Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:3500

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-09-2014
Datum publicatie
24-09-2014
Zaaknummer
201400107/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2013:8891, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 17 maart 2011 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het aan [appellante] toegekende voorschot kinderopvangtoeslag over het berekeningsjaar 2009 herzien en op € 9.069,00 vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201400107/1/A2.

Datum uitspraak: 24 september 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 29 november 2013 in zaak nr. 12/2507 in het geding tussen:

[appellante]

en

de Belastingdienst/Toeslagen.

Procesverloop

Bij besluit van 17 maart 2011 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het aan [appellante] toegekende voorschot kinderopvangtoeslag over het berekeningsjaar 2009 herzien en op € 9.069,00 vastgesteld.

Bij besluit van 16 april 2012, aangevuld op 28 april 2012, (hierna: het besluit) heeft de Belastingdienst/Toeslagen het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard, het aan [appellante] toegekende voorschot kinderopvangtoeslag over het berekeningsjaar 2009 herzien en op nihil vastgesteld.

Bij uitspraak van 29 november 2013 heeft de rechtbank het door [appellante] tegen het besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

De Belastingdienst/Toeslagen heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 september 2014, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. H.P. Hermans, werkzaam bij Van de Vijfeijke Management B.V., en de Belastingdienst/Toeslagen, vertegenwoordigd door mr. J.H.E. van der Meer en drs. J.G.C. van de Werken, beiden werkzaam bij deze dienst, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 1a, eerste lid, van de Wet kinderopvang (hierna: Wko) is op deze wet de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: Awir), met uitzondering van artikel 5, van toepassing.

Ingevolge artikel 5, eerste lid, van de Wko heeft een ouder jegens het Rijk aanspraak op kinderopvangtoeslag in de door hem of zijn partner te betalen kosten, indien de opvang door tussenkomst van een geregistreerd gastouderbureau plaatsvindt.

Ingevolge artikel 7, eerste lid, is de hoogte van de kinderopvangtoeslag afhankelijk van:

a. de draagkracht;

b. de kosten van kinderopvang per kind die worden bepaald door:

1˚. het aantal uren kinderopvang per kind in het berekeningsjaar,

2˚. de voor die kinderopvang te betalen prijs, met inachtneming van het bedrag, bedoeld in het tweede lid, en

3˚. de soort kinderopvang.

Ingevolge artikel 52 geschiedt kinderopvang op basis van een schriftelijke overeenkomst tussen de houder en de ouder.

Ingevolge artikel 16, eerste lid, van de Awir verleent, indien de tegemoetkoming naar verwachting niet binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag zal worden toegekend, de Belastingdienst/Toeslagen de belanghebbende een voorschot tot het bedrag, waarop de tegemoetkoming vermoedelijk zal worden vastgesteld.

Ingevolge het vierde lid kan de Belastingdienst/Toeslagen het voorschot herzien.

2. De rechtbank heeft overwogen dat, gelet op de door [appellante] in de bezwaarfase overgelegde jaaroverzichten van het gastouderbureau Roodkapje van het jaar 2009, er vanuit moet worden gegaan dat zij in het jaar 2009 een bedrag van € 9.882,00 aan kosten voor kinderopvang verschuldigd was. Verder heeft de rechtbank overwogen dat uit de door [appellante] overgelegde bankafschriften blijkt dat zij in 2009 € 9.493,20 heeft betaald en op 15 oktober 2012 het verschil tussen voormelde bedragen, een restant van € 388,80, heeft betaald.

3. Het betoog van [appellante] op de zitting bij de Afdeling dat, gelet op een aantal passages in de Handleiding gegevensaanlevering kinderopvang van de Belastingdienst van 2014, in dit kader moet worden uitgegaan van de in 2009 daadwerkelijk betaalde kosten - € 9.493,20 - en het op nihil vaststellen van het voorschot over het berekeningsjaar 2009 daarom onterecht is, volgt de Afdeling niet. Daargelaten dat de Handleiding ten tijde van het besluit niet van toepassing was, blijkt immers uit de hiervoor onder 2 vermelde jaaroverzichten dat er in 2009 1620 uren zijn afgenomen tegen een uurtarief van € 6,10. Dit betekent dat, zoals ook de rechtbank heeft overwogen, [appellante] in het jaar 2009 een bedrag van € 9.882,00 aan kosten voor kinderopvang verschuldigd was.

4. [appellante] betoogt dat, nu zij het openstaande bedrag van € 388,80 alsnog heeft betaald, dit met zich brengt dat zij de in het jaar 2009 verschuldigde kosten voor kinderopvang heeft voldaan. Dat zij deze betaling later heeft gedaan, is het gevolg van een administratieve vergissing. Hierbij wijst [appellante] er op dat in 2009 bij de betaling van de maandelijkse bedragen een - verkeerd - uurtarief van € 5,86 is gehanteerd, terwijl de jaaroverzichten reeds hierop waren aangepast en een uurtarief van € 6,10 vermeldden.

