Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:3513

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-09-2014
Datum publicatie
24-09-2014
Zaaknummer
201400825/1/A2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 19 december 2006 heeft het college een verzoek van [appellant] om vergoeding van planschade afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201400825/1/A2.

Datum uitspraak: 24 september 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Sint-Oedenrode,

tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 13 december 2014 in zaak nr. 13/3255 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Sint-Oedenrode.

Procesverloop

Bij besluit van 19 december 2006 heeft het college een verzoek van [appellant] om vergoeding van planschade afgewezen.

Bij besluit van 18 april 2013 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 13 december 2013 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 augustus 2014, waar [appellant], in persoon en bijgestaan door mr. R.G.A. Wouters, juridisch adviseur te Hapert, en het college, vertegenwoordigd door mr. W.F.M. van Gurp-Steenbakkers, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 49, aanhef en onder a, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO), zoals die bepaling tot 1 september 2005 luidde, kent de gemeenteraad een belanghebbende op zijn verzoek een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toe, voor zover blijkt dat hij ten gevolge van de bepalingen van een bestemmingsplan schade lijdt of zal lijden welke redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven en waarvan de vergoeding niet of niet voldoende door aankoop, onteigening of anderszins is verzekerd.

2. [appellant] is eigenaar van het tankstation op de percelen aan de [locatie] te Sint-Oedenrode (hierna: het tankstation). Bij brief van 1 februari 2002 heeft hij de gemeenteraad verzocht om vergoeding van planschade die hij stelt te hebben geleden ten gevolge van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan Vogelenzang en omleidingsweg van 8 juli 1993. Aan het verzoek heeft hij ten grondslag gelegd dat het bestemmingsplan de aanleg van de Zuidelijke Randweg te Sint-Oedenrode mogelijk heeft gemaakt en dit tot een wijziging van de verkeersstroom en een omzetdaling van het tankstation heeft geleid.

De gemeenteraad heeft de bevoegdheid om te beslissen op een voor 1 september 2005 ingediend verzoek om vergoeding van planschade bij besluit van 17 oktober 2005 aan het college overgedragen.

3. Het college heeft voor het op het verzoek te nemen besluit advies gevraagd aan de Stichting Adviesbureau Onroerende Zaken (hierna: de SAOZ). In een advies van april 2003 heeft de SAOZ uiteengezet dat de door [appellant] gestelde planschade voor zijn rekening dient te worden gelaten, omdat hij de planologische verandering ten tijde van de aankoop van het tankstation op grond van het bij raadsbesluit van 27 juni 1978 vastgestelde Structuurplan gemeente Sint-Oedenrode had kunnen voorzien, zodat hij wordt geacht het risico van de nadelige gevolgen van de planologische verandering te hebben aanvaard.

Het college heeft het advies overgenomen en het aan het besluit van 19 december 2006 ten grondslag gelegd.

4. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij de planologische verandering ten tijde van de aankoop van het tankstation in het jaar 1979 had kunnen voorzien en het college het verzoek om vergoeding van planschade daarom terecht heeft afgewezen. Daartoe voert hij aan dat hij in 1970 bij het tankstation is gaan werken, het station destijds eigendom van zijn kinderloze oom was, zijn opleiding er geheel op was gericht dat hij het tankstation te zijner tijd van deze oom zou overnemen en de aankoop slechts een formaliteit was. Voorts voert hij aan dat hij redelijkerwijs niet heeft kunnen of behoren te voorzien dat de Boskantseweg ten behoeve van het bestemmingsplan voor alle gemotoriseerd verkeer zou worden afgesloten.

4.1. [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij destijds niet de keuze had om wegens de op handen zijnde planologische verandering niet tot verwerving van het tankstation over te gaan of niet de mogelijkheid had om die verandering in de koopprijs van het tankstation te verdisconteren. Derhalve heeft de rechtbank terecht geen grond gevonden voor het oordeel, dat de wijze van verkrijging van het tankstation met rechtsopvolging onder algemene titel is gelijk te stellen en het college het verzoek ten onrechte heeft afgewezen op de grond dat [appellant] de planologische verandering ten tijde van de aankoop van het tankstation in het jaar 1979 had kunnen voorzien.

Voorts is niet in geschil dat ten behoeve van de afsluiting van de Boskantseweg geen planologische maatregel, als bedoeld in artikel 49 van de WRO, is genomen. Derhalve heeft de rechtbank met juistheid overwogen dat die afsluiting niet tot planschadevergoeding kan leiden.

Het betoog faalt.

5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, voorzitter, en mr. N.S.J. Koeman en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.J.R. Hazen, griffier.

w.g. Bijloos w.g. Hazen

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 24 september 2014

452.