 400 m³ of meer mogen tot 600 m³ worden vergroot dan wel nieuwgebouwd;

- nieuwe woningen op onbebouwde gronden mogen een inhoud hebben van ten hoogste 600 m³.

[…]

15.7. De Afdeling stelt vast dat in het ontwerpplan één algemene maximuminhoudsmaat was opgenomen van 650 m³ per woning in artikel 19, lid 19.2.2, onder e, van de planregels. In het vastgestelde plan is een maximuminhoudsmaat opgenomen in de vorm van een staffel, voor bestaande woningen in artikel 21, lid 21.2.2, onder e, van de planregels en voor nieuw te bouwen woningen in artikel 21, lid 21.2.2., onder i.

Uit de toelichting bij het amendement volgt dat het amendement zowel betrekking heeft op bestaande als nieuw te bouwen woningen, omdat wordt verwezen naar staffels uit andere bestemmingsplannen die ook betrekking hebben op nieuw te bouwen woningen. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad in redelijkheid ervoor kunnen kiezen de maximuminhoudsmaat voor nieuw te bouwen woningen te beperken tot 600 m³. De raad heeft in het verweerschrift te kennen gegeven en ter zitting toegelicht dat hij de openheid in het buitengebied wenst te behouden en daarom is aangesloten bij de staffel uit het bestemmingsplan "Landelijk Gebied 1998". In het bestemmingsplan "Landelijk Gebied Noord" geldt weliswaar een staffel die mogelijkheden tot 650 m³ biedt, maar daarvan heeft de raad gesteld dat het plangebied van het bestemmingsplan "Landelijk Gebied Noord" van andere aard is dan het plangebied van het voorliggende plan. Daarnaast bood het voor de percelen van [appellant sub 3] toepasselijk voorgaande bestemmingsplan "Uitbreidingsplan 1959" geen mogelijkheid tot het bouwen van nieuwe burgerwoningen. Het betoog van [appellant sub 3] dat hij de te bouwen woningen op zijn perceel niet op de door hem gewenste manier kan vormgeven, maakt niet dat de raad voor [appellant sub 3] een inhoudsmaat van 650 m³ per nieuw te bouwen woning mogelijk dient te maken.

Voor zover [appellant sub 3] betoogt dat de tekst en nummering van artikel 21 van de planregels niet op elkaar aansluiten, overweegt de Afdeling dat dat weliswaar juist is, maar niet maakt dat de bepaling niet leesbaar of onvoldoende duidelijk is. Het betoog faalt.

Conclusie

16. Gelet op het voorgaande is het beroep ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 4]

17. [appellant sub 4] richt zich tegen de agrarische bestemming die is toegekend aan zijn percelen gelegen in de Philisteinschepolder en Wimmenummerpolder. Volgens [appellant sub 4], die op zijn gronden een agrarisch bedrijf exploiteert, kan de bestemming niet binnen de planperiode worden gerealiseerd, omdat de gronden te drassig zijn om het vee te weiden.

Voorts betoogt [appellant sub 4] dat aan zijn percelen een bestemming zou moeten worden toegekend die de aanwezige beplanting, die is aangebracht vanwege de landgoederenstatus van de percelen, beschermt. De beplanting is volgens [appellant sub 4] op grond van het overgangsrecht op zijn percelen toegestaan.

Verder voert [appellant sub 4] aan dat uit rapporten volgt dat er belangrijke natuurwaarden aanwezig zijn op zijn percelen en de aanwezige beplanting om die reden niet mag worden verwijderd. Voorts wijst hij erop dat op grond van de Boswet een herplantplicht bestaat indien de beplanting op zijn percelen wordt verwijderd.

17.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het plan conserverend van aard is. Hij wijst er in dat verband op dat in het voorgaande plan ook een agrarische bestemming aan de percelen van [appellant sub 4] was toegekend.

De beplanting die [appellant sub 4] op zijn percelen heeft aangebracht, zijnde beplanting in de vorm van een bos, is volgens de gemeente in strijd met de hiervoor geldende planologisch regimes en valt niet onder het overgangsrecht. Voorafgaand aan de vaststelling van het plan is daarom een handhavingstraject gestart, aldus de raad. Volgens de raad is het bos in strijd met het gemeentelijk beleid, dat is neergelegd in de Structuurvisie "Landelijk Gebied", vastgesteld door de raad op 9 december 2010, omdat daaruit volgt dat de openheid en het agrarisch karakter van het buitengebied in stand moeten blijven.

17.2. Aan de percelen van [appellant sub 4], gelegen in de Philisteinschepolder en Wimmenummerpolder, is de bestemming "Agrarisch - Landschapsbehoud" toegekend.

Ingevolge artikel 4, lid 4.1, van de planregels zijn de voor "Agrarisch - Landschapsbehoud" aangewezen gronden bestemd voor:

a. grondgebonden veehouderij, zoals bedoeld in artikel 1, lid 1.8, onder b;

[…]

c. het uitoefenen van een ander agrarisch bedrijf voor zover het een bestaand bedrijf danwel een rechtsopvolger betreft ten tijde van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan;

[…]

k. behoud en herstel van de in het plangebied voorkomende landschappelijke, cultuurhistorische en ecologische waarden, onder ander in de vorm van:

1. landschappelijke openheid in de vorm van agrarisch gebruikte weidegronden en bloemrijke hooilanden;

2. karakteristieke verkavelingspatronen;

3. broed-, foerageer- en rustgebieden voor weidevogels;

4. cultuurhistorisch van belang zijnde objecten, structuren en terreinen.

l. bedrijfswoningen en in samenhang daarmee voor de uitoefening van aan-huis-gebonden beroepen en kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten;

m. de in lid 4.5 in tabel 2 genoemde nevenfuncties, welke rechtstreeks dan wel via afwijking toelaatbaar zijn;

n. bij deze bestemming behorende voorzieningen zoals (ontsluitings)wegen, nutsvoorzieningen, groenvoorzieningen, parkeervoorzieningen en water ten behoeve van wateraanvoer en -afvoer, waterberging en sierwater;

[…]

Ingevolge artikel 37, lid 37.1 luidt het overgangsrecht voor gebruik als volgt:

a. het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet;

[…]

d. het lid onder a is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.

17.3. Voor het deel van de percelen van [appellant sub 4] gelegen ten noorden van de Bergerringsloot is het hiervoor geldende plan het bestemmingsplan "Weidegebied 1993". Voor die gronden gold de bestemming "Agrarische doeleinden" voorzien van de aanduiding "agrarische waarden".

Ingevolge artikel 4, lid A, aanhef en onder 1 en 2, waren de op de kaart voor "Agrarische doeleinden" aangewezen gronden met inachtneming van het bepaalde in artikel 3, bestemd voor agrarisch bedrijf en voor het behoud en herstel van de aldaar aanwezige of de aan deze gronden eigen landschappelijke, natuur- en cultuurhistorische waarden.

Ingevolge artikel 20, tweede lid, van de planvoorschriften bij dat plan mocht het ten tijde van het van kracht worden van het bestemmingsplan bestaande gebruik van de gronden en de daarop voorkomende bebouwing, dat in strijd is met de bestemming, worden voortgezet en worden gewijzigd, mits de strijdigheid van het gebruik daardoor naar aard en omvang niet wordt vergroot.

Voor het deel van de percelen van [appellant sub 4] gelegen ten zuiden van de Bergerringsloot is het hiervoor geldende plan het bestemmingsplan "Landelijk Gebied 1998". Aan die percelen was de bestemming "Agrarisch gebied met landschappelijke en natuurlijke waarden" toegekend.

Ingevolge artikel 6, eerste lid, van de planvoorschriften bij dat plan, waren de gronden op de plankaart met de bestemming "Agrarisch gebied met landschappelijke en natuurlijke waarden" bestemd voor de uitoefening van een volwaardig agrarisch bedrijf met dien verstande, dat niet-grondgebonden agrarische activiteiten uitsluitend als ondergeschikt onderdeel van de bedrijfsvoering waren toegestaan (veredelingstak), alsmede voor het behoud, herstel en versterking van aan de betreffende gronden eigen zijnde landschappelijke, bodemkundige en natuurlijke waarden.

Ingevolge artikel 25, eerste lid, mocht het gebruik van gronden en bouwwerken dat afweek van het plan op het tijdstip waarop het plan rechtskracht verkreeg, worden voortgezet, tenzij het een gebruik betrof dat met de in het voorgaande bestemmingsplan aangewezen bestemming strijdig was en welk strijdig gebruik een aanvang had genomen, nadat dit voorgaande bestemmingsplan rechtskracht had verkregen.

17.4. Het bestemmingsplan "Landelijk gebied 1988" gold vóór het voorgaande bestemmingsplan "Landelijk gebied 1998" voor de percelen ten zuiden van de Bergerringsloot. Aan die gronden was de bestemming "Agrarisch gebied met landschappelijke en natuurlijke waarden" toegekend.

Ingevolge artikel 10, eerste lid, van de planvoorschriften bij dat plan waren de gronden op de kaart met de bestemming "Agrarisch gebied met landschappelijke en natuurlijke waarden" bestemd voor agrarische bedrijfsvoering ten behoeve van agrarische bedrijven als bedoeld in artikel 1, lid 19, sub a, een en ander met dien verstande, dat niet-grondgebonden agrarische activiteiten uitsluitend als ondergeschikt onderdeel van de bedrijfsvoering zijn toegestaan, alsmede voor het behoud, herstel en versterking van aan de betreffende gronden eigen zijnde landschappelijke en natuurlijke waarden.

Ingevolge artikel 26, eerste lid, mocht het gebruik van gronden en bouwwerken dat afwijkt van het plan op het tijdstip waarop het plan rechtskracht verkrijgt, worden voortgezet.

17.5. Ingevolge artikel 10 van de Flora- en faunawet (hierna: Ffw) is het verboden dieren, behorende tot een beschermde inheemse diersoort, opzettelijk te verontrusten.

Ingevolge artikel 11 is het verboden nesten, holen of andere voortplantings- of vaste rust- of verblijfplaatsen van dieren, behorende tot een beschermde inheemse diersoort, te beschadigen, te vernielen, uit te halen, weg te nemen of te verstoren.

Ingevolge artikel 75, derde lid, kan de minister van Economische Zaken ontheffing verlenen van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 8 tot en met 15a.

17.6. Het in opdracht van [appellant sub 4] opgesteld rapport "Natuurwaarden beplanting Wimmenummerpolder en Philisteinschepolder" van Witteveen+Bos van 30 oktober 2012 (hierna: het rapport van Witteveen+Bos 2012) betreft een onderzoek naar de aanwezigheid van natuurwaarden op de percelen van [appellant sub 4]. [appellant sub 4] heeft dit rapport bij zijn zienswijze gevoegd.

In het rapport wordt geconcludeerd dat het verwijderen van de door [appellant sub 4] aangebrachte beplanting de volgende consequenties met zich brengt:

- nader onderzoek naar de functie van het onderzoeksgebied voor vleermuizen;

- vernietiging van het leefgebied van kleine zangvogels;

- vernietiging van het rustgebied en broedgebied van kleine watervogels;

- nader onderzoek naar de functie van horsten en eventueel een omgevingscheck;

- vernietiging van het leefgebied van kleine grondgebonden zoogdieren;

- nader onderzoek naar de aanwezigheid van de eekhoorn en boommarter;

- ontheffingsaanvraag voor het vernietigen van een onderdeel van het leefgebied van het damhert;

- mogelijke verstoring leefgebied amfibieën;

- nader onderzoek naar de functies van de aanwezige zandwinput voor de rugstreeppad.

17.7. In het eveneens in opdracht van [appellant sub 4] opgestelde rapport "Rapportage inventarisatie broedvogels en vleermuizen" van Witteveen+Bos van 24 juni 2014 (hierna: het rapport van Witteveen+Bos 2014) wordt geconcludeerd dat op de percelen van [appellant sub 4] in de Philisteinsche Polder en de Wimmenummerpolder belangrijke natuur- en landschapswaarden aanwezig zijn. Er wordt onder meer gewezen op de aanwezigheid van de ruige dwergvleermuis en verder is een jaarrond beschermde nestlocatie van de buizerd aangetroffen.

17.8. De raad heeft als uitgangspunt gehanteerd een conserverend plan vast te stellen. [appellant sub 4] heeft niet gesteld dat hij zijn percelen in de Philisteinschepolder en Wimmenummerpolder binnen de planperiode niet meer agrarisch wenst te gebruiken. Dat de gronden te drassig zijn voor het weiden van vee, wat daarvan ook zij, maakt niet dat [appellant sub 4] er niet voor kan zorgdragen dat de gronden wel geschikt worden gemaakt voor het weiden van vee, dan wel op een andere wijze kunnen worden gebruikt die past binnen de toegekende bestemming "Agrarisch".

Het betoog dat de aanwezige beplanting onder het overgangsrecht valt, faalt. Niet in geschil is dat de door [appellant sub 4] aangebrachte beplanting in strijd is met de bestemmingen die in de voorgaande bestemmingsplannen aan de gronden waren toegekend. Wat betreft het deel van de percelen ten noorden van de Bergerringsloot waar het voorgaande bestemmingsplan het bestemmingsplan "Weidegebied 1993" betreft, heeft [appellant sub 4] niet aannemelijk gemaakt dat de beplanting al aanwezig was op het moment van de inwerkingtreding van dat plan. Voor het deel van de percelen ten noorden van de Bergerringsloot waar het bestemmingsplan "Landelijk Gebied 1998" het voorgaande bestemmingsplan betreft en het bestemmingsplan "Landelijk Gebied 1988" het plan dat dáárvoor gold, heeft [appellant sub 4] niet aannemelijk gemaakt dat de beplanting was aangebracht op het moment van de inwerkingtreding van het laatstgenoemde plan.