4.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 2 april 2014 in zaak nr. 201209147/1/A2), dienen alle verschuldigde kosten voor kinderopvang daadwerkelijk ten tijde van die opvang of uiterlijk kort daarna te worden voldaan om voor toepassing van de Wko in aanmerking te kunnen worden genomen. De reden hiervoor is gelegen in het belang van de Belastingdienst/Toeslagen om betrekkelijk kort na afloop van het kalenderjaar - aan de hand van de verstrekte gegevens over de tussen partijen gemaakte afspraken - definitief te kunnen vaststellen of voor dat jaar aanspraak bestaat op kinderopvangtoeslag en wat in dat geval de hoogte van de tegemoetkoming is.

In dit kader is van belang dat de Belastingdienst/Toeslagen zich bij de vaststelling van de tegemoetkoming baseert op de tussen partijen gemaakte afspraken. De hoogte van de toeslag is ingevolge artikel 7, eerste lid, van de Wko namelijk onder meer afhankelijk van de tussen partijen gemaakte afspraken over het aantal kinderen dat wordt opgevangen, het aantal uren opvang en het gehanteerde uurtarief. Deze afspraken dienen, gelet op artikel 52 van de Wko, te zijn vastgelegd in een door partijen gesloten schriftelijke overeenkomst, om te vermijden dat onduidelijkheid bestaat over de hoogte van de kosten voor kinderopvang voor het desbetreffende jaar.

4.2. In hoger beroep is onbestreden dat [appellante] destijds aan de Belastingdienst/Toeslagen heeft doorgegeven dat het uurtarief moet worden gewijzigd van € 5,86 naar € 6,10. De Belastingdienst/Toeslagen heeft het voorschot over het berekeningsjaar 2009, blijkens het besluit van 11 december 2008, op het uurtarief van € 6,10 gebaseerd. Gelet hierop had [appellante] bij de maandelijkse betalingen reeds kunnen vaststellen dat zij niet de volledige kosten van kinderopvang betaalde. Voorts had het [appellante] op basis van de door haar in de bezwaarfase overgelegde jaaroverzichten duidelijk moeten zijn dat zij in 2009 niet de volledige kosten voor kinderopvang had voldaan. [appellante] heeft vervolgens het restant van € 388,80 eerst op 15 oktober 2012 en daarmee geruime tijd na het besluit betaald. [appellante] heeft echter niet inzichtelijk gemaakt waarom zij dit restant zo laat heeft betaald. Onder deze omstandigheden kan het bedrag van € 388,80, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, voor de toepassing van de Wko niet worden aangemerkt als kosten van in 2009 verleende kinderopvang.

Het betoog faalt.

5. [appellante] betoogt dat de rechtbank de Belastingdienst/Toeslagen ten onrechte heeft gevolgd in het standpunt dat de kosten volledig moeten zijn voldaan om aanspraak te kunnen maken op kinderopvangtoeslag. [appellante] voert hiertoe aan dat de Belastingdienst/Toeslagen in strijd met de redelijkheid en billijkheid heeft gehandeld door het aan haar toegekende voorschot over het berekeningsjaar 2009 op nihil vast te stellen, terwijl zij 96% van de totale opvangkosten van het jaar 2009 heeft voldaan.

6. Dat [appellante] heeft aangetoond dat zij een deel van de kosten van kinderopvang over 2009 heeft voldaan, betekent, anders dan zij betoogt, niet dat zij aanspraak kan maken op een evenredig lager voorschot. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (zie eerder vermelde uitspraak van 2 april 2014), baseert de Belastingdienst/Toeslagen zich bij de vaststelling van de tegemoetkoming op de tussen partijen gemaakte afspraken, die, gelet op artikel 52 van de Wko, vastgelegd dienen te zijn in een schriftelijke overeenkomst. Daarbij heeft de Belastingdienst/Toeslagen evenwel te kennen gegeven dat hij, gelet op het feit dat zich gedurende het toeslagjaar omstandigheden kunnen voordoen waardoor behoefte bestaat om van de in de schriftelijke overeenkomst vastgelegde afspraken af te wijken, bereid is de kinderopvangtoeslag te berekenen aan de hand van de aan hem doorgegeven gewijzigde afspraken. Een dergelijke wijziging van afspraken kan ook uit de jaaropgave blijken.

[appellante] heeft in reactie op het verzoek van de Belastingdienst/Toeslagen de gegevens, waaronder in de bezwaarfase de hiervoor onder 2 vermelde jaaroverzichten, verstrekt waaruit de door haar gemaakte afspraken over kinderopvang blijken. Nu het bedrag aan kosten dat [appellante] blijkens deze gegevens verschuldigd is (€ 9.882,00), niet overeenkomt met het bedrag van de daadwerkelijk betaalde kosten (€ 9.493,20), moet worden aangenomen dat de kinderopvang in zoverre niet op basis van een overeenkomst als bedoeld in artikel 52 van de Wko heeft plaatsgevonden. Het gevolg daarvan is dat [appellante] geen aanspraak heeft op kinderopvangtoeslag en de Belastingdienst/Toeslagen het voorschot over het berekeningsjaar 2009 terecht op nihil heeft vastgesteld.

Het betoog faalt.

7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.J. de Heer, griffier.

w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. De Heer

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 24 september 2014

636.