Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:3521

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-09-2014
Datum publicatie
24-09-2014
Zaaknummer
201401915/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 12 december 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "MAG Complex Egmond" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Wet ruimtelijke ordening
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2014/964
BR 2014/134

Uitspraak

201401915/1/R1.

Datum uitspraak: 24 september 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1] en anderen, wonend te Egmond aan den Hoef, gemeente Bergen, NH,

2. [appellant sub 2], wonend te Egmond aan den Hoef, gemeente Bergen, NH,

en

de raad van de gemeente Bergen, NH,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 12 december 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "MAG Complex Egmond" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[belanghebbende A] heeft desgevraagd een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant sub 2] en [belanghebbende A] hebben nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 augustus 2014, waar [appellant sub 1] en anderen, bij monde van [appellant sub 1], [appellant sub 2], bijgestaan door mr. J.F. Klein, werkzaam bij USG Legal, en de raad, vertegenwoordigd door mr. R. Visser en E. de Waard, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts zijn ter zitting [belanghebbende A], vertegenwoordigd door mr. J.Th. van Oostrum, advocaat te Alkmaar, en [belanghebbende B], vertegenwoordigd door mr. O.H. Minjon, advocaat te Opmeer, als partij gehoord.

Buiten bezwaren van partijen is ter zitting een nader stuk in het geding gebracht.

Overwegingen

1. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

2. Het plan voorziet in herbestemming van het bestaande militaire Magazijncomplex Egmond (hierna: het MAG-complex) aan de Hoeverweg/Krommedijk, en maakt zodoende de verplaatsing van aannemersbedrijf [belanghebbende A] uit de kern Bergen en staalconstructiebedrijf [belanghebbende B] uit de kern Egmond Binnen mogelijk.

3. [appellant sub 2] betoogt dat het plan in strijd is met de Provinciale Ruimtelijke Verordening Structuurvisie (hierna: PRVS), op grond waarvan de realisatie van een nieuw bedrijventerrein slechts onder voorwaarden is toegestaan. Hij voert hiertoe in de eerste plaats aan dat het besluit van het college van gedeputeerde staten waarbij ontheffing van de PRVS wordt verleend, ontbreekt. De brief van het college van gedeputeerde staten, verzonden op 10 januari 2013, kan volgens [appellant sub 2] niet als zodanig worden aangemerkt.

[appellant sub 2] betoogt voorts dat het plan niet voldoet aan de provinciale planningsopgave als bedoeld in artikel 11, eerste lid van de PRVS. Uit de kaart behorende bij de PRVS blijkt dat het MAG-complex niet is aangewezen als bedrijventerrein.

3.1. De raad stelt zich op het standpunt dat artikel 11, eerste lid, van de PRVS kennelijk niet strekt ter bescherming van de belangen van [appellant sub 2], zodat artikel 8:69a van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) in de weg staat aan vernietiging vanwege strijd met artikel 11, eerste lid, van de PRVS.

Voorts stelt de raad zich op het standpunt dat het college van gedeputeerde staten bij brief, verzonden op 10 januari 2013, positief heeft beslist op het verzoek van het college van burgemeester en wethouders van 22 februari 2012 om ontheffing van de PRVS voor de aanleg van een bedrijventerrein op het voormalige MAG-complex. Gezien deze positieve beslissing is volgens de raad geen sprake meer van strijdigheid met de PRVS.

3.2. Ingevolge artikel 8:69a van de Awb vernietigt de bestuursrechter een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept.

3.3. Ingevolge artikel 11, eerste lid van de PRVS, zoals deze luidde ten tijde van belang, kan een bestemmingsplan binnen bestaand bebouwd gebied (hierna: BBG) voorzien in een nieuw bedrijventerrein voor zover deze in overeenstemming is met de geldende provinciale planningsopgave.

Ingevolge het tweede lid stelt het college van gedeputeerde staten een provinciale planningsopgave vast en jaarlijks een regionale bedrijventerreinmonitor ten behoeve van het opstellen/actualiseren ervan.

Ingevolge artikel 12, eerste lid, zoals deze luidde ten tijde van belang, voorziet een bestemmingsplan niet in een nieuw bedrijventerrein in het landelijk gebied.