De raad heeft zich verder op het standpunt gesteld dat de beplanting ter plaatse in strijd is met het gemeentelijk beleid, hetgeen [appellant sub 4] niet heeft weersproken.

Wat betreft het betoog over de beplanting die volgens [appellant sub 4] natuurwaarden bevat, overweegt de Afdeling als volgt. Uit het rapport van Witteveen+Bos 2012 en uit het rapport van Witteveen+Bos 2014 volgt dat voor de kap van beplanting mogelijk een ontheffing op grond van de Ffw nodig is vanwege de aanwezigheid van beschermde diersoorten. De vragen of voor de uitvoering van het bestemmingsplan een vrijstelling geldt dan wel een ontheffing op grond van de Ffw nodig is en zo ja, of deze ontheffing kan worden verleend, komen in beginsel pas aan de orde in een procedure op grond van de Ffw. Dat doet er niet aan af dat de raad het plan niet heeft kunnen vaststellen, indien en voor zover hij op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat de Ffw aan de uitvoerbaarheid van het plan binnen de planperiode in de weg staat. De enkele omstandigheid dat mogelijk een ontheffing op grond van de Ffw benodigd is, maakt nog niet dat de raad op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat de Ffw aan de uitvoerbaarheid van het betrokken plandeel binnen de planperiode in de weg staat. Nu [appellant sub 4] de beplanting in strijd met de voorgaande bestemmingsplannen heeft aangebracht, ligt het naar het oordeel van de Afdeling op de weg van [appellant sub 4] om aannemelijk te maken dat reeds op voorhand

vast staat dat een ontheffing ingevolge artikel 75 van de Ffw benodigd is en dat, ondanks een toereikende aanvraag daartoe, een dergelijke ontheffing niet zal worden verleend. Hierin is [appellant sub 4] niet geslaagd. Het door [appellant sub 4] overgelegde het rapport van Witteveen+Bos 2012 en het rapport van Witteveen+Bos 2014 zijn daarvoor onvoldoende. Het betoog faalt.

18. [appellant sub 4] heeft zich in het beroepschrift voor het overige beperkt tot het verwijzen naar de inhoud van de zienswijze. In de overwegingen van het bestreden besluit is ingegaan op deze zienswijze. [appellant sub 4] heeft in het beroepschrift, noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende zienswijze voor het overige in het bestreden besluit onjuist zou zijn.

Conclusie

19. Gelet op het voorgaande is het beroep ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 5]

20. [appellant sub 5] betoogt dat aan delen van haar perceel [locatie 7] ten onrechte de bestemmingen "Tuin" en "Natuur" zijn toegekend. Volgens haar dient in plaats van die bestemmingen de bestemming "Wonen" te worden toegekend aan de gronden ter plaatse van bebouwing en de omliggende gronden, zodat een aaneengesloten bestemmingsvlak met een woonbestemming ontstaat. Dit was ook in het voorgaande bestemmingsplan het geval, aldus [appellant sub 5].

Voorts stelt zij dat het bijgebouw dat dicht op de openbare weg staat, ondanks dat daaraan de bestemming "Wonen" is toegekend, ten onrechte niet als zodanig is bestemd. Zij stelt in dat verband dat artikel 18, lid 18.3.2, van de planregels, anders dan de raad stelt, niet maakt dat het bijgebouw wel bestemd is.

Verder betoogt [appellant sub 5] dat aan de gronden ter plaatse van een muur met een buitenkeuken ten onrechte de bestemming "Tuin" is toegekend. Volgens [appellant sub 5] past dat gebruik niet binnen die bestemming en had ook aan die gronden, net als in het voorgaande bestemmingsplan, de bestemming "Wonen" moeten worden toegekend.

20.1. De raad licht toe dat de gemeente het beleid hanteert om aan gronden die liggen tussen de openbare weg en de woningen een tuinbestemming toe te kennen ter bescherming van het straat- en bebouwingsbeeld vanaf de openbare weg. Om die reden is aan het deel van de gronden van [appellant sub 5] nabij de openbare weg een tuinbestemming toegekend. Voorts stelt de raad zich op het standpunt dat het bijgebouw dat voor de voorgevel van de woning ligt als zodanig is bestemd. In het verweerschrift staat verder dat aan een te groot deel van het perceel de bestemming "Natuur" is toegekend.

20.2. Aan het perceel [locatie 7] zijn de bestemmingen "Natuur", "Tuin" en "Wonen" toegekend.

Ingevolge artikel 14, lid 14.1, van de planregels zijn de voor "Natuur" aangewezen gronden bestemd voor:

a. behoud, herstel en ontwikkeling van natuur- en landschapswaarden;

[…]

e. bij deze bestemming behorende voorzieningen zoals (ontsluitings)wegen, fiets- en wandelpaden, ruiterpaden, nutsvoorzieningen, groenvoorzieningen, parkeervoorzieningen en water ten behoeve van wateraanvoer en -afvoer, waterberging en sierwater.

Ingevolge artikel 18, lid 18.1, zijn de voor "Tuin" aangewezen gronden bestemd voor tuinen behorende bij de op de aangrenzende gronden gelegen hoofdgebouwen.

Ingevolge lid 18.2, onder d, mag de hoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten hoogste 1 m bedragen.

Ingevolge lid 18.3.2 kan het bevoegd gezag bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 18.2 ten behoeve van het realiseren van aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen binnen de bestemming "Tuin", met dien verstande dat:

a. afwijken uitsluitend mogelijk is indien het realiseren van erfbebouwing achter de woning fysiek niet mogelijk is;

b. afwijken mag geen onevenredige afbreuk doen aan de stedenbouwkundige situatie ter plaatse;

c. er dient te worden voldaan aan de maximale oppervlakte uit artikel 21, lid 21.2.3.

Ingevolge artikel 21, lid 21.1, zijn de voor "Wonen" aangewezen gronden bestemd voor:

a. het wonen en in samenhang daarmee voor de uitoefening van aan-huis-gebonden beroepen en kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten;

[…]

h. bij deze bestemming behorende voorzieningen, zoals erven, nutsvoorzieningen, parkeervoorzieningen, tuinen en water.

Ingevolge artikel 31, lid 31.3, onder a, geldt voor een bouwwerk, dat bij of krachtens de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden en dat in het plan ingevolge de bestemming is toegelaten, maar waarvan de bestaande afstands-, hoogte-, inhouds- en oppervlaktematen afwijken van de bouwregels van de betreffende bestemming, dat:

1. bestaande maten, die meer bedragen dan in hoofdstuk 2 is voorgeschreven, mogen als ten hoogste toelaatbaar worden aangehouden;

2. bestaande maten, die minder bedragen dan in hoofdstuk 2 is voorgeschreven, mogen als ten minste toelaatbaar worden aangehouden.

20.3. In het voorheen geldende bestemmingsplan "Weidegebied 1993" was aan het deel van het perceel [locatie 7] waaraan in het voorliggende plan de bestemming "Tuin" is toegekend, de bestemming "Woondoeleinden" toegekend. Voorts was aan het perceel de bestemming "Natuur, bos" toegekend.

Ingevolge artikel 5, lid A, van de voorschriften bij dat plan, waren de op de kaart voor "Woondoeleinden (W)" aangewezen gronden - met inachtneming van het bepaalde in artikel 3 - bestemd voor woningen […] met de daarbij behorende aanbouwen, bijgebouwen, bouwwerken - geen gebouwen zijnde -, tuinen, erven, ontsluitingswegen en-paden, sloten, waterpartijen bos en erfbeplanting.

20.4. Voor zover [appellant sub 5] betoogt dat aan het deel van haar perceel ten noorden van haar woning ten onrechte de bestemming "Tuin" is toegekend in plaats van de bestemming "Wonen" overweegt de Afdeling het volgende. Over de door [appellant sub 5] in het nadere stuk gemaakte vergelijking dat op overige percelen de versnippering van de bestemmingen "Wonen" en "Tuin", anders dan op haar perceel, niet voorkomt, wordt overwogen dat de raad zich op het standpunt heeft gesteld dat bijgebouwen in het algemeen achter het hoofdgebouw moeten worden gesitueerd. Waar reeds een bijgebouw voor de voorgevel van het hoofdgebouw is gesitueerd, zoals bij [appellant sub 5] het geval is, is daaraan een apart bestemmingsvlak met een woonbestemming toegekend. [appellant sub 5] heeft niet gesteld dat op percelen waar geen versnippering plaatsvindt zich eenzelfde situatie voordoet als op haar perceel. In hetgeen [appellant sub 5] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de door [appellant sub 5] genoemde situatie niet overeenkomt met de thans aan de orde zijnde situatie.

Voor zover [appellant sub 5] wijst op het hiervoor geldende plan waar voor het deel van haar perceel waar in het voorliggende plan een tuinbestemming geldt, toen een woonbestemming gold, overweegt de Afdeling dat in het algemeen aan een hiervoor geldend plan geen rechten kunnen worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en regels voor gronden vaststellen. De raad heeft in het verweerschrift te kennen gegeven en ter zitting toegelicht dat overeenkomstig gemeentelijk beleid aan het deel van het perceel dat tussen de voorgevel van de woning en de openbare weg ligt een tuinbestemming is toegekend ter bescherming van het straat- en bebouwingsbeeld vanaf de openbare weg. De Afdeling acht dat standpunt niet onredelijk. Het betoog van [appellant sub 5] dat tussen haar woning en de openbare weg natuur ligt en het zicht op haar woning vanaf de openbare weg daardoor reeds beperkt is, maakt het voorgaande niet anders. Een natuurbestemming brengt immers niet per definitie met zich dat bebouwing niet zichtbaar is vanaf de openbare weg. Het betoog faalt.

20.5. Anders dan [appellant sub 5] ten aanzien van het bijgebouw nabij de openbare weg stelt, is artikel 18, lid 18.3.2, van de planregels niet van toepassing, omdat aan de gronden ter plaatse van het bijgebouw de bestemming "Wonen" is toegekend. Gelet hierop is het bijgebouw als zodanig bestemd. Dat aan de gronden rondom het bijgebouw de bestemming "Tuin" is toegekend, maakt dat niet anders. Het betoog faalt.

Wat betreft het betoog van [appellant sub 5] dat een muur en een buitenkeuken niet als zodanig zijn bestemd overweegt de Afdeling het volgende. Niet in geschil is dat de muur en de buitenkeuken ongeveer 1,20 m hoog zijn en derhalve hoger zijn dan de in artikel 18, tweede lid, onder d, van de planregels toegestane hoogte. De raad heeft echter ter zitting te kennen gegeven dat de muur met de buitenkeuken legaal aanwezig zijn. Gelet hierop is artikel 31, lid 31.3, onder a, van de planregels van toepassing en zijn zij als zodanig bestemd. Het betoog faalt.

20.6. Ten aanzien van het betoog dat voor het deel van het perceel ten oosten en ten zuiden van haar woning ten onrechte de bestemming "Natuur" geldt in plaats van de bestemming "Wonen", overweegt de Afdeling dat de raad heeft erkend dat aan een te groot deel van het perceel de bestemming "Natuur" is toegekend. Ter zitting heeft de raad te kennen gegeven dat voor de gronden waar bebouwing staat en waaraan de bestemming "Natuur" is toegekend een nieuw bestemmingsplan zal worden vastgesteld. Nu de raad zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid. Het betoog slaagt.

Conclusie

21. In hetgeen [appellant sub 5] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover dat ziet op de vaststelling van de plandelen met de bestemming "Natuur" op het perceel [locatie 7], gelegen tussen de plandelen met de bestemming "Water", is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

Het beroep van Bungalowpark Mooyeveld

22. Bungalowpark Mooyeveld, gevestigd aan de Mooyeveld 2, betoogt dat het plan wat betreft de maximuminhoudsmaat voor recreatiewoningen ten onrechte gewijzigd is vastgesteld van 280 m³ naar 200 m³. Zij voert aan dat zij met deze maximuminhoudsmaat niet tegemoet kan komen aan de vraag van de consument naar grotere en luxere recreatiewoningen. Daarnaast geldt voor het bestemmingsplan "Kernen Egmond", dat op 27 juni 2013 is vastgesteld en welk plangebied eveneens in de gemeente Bergen ligt, wel een maximuminhoudsmaat van 280 m³ per recreatiewoning. Volgens Bungalowpark Mooyeveld is om die reden sprake van rechtsongelijkheid.

22.1. In het plan is aan de gronden waar Bungalowpark Mooyeveld is gevestigd de bestemming "Recreatie - Verblijfsrecreatie" toegekend.

Ingevolge artikel 16, lid 16.1, onder a, van de planregels zijn de voor "Recreatie - Verblijfsrecreatie" aangewezen gronden bestemd voor verblijfsrecreatie.

Ingevolge lid 16.2, aanhef en onder c, mogen op deze gronden ten behoeve van de bestemming uitsluitend recreatiewoningen worden gebouwd.

