Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:353

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-01-2014
Datum publicatie
05-02-2014
Zaaknummer
201307581/1/V1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2013:8952, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 14 november 2012 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om opheffing van zijn ongewenstverklaring ingewilligd en een inreisverbod tegen hem uitgevaardigd. Dit besluit is aangehecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201307581/1/V1.

Datum uitspraak: 28 januari 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[de vreemdeling],

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 19 juli 2013 in zaak nr. 12/38658 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel

(lees: de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie).

Procesverloop

Bij besluit van 14 november 2012 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om opheffing van zijn ongewenstverklaring ingewilligd en een inreisverbod tegen hem uitgevaardigd. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 19 juli 2013 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Onder de staatssecretaris wordt tevens verstaan: diens rechtsvoorgangers.

2. Uit de uitspraak van de Afdeling van 9 juli 2013 in zaken nrs. 201204559/1/V1 en 201207753/1/V1 volgt dat een vreemdeling, tegen wie de staatssecretaris een inreisverbod met de rechtsgevolgen bedoeld in artikel 66a, zevende lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) heeft uitgevaardigd, geen belang heeft bij beoordeling van een beroep tegen een besluit tot afwijzing van een aanvraag tot verlening of verlenging van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning, dan wel intrekking van zodanige vergunning, zolang het inreisverbod voortduurt. De vraag of hij aan de vereisten voor verlening van een verblijfsvergunning voldoet, kan hij ten volle in het kader van de toetsing van dit inreisverbod aan de orde stellen.

2.1. Gelet hierop klaagt de vreemdeling, nu het tegen hem uitgevaardigde inreisverbod de in artikel 66a, zevende lid, van de Vw 2000 bedoelde rechtsgevolgen heeft, in de enige grief terecht dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de door hem aangevoerde asielgerelateerde omstandigheden en zijn beroep op artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM) niet in de procedure over het inreisverbod thuishoren, maar desgewenst in een asielprocedure aan de orde kunnen worden gesteld.

In zoverre slaagt de grief.

2.2. Hetgeen de vreemdeling overigens als grief aanvoert, kan niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Omdat het aldus aangevoerde geen vragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, wordt, gelet op artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000, met dat oordeel volstaan.

3. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, wordt als volgt overwogen.

4. Bij in rechte onaantastbaar geworden besluiten van 27 juni 2002 en 28 april 2006 heeft de staatssecretaris aanvragen van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Bij laatstvermeld besluit heeft de staatssecretaris hem tevens ongewenst verklaard. Weliswaar heeft de rechtbank het door de vreemdeling tegen het besluit van 28 april 2006 ingestelde beroep, voor zover dat tegen de afwijzing was gericht, bij uitspraak van 11 juli 2007 in zaak nr. 06/26537 wegens het ontbreken van belang niet-ontvankelijk verklaard, maar de vreemdeling heeft de vraag of hij toentertijd aan de vereisten voor verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd voldeed ten volle in het kader van de toetsing van de ongewenstverklaring aan de orde kunnen stellen.

4.1. De vreemdeling heeft in het kader van zijn beroep op artikel 3 van het EVRM aangevoerd dat hij in zijn land van herkomst, te weten de Democratische Republiek Congo (hierna: de DRC), politiek actief is geweest, in Nederland betrokken is geraakt bij de 'Alliance des patriotes pour la refondation du Congo' (hierna: ApareCo), en in de DRC geen behandeling kan krijgen voor zijn psychische klachten, omdat hem daar de toegang tot medische voorzieningen zal worden geweigerd wegens zijn politieke activiteiten. De vreemdeling heeft hierbij verwezen naar een krantenartikel van augustus 2004, een verklaring van ApareCo van 22 oktober 2012 waarin staat dat hij actief lid is van ApareCo, foto's waarop, naar de vreemdeling stelt, te zien is dat hij in Nederland aan politieke betogingen heeft deelgenomen en twee door zijn behandelaars ingevulde en ondertekende bijlagen 'bewijs omtrent medische situatie vreemdeling' waaruit blijkt dat hij sinds 1 februari 2010 bij een psychiater in behandeling is voor een posttraumatische stressstoornis, een depressieve stoornis en hallucinaties.

4.2. De vreemdeling heeft zijn stelling dat hij voorafgaand aan zijn vertrek uit de DRC politiek actief is geweest noch zijn stelling dat hem in de DRC, wegens zijn politieke activiteiten, de toegang tot medische voorzieningen zal worden geweigerd, gestaafd. Het krantenartikel van augustus 2004 heeft hij reeds aan zijn bij besluit van 28 april 2006 afgewezen asielaanvraag ten grondslag gelegd. Voorts heeft hij niet aannemelijk gemaakt dat hij een soortgelijke verklaring als die van 22 oktober 2012, die geen datum vermeldt waarop hij actief lid van ApareCo is geworden, en de door hem overgelegde foto's, waarvan niet duidelijk is wanneer ze zijn genomen, niet reeds bij zijn bij besluit van 28 april 2006 afgewezen asielaanvraag heeft kunnen overleggen. Ten slotte heeft de vreemdeling met de bijlagen 'bewijs omtrent medische situatie vreemdeling' niet gestaafd dat zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen als bedoeld in het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: het EHRM) van 27 mei 2008, N. tegen het Verenigd Koninkrijk, nr. 26565/05 (www.echr.coe.int/echr). Reeds hierom zijn geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden gelegen in hetgeen de vreemdeling aldus heeft aangevoerd. Nu zich evenmin een relevante wijziging van het recht voordoet en hetgeen is aangevoerd geen grond biedt voor het oordeel dat het hier gaat om een geval als omschreven in rechtsoverweging 45 van het arrest van het EHRM van 19 februari 1998, Bahaddar tegen Nederland, nr. 145/1996/764/965, JV 1998/45, kan hetgeen de vreemdeling in het kader van zijn beroep op artikel 3 van het EVRM heeft aangevoerd niet bij de toetsing van het inreisverbod worden betrokken.

5. Aan de overige beroepsgronden wordt niet toegekomen. Over die gronden heeft de rechtbank uitdrukkelijk en zonder voorbehoud een oordeel gegeven, waartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Evenmin bestaat nauwe verwevenheid tussen het oordeel over die gronden, dan wel onderdelen van het besluit waarop ze betrekking hebben, en hetgeen in hoger beroep aan de orde is gesteld. Dientengevolge vallen die gronden thans buiten het geschil.

6. Het beroep is ongegrond.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 19 juli 2013 in zaak nr. 12/38658;

III. verklaart het in die zaak ingestelde beroep ongegrond;

IV. verstaat dat de secretaris van de Raad van State aan de vreemdeling het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 239,00 (zegge: tweehonderdnegenendertig euro) voor de behandeling van het hoger beroep terugbetaalt.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. R. van der Spoel en mr. A.B.M. Hent, leden, in tegenwoordigheid van mr. W.J.C. Robben, ambtenaar van staat.

w.g. Lubberdink w.g. Robben

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 28 januari 2014

610.