Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:3501

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-09-2014
Datum publicatie
24-09-2014
Zaaknummer
201400309/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNHO:2013:11662, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 31 augustus 2012 heeft het college geweigerd [appellant] omgevingsvergunning voor het plaatsen van een woonwagen op het perceel [locatie] te Abbenes (hierna: het perceel) te verlenen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201400309/1/A1.

Datum uitspraak: 24 september 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Abbenes, gemeente Haarlemmermeer,

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 9 december 2013 in zaak nr. 12/4744 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Haarlemmermeer.

Procesverloop

Bij besluit van 31 augustus 2012 heeft het college geweigerd [appellant] omgevingsvergunning voor het plaatsen van een woonwagen op het perceel [locatie] te Abbenes (hierna: het perceel) te verlenen.

Bij uitspraak van 9 december 2013 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 augustus 2014, waar [appellant], vertegenwoordigd door [gemachtigde], bijgestaan door mr. S.J.M. Jaasma, advocaat te Amsterdam, is verschenen.

Overwegingen

1. De gevraagde omgevingsvergunning ziet op een al op het perceel geplaatste woonwagen met een bruto vloeroppervlakte van 91,5 m² en een goothoogte van 3,7 m. De woonwagen staat gedeeltelijk buiten het in het ter plaatse geldende bestemmingsplan aangegeven bestemmingsvlak "Woonwagenstandplaatsen" en ter plaatse van gronden, die in dat bestemmingsplan de bestemming "Verblijfsgebied" hebben. Een oude woonwagen met een bruto vloeroppervlakte van 58,7 m² is van het perceel verwijderd.

2. Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo) is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:

a. het bouwen van een bouwwerk,

c. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan.

Ingevolge artikel 2.10, aanhef en onder c, wordt, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, de omgevingsvergunning geweigerd indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan.

Ingevolge artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3°, kan, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat.

Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Abbenes" rust ter plaatse van de gronden, al waar de woonwagen is geplaatst, gedeeltelijk de bestemming "Woonwagenstandplaatsen" en gedeeltelijk de bestemming "Verblijfsgebied".

Ingevolge artikel 5, eerste lid, van de planvoorschriften zijn de op de kaart als "Woonwagenstandplaatsen" aangewezen gronden bestemd voor ten hoogste vijf standplaatsen voor woonwagens.

Ingevolge het tweede lid zijn op deze gronden toegestaan:

a. gebouwen;

b. bouwwerken, geen gebouwen zijnde;

c. tuinen en erven, waaronder verhardingen.

Ingevolge het derde lid, onder c, mag de goothoogte van gebouwen niet meer bedragen dan 3 m.

Ingevolge artikel 18, eerste lid, zijn de op de kaart als "Verblijfsgebied" aangewezen gronden bestemd voor wegen met hoofdzakelijk een functie als woonstraat en ter ontsluiting van de aanliggende of nabijgelegen gronden.

Ingevolge het tweede lid zijn op deze gronden toegestaan:

a. verhardingen, waaronder parkeervoorzieningen;

b. groen- en speelvoorzieningen;

c. bouwwerken, geen gebouwen zijnde, met uitzondering van verkooppunten voor motorbrandstoffen.

3. [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de woonwagen in strijd is met artikel 5, derde lid, onder c, van de planvoorschriften. Dit artikelonderdeel is volgens [appellant] alleen van toepassing op gebouwen, geen woonwagens, zijnde. [appellant] voert verder aan dat indien wordt voldaan aan de in het bestemmingsplan neergelegde maximale goothoogte van 3 m geen binnenruimte van 2,2 m kan worden gecreëerd, zoals het Bouwbesluit 2012 vereis[appellant] betoogt ten slotte dat de rechtbank niet heeft onderkend dat, vanwege het feit dat de betreffende gronden al gedurende twintig jaar ten behoeve van tuin/erf worden gebruikt en hun functie als verblijfsgebied hebben verloren, hij erop mocht vertrouwen dat hij ook ter plaatse een woonwagen mocht plaatsen.

3.1. De rechtbank heeft terecht geen aanleiding gezien voor een beperkende uitleg van het begrip gebouw in artikel 5, derde lid, onder c, van de planvoorschriften, zoals die wordt voorgestaan door [appellant]. De rechtbank heeft terecht overwogen dat in artikel 5, tweede lid, van de planvoorschriften woonwagens niet afzonderlijk worden genoemd, waardoor woonwagens als gebouwen zijn aan te merken, als bedoeld in dat artikel. Gelet hierop heeft de rechtbank terecht geconcludeerd dat artikel 5, derde lid, onder c, van de planvoorschriften aan [appellant] kan worden tegengeworpen en de goothoogte van de woonwagen maximaal 3 m mag bedragen. Wat daarvan overigens verder ook zij, [appellant] heeft voorts niet aannemelijk gemaakt dat met een maximale goothoogte van 3 m in een woonwagen geen binnenruimte van 2,2 m hoog kan worden gecreëerd. Daartoe wordt erop gewezen dat [appellant] ter zitting zelf heeft aangegeven dat op een naastgelegen perceel een woonwagen staat met een binnenruimte van minimaal 2,2 m hoog en een goothoogte van 3 m. Voorts wordt, anders dan [appellant] betoogt, geen grond gevonden voor het oordeel dat hij vanwege het feit dat er voorheen op het perceel ook een woonwagen stond erop mocht vertrouwen dat hij een woonwagen ook gedeeltelijk op gronden met de bestemming "Verblijfsgebied" mocht plaatsen, reeds omdat de voorheen op het perceel aanwezige woonwagen een kleinere omvang had dan de thans op het perceel geplaatste woonwagen.

Het betoog faalt.

4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J. Hoekstra, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Graaff-Haasnoot, griffier

w.g. Hoekstra w.g. Graaff-Haasnoot

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 24 september 2014

531-789.