Ingevolge lid 16.2.1 gelden voor het bouwen de volgende regels:

[…]

g. ter plaatse van de aanduiding "specifieke bouwaanduiding - 1" bedraagt de maximale oppervlakte van een recreatiewoning ten hoogste 50 m²;

h. ter plaatse van de gronden zonder de aanduiding zoals onder g bedoeld, bedraagt de inhoud van een recreatiewoning ten hoogste 200 m³;

[…]

22.2. In het hiervoor geldende bestemmingsplan "Landelijk Gebied 1998" was aan de gronden van Bungalowpark Mooyeveld de bestemming "Verblijfsrecreatie (VR)" toegekend, voorzien van de aanduiding "zomerhuizenterrein (VRzt)".

Ingevolge artikel 16, eerste lid, aanhef en onder c, van de voorschriften bij dat plan was ter plaatse van de aanduiding "zomerhuizenterrein (VRzt)" een zomerhuizenterrein toegestaan.

Ingevolge het derde lid, golden voor het bouwen de nadere aanwijzingen op de plankaart en de volgende bepalingen:

[…]

d. ter plaatse van de aanduiding "zomerhuizenterrein (VRzt)"mochten ten hoogste het aantal zomerhuizen worden gebouwd dat op de plankaart binnen het betreffende bouwvlak door middel van de nadere aanwijzing aantal zomerhuizen" is ingeschreven;

[...]

h. het grondoppervlak van ieder zomerhuis mag ten hoogste 40 m² bedragen;

i. bij ieder zomerhuis mag een bijgebouw worden gebouwd van ten hoogste 4 m²;

j. de goothoogte van zomerhuizen en bijgebouwen mag ten hoogste 3 m bedragen;

k. de bouwhoogte van zomerhuizen mag ten hoogste 5 m bedragen en de bouwhoogte van bijgebouwen bij zomerhuizen mag ten hoogste 3 m bedragen.

[…]

22.3. In de oplegnotitie bij het plan staat bij amendement I dat wordt voorgesteld artikel 14, lid 14.2.1, punt h, als volgt aan te passen:

"… bedraagt de maximale inhoud van een recreatiewoning ten hoogste 200 m³."

Bij de toelichting van amendement staat dat in het vigerende bestemmingsplan een inhoudsmaat van 200 m³ geldt. Er is volgens de toelichting dus sprake van nieuw beleid indien 280 m³ zou worden toegestaan, hetgeen in tegenspraak is met het conserverende uitgangspunt. Voorts staat in die toelichting dat het aantal recreatiewoningen in het landelijke gebied Zuid groot is. De uitstraling van het gebied zou ernstig worden aangetast bij verruiming van de inhoudsmaat, aldus de toelichting bij het amendement.

22.4. De raad stelt zich op het standpunt dat een inhoudsmaat van 280 m³ per recreatiewoning de uitstraling van het gebied waarin Bungalowpark Mooyeveld ligt in onaanvaardbare mate aantast. Ter zitting heeft de raad in dat verband toegelicht dat hij het doorzicht in het landschap wenst te behouden en grotere recreatiewoningen daarnaast afbreuk doen aan de uitstraling van het gebied.

Voor zover Bungalowpark Mooyeveld ter zitting heeft betoogd dat in de bestemmingsplannen "Kernen Egmond" en "Schoorl - kernen en buurtschappen" een afwijkingsbevoegdheid is opgenomen voor het vergroten van een recreatiewoning tot 300 m³, overweegt de Afdeling dat wat daarvan ook zij, de raad ter zitting heeft toegelicht dat die plangebieden in de kern van Egmond liggen en een andere uitstraling hebben dan het plangebied van het voorliggende plan. De Afdeling acht dit standpunt niet onredelijk.

Ten aanzien van het betoog van Bungalowpark Mooyeveld ter zitting dat in de Structuurvisie "Landelijk Gebied", vastgesteld door de raad op 9 december 2010, staat dat in de binnenduinrand, waar het bungalowpark ligt, mogelijkheden zijn om bebouwing in te passen, overweegt de Afdeling het volgende. De raad heeft daarop ter zitting te kennen gegeven dat dat weliswaar juist is, maar dat in de structuurvisie niets staat vermeld over de grootte van recreatiewoningen en daaraan derhalve in zoverre geen rechten kunnen worden ontleend.

Gelet op het voorgaande heeft de raad in redelijkheid een maximuminhoudsmaat van 200 m³ per recreatiewoning kunnen opnemen.

De Afdeling neemt hierbij in aanmerking dat Bungalowpark Mooyeveld ten opzichte van het voorgaande bestemmingsplan "Landelijk Gebied 1998" door de in het plan opgenomen maximuminhoudsmaat ook niet wordt benadeeld, omdat in dat plan een kleinere maximuminhoudsmaat gold. Het betoog faalt.

Conclusie

23. Gelet op het voorgaande is het beroep ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 7] voor het overige

24. [appellant sub 7] richt zich tegen de aanduiding "specifieke vorm van water - duinrel" die is toegekend aan zijn gronden nabij zijn perceel [locatie 8] te Egmond. Hij voert in dat verband aan dat de duinrellen op zijn gronden in het rapport "Kleine landschapselementen en duinrellen" van Landschap Noord-Holland uit 2010 (hierna: het rapport van Landschap Noord-Holland) als droogstaand zijn aangemerkt en daarom niet als zodanig hadden mogen worden bestemd. Dit klemt te meer nu de duinrellen op zijn percelen niet op de cultuurhistorische waardenkaart zijn vermeld, aldus [appellant sub 7].

24.1. De raad stelt zich op het standpunt dat hij gelet op het rapport van Landschap Noord-Holland terecht aan delen van de gronden van [appellant sub 7] de aanduiding "specifieke vorm van water - duinrel" heeft toegekend.

24.2. Aan een deel van de gronden nabij het perceel [locatie 8] is de bestemming "Water" toegekend, voorzien van de aanduiding "specifieke vorm van water - duinrel".

Ingevolge artikel 20, lid 20.1, van de planregels zijn de voor "Water" aangewezen gronden bestemd voor:

a. waterlopen en -wegen, waterhuishouding, waterberging en vijvers alsmede voor:

b. ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van water - duinrel": behoud, bescherming en aanleg van duinrellen.

Ingevolge lid 20.2 mogen op deze gronden ten behoeve van de bestemming uitsluitend keermuren voor de waterbeheersing, oeverbeschoeiingen, duikers, bruggen en steigers worden gebouwd met een maximale hoogte van 2 m, met dien verstande dat voornoemde bouwwerken niet zijn toegestaan ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van water - duinrel".

Ingevolge lid 20.3.1 is het ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van water - duinrel" verboden om zonder een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende werken en werkzaamheden uit te voeren:

a. het aanleggen of verharden van wegen, paden, banen of parkeergelegenheid en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;

b. het aanleggen van dijken of andere taluds of het vergraven of ontgraven van reeds aanwezige dijken of taluds;

c. het vergraven of dempen van aanwezige waterlopen;

d. het aanleggen of aanbrengen van kaden of aanlegplaatsen;

e. het aanleggen of aanbrengen van oeverbeschoeiingen.

Ingevolge lid 20.3.2 is het gestelde in lid 18.3.1 (lees: 20.3.1) niet van toepassing op:

a. normaal onderhoud en beheer ten dienste van de bestemming;

b. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van het plan;

c. reeds mogen worden uitgevoerd krachtens een verleende vergunning.

Ingevolge lid 20.3.3 wordt een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden zoals bedoeld in lid 20.3.2 uitsluitend verleend indien uit een advies van de cultuurhistorisch deskundige blijkt dat de cultuurhistorische waarden ter plaatse niet onevenredig worden aangetast.

24.3. In het rapport van Landschap Noord-Holland staat dat in opdracht van de gemeente Bergen de kleine landschapselementen in het Buitengebied Zuid zijn geïnventariseerd. Op basis hiervan zijn adviezen opgesteld om deze kleine landschapselementen veilig te stellen en te versterken, zodat het kenmerkende waardevolle cultuurlandschap voor dit gedeelte van de gemeente behouden blijft. Duinrellen vormen een bijzondere categorie van de kleine landschapselementen. Ze zijn uniek voor de binnenduinrand, aldus het rapport van Landschap Noord-Holland.

In het rapport staat verder dat het beeld wat betreft de hoeveelheid duinrellen met water negatief beïnvloed is, omdat de periode maart tot en met juni gemiddeld droog was. Een strook grond die deel uitmaakt van de gronden van [appellant sub 7] is in dat rapport aangemerkt als "droogstaande duinrellen 2010".

25. [appellant sub 7] heeft in het beroepschrift, noch ter zitting inzichtelijk kunnen maken waarom hij bij het gebruik van de gronden als gevolg van de aanduiding "specifieke vorm van water - duinrel" wordt beperkt. Niet is gebleken dat hij werken of werkzaamheden als bedoeld in artikel 20, lid 20.3.1, van de planregels ter plaatse wil realiseren onderscheidenlijk uitvoeren. [appellant sub 7] heeft verder niet gesteld dat het rapport van Landschap Noord-Holland gebreken of leemten in kennis bevat, zodat de raad zich op dit rapport heeft mogen baseren. De raad heeft zich voorts naar het oordeel van de Afdeling terecht op het standpunt gesteld dat de enkele omstandigheid dat de duinrellen op de gronden van [appellant sub 7] droog staan, niet maakt dat de duinrellen niet kunnen worden aangemerkt als karakteristiek landschapselement van de binnenduinrand. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat in het rapport van Landschap Noord-Holland bij de karakteristieke waarde van de kleine landschapselementen geen onderscheid wordt gemaakt tussen droogstaande en watervoerende duinrellen. Ook het feit dat de duinrellen op de gronden van [appellant sub 7] niet op de cultuur-historische kaart staan maakt niet dat de raad niet in redelijkheid de aanduiding "specifieke vorm van water - duinrel" aan de desbetreffende delen van de gronden van [appellant sub 7] heeft kunnen toekennen. Het betoog faalt.

Het beroep van LTO Noord voor het overige

Huisvesting werknemers

26. LTO Noord betoogt voorts dat de binnen de agrarische bestemmingen opgenomen mogelijkheid om werknemers te huisvesten ten onrechte is beperkt tot maximaal zes werknemers. Volgens LTO Noord wil slechts een beperkt aantal bloembollenteeltbedrijven tijdens arbeidspieken tot 35 werknemers op hun eigen bedrijf huisvesten en is daarom goed te controleren dat geen misstanden zullen ontstaan. Verder wijst LTO Noord erop dat werknemers thans illegaal in vakantieparken en de kernen worden gehuisvest. De beperking tot zes werknemers is volgens LTO Noord niet in overeenstemming met een wijziging van de PRVS, omdat daarin veel ruimere mogelijkheden worden geboden voor de huisvesting van werknemers op agrarische percelen.

26.1. Volgens de raad zijn in het plan niet de maximale mogelijkheden van de PRVS voor de huisvesting van werknemers benut, omdat hij eerst wil beoordelen tot welke gevolgen het nieuwe beleid ten aanzien van de huisvesting van werknemers in de praktijk zal leiden.

26.2. Ingevolge artikel 3, lid 3.4.2, van de planregels is op de voor "Agrarisch - Bollenconcentratiegebied" aangewezen gronden het huisvesten van seizoensarbeiders toegestaan onder de voorwaarden dat:

a. dit noodzakelijk is in het kader van de tijdelijke grote arbeidsbehoefte op het betreffende agrarische bedrijf;

b. uitsluitend werknemers worden gehuisvest die binnen het eigen agrarisch bedrijf werkzaam zijn;

c. per bedrijf maximaal zes personen worden gehuisvest;

d. de maximale gezamenlijke oppervlakte 187,5 m2 van bestaande bebouwing bedraagt waarbij minimaal 12,5 m2 per persoon geldt;

e. de huisvesting plaatsvindt gedurende maximaal negen maanden per jaar;

f. er geen zelfstandige woonruimte ontstaat;

g. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van in de omgeving aanwezige functies en waarden;

h. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van belangen van eigenaren en gebruikers van omliggende gronden.

Binnen de bestemmingen "Agrarisch - Landschapsbehoud" en "Agrarisch - Natuurontwikkeling" is de huisvesting van seizoensarbeiders ook toegestaan onder dezelfde voorwaarden als in lid 3.4.2.

26.3. Op 13 juni 2013 is een wijziging van de PRVS in werking getreden.

Ingevolge artikel 26, eerste lid, onder d, van de PRVS kan een bestemmingsplan voorzien in de huisvesting van tijdelijke werknemers, indien:

1 de huisvestingsvoorziening wordt gesitueerd binnen het agrarisch bouwperceel;

2 de huisvesting plaatsvindt ten behoeve van de agrarische bedrijfsvoering, en;

3 het een ondergeschikte functie ten opzichte van een volwaardig agrarisch bedrijf betreft.

26.4. De Afdeling is van oordeel dat de raad in redelijkheid het aantal werknemers dat kan worden gehuisvest heeft kunnen beperken tot maximaal zes per bedrijf om eventuele onwenselijke gevolgen van de huisvesting van een groot aantal werknemers in het buitengebied te voorkomen. De raad behoefde daarbij in redelijkheid geen uitzondering te maken voor een aantal bloembollenteeltbedrijven en toestaan dat deze bedrijven tot 35 werknemers op hun bedrijf huisvesten, nu dit tot precedentwerking kan leiden. De Afdeling betrekt voorts bij haar oordeel dat LTO Noord niet aannemelijk heeft gemaakt dat de huisvesting van 35 werknemers op het eigen bedrijf noodzakelijk is om de continuering van de bedrijfsvoering van agrarische bedrijven te verzekeren. De stelling van LTO Noord dat slechts een beperkt aantal bloembollenteeltbedrijven tijdens arbeidspieken tot 35 werknemers op hun eigen bedrijf wil huisvesten doet niet af aan het voorgaande. De beperking tot maximaal zes werknemers is ook niet in strijd met artikel 26, eerste lid, onder d, van de PRVS. Deze bepaling biedt de raad de mogelijkheid om de tijdelijke huisvesting van werknemers toe te staan, maar verplicht de raad daartoe niet. Het betoog faalt.