Ingevolge het tweede lid kan een bestemmingsplan in afwijking van het eerste lid voorzien in een nieuw bedrijventerrein in het landelijk gebied, indien een nieuw bedrijventerrein in overeenstemming is met de provinciale planningsopgave, als bedoeld in artikel 11, eerste en tweede lid.

3.4. Zoals in de uitspraak van 19 februari 2014 in zaak nr. 201306647/1/R1 is overwogen, beoogt artikel 11, eerste lid, van de PRVS planologisch ongewenste versnippering en leegstand te voorkomen vanuit een oogpunt van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik. Het belang van [appellant sub 2] is gelegen in het behoud van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van zijn woning aan de [locatie]. Artikel 11, eerste lid, van de PRVS, strekt tot bescherming van dit belang, nu het in het belang van [appellant sub 2] is dat het perceel dat voorheen in gebruik was voor defensiedoeleinden niet onnodig wordt bebouwd. Artikel 8:69a van de Awb staat derhalve niet in de weg aan vernietiging van het bestreden besluit vanwege strijd met deze bepaling.

3.5. Anders dan [appellant sub 2] en de raad lijken te veronderstellen, was een besluit tot ontheffing van de PRVS van het college van gedeputeerde staten niet vereist, gelet op de PRVS zoals deze luidde ten tijde van belang. Dit betoog mist derhalve feitelijke grondslag.

3.6. Het plan voorziet in een nieuw bedrijventerrein op gronden die deels binnen BBG en deels in landelijk gebied zijn gelegen. Op grond van artikel 11, eerste lid, en artikel 12, eerste en tweede lid, van de PRVS dient het plan derhalve in overeenstemming te zijn met de provinciale planningsopgave.

De Afdeling stelt vast dat het voorziene bedrijventerrein niet is opgenomen in de provinciale planningsopgave. De raad heeft dit ter zitting bevestigd, maar heeft tevens te kennen gegeven dat hij de realisatie van een bedrijventerrein niettemin aanvaardbaar acht, gezien de bijzondere belangen, te weten de verplaatsing van de twee bedrijven uit een woonomgeving en de wens van de overheid om een nieuwe invulling voor het MAG-complex te verkrijgen met behoud van de cultuurhistorische en landschappelijke elementen. Daarmee heeft de raad echter niet onderkend dat overeenstemming met de provinciale planningsopgave een bindend vereiste uit de PRVS is en dat deze geen mogelijkheid biedt om gemotiveerd van dit vereiste af te wijken.

Gelet op het voorgaande is het plan in strijd met artikel 11, eerste lid, en artikel 12, eerste en tweede lid, van de PRVS. Het betoog slaagt.

4. Het beroep van [appellant sub 2] is gegrond, zodat het bestreden besluit dient te worden vernietigd.

5. Gelet op het voorgaande is ook het beroep van [appellant sub 1] en anderen gegrond en behoeven de overige beroepsgronden geen bespreking meer.

6. Uit oogpunt van rechtszekerheid en gelet op artikel 1.2.3 van het Besluit ruimtelijke ordening, ziet de Afdeling aanleiding de raad op te dragen het hierna in de beslissing nader aangeduide onderdeel van deze uitspraak binnen vier weken na verzending van de uitspraak te verwerken op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl.

7. De raad dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart de beroepen gegrond;

II. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Bergen, NH, van 12 december 2013 tot vaststelling van het bestemmingsplan "MAG Complex Egmond";

III. draagt de raad van de gemeente Bergen, NH, op om binnen vier weken na verzending van deze uitspraak ervoor zorg te dragen dat het hiervoor vermelde onderdeel II. wordt verwerkt op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl;

IV. veroordeelt de raad van de gemeente Bergen, NH, tot vergoeding van de in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten aan:

a. [appellant sub 1] en anderen tot een bedrag van € 30,34 (zegge: dertig euro en vierendertig cent), met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;

b. [appellant sub 2] tot een bedrag van € 974,00 (zegge: negenhonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

V. gelast dat de raad van de gemeente Bergen, NH, aan appellanten het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht ten bedrage van € 165,00 (zegge: honderdvijfenzestig euro) voor [appellant sub 1] en anderen, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen, en € 165,00 (zegge: honderdvijfenzestig euro) voor [appellant sub 2] vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. M.A.A. Mondt-Schouten, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S. Zwemstra, griffier.

w.g. Mondt-Schouten w.g. Zwemstra

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 24 september 2014

91-667.