Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:3531

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-09-2014
Datum publicatie
24-09-2014
Zaaknummer
201403068/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 1 november 2013 heeft het college hogere waarden voor de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting ingevolge artikel 83 en artikel 59 van de Wet geluidhinder (hierna: Wgh) vastgesteld ten behoeve van het bestemmingsplan "Leidsche Rijn Centrum Noord".

Wetsverwijzingen
Wet geluidhinder
Algemene wet bestuursrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2014/957
JOM 2014/969

Uitspraak

201403068/1/R1.

Datum uitspraak: 24 september 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de vereniging Industrie-Vereniging Lage Weide (hierna: ILW), gevestigd te Utrecht,

appellante,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 1 november 2013 heeft het college hogere waarden voor de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting ingevolge artikel 83 en artikel 59 van de Wet geluidhinder (hierna: Wgh) vastgesteld ten behoeve van het bestemmingsplan "Leidsche Rijn Centrum Noord".

Tegen dit besluit heeft ILW beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 juli 2014, waar ILW, vertegenwoordigd door mr. S.W. Boot, advocaat te Rotterdam, en het college, vertegenwoordigd door mr. T. Tijbosch, mr. P. Meijer, drs. K. Beerda, ir. J. Kootstra en drs. R. Balkema, allen werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

Het besluit

1. In het bestreden besluit staat dat de hogere waarden worden verleend voor maximaal 535 woningen in het plangebied van het bestemmingsplan "Leidsche Rijn Centrum Noord".

Ingetrokken

2. Ter zitting heeft ILW het betoog dat het college het besluit hogere waarden niet had mogen nemen, omdat de volgens ILW gehanteerde nota "Geluidnota Utrecht 2007-2011" gedateerd is, ingetrokken.

Ontvankelijkheid

3. Het college betwist de ontvankelijkheid van het beroep van ILW tegen het bestreden besluit. Volgens het college is op voorhand uitgesloten dat ILW gevolgen zal ondervinden van het besluit.

3.1. Ingevolge artikel 8.1, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kan uitsluitend een belanghebbende tegen een besluit beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, wordt verstaan onder belanghebbende degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. Ingevolge het tweede lid worden ten aanzien van rechtspersonen als hun belangen mede beschouwd de algemene en collectieve belangen die zij krachtens hun doelstellingen en blijkens hun feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigen.

3.2. Zoals de Afdeling heeft overwogen (onder meer in haar uitspraak van 24 augustus 2011, in zaak nr. 201002968/1/M3 heeft een bedrijf dat is gevestigd op een gezoneerd industrieterrein een rechtens te erkennen belang dat rechtstreeks is betrokken bij een besluit tot vaststelling van de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting vanwege dat industrieterrein op woningen binnen die zone. ILW vertegenwoordigt de belangen van bedrijven die zijn gevestigd op het gezoneerde industrieterrein "Lage Weide". Gelet hierop dient ILW te worden aangemerkt als belanghebbende bij het bestreden besluit. Overigens is niet gebleken van beletselen ILW in haar beroep te ontvangen.

Geluidnota

4. ILW betoogt dat de voorziene woningbouw in strijd is met de geluidnota, omdat niet wordt voldaan aan de daarin genoemde criteria voor de ontheffing van de voorkeursgrenswaarde, aldus ILW. Daarnaast heeft het plan geen positieve betekenis voor de stedelijke structuur en geen gunstig effect op de akoestische kwaliteit van bestaande woningen.

Ter zitting is gebleken dat het betoog moet worden opgevat als betrekking hebbend op de nota "Geluidnota Utrecht 2014-2018", vastgesteld door het college op 11 februari 2013 (hierna: de Geluidnota 2014-2018).

4.1. Het college stelt zich op het standpunt dat, anders dan ILW stelt, niet aan alle ontheffingscriteria van de Geluidnota 2014-2018 hoeft te worden voldaan, maar aan ten minste één.

4.2. In paragraaf 4.1.2 van de Geluidnota 2014-2018 staat dat hogere waarden alleen worden verleend bij ruimtelijke ontwikkelingen die voldoen aan zogenaamde ontheffingscriteria. Ontheffing van de voorkeursgrenswaarde wordt in Utrecht verleend als de ruimtelijke ontwikkeling een positieve betekenis voor de stedelijke structuur heeft of een gunstig effect heeft op de akoestische kwaliteit van bestaande woningen in Utrecht. In bijlage 3 is aangegeven in welke situaties ontheffing wordt verleend.