Voormalig vliegveld Bergen

27. LTO Noord betoogt voorts dat ten onrechte de bestemming "Natuur" is toegekend aan de gronden van het voormalige vliegveld Bergen. Volgens haar kan op grond van provinciaal beleid de bestemming "Natuur" pas worden toegekend aan gronden die in de Ecologische Hoofdstructuur (hierna: EHS) liggen indien op deze gronden natuur is gerealiseerd of deze gronden voor natuur zijn verworven. Dat is volgens LTO Noord hier niet het geval. Volgens LTO Noord zijn de gronden van het voormalige vliegveld nog steeds in eigendom van het Ministerie van Defensie en zijn deze gronden ingebracht bij het Bureau Beheer Landbouwgronden (hierna: BBL) voor natuurverwerving of uitgifte. De gronden zijn door het BBL in beheer gegeven aan de vereniging Natuurmonumenten maar worden nog wel verpacht aan agrariërs. LTO Noord stelt dat de bestemming "Natuur" het realiseren van een gebiedsproces waarvan versterking van de agrarische sector en kavelruil deel uitmaken onnodig bemoeilijkt. De agrarische bestemming moet volgens LTO Noord worden gehandhaafd totdat definitieve duidelijkheid bestaat over de toekomst van het voormalige vliegveld.

27.1. Volgens de raad worden de gronden van het voormalige vliegveld in afwachting van werkzaamheden ten behoeve van natuurontwikkeling in samenhang met waterberging beheerd door Natuurmonumenten. De bestemming "Natuur" voor deze gronden is volgens de raad in overeenstemming met het gemeentelijk beleid om ter plaatse een waterberging en natuur te ontwikkelen. Het is volgens de raad de bedoeling om binnen de planperiode natuur ter plaatse te realiseren.

27.2. Aan de gronden van het voormalige vliegveld Bergen is de bestemming "Natuur" toegekend. De gronden worden verpacht aan agrariërs en liggen in de EHS.

Ingevolge artikel 19, eerste lid, van de PRVS geldt voor de gronden aangeduid op kaart 4 en op de digitale verbeelding ervan, als EHS en als Ecologische Verbindingszone, dat:

a. een bestemmingsplan de gronden als ‘natuur’ bestemt, indien de natuurfunctie reeds is gerealiseerd;

b. een bestemmingsplan een wijzigingsbevoegdheid bevat die bepaalt dat het college van burgemeester en wethouders een bestemming wijzigen in een natuurbestemming vanaf het moment dat:

1º de gronden zijn verworven of ontpacht ten behoeve van het realiseren van de natuurfunctie;

2º een overeenkomst voor functieverandering door middel van particulier natuurbeheer is gesloten; of

3º het college van gedeputeerde staten besluit dat het provinciale staten zal verzoeken om het besluit tot het verzoek tot onteigening aan de Kroon, als bedoeld in artikel 78 van de Onteigeningswet, te nemen en dat ter voorbereiding van dit besluit van provinciale staten, het college van gedeputeerde staten een kopie van hun besluit hiertoe aan het college van burgemeester en wethouders zenden met het verzoek over te gaan tot vaststelling van het wijzigingsplan.

27.3. De Afdeling overweegt dat anders dan LTO Noord aanvoert uit artikel 19 van de PRVS niet volgt dat de bestemming "Natuur" aan gronden binnen de EHS alleen kan worden toegekend indien de natuurfunctie is gerealiseerd of indien de gronden zijn ontpacht of verworven ten behoeve van het realiseren van de natuurfunctie. Deze bepaling verbiedt de raad niet om aan gronden binnen de EHS de bestemming "Natuur" toe te kennen indien aannemelijk is dat deze bestemming binnen de planperiode zal worden gerealiseerd. Ter zitting heeft de raad onbestreden toegelicht dat de gronden van het voormalige vliegveld Bergen binnen de planperiode tot natuur en waterberging zullen worden ontwikkeld en dat daarover inmiddels afspraken zijn gemaakt tussen de provincie, de gemeente en het hoogheemraadschap. Gelet hierop heeft de raad in redelijkheid de bestemming "Natuur" aan deze gronden kunnen toekennen. Het betoog faalt.

Toegestane bouwhoogte gaas- en boogkassen

28. LTO Noord betoogt verder dat de toegestane bouwhoogte van 1,5 m voor boog- en gaaskassen buiten het bouwvlak binnen de agrarische bestemmingen onvoldoende is vanwege de ontwikkelingen in de landbouw en de vanwege de vereiste arbeidsomstandigheden voor werknemers. Boog- en gaaskassen zijn tijdelijke bouwwerken die worden gebruikt om agrarische gewassen te beschermen, de productie te verbeteren en de productkwaliteit te verhogen. LTO Noord wenst een maximale bouwhoogte van 2,5 m voor deze bouwwerken.

28.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de bouwvlakken primair bedoeld zijn voor bebouwing en dat bebouwing daarbuiten zoveel mogelijk dient te worden voorkomen, gelet op het waardevolle karakter van het buitengebied.

28.2. Ingevolge artikel 3, lid 3.2.4, onder e, van de planregels bedraagt de hoogte van gaas- en boogkassen buiten het bouwvlak binnen de bestemming ""Agrarisch - Bollenconcentratiegebied" ten hoogste 1,5 m.

Binnen de bestemmingen "Agrarisch - Landschapsbehoud" en "Agrarisch - Natuurontwikkeling" bedraagt de maximale hoogte van gaas- en boogkassen buiten het bouwvlak eveneens 1,5 m.

28.3. De Afdeling is van oordeel dat de raad bij het bepalen van de toegestane hoogte voor gaas- en boogkassen in redelijkheid een zwaarder gewicht heeft kunnen toekennen aan het belang van bescherming van het waardevolle karakter van het buitengebied dan aan de belangen die met een hoogte van 2,5 m zijn gemoeid. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat gaas- en boogkassen met een hoogte van 2,5 m een grotere ruimtelijke uitstraling hebben dan gaas- en boogkassen met een hoogte van 1,5 m. Voorts heeft LTO Noord niet aannemelijk gemaakt dat een hoogte van 1,5 m voor gaas- en boogkassen onvoldoende is om agrarische gewassen te beschermen, de productie te verbeteren en de productkwaliteit te verhogen. Verder kan weliswaar niet rechtop worden gestaan in gaas- en boogkassen met een hoogte van 1,5 m maar LTO Noord heeft niet aannemelijk gemaakt dat de gezondheid van werknemers daardoor zodanig in gevaar komt dat de raad had moeten kiezen voor een grotere toegestane hoogte dan 1,5 m. Het betoog faalt.

Beperkingen aan teelt van ruwvoeder

29. LTO Noord betoogt voorts dat in de planregels ten onrechte is bepaald dat de teelt van ruwvoeder, waaronder de teelt van maïs, niet is toegestaan, tenzij er sprake is van bestaand gebruik ten tijde van de inwerkingtreding van het plan. Volgens LTO Noord is daardoor geen wisselteelt meer mogelijk waardoor de bodem zal uitputten. Voorts is daardoor de uitbreiding van de teelt van ruwvoeder niet meer mogelijk. Dit is volgens LTO Noord niet wenselijk voor de ontwikkelingsmogelijkheden van melkveehouderijen en het milieu. Verder voert LTO Noord aan dat door het verbod op de teelt van ruwvoeder de noodzaak vervalt voor het gemeentebestuur om een maïsconvenant met de agrarische sector te sluiten.

29.1. Volgens de raad is besloten dat het gemeentebestuur met de agrarische sector een maïsconvenant zal sluiten en dat daarop vooruitlopend uitbreiding van de maïsteelt is uitgesloten. De raad acht uitbreiding van de teelt van maïs vooruitlopend op het maïsconvenant onwenselijk omdat daardoor de openheid van het landschap wordt aangetast. De maïsteelt op percelen waarop deze reeds plaatsvindt mag volgens de raad wel worden voortgezet ook al is sprake van wisselteelt.

29.2. Ingevolge artikel 3, lid 3.4.3, onder c, van de planregels is binnen de bestemming "Agrarisch - Bollenconcentratiegebied" het niet toegestaan gronden en/of bouwwerken te gebruiken of te laten gebruiken, al dan niet in de vorm van wisselteelt, voor de teelt van ruwvoeder (niet zijnde gras), tenzij er sprake is van bestaand gebruik ten tijde van de inwerkingtreding van het plan en uitsluitend ten behoeve van het eigen agrarisch bedrijf.

Binnen de bestemmingen "Agrarisch - Landschapsbehoud" en "Agrarisch - Natuurontwikkeling" is het eveneens niet toegestaan gronden en/of bouwwerken te gebruiken of te laten gebruiken, al dan niet in de vorm van wisselteelt, voor de teelt van ruwvoeder (niet zijnde gras), tenzij er sprake is van bestaand gebruik ten tijde van de inwerkingtreding van het plan en uitsluitend ten behoeve van het eigen agrarisch bedrijf.

29.3. De Afdeling is van oordeel dat de raad in redelijkheid heeft kunnen kiezen om de uitbreiding van de teelt van ruwvoeder, waaronder de teelt van maïs, niet toe te staan, gelet op de bezwaren voor de functies natuur en landschap die volgens de plantoelichting aan de teelt van maïs zijn verbonden. Volgens de plantoelichting heeft de teelt van maïs een groter bestrijdingsmiddelenverbruik ten opzichte van het grondgebruik dan grasland. Dit beïnvloedt volgens de plantoelichting de kwaliteit van bodem en water, wat indirect zijn doorwerking heeft op de ecologische waarden. Voorts heeft maïs volgens de plantoelichting gedurende vier maanden consequenties voor de openheid van het landschap. Ook broeden volgens de plantoelichting kritische weidevogelsoorten, zoals grutto en tureluur, niet op maïsland. Verder staat in de plantoelichting dat archeologische waarden kunnen worden vernietigd door de bij ruwvoederteelt noodzakelijke peilverlagingen en het scheuren van grasland. Verder worden graslanden na het scheuren en maïsteelt vanuit ecologisch oogpunt minder waardevol, aldus de plantoelichting. LTO Noord heeft de plantoelichting niet bestreden. Voorts is van belang dat wisselteelt waarbij periodiek ruwvoeder wordt geteeld op percelen waarop deze reeds plaatsvindt toegestaan blijft ten behoeve van het eigen bedrijf. Bestaand gebruik ten tijde van de inwerkingtreding van het plan ten behoeve van het eigen agrarisch bedrijf is immers in de planregels uitgezonderd van het verbod op de teelt van ruwvoeder. De raad heeft toegelicht dat indien het gebruik op een perceel bestaat uit wisselteelt waarbij periodiek ruwvoeder wordt geteeld dit gebruik als bestaand gebruik moet worden aangemerkt, ook al werd ten tijde van de inwerkingtreding van het plan geen ruwvoeder op een perceel geteeld. De Afdeling ziet geen aanleiding hier anders over te oordelen. Voorts heeft LTO Noord niet aannemelijk gemaakt dat het niet toestaan van de uitbreiding van de teelt van ruwvoeder tot nadelige gevolgen voor het milieu zal leiden, nu zij niet aannemelijk heeft gemaakt dat wisselteelt om uitputting van de bodem te voorkomen alleen met ruwvoedergewassen kan plaatsvinden. De Afdeling betrekt ook bij haar oordeel dat de raad in redelijkheid ervan heeft kunnen uitgaan dat het niet toestaan van de uitbreiding van de teelt van ruwvoeder niet zal leiden tot een ernstige aantasting van de ontwikkelingsmogelijkheden van melkveehouderijen. Daarbij is van belang dat het laten groeien van gras als ruwvoeder nog steeds is toegestaan op grond van de planregels. Het betoog faalt.

Het beroep van [appellante sub 8]

30. [appellante sub 8] betoogt dat als gevolg van de bestemming "Tuin" de mogelijkheden om voor de voorgevel van de woning gebouwen op te richten ten onrechte zijn beperkt ten opzichte van het voorheen geldende plan waardoor planschade zal ontstaan. Volgens haar is het beperken van de bouwmogelijkheden voor de voorgevel van de woning niet nodig om verrommeling van het aanzicht vanaf de openbare weg te voorkomen, omdat de woningen in het buitengebied vaak verscholen liggen achter een dicht beboste strook grond, zoals haar woning. Verder wijst [appellante sub 8] erop dat sommige woningen zo ver van de weg zijn gebouwd, zoals haar woning, dat de ruimte om achter de woning te bouwen erg beperkt is. Voorts is volgens [appellante sub 8] weliswaar een afwijkingsbevoegdheid voor bouwen in de voortuin in de planregels opgenomen, maar volgens haar zijn de voorwaarden voor toepassing daarvan onvoldoende duidelijk . Ook is volgens haar binnen de bestemming "Wonen" ten onrechte bepaald dat aan- en uitbouwen 3 m achter de voorgevel dienen te liggen.

30.1. Volgens de raad is aan gronden die voor de woning liggen de bestemming "Tuin" toegekend om het aanzicht vanaf de openbare weg te beschermen. De raad stelt zich op het standpunt dat bijgebouwen in beginsel achter het hoofdgebouw dienen te zijn gesitueerd. Indien het niet mogelijk is om bijgebouwen achter de woning te realiseren is het volgens de raad mogelijk om door toepassing van de afwijkingsbevoegdheid bijgebouwen in de voortuin te realiseren. De voorwaarden voor toepassing van deze afwijkingsbevoegdheid zijn volgens de raad niet onduidelijk.

30.2. [appellante sub 8] woont op het perceel [locatie 9] te Bergen (hierna: het perceel). Aan de achterste gronden op het perceel is de bestemming "Wonen" toegekend. Aan de gronden die voor de woning liggen is de bestemming "Tuin" toegekend. Op deze gronden staan bomen.

Ingevolge artikel 18, lid 18.1, van de planregels zijn de voor "Tuin" aangewezen gronden bestemd voor tuinen behorende bij de op de aangrenzende gronden gelegen hoofdgebouwen.

Ingevolge lid 18.2, onder a, zijn op de gronden ten behoeve van de bestemming "Tuin" uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, toegestaan, met uitzondering van paardenbakken, bouwwerken ten behoeve van mestopslag, tredmolens, lichtmasten ten behoeve van paardenbakken en zwembaden.

Ingevolge lid 18.2, onder b, mag binnen de bestemming "Tuin" de hoogte van erf- en perceelafscheidingen voor de voorgevellijn ten hoogste 1 m en elders ten hoogste 2 m bedragen.

Ingevolge lid 18.2, mag binnen de bestemming "Tuin" de hoogte de hoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten hoogste 1 m bedragen.

Ingevolge lid 18.3.2 kan het bevoegd gezag bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 18.2 ten behoeve van het realiseren van aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen binnen de bestemming Tuin, met dien verstande dat:

a. afwijken uitsluitend mogelijk is indien het realiseren van erfbebouwing achter de woning fysiek niet mogelijk is;

b. afwijken mag geen onevenredige afbreuk doen aan de stedenbouwkundige situatie ter plaatse;

c. er dient te worden voldaan aan de maximale oppervlakte uit artikel 21, lid 21.2.3.

Ingevolge artikel 21, lid 21.2.3, dienen binnen de bestemming "Wonen" aan- en uitbouwen, bijgebouwen, recreatiewoningen en overkappingen op een afstand van ten minste 3 m achter (het verlengde van) de voorgevel van het hoofdgebouw te worden geplaatst.

30.3. Voor zover [appellante sub 8] aanvoert dat bouwmogelijkheden zijn beperkt ten opzichte van het voorheen geldende plan, overweegt de Afdeling dat in het algemeen aan een voorheen geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten kunnen worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en regels voor gronden vaststellen. De Afdeling is van oordeel dat de raad in redelijkheid een zwaarder gewicht heeft kunnen toekennen aan het belang om het aanzicht vanaf de openbare weg te beschermen dan aan het belang van [appellante sub 8] om bouwmogelijkheden te behouden. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat als gevolg van beboste stroken grond voor woningen het zicht vanaf de openbare weg op achtergelegen gebouwen thans beperkt is. Indien gebouwen op deze stroken grond kunnen worden opgericht, zal vanaf de openbare weg direct zicht op gebouwen ontstaan. Voorts had [appellante sub 8] ten tijde van de vaststelling van het plan geen concrete plannen om gebouwen voor de voorgevel op te richten. Verder behoefde de raad in redelijkheid niet ervan uit te gaan dat als gevolg van de beperking van de bouwmogelijkheden ernstige planschade zal ontstaan. De Afdeling betrekt bij haar oordeel ook dat binnen de bestemming "Tuin" een afwijkingsbevoegdheid is opgenomen voor bouwen binnen de bestemming "Tuin" indien het realiseren van erfbebouwing achter de woning niet mogelijk is. De voorwaarden voor toepassing van deze afwijkingsbevoegdheid zijn gebruikelijke criteria en voldoende duidelijk. Het betoog faalt.

31. [appellante sub 8] betoogt voorts dat de maximale bouwhoogte voor erfafscheidingen voor de voorgevellijn binnen de bestemming "Tuin" ten onrechte 1 m bedraagt. Volgens haar hebben veel percelen in het plangebied, waaronder het perceel, een toegangspoort die hoger is dan 1 m. Een toegangspoort met een grotere hoogte dan 1 m is volgens [appellante sub 8] noodzakelijk vanwege de veiligheid van kinderen en dieren in de nabijheid van de openbare weg en vanwege de eisen aan de veiligheid die verzekeringsmaatschappijen stellen.

31.1. Ingevolge artikel 31, lid 31.3, onder a, geldt voor een bouwwerk, dat bij of krachtens de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden en dat in het plan ingevolge de bestemming is toegelaten, maar waarvan de bestaande afstands-, hoogte-, inhouds- en oppervlaktematen afwijken van de bouwregels van de betreffende bestemming, dat:

1. bestaande maten, die meer bedragen dan in hoofdstuk 2 is voorgeschreven, mogen als ten hoogste toelaatbaar worden aangehouden;

2. bestaande maten, die minder bedragen dan in hoofdstuk 2 is voorgeschreven, mogen als ten minste toelaatbaar worden aangehouden.

31.2. Gelet op het belang van de bescherming van het aanzicht vanaf de openbare weg, is de Afdeling van oordeel dat de raad in redelijkheid voor een maximale bouwhoogte van 1 m voor erf- en perceelsafscheidingen voor de voorgevellijn heeft kunnen kiezen. De raad behoefde daarbij in redelijkheid geen doorslaggevend gewicht toe te kennen aan het belang van de veiligheid van kinderen en dieren in de nabijheid van de openbare weg. Daarbij is van belang dat toezicht kan worden gehouden op dieren in de voortuin en kinderen die daarin spelen. Voorts heeft [appellante sub 8] niet aannemelijk gemaakt dat geen verzekering kan worden verkregen indien erfafscheidingen een hoogte van 1 m hebben. Voor zover [appellante sub 8] erop wijst dat de toegangspoort op het perceel hoger is dan 1 m, overweegt de Afdeling dat ter zitting vast is komen te staan dat deze toegangspoort legaal is opgericht. Dit betekent dat deze toegangspoort als zodanig is bestemd, gelet op artikel 31, lid 31.3, van de planregels. Het betoog faalt.

32. [appellante sub 8] betoogt voorts dat onduidelijk is of een oprit of parkeergelegenheid binnen de bestemming "Tuin" is toegestaan, omdat het gebruik van gronden als erf binnen de bestemming "Tuin" niet is toegestaan.

32.1. Volgens de raad is het gebruik van gronden als erf binnen de bestemming "Tuin" niet toegestaan om te benadrukken dat op de gronden geen erfbebouwing mag worden opgericht. Verhardingen en het gebruik van gronden voor paden en parkeren zijn volgens de raad binnen de bestemming "Tuin" toegestaan.

32.2. Ingevolge artikel 1, lid 1.43, van de planregels wordt onder erf verstaan al dan niet bebouwd perceel, of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een gebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van dat gebouw en voor zover de regels deze inrichting niet verbieden.

Ingevolge artikel 18, lid 18.4, onder b, is het gebruik van gronden met de bestemming "Tuin" als erf niet toegestaan.

32.3. De Afdeling overweegt dat op grond van artikel 18, lid 18.1 van de planregels de voor de bestemming "Tuin" aangewezen gronden alleen voor tuinen zijn aangewezen. Naar normaal spraakgebruik kan onder een tuin geen oprit of parkeergelegenheid wordt verstaan. Voorts is in lid 18.4, onder b, bepaald dat het gebruik van gronden met de bestemming "Tuin" als erf niet is toegestaan. Het gebruik van gronden die direct bij een gebouw liggen voor een oprit, parkeerplaats bij een gebouw moet als erf worden aangemerkt, gelet op de definitie daarvan in de planregels. Dit betekent dat binnen de bestemming "Tuin" geen opritten of parkeergelegenheden zijn toegestaan, anders dan de raad heeft beoogd. Nu de raad niet heeft bereikt wat hij heeft beoogd is het plan in zoverre in strijd met de vereiste zorgvuldigheid vastgesteld. Het betoog slaagt.

33. [appellante sub 8] kan zich voorts niet verenigen met de beperking van de toegestane inhoud van bestaande woningen binnen de bestemming "Wonen". Volgens haar is het plan op dit punt gewijzigd vastgesteld zonder dat deze wijziging ter inzage heeft gelegen en daarover zienswijzen naar voren konden worden gebracht. Voorts heeft de raad volgens haar er ten onrechte geen rekening mee gehouden dat veel bestaande woningen in het buitengebied reeds een grotere inhoud dan 600 m3 hebben en op ruime kavels staan en worden omringd door tuinen en bosschages.

33.1. Ingevolge artikel 21, lid 21.2.2, onder e, geldt voor bestaande woningen dat vergroting en herbouw is toegestaan volgens onderstaande staffel:

categorie inhoud bestaande woning maximaal toegestane inhoud

I minder dan 300 m³ 450 m³

II van 300 tot en met 400 m³ 500 m³

III meer dan 400 m³ 600 m³

33.2. De Afdeling overweegt dat de raad bij de vaststelling van het plan daarin wijzigingen kan aanbrengen ten opzichte van het ontwerp. Slechts indien de afwijkingen van het ontwerp naar aard en omvang zo groot zijn dat een wezenlijk ander plan is vastgesteld, dient de wettelijke procedure opnieuw te worden doorlopen. De door [appellante sub 8] bestreden afwijking van is naar aard en omvang niet zo groot dat geoordeeld moet worden dat een wezenlijk ander plan voorligt. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat deze wijziging slechts ziet op de toegestane inhoud voor woningen. Gelet op het belang van het behoud van de openheid van het landschap in het buitengebied is de Afdeling voorts van oordeel dat de raad in redelijkheid voor de regeling in artikel 21, lid 21.2.2, onder e, heeft kunnen kiezen. Daarbij is ook van belang dat bestaande, legale woningen die een grotere inhoud dan 600 m3 hebben als zodanig zijn bestemd op grond van artikel 31, lid 31.3, van de planregels. Het betoog faalt.

34. [appellante sub 8] betoogt voorts dat in de planregels ten onrechte is bepaald dat bed & breakfast in het bestaande hoofdgebouw dient plaats te vinden, terwijl deze beperking niet uit de plantoelichting volgt. Volgens haar is het uit een oogpunt van privacy wenselijk dat bed & breakfast ook in een bijgebouw mogelijk is.

34.1. Ingevolge artikel 1, lid 1.15, wordt onder bed en breakfast verstaan het verstrekken van logies met ontbijt binnen een gedeelte van de bestaande (bedrijfs)woning of het hoofdgebouw.

34.2. De raad heeft ervoor gekozen om bed & breakfast alleen in het hoofdgebouw toe te staan omdat anders het risico bestaat dat nieuwe recreatiewoningen in het buitengebied ontstaan en nieuwe recreatiewoningen uit het oogpunt van het voorkomen van verstening van het buitengebied niet wenselijk zijn. De Afdeling acht dit standpunt van de raad niet onredelijk. Het betoog faalt.

35. In hetgeen [appellante sub 8] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het plandeel met de bestemming "Tuin" voor het perceel in strijd met artikel 3:2 van de Awb is vastgesteld. Het beroep van [appellante sub 8] is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

Het beroep van [appellant sub 10]

Ontvankelijkheid

36. De raad stelt zich op het standpunt dat het beroep van [appellant sub 10] niet-ontvankelijk is, omdat [appellant sub 10] in zijn zienswijze niet heeft aangevoerd dat de paardenstallen op het achterste gedeelte van zijn perceel aan de [locatie 10] te Bergen (hierna: het achterste gedeelte van het perceel) ten onrechte niet als zodanig zijn bestemd.

De Afdeling overweegt dat binnen de door de wet en de goede procesorde begrensde mogelijkheden, geen rechtsregel eraan in de weg staat dat bij de beoordeling van het beroep gronden worden betrokken die na het nemen van het bestreden besluit zijn aangevoerd en niet als zodanig in de uniforme openbare voorbereidingsprocedure met betrekking tot het desbetreffende besluitonderdeel naar voren zijn gebracht. [appellant sub 10] heeft in zijn zienswijze het plandeel met de bestemming "Natuur" voor het achterste gedeelte van het perceel aangevochten, zodat zijn beroep berust op een bij de raad naar voren gebrachte zienswijze. Gelet hierop bestaat geen aanleiding het beroep van [appellant sub 10] niet-ontvankelijk te verklaren.

Inhoudelijk

37. [appellant sub 10] betoogt dat ten onrechte de paardenstallen op het achterste gedeelte van het perceel niet als zodanig zijn bestemd. Volgens hem wordt de bestaande legale bebouwing op het achterste gedeelte al sinds de inwerkingtreding van het voorheen geldende bestemmingsplan "Weidegebied 1993" gebruikt voor het stallen van paarden en worden de paardenstallen ten onrechte opnieuw onder het overgangsrecht gebracht.

37.1. De raad stelt zich op het standpunt dat in het plan ten onrechte geen regeling is getroffen voor de paardenstallen op het achterste gedeelte van het perceel. Nu de raad zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit wat betreft het plandeel met de bestemming "Natuur" voor het achterste gedeelte van het perceel niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid.