In bijlage 3 bij de Geluidnota 2014-2018 staan de criteria voor een ontheffing van de voorkeursgrenswaarde. In de bijlage staat dat bij een hogere waarde-procedure aan minimaal één van de onderstaande ontheffingscriteria moet worden voldaan:

1. er is sprake van grond- of bedrijfsgebondenheid van woningen;

2. de woningen vullen een open plaats tussen aanwezige bebouwing op;

3. de woningen vervangen bestaande bebouwing;

4. de woningen vervullen door de gekozen situering of bouwvorm een doelmatige akoestisch afschermende functie voor andere woningen of geluidsgevoelige objecten (in aantal ten minste de helft van het aantal woningen waaraan de afschermende functie wordt toegekend);

5. de woningen worden gesitueerd in de omgeving van een spoorstation of spoorhalte;

6. de woningen hebben vanwege alle geluidsbronnen op ten minste één uitwendige scheidingsconstructie een geluidsbelasting die lager is dan of gelijk is aan de voorkeursgrenswaarde voor de betreffende geluidsbronnen (geluidsluwe gevel t.g.v. bronnen volgens de Wet geluidhinder of de luchtvaartwet);

7. de woningen zijn gesitueerd in een door het rijk aangewezen ontwikkelingslocatie (o.a. Vinex);

8. er is sprake van een nog niet geprojecteerde, geprojecteerde of te wijzigen (spoor)weg, die een noodzakelijke verkeers- en vervoersfunctie zal vervullen;

9. er is sprake van de aanleg van een weg die een zodanige verkeersverzamelfunctie zal vervullen, dat dat zal leiden tot aanmerkelijk lagere geluidsbelastingen van woningen (of andere geluidsgevoelige bestemming) binnen de zone van een andere weg of meerdere andere wegen;

10. er is sprake van een wijziging van een industrieterrein waardoor voor een ongeveer gelijk aantal woningen binnen de zone aanmerkelijk lagere geluidsbelastingen optreden.

4.3. De Afdeling overweegt dat uit paragraaf 4.1.2 in samenhang bezien met bijlage 3 bij de Geluidnota 2014-2018 moet worden afgeleid dat de zin dat ontheffing van de voorkeursgrenswaarde in Utrecht wordt verleend als de ruimtelijke ontwikkeling een positieve betekenis voor de stedelijke structuur heeft of een gunstig effect heeft op de akoestische kwaliteit van bestaande woningen in Utrecht, niet als een op zichzelf staand criterium moet worden aangemerkt. Dat deel van paragraaf 4.1.2 dient slechts als een verwijzing naar bijlage 3 bij de Geluidnota 2014-2018, waarin objectieve criteria voor ontheffing zijn opgenomen. Gelet hierop slaagt dat betoog niet.

Voor zover ILW stelt dat aan alle in bijlage 3 genoemde criteria moet zijn voldaan alvorens ontheffing van de voorkeursgrenswaarde kan worden verleend, overweegt de Afdeling dat die stelling onjuist is. In bijlage 3 staat immers dat bij een hogere waarde-procedure aan minimaal één van de ontheffingscriteria moet worden voldaan. De Afdeling overweegt dat het college terecht stelt dat de voorziene ruimtelijke ontwikkeling voldoet aan criterium 7, omdat Leidsche Rijn een Vinexlocatie betreft. Gelet hierop is het bestreden besluit in zoverre niet in strijd met de Geluidnota 2014-2018. Het betoog faalt.

Conclusie

5. Gelet op het voorgaande is het beroep ongegrond. Gelet hierop behoeft het betoog van het college dat artikel 8:69a van de Awb in de weg staat aan de vernietiging van het bestreden besluit, geen bespreking.

Proceskosten

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. B.J. van Ettekoven, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. C.C.M. van Gisbergen, griffier.

w.g. Van Ettekoven w.g. Van Gisbergen

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 24 september 2014

668.

Verzonden

24 september 2014