38. In hetgeen [appellant sub 10] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit wat betreft het plandeel met de bestemming "Natuur" voor het achterste gedeelte van het perceel is vastgesteld in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Het beroep van [appellant sub 10] is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

Het beroep van [appellanten sub 9]

39. [appellanten sub 9] betogen dat de maximale inhoud voor nieuwe woningen binnen de bestemming "Wonen" ten onrechte is gewijzigd van 650 m3 in het ontwerp naar 600 m3. Volgens hen is in het ontwerp voor het perceel Groeneweg 40 (hierna: het perceel) een bouwvlak ten behoeve van een vrijstaande woning opgenomen en zijn op basis van een inhoudsmaat van 650 m3 plannen ontwikkeld. Die inhoudsmaat stemt volgens hen overeen met de inhoudsmaat uit het voorheen geldende bestemmingsplan "Weidegebied 1993". [appellanten sub 9] stellen dat het college en ambtenaren de gerechtvaardigde verwachting hebben gewekt dat woningen van 650 m3 zouden worden toegestaan. Ook wijzen zij erop dat het college de raad heeft afgeraden om de maximale inhoudsmaat te wijzigen.

39.1. Volgens de raad is de maximale inhoudsmaat voor woningen gewijzigd van 650 m3 naar 600 m3 om de openheid van het buitengebied zoveel mogelijk te behouden. Verder betwist de raad dat in het voorheen geldende plan een maximale inhoudsmaat van 650 m3 was opgenomen en dat gerechtvaardigde verwachtingen zijn gewekt dat woningen van 650 m3 zouden worden toegestaan.

39.2. Aan het perceel is de bestemming "Wonen" met een bouwvlak toegekend.

39.3. Gelet op het belang van het behoud van de openheid van het landschap in het buitengebied is de Afdeling van oordeel dat de raad in redelijkheid de maximale inhoud voor nieuwe woningen heeft kunnen beperken tot 600 m3. Dat het college de raad heeft ontraden de maximale inhoudsmaat te wijzigen doet daaraan niet af, nu de raad een eigen afweging mag maken die afwijkt van de afweging van het college. [appellanten sub 9] hebben verder niet aannemelijk gemaakt dat door of namens de raad gerechtvaardigde verwachtingen zijn gewekt dat woningen met een maximale van 650 m3 zouden worden toegestaan. Zij dienden er rekening mee te houden dat een bestemmingsplan gewijzigd kan worden vastgesteld door de raad. Voor zover [appellanten sub 9] aanvoeren dat de maximale inhoudsmaat beperkt is ten opzichte van het voorheen geldende plan, stelt de Afdeling vast dat onder het voorheen geldende plan aan het perceel de bestemming "Agrarische doeleinden" zonder bouwvlak was toegekend, zodat op het perceel in het geheel geen gebouwen mochten worden gebouwd. Dat een woning met een maximale inhoud van 600 m3 is toegestaan, is voor het perceel dus een verruiming ten opzichte van het voorheen geldende plan. De Afdeling verwijst voorts naar hetgeen is overwogen in overweging 15.7. Het betoog faalt.

39.4. Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellanten sub 9] ongegrond.

Het beroep van Stichting BHL voor het overige

Formeel bezwaar

40. Stichting BHL betoogt dat leden van een raadscommissie de stukken voor een voorbereidende commissievergadering ten onrechte pas op 4 juni 2013 hebben ontvangen, terwijl de vergadering op 12 juni 2013 was.

De Afdeling overweegt dat niet de raadscommissie het plan vaststelt, maar de raad. Niet is gebleken dat de leden onvoldoende tijd hadden om de relevante stukken voor de vaststelling van het plan op 2 juli 2013 te bestuderen. Het betoog faalt.

Structuurvisie Landelijk Gebied

41. Stichting BHL betoogt voorts dat dat de raad in het plan en het Landschapsontwikkelingsplan (hierna: het LOP) van september 2011 in strijd met de Structuurvisie Landelijk Gebied van 9 december 2010 (hierna: de structuurvisie) een te groot gewicht heeft toegekend aan het belang van uitbreidingsmogelijkheden voor agrariërs en de verblijfsrecreatie, zoals kleinschalig kamperen, en onvoldoende gewicht heeft toegekend aan andere belangen, zoals het belang van het behoud van cultuurhistorische waarden.

41.1. In de structuurvisie staat dat een vitale agrarische sector de beheerder is van het landschap en dat de trend van schaalvergroting binnen het werkgebied zal worden gefaciliteerd indien dit bedrijfseconomisch wordt onderbouwd en past binnen de kaders voor het behoud en het versterken van het landschap. Daarnaast worden mogelijkheden geboden om verbredingsactiviteiten te ontplooien die ondergeschikt zijn aan de agrarische sector. Voorts zijn recreatie en toerisme volgens de structuurvisie van groot economisch belang en wordt het recreatief aantrekkelijke karakter van het landelijk gebied behouden en versterkt en gepositioneerd binnen het regionale aanbod. Ook wordt er ruimte geboden aan extra mogelijkheden voor kamperen. Verder staat in de structuurvisie dat Bergen een bijzonder landschap en een rijke cultuurhistorie heeft. Volgens de structuurvisie moet waardevol agrarisch cultuurlandschap worden behouden, verrommeling worden opgeheven en tegengegaan en cultuurhistorisch erfgoed worden beschermd en zichtbaar en beleefbaar gemaakt.

41.2. In de plantoelichting staat dat in het gehele plangebied waarden van natuur, landschap en cultuurhistorie voorkomen. Het voorgaande betekent dat de agrarische gronden binnen alle drie de agrarische bestemmingen mede bestemd zijn voor deze landschappelijke, cultuurhistorische en natuurwaarden. Bescherming van deze waarden vindt volgens de plantoelichting enerzijds plaats door het opnemen van de verplichting van een omgevingsvergunning voor bepaalde werken en werkzaamheden. Anderzijds is daar waar afwijking of wijziging binnen de planregels aan de orde is bepaald dat rekening dient te worden gehouden met deze waarden. Voorts zijn volgens de plantoelichting voor enkele aspecten (archeologische waarden, duinrellen, stolpen, dijken/polderwegen, molens) specifieke regels opgenomen in de vorm van een dubbelbestemming of aanduiding. Verder staat in de plantoelichting dat vanwege de grote landschappelijke, cultuurhistorische en natuurwaarden van het gebied ervoor is gekozen om de bouwvlakken uit de vigerende bestemmingsplannen over te nemen. Vergroting van de bouwvlakken is volgens de plantoelichting onder voorwaarden mogelijk door middel van planwijziging tot 1,5 ha. Hierbij wordt de noodzaak van vergroting getoetst en wordt bovendien rekening gehouden met de in het gebied voorkomende waarden en het LOP.

41.3. Voor zover Stichting BHL betoogt dat het LOP in strijd is met de structuurvisie overweegt de Afdeling dat in deze procedure uitsluitend het plan ter beoordeling voorligt en niet het LOP. De Afdeling ziet in hetgeen Stichting BHL heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad het plan heeft vastgesteld in strijd met de structuurvisie, nu volgens de structuurvisie ruimte wordt geboden aan verbreding en schaalvergroting van agrarische bedrijven en versterking van de recreatieve sector. Daarbij neemt de Afdeling ook in aanmerking dat in het plan bescherming is geboden aan de cultuurhistorische waarden in het plangebied, zoals is uiteengezet in de plantoelichting. Het betoog faalt.

Bollenteelt

42. Stichting BHL betoogt dat ten onrechte in strijd met de PRVS buiten het bollenconcentratiegebied bollenteelt is toegestaan. Volgens haar is aan gronden met de bestemming "Agrarisch - Landschapsbehoud", die buiten het bollenconcentratiegebied liggen, de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - bollenteelt" toegekend. Volgens haar zijn niet alle gronden met deze aanduiding in gebruik voor de bollenteelt en dienen gronden buiten het bollenconcentratiegebied die wel in gebruik zijn voor bollenteelt op grond van de PRVS op termijn weer weilanden te worden. Voorts is volgens haar aan gronden die in gebruik zijn als weiland ter plaatse van de percelen Hoeverweg 22 en 24 te Egmond de bestemming "Agrarisch - Bollenconcentratiegebied" toegekend, terwijl deze gronden buiten het bollenconcentratiegebied liggen en op deze gronden onder het voorheen geldende plan geen bollenteelt was toegestaan. Verder heeft de raad volgens Stichting BHL ten onrechte aan weilanden binnen het bollenconcentratiegebied de bestemming "Agrarisch - Bollenconcentratiegebied" is toegekend. Daardoor kunnen natuur- en landschapswaarden ernstig worden aangetast

42.1. Ingevolge artikel 26, onder k, van de PRVS zijn een nieuw bollenteeltbedrijf voor permanente bollenteelt en de uitbreiding van een bestaand bedrijf alsmede het mogelijk maken van grondbewerkingen als bezanden, omzetten en omspuiten ten behoeve van permanente bollenteelt uitsluitend toegestaan:

1º In de bollenconcentratiegebieden, zoals aangegeven op kaart 7 en op de digitale verbeelding ervan;

2º Een bestemmingsplan voor de gebieden, genoemd onder 1. maakt de vestiging van een bollenteeltbedrijf voor permanente bollenteelt niet onmogelijk.

42.2. Wat betreft de gronden met de bestemming "Agrarisch - Bollenconcentratiegebied" ter plaatse van de percelen Hoeverweg 22 en 24 stelt de Afdeling vast dat deze gronden op de digitale verbeelding behorende bij de PRVS zijn aangeduid als bollenconcentratiegebied. Gelet hierop is de bestemming "Agrarisch - Bollenconcentratiegebied" voor deze gronden niet in strijd met artikel 26, onder k, van de PRVS. De Afdeling is voorts van oordeel dat de raad in redelijkheid een zwaarder gewicht heeft kunnen toekennen aan het belang van uitbreidingsmogelijkheden voor bollenteeltbedrijven binnen het bollenconcentratiegebied dan aan het belang van het behoud van bestaande weilanden binnen het bollenconcentratiegebied. Wat betreft de gronden met de bestemming "Agrarisch - Landschapsbehoud" waaraan de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - bollenteelt" is toegekend, overweegt de Afdeling dat volgens de raad alleen aan gronden buiten het bollenconcentratiegebied waarop reeds bollenteelt plaatsvindt en dit onder het voorheen geldende plan was toegestaan deze aanduiding is toegekend. Stichting BHL heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit standpunt onjuist is. Gelet hierop bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het plan op dit punt is vastgesteld in strijd met artikel 26, onder k, van de PRVS. Anders dan Stichting BHL aanvoert, volgt uit deze bepaling niet dat gronden buiten het bollenconcentratiegebied die reeds in gebruik zijn voor bollenteelt op termijn weilanden dienen te worden. Uit deze bepaling volgt alleen dat nieuwe bollenteelt en uitbreiding van bestaande bollenteelt buiten het bollenconcentratiegebied niet zijn toegestaan. Het betoog faalt.

Het beroep van [appellant sub 13A]

Intrekking

43. Ter zitting heeft [appellant sub 13A] zijn beroepsgrond dat de uitrit van zijn stal ten onrechte niet als zodanig is bestemd, ingetrokken.

Ontvankelijkheid

44. [appellant sub 13A] betoogt dat ten onrechte binnen de bestemming "Agrarisch - Landschapsbehoud" de functies die in artikel 4, lid 4.1, aanhef en onder c tot en met j, van de planregels staan genoemd mogelijk zijn gemaakt. [appellant sub 13A] heeft deze functies niet in zijn zienswijze bestreden.

Ingevolge artikel 8:1 van de Awb, in samenhang gelezen met artikel 8:6 van de Awb en artikel 2 van bijlage 2 bij de Awb alsmede met artikel 6:13 van de Awb, kan door een belanghebbende geen beroep worden ingesteld tegen onderdelen van het besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarover hij bij het ontwerpplan geen zienswijze naar voren heeft gebracht, tenzij hem redelijkerwijs niet kan worden verweten dit te hebben nagelaten. Deze omstandigheid doet zich niet voor.

Het beroep van [appellant sub 13A] is in zoverre niet-ontvankelijk.

Inhoudelijk

45. [appellant sub 13A] betoogt dat het bouwvlak voor zijn gronden aan de [locatie 11] te Bergen (hierna: de gronden) te klein is ten opzichte van de bestaande kuilvoerplaats.

45.1. [appellant sub 13A] exploiteert een melkveehouderij op de gronden. Aan de gronden is de bestemming "Agrarisch - Landschapsbehoud" zonder de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - bollenteelt" toegekend. Aan een gedeelte van de gronden is een bouwvlak toegekend.

Ingevolge artikel 4, lid 4.2.1, onder a, van de planregels zijn gebouwen en overkappingen, silo's (niet zijnde sleufsilo's), paardenbakken, tredmolens en bouwwerken ten behoeve van mestopslag, uitsluitend binnen het bouwvlak toegestaan.

Ingevolge lid 4.2,1, onder g, zijn overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, waaronder sleufsilo's en gaas- of boogkassen, zowel binnen als buiten het bouwvlak toegestaan.

45.2. Wat betreft de bestaande kuilvoerplaats overweegt de Afdeling dat deze als een overig bouwwerk, geen gebouw zijnde als bedoeld in artikel 4, lid 4.2.1, van de planregels dient te worden aangemerkt. Dergelijke bouwwerken zijn zowel binnen als buiten het bouwvlak toegestaan, zodat de bestaande kuilvoerplaats als zodanig is bestemd. Gelet op het voorgaande behoefde de raad in redelijkheid in het betoog van [appellant sub 13A] geen aanleiding te zien het bouwvlak voor het perceel te vergroten. Het betoog faalt.

46. [appellant sub 13A] betoogt voorts dat de planregels innerlijk tegenstrijdig zijn. Volgens hem is daarin bepaald dat op gronden met de bestemming "Agrarisch - Landschapsbehoud" verscheidene bouwwerken mogen worden opgericht, maar tegelijkertijd is bepaald dat alleen sleufsilo’s en boogkassen buiten het bouwvlak mogen worden gebouwd.

46.1. Ingevolge lid 4.2 mogen op de voor "Agrarisch - Landschapsbehoud" aangewezen gronden ten behoeve van de bestemming uitsluitend worden gebouwd:

a. bedrijfsgebouwen, met uitzondering van kassen;

b. bedrijfswoningen, tenzij ter plaatse de aanduiding 'bedrijfswoning uitgesloten' is opgenomen;

c. aan- en uitbouwen en bijgebouwen bij de bedrijfswoning;

d. een recreatiewoning;

e. bouwwerken, geen gebouwen zijnde;

f. faciliteiten ten dienste van een paardenfokkerij;

g. mest- en voedersilo's en andere ondersteunende voorzieningen.

46.2. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de planregels op dit punt rechtsonzeker zijn. In lid 4.2 is alleen bepaald welke bouwwerken binnen de bestemming "Agrarisch - Landschapsbehoud" mogen worden opgericht, niet of deze buiten het bouwvlak mogen worden opgericht en welke maatvoering voor deze bouwwerken is toegestaan. Dat is geregeld in de leden 4.2.1 tot en met 4.2.4. Overigens zijn niet alleen sleufsilo's en gaas- of boogkassen toegestaan buiten het bouwvlak, maar ook overige overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Het betoog faalt.

47. [appellant sub 13A] betoogt voorts dat in de planregels aan de maatvoering van sleufsilo’s ten onrechte beperkingen zijn gesteld. Volgens hem zijn de toegestane maten voor een sleufsilo in het plan niet toereikend voor agrarische bedrijven. [appellant sub 13A] stelt dat op de gronden een sleufsilo met een oppervlakte van 180 m2 buiten het bouwvlak staat.

47.1. Ingevolge artikel 4, lid 4.2.4, onder d, van de planregels bedraagt de oppervlakte van sleufsilo's buiten het bouwvlak ten hoogste 200 m² en de afstand tot het bouwvlak bedraagt niet meer dan 50 m.

47.2. Gelet op het belang van het voorkomen van verstening van het buitengebied, is de Afdeling van oordeel dat de raad in redelijkheid de oppervlakte van sleufsilo’s buiten het bouwvlak heeft kunnen beperken. Daarbij neemt de Afdeling ook in aanmerking dat [appellant sub 13A] niet aannemelijk heeft gemaakt dat een groter toegestane oppervlakte voor sleufsilo’s buiten het bouwvlak noodzakelijk is voor zijn bedrijfsvoering. Daarbij is van belang dat voor sleufsilo’s binnen het bouwvlak geen beperkingen aan de oppervlakte zijn gesteld. Voorts is de sleufsilo die buiten het bouwvlak staat als zodanig bestemd, nu buiten het bouwvlak de oppervlakte van sleufsilo’s maximaal 200 m2 mag bedragen. Het betoog faalt.

48. [appellant sub 13A] betoogt verder dat het bestemmingsvlak voor de hangar van het voormalige vliegveld Bergen die in zijn eigendom is te klein is om voor renovatie en onderhoud steigers en een bouwkeet te plaatsen.

48.1. Aan de hangar van het voormalige vliegveld Bergen is de bestemming "Agrarisch - Landschapsbehoud" met de aanduiding "cultuurhistorische waarde" toegekend.

Ingevolge artikel 4, lid 4.1, aanhef en onder e, van de planregels zijn de voor "Agrarisch - Landschapsbehoud" aangewezen gronden ter plaatse van de aanduiding "cultuurhistorische waarde" tevens aangewezen voor cultuurhistorisch waardevolle landschapselementen in de vorm van dijken en polderwegen en tevens voor een cultuurhistorisch element in de vorm van een voormalige vliegtuighangar.

Ingevolge lid 4.7.1 is het verboden om ter plaats van de aanduiding "cultuurhistorische waarde" gebouwen zonder een omgevingsvergunning te slopen

48.2. Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het bouwen van een bouwwerk.

Ingevolge het derde lid kan bij algemene maatregel van bestuur worden bepaald dat met betrekking tot daarbij aangewezen activiteiten als bedoeld in het eerste lid in daarbij aangegeven categorieën gevallen, het in dat lid gestelde verbod niet geldt.

Ingevolge artikel 2.3, tweede lid, van het Besluit omgevingsrecht (hierna: Bor), gelezen in samenhang met artikel 2, onder 20, van bijlage II van het Bor, is voor onder meer een bouwkeet, bouwbord, steiger, heistelling, hijskraan, damwand of andere hulpconstructie die functioneel is voor een bouw-, onderhouds- of sloopactiviteit, mits geplaatst op of in de onmiddellijke nabijheid van het terrein waarop die activiteit of werkzaamheid wordt uitgevoerd geen omgevingsvergunning vereist.

48.3. Gelet op artikel 2.3, tweede lid, van het Bor, gelezen in samenhang met artikel 2, onder 20, van bijlage II van het Bor, stelt de Afdeling vast dat voor het plaatsen van steigers en een bouwkeet voor onderhoudswerkzaamheden aan de hangar geen omgevingsvergunning vereist is. Het vergroten van het bestemmingsvlak voor de hangar is dus niet nodig om steigers en een bouwkeet te kunnen plaatsen, anders dan [appellant sub 13A] meent. Het betoog faalt.

49. [appellant sub 13A] betoogt voorts dat in het plan duidelijk geregeld moet zijn dat op de gronden de teelt van maïs en de verhuur van het perceel aan andere agrariërs voor de teelt van aardappelen, bollen en kool is toegestaan. Volgens [appellant sub 13A] is sprake van wisselteelt en betreffen dit bestaande rechten.

49.1. Ingevolge artikel 4, lid 4.1, aanhef en onder c, van de planregels zijn de voor "Agrarisch - Landschapsbehoud" aangewezen gronden onder meer bestemd voor het uitoefenen van een ander agrarisch bedrijf voor zover het een bestaand bedrijf dan wel een rechtsopvolger betreft ten tijde van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan.

De gronden liggen buiten het bollenconcentratiegebied.

49.2. Wat betreft de teelt van maïs overweegt de Afdeling dat niet in geschil is dat op de gronden wisselteelt waarbij periodiek ruwvoeder wordt geteeld ten behoeve van het eigen bedrijf plaatsvindt. Dit gebruik is toegestaan op grond van de planregels. Bestaand gebruik ten tijde van de inwerkingtreding van het plan en ten behoeve van het eigen agrarisch bedrijf is in de planregels immers uitgezonderd van het verbod op de teelt van ruwvoeder, zie daarvoor overweging 35.2. De raad heeft toegelicht dat indien het gebruik op een perceel bestaat uit wisselteelt waarbij periodiek ruwvoeder wordt geteeld dit gebruik als bestaand gebruik moet worden aangemerkt, ook al werd ten tijde van de inwerkingtreding van het plan geen ruwvoeder op een perceel geteeld. De Afdeling ziet geen aanleiding hier anders over te oordelen.

Wat betreft de teelt van aardappelen en kool op de gronden stelt de Afdeling vast dat dit gebruik als akker- en vollegrondstuinbouw als bedoeld in artikel 1, lid 1.8, onder a, van de planregels moet worden aangemerkt. Dit gebruik is toegestaan op grond van artikel 4, lid 4.1, aanhef en onder c, van de planregels, nu dit een bestaand bedrijf betreft.

Wat betreft de bollenteelt op de gronden overweegt de Afdeling dat ter zitting is vastgesteld dat onder het voorheen geldende plan op de gronden geen bollenteelt was toegestaan. Gelet hierop heeft de raad terecht niet de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - bollenteelt" aan de gronden toegekend. Door het toekennen van deze aanduiding zou planologisch gezien nieuwe bollenteelt buiten het bollenconcentratiegebied mogelijk worden gemaakt en dit is niet toegestaan op grond van artikel 26, onder k, van de PRVS, zie daarvoor overweging 43.1. Het betoog faalt.

50. [appellant sub 13A] betoogt verder dat ten onrechte de bestemming "Tuin" is toegekend aan een gedeelte van het perceel aan Groeneweg 30. Volgens [appellant sub 13A] wordt de openheid van het landschap en zijn uitzicht daardoor ernstig aangetast. Ook zijn de tuin en de bebouwde oppervlakte op dit perceel volgens [appellant sub 13A] groter dan in het plan is toegestaan.

50.1. De Afdeling is van oordeel dat de raad in redelijkheid ervan heeft kunnen uitgaan dat de openheid van het landschap en het uitzicht van [appellant sub 13A] niet ernstig worden aangetast als gevolg van de bestemming "Tuin" voor een gedeelte van het perceel aan Groeneweg 30. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat binnen de bestemming "Tuin" geen gebouwen zijn toegestaan en erfafscheidingen voor de voorgevellijn en overige bouwwerken een maximale hoogte van 1 m mogen hebben. Voor zover [appellant sub 13A] stelt dat de tuin en de bebouwde oppervlakte op het perceel Groeneweg 30 groter zijn dan in het plan is toegestaan overweegt de Afdeling dat dit een kwestie van handhaving betreft die in deze procedure niet aan de orde kan komen, daargelaten of deze stelling juist is. Het betoog faalt.

51. [appellant sub 13A] betoogt voorts dat aan gronden van het voormalige vliegveld die in zijn eigendom zijn ten onrechte de bestemming "Natuur" is toegekend waardoor deze gronden niet meer voor kavelruil kunnen worden gebruikt en het plan voor ruilverkaveling van de provincie niet meer uitvoerbaar is.

51.1. Zoals de Afdeling in overweging 27.3 heeft overwogen, heeft de raad in redelijkheid de bestemming "Natuur" kunnen toekennen aan de gronden van het voormalige vliegveld Bergen, nu de raad ter zitting onbestreden heeft toegelicht dat deze gronden binnen de planperiode tot natuur en waterberging zullen worden ontwikkeld en dat daarover inmiddels afspraken zijn gemaakt tussen de provincie, de gemeente en het hoogheemraadschap. Het betoog faalt.

52. Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellant sub 13A] ongegrond.

Het beroep van [appellante sub 14]

53. [appellante sub 14] betoogt dat ten onrechte een stacaravan op haar perceel aan de [locatie 12] te Egmond aan den Hoef (hierna: het perceel) niet als zodanig is bestemd. Volgens haar heeft jarenlang op het perceel een toercaravan gestaan en was dit onder het voorheen geldende plan "Landelijk Gebied 1998" toegestaan, zoals door de Afdeling in haar uitspraak van 3 juli 2002 met zaak nr. 199901397/1 is overwogen. Verder heeft het gemeentebestuur volgens haar het gerechtvaardigde vertrouwen gewekt dat de stacaravan ruimtelijk aanvaardbaar is. Zij wijst er daarbij op dat namens het gemeentebestuur is aangeboden om de stacaravan aan te sluiten op het afvalwatersysteem en het gemeentebestuur een huisnummer aan het perceel heeft gegeven. Verder heeft het gemeentebestuur volgens [appellante sub 14] meegedeeld dat de stacaravan op grond van het overgangsrecht van het voorheen geldende plan mocht blijven staan. Er bestaan volgens haar ook geen ruimtelijke bezwaren tegen het als zodanig bestemmen van de stacaravan, omdat deze door een groensingel bijna geheel aan het zicht is onttrokken.

53.1. Volgens de raad moet de stacaravan als een bouwwerk worden aangemerkt en is deze niet eerder dan half december 2002 zonder vergunning geplaatst, zodat de stacaravan illegaal is. Een toercaravan is volgens de raad niet vergelijkbaar met een stacaravan omdat een toercaravan niet bedoeld is om ter plaatse te functioneren en dus niet als een bouwwerk kan worden aangemerkt. Verder heeft het college van burgemeester en wethouders volgens de raad bij brief van 5 augustus 2009 te kennen gegeven dat de stacaravan niet op grond van het overgangsrecht van het voorheen geldende plan mocht blijven staan. Volgens de raad is het onwenselijk om individuele recreatieverblijven toe te staan, omdat daardoor de ruimtelijke kwaliteit van het buitengebied wordt aangetast. Indien de stacaravan op het perceel als zodanig wordt bestemd, bestaat volgens de raad een risico op precedentwerking.

53.2. Aan het perceel is de bestemming "Wonen" zonder een bouwvlak toegekend.

Ingevolge artikel 21, lid 21.1, aanhef en onder a, van de planregels zijn de voor "Wonen" aangewezen gronden onder meer bestemd voor wonen.

Ingevolge artikel 2, lid 21.2.2 zijn hoofdgebouwen uitsluitend toegestaan binnen het bouwvlak.

53.3. De Afdeling stelt vast dat de stacaravan een bouwwerk is, nu deze bedoeld is om ter plaatse te functioneren, en dat voor het plaatsen van de stacaravan geen bouwvergunning is verleend. Dit betekent dat de stacaravan illegaal is. Dat het onder het voorheen geldende plan was toegestaan een toercaravan op het perceel te plaatsen neemt niet weg dat de stacaravan illegaal is opgericht. Illegale bouwwerken behoeven in beginsel niet als zodanig te worden bestemd, zodat de raad de stacaravan in redelijkheid niet als zodanig behoefde te bestemmen. Daarbij neemt de Afdeling ook in aanmerking dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het toestaan van individuele recreatieverblijven in het buitengebied onwenselijk is, gelet op het belang van het voorkomen van verstening van het buitengebied. De raad behoefde daarbij in redelijkheid geen doorslaggevend gewicht toe te kennen aan de omstandigheid dat de stacaravan door een groensingel bijna geheel aan het zicht is onttrokken, nu het als zodanig bestemmen van de stacaravan tot precedentwerking kan leiden. [appellante sub 14] heeft verder niet aannemelijk gemaakt dat door of namens de raad gerechtvaardigde verwachtingen zijn gewekt dat de stacaravan als zodanig zou worden bestemd. De omstandigheden dat namens het gemeentebestuur is aangeboden om de stacaravan op het afvalwateringssysteem aan te sluiten en het college van burgemeester en wethouders het perceel een huisnummer heeft gegeven leiden niet tot dat oordeel, nu dit omstandigheden buiten het kader van de bestemmingsplanprocedure betreffen. De stelling van [appellante sub 14] dat het gemeentebestuur heeft meegedeeld dat de stacaravan op grond van het overgangsrecht mocht blijven staan leidt ook niet tot dat oordeel, reeds omdat [appellante sub 14] niet aannemelijk heeft gemaakt dat dit door of namens de raad te kennen is gegeven. Het betoog faalt.

54. Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellante sub 14] ongegrond.

Het beroep van [appellante sub 15] en anderen

55. [appellante sub 15] en anderen betogen dat ten onrechte de bestemming "Natuur" is toegekend aan een perceel dat aan hun gronden aan de Herenweg te Egmond-Binnen grenst. Het desbetreffende perceel is in het verleden door [appellante sub 15] aan het BBL verkocht en vervolgens tot 2008 door haar van BBL gehuurd voor de teelt van bloembollen. Volgens [appellante sub 15] en anderen ligt het desbetreffende perceel sinds 2009 braak en wordt het niet voor natuurdoeleinden beheerd, maar verwildert het. Zij stellen dat dit tot overlast voor hun bedrijf leidt, omdat onkruid dat op het desbetreffende perceel groeit zich gedurende het seizoen over de bollenteeltgronden verspreidt. Zij wensen daarom dat aan het desbetreffende perceel de bestemming "Agrarisch - Bollenconcentratiegebied" wordt toegekend. De bestemming "Natuur" is volgens hen ook in strijd met artikel 26 van de PRVS. Het desbetreffende perceel ligt in het bollenconcentratiegebied en een bestemmingsplan mag op grond van deze bepaling de vestiging van een bollenteeltbedrijf in het bollenconcentratiegebied niet onmogelijk maken. Tot slot voeren [appellante sub 15] en anderen aan dat de bestemming "Natuur" in strijd is met het gemeentelijke beleid dat in de Structuurvisie Landelijk Gebied Gemeente Bergen (hierna: Structuurvisie) en de plantoelichting is verwoord om het bollenconcentratiegebied in stand te houden.

55.1. De raad wijst erop dat het desbetreffende perceel in de EHS ligt en zal worden ingericht en beheerd als natuurgebied. Verder stelt de raad zich op het standpunt dat de bestemming "Natuur" niet in strijd is met artikel 26 van de PRVS. Voorts is de bestemming "Natuur" volgens de raad niet in strijd met het gemeentelijk beleid.

55.2. Het desbetreffende perceel ligt ten westen van de Herenweg naast het duingebied. Aan het desbetreffende perceel is de bestemming "Natuur" toegekend. Het desbetreffende perceel ligt in de EHS en het bollenconcentratiegebied.

Ingevolge artikel 14, lid 14, aanhef en onder a, van de planregels zijn de voor "Natuur" aangewezen gronden onder meer bestemd voor behoud, herstel en ontwikkeling van natuur- en landschapswaarden.

Ingevolge lid 14.5 is het college van burgemeester en wethouders bevoegd om de bestemming te wijzigen in een agrarische bestemming, met inachtneming van het volgende:

a. een besluit tot planwijziging wordt niet eerder genomen dan nadat de gronden in eigendom zijn overgedragen aan een agrariër;

b. een besluit tot wijziging wordt uitsluitend genomen indien er sprake is van het realiseren van natuur elders van gelijke omvang.

55.3. In de Structuurvisie staat dat de bollenteelt zich verder kan ontwikkelen in het bollenconcentratiegebied. De handhaving van dit concentratiegebied geeft de sector de nodige zekerheid naar de toekomst. Voor bollengronden direct tegen de duinen aan kan in sommige gevallen worden gekozen voor een natuurfunctie. Voorts staat in de Structuurvisie dat vanaf Egmond aan den Hoef tot Egmond-Binnen het accent op het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit ligt. Aan de westzijde van de Herenweg wordt ingezet op het benutten van de potenties voor natuurontwikkeling, op een cultuurhistorisch verantwoorde wijze.

55.4. In de plantoelichting staat dat de variatie aan functies in de binnenduinrand (bollenteelt, duinrellen, duinweiden, woonkernen en buurtschappen, recreatieterreinen) behouden dienen te blijven. Voorts staat in de plantoelichting dat uit de Structuurvisie voortvloeit dat het wenselijk is de verscheidenheid in het agrarisch grondgebruik (grondgebonden veehouderij versus bollenteelt) te handhaven. Daarnaast zijn delen van de agrarische gronden gelegen binnen of in de nabijheid van de EHS of andere natuurbestemmingen. Voor deze agrarische gronden ligt omzetting naar een natuurbestemming, bij vrijwillige beëindiging van het ter plaatse gevestigde agrarische bedrijf, in de rede.

55.5. Gelet op de omstandigheid dat het desbetreffende perceel binnen de EHS ligt en verworven is ten behoeve van de realisatie van natuur is de Afdeling van oordeel dat de raad in redelijkheid de bestemming "Natuur" heeft kunnen toekennen aan het desbetreffende perceel. Voor zover [appellante sub 15] en anderen aanvoeren dat zij overlast ondervinden van het onkruid dat op het desbetreffende perceel groeit overweegt de Afdeling dat het toekennen van de bestemming "Agrarisch - Bollenconcentratiegebied" deze overlast nog niet wegneemt, nu BBL niet kan worden verplicht om deze bestemming te realiseren. Er bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de bestemming "Natuur" in strijd is met artikel 26, onder k, van de PRVS, zie voor deze bepaling overweging 43.1. Uit deze bepaling volgt niet dat een bestemmingsplan op alle gronden binnen een bollenconcentratiegebied bollenteelt mogelijk moet maken, maar alleen dat een bestemmingsplan de vestiging van een bollenteeltbedrijf in een bollenconcentratiegebied niet onmogelijk mag maken, gelet op de redactie van deze bepaling. Het plan maakt de vestiging van bollenteeltbedrijven in het bollenconcentratiegebied niet onmogelijk. In het bollenconcentratiegebied is aan gronden de bestemming "Agrarisch - Bollenconcentratiegebied" toegekend en binnen die bestemming zijn nieuwe bollenteeltbedrijven niet uitgesloten. Overigens is binnen de bestemming "Natuur" een wijzigingsbevoegdheid opgenomen waarbij de bestemming naar een agrarische bestemming kan worden gewijzigd. De bestemming "Natuur" is verder niet in strijd met het gemeentelijk beleid, anders dan [appellante sub 15] en anderen aanvoeren. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat volgens de Structuurvisie voor bollengronden direct tegen de duinen aan kan worden gekozen voor een natuurfunctie en dat aan de westzijde van de Herenweg wordt ingezet op het benutten van de potenties voor natuurontwikkeling. Voorts neemt de Afdeling in aanmerking dat in de plantoelichting staat dat voor agrarische gronden die binnen de EHS liggen omzetting naar een natuurbestemming in de rede ligt. Het betoog faalt.

56. Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellante sub 15] en anderen ongegrond.

Proceskostenveroordeling

57. De raad dient ten aanzien van [appellant sub 2], [appellant sub 5], Stichting BHL, [appellante sub 8] en [appellant sub 10] op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld. De door Stichting BHL op het proceskostenformulier aangegeven kosten voor uittreksels uit de openbare registers komen niet voor vergoeding in aanmerking, nu zij niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij deze kosten heeft gemaakt.

Ten aanzien van LTO Noord en [appellant sub 7] is niet gebleken van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen.

Wat betreft [appellant sub 1], [appellant sub 3], [appellant sub 4], Bungalowpark Mooyeveld, [appellante sub 14], [appellanten sub 9] en [appellante sub 15] en anderen bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Opdracht

58. Uit oogpunt van rechtszekerheid en gelet op artikel 1.2.3 van het Besluit ruimtelijke ordening, ziet de Afdeling aanleiding de raad op te dragen de hierna in de beslissing nader aangeduide onderdelen van deze uitspraak binnen vier weken na verzending van de uitspraak te verwerken in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep van [appellant sub 13A] en [appellante sub 13B] niet-ontvankelijk voor zover dat is gericht tegen artikel 4, lid 4.1, aanhef en onder c tot en met j, van de planregels;

II. verklaart de beroepen van:

a. [appellant sub 2];

b. [appellant sub 5];

c. [appellante sub 7A] en [appellant sub 7B];

d. [appellante sub 8];

e. [appellant sub 10A] en [appellante sub 10B];

f. de vereniging Land- en Tuinbouw Organisatie Noord;

g. de stichting Stichting Behoud Historisch Landschap Bergen-Egmond-Schoorl gegrond;

III. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Bergen (NH) van 2 juli 2013 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Landelijk Gebied Zuid" voor zover het betreft:

a. de plandelen met de bestemmingen Agrarisch - Bollenconcentratiegebied", "Agrarisch - Landschapsbehoud" en "Agrarisch - Natuurontwikkeling";

b. het plandeel met de bestemming "Natuur", gelegen tussen de plandelen met de bestemming "Water", voor het perceel [locatie 7];

c. het plandeel met de bestemming "Tuin" voor het perceel [locatie 9] te Bergen;

d. het plandeel met de bestemming "Natuur" voor het achterste gedeelte van het perceel aan de [locatie 10] te Bergen;

IV. verklaart de beroepen van:

a. [appellante sub 1A] en [appellant sub 1B];

b. [appellant sub 3];

c. [appellant sub 4];

d. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Bungalowpark Mooyeveld B.V.;

e. [appellant sub 9A] en [appellant sub 9B];

f. [appellante sub 14];

g. [appellante sub 15] en anderen ongegrond;

V. verklaart het beroep van [appellant sub 13A] en [appellante sub 13B] voor het overige ongegrond;

VI. draagt de raad van de gemeente Bergen, NH op om binnen vier weken na verzending van deze uitspraak ervoor zorg te dragen dat de hiervoor vermelde onderdelen III, onder a tot en met d, worden verwerkt in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening, http://www.ruimtelijkeplannen.nl;

VII. veroordeelt de raad van de gemeente Bergen, NH tot vergoeding van in verband met de behandeling van de beroepen opgekomen proceskosten ten aanzien van:

a. [appellant sub 2] tot een bedrag van € 160,58 (zegge: honderdzestig euro en achtenvijftig cent);

b. [appellant sub 5] tot een bedrag van € 31,94 (zegge: eenendertig euro en vierennegentig cent);

c. [appellante sub 8] tot een bedrag van € 31,94 (zegge: eenendertig euro en vierennegentig cent);

d. [appellant sub 10A] en [appellante sub 10B] tot een bedrag van € 974,00 (zegge: negenhonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

e. de stichting Stichting Behoud Historisch Landschap Bergen-Egmond-Schoorl tot een bedrag van € 30,34 (zegge: dertig euro en vierendertig cent);

VIII. gelast dat de raad van de gemeente Bergen, NH aan de hierna vermelde appellanten het door hen voor de behandeling van hun beroepen betaalde griffierecht vergoedt:

- € 160,00 (zegge: honderdzestig euro) voor [appellant sub 2];

- € 160,00 (zegge: honderdzestig euro) voor [appellant sub 5];

- € 318,00 (zegge: driehonderdachttien euro) voor [appellante sub 7A] en [appellant sub 7B], met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

- € 160,00 (zegge: honderdzestig euro) voor [appellante sub 8];

- € 160,00 (zegge: honderdzestig euro) voor [appellant sub 10A] en [appellante sub 10B], met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

- € 318,00 (zegge: driehonderdachttien euro) voor de vereniging Land- en Tuinbouw Organisatie Noord;

- € 318,00 (zegge: driehonderdachttien euro) voor de stichting Stichting Behoud Historisch Landschap Bergen-Egmond-Schoorl.

Aldus vastgesteld door mr. Th.C. van Sloten, voorzitter, en mr. G. van der Wiel en mr. J. Hoekstra, leden, in tegenwoordigheid van mr. C.C.M. van Gisbergen, griffier.

w.g. Van Sloten w.g. Van Gisbergen

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 1 oktober 2014

668-